Arslantepe

mei 25, 2013
"5000 years ago, near the Euphrates, the state was born."

“5000 years ago, near the Euphrates, the state was born.”

Kijk kijk, het kan dus toch, de Oudheid goed uitleggen aan de burger. Ik zag het in Arslantepe, een opgraving bij het huidige Malatya, een Turkse stad de bovenloop van de Eufraat. Wie de opgraving bezoekt, ziet eerst een reeks mooi-verzorgde kopieën van de stadspoort die hier in het eerste kwart van het eerste millennium v.Chr. heeft gestaan, met een standbeeld van een koning en een groot aantal reliëfs (“orthostaten”). Hier, in het volle zonlicht, krijg je er eigenlijk een beter beeld van dan in het Museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara, waar de originelen zijn.

Op de eigenlijke opgraving concentreert men zich momenteel op het Late Chalcolithicum (“Kopertijd”) en de Vroege Bronstijd, dus zeg maar de periode van 3400-2750 v.Chr. Dit is een interessant tijdvak, die wordt uitgelegd op borden die op de relevante plaatsen tussen de ruïnes staan. Aan het begin van deze periode leefden de mensen nog in een egalitaire boerensamenleving; aan het einde ervan bestonden steden, staten en sociale stratificatie en stond men op het punt echte imperia te bouwen. Het is leuk om te zien, want dit is dus in Turkije en niet in Egypte of in het zuiden van Mesopotamië, waar men het ontstaan van de stedelijke beschaving meestal localiseert.

Temple B

Temple B

Een eerste aanwijzing dat er iets te gebeuren stond, was de bouw van een voor die tijd opvallend groot, voor iedereen toegankelijk heiligdom (“tempel C”), die de plaats domineerde tot ongeveer 3350 v.Chr. Er moet een beginnende centrale autoriteit hebben bestaan, zo legden de borden uit. We kunnen toevoegen dat dit een religieuze autoriteit moet zijn geweest, of beter: een elite die zich legitimeerde via vrome zorg voor de goden. Daarna, aan het einde van het Chalcolithicum (in periode Arslantepe VIa) ontstond een paleis van ruim 2000 vierkante meter, met een civiel woonhuis, voorraadkamers en twee wat kleinere tempels. Enkele elite-huizen lagen er vlak naast.

Je ziet hier het ontstaan van zowel sociale stratificatie als een niet-religieuze elite. Of, zoals men het wervend samenvat, “5000 years ago, near the Euphrates, the state was born”. Het is niet moeilijk te zien dat de nieuwe elite uit de generaal en zijn manschappen moet hebben bestaan, want er werden ook zwaarden gevonden – de oudste ter wereld. De tempels waren niet zo toegankelijk meer, wat suggereert dat de nieuwe elite de band met het Hogere wist te monopoliseren en dus de gewone boeren afhankelijk had gemaakt. Voorraadkamers bevestigen dit: er was een mooi-versierde ontvangstzaal, met aan weerszijden ruimtes waarin zaken werden afgedragen en zaken konden worden uitgedeeld. De vakterm is “redistributie-economie”: de boeren leverden hun oogst in en kregen in ruil bescherming, eten en zaaigoed.

Ik  vat het hier allemaal wat kort samen, maar het is duidelijk dat de Italiaanse opgravers van Arslantepe hun bezoekers serieus nemen. Ze leggen goed uit wat de vondsten betekenen en ook welk belangrijk proces, staatsvorming, hier wordt gedocumenteerd. De uitleg is helder, en als je bij bijvoorbeeld de voorraadkamers staat, is daar ook de uitleg over de redistributie-economie, terwijl je, als je leest over de zwaarden, zelfs de kuil kunt zien waarbij ze zijn gevonden.

Arslantepe, replica van een orthostaat

Arslantepe, replica van een orthhostaat

Ik ben blij hier te zijn geweest, want nog gisteren zag ik hoe het niet moet. Ik zal de naam van de opgraving met de mantel der liefde bedekken, maar et gaat om een plaats waarvan vele vondsten zijn te zien in het Archeologisch Museum van Istanbul en in het Berlijnse Pergamonmuseum. Voorwaar een site die bekend is en nieuwsgierig maakt. Vandaar dat ik de opgraving nu wel eens wilde zien, en dat was des te makkelijker omdat er de afgelopen jaren is gegraven.

Ik verwachtte dat er wel ergens een bord zou staan waarop werd uitgelegd wát men aan het opgraven was, al was het maar omdat je als archeoloog op die manier een hoop vragen kunt vermijden en tenminste kunt doorwerken. Niets van dat alles echter, en het leek erop dat de bewoners van het dorp, die binnenkort hun huizen moeten verlaten omdat de archeologen willen weten wat daaronder zit, ook niet weten wat er precies gaande is. Een geweldige manier om draagvlak voor de archeologie te verspelen.


Museumstuk (12)

mei 25, 2013

De zwarte stenen stele hierboven is te zien in het Archeologisch Museum van Antiochië. Ze is ontdekt in wat nu een buitenwijk van die stad is. De stele is opgericht door de Assyrische koning Adad-Nirari III (r.810-783) en diende om de grens aan te geven tussen het gebied van twee van zijn vazalvorsten, Ataršumki van Arpad en Zakkur van Hamath. De laatste lijkt wat land te hebben afgestaan. Dat de Assyrische koning bemiddelde, is niet zo vreemd, want hij was nu eenmaal de machtigste heerser van die tijd. Het is echter wél opvallend dat ook allerlei goden uit dat verre land worden genoemd in wat een lokaal dispuut was. Blijkbaar ervoeren Ataršumki en Zakkur de macht van de Assyrische goden als reëel.

De afbeelding bovenaan toont koning Adad-Nirari en zijn generaal Šamši-ilu (die het verdrag dicteerde) aan weerszijden van een zuil. Dit is vermoedelijk een asera: een paal die de aanwezigheid van een godheid aangaf. Daaronder staat de eigenlijke tekst, die uiteenvalt uit de koninklijke titels, de bepalingen van het verdrag, een opmerking dat Adad-Nirari het stuk land heeft overgedragen, en tot slot een reeks vloek- en zegenbepalingen voor degenen die het verdrag schenden en handhaven. Er zijn honderden van dit soort verdragen geweest en niets van deze tekst is exceptioneel. Behalve natuurlijk dat we deze tekst nog over hebben.

De vertaalde tekst is hier.


Het Houten Zwaard

mei 24, 2013

Filmposter

Filmposter

Wie het verslag leest dat de Romeinse historicus Tacitus in zijn Historiën heeft gegeven van de Bataafse Opstand, weet dat er destijds in ons rivierenlandschap verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. De gevechten breidden zich vanuit het gebied van de Neder-Rijn uit naar Xanten en Keulen, naar Maastricht en Tongeren, naar Vlaanderen en naar de vallei van de Moezel. Er is wel eens becijferd dat elk Bataafs gezin een zoon moet hebben verloren. Nijmegen brandde.

In de korte, educatieve film “Het Houten Zwaard” kunnen we een glimp opvangen van de nasleep: een jonge Bataaf wordt gevangen genomen en als slaaf verkocht aan een gladiatorenmeester, die hem opleidt om te vechten in de amfitheaters van het Rijnland. Hoe de film afloopt, weet ik niet, maar ik begrijp uit het informatiemateriaal dat de jonge man, als hij zijn vrijheid terugkrijgt, ontdekt dat de strijd nog niet is gestreden.

Het idee van Phalera Filmworks en de re-enactors van Corbvlo was om nu eens een film te maken over de Romeinse tijd die wél klopt. Een simpel idee dat, als je erover nadenkt, de vraag doet opkomen waarom niemand het eerder heeft gehad: Museumpark Orientalis en het Archeologische Park bij Xanten bieden immers prachtige decors en er zijn veel re-enactors die weten hoe bijvoorbeeld de kostuums eruit zagen. De middelen en de know how zijn er.

Belangrijker nog is dat ook het publiek er is: de film kon met crowdfunding worden gefinancierd. Laat niemand zeggen dat er geen belangstelling is voor de oude wereld en dat het niet belangrijk zou zijn te streven naar accuratesse, want de totstandkoming van Het Houten Zwaard bewijst het tegendeel. Misschien is het belangrijkste aan dit project dan ook dát het is voltooid, zodat de weg wordt geopend naar ambitieuzere projecten.

De film is bedoeld voor in de klas, maar is vanaf aanstaande zondag ook te zien in Orientalis. In een van de huizen in de Romeinse straat valt ook een bijbehorende tentoonstelling te bekijken.


Potten en pannen

mei 23, 2013
Oscar Montelius

Oscar Montelius

En zo maakte voormalig staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra toch school met zijn opmerking dat hij niet wist wat hij aan moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”. Zijn epigoon blijkt niemand minder dan de Turkse premier Recep Erdoğan, die eveneens van mening is dat potten en pannen behoorlijk in de weg kunnen liggen. Lees maar. Beide heren bedoelen, vanzelfsprekend, dat ze niet goed weten waartoe archeologisch onderzoek dient.

Voor een oudheidkundige is zoiets natuurlijk vervelend om te lezen, maar de mannen hebben wel een punt: het belang van de oudheidkundige disciplines spreekt niet vanzelf en zal af en toe moeten worden uitgelegd. De subsidie van archeologische musea is geen absoluut recht en er zijn legio situaties denkbaar waarin het oudheidkundig onderzoek moet wijken voor andere zaken.

Desondanks zou ik van Zijlstra, als liberaal, een ander standpunt hebben verwacht, en ik neem de woorden van Erdoğan als aanleiding om nog eens terug te komen op Zijlstra’s uitspraak. Die opgegraven potten en pannen vormen namelijk een behoorlijk deel van de rechtvaardiging van het gedachtegoed van zijn politieke partij.

Het liberalisme combineert twee ideeën, namelijk de vooruitgangsgedachte en de opvatting dat de vooruitgang het meest wordt bevorderd als mensen in hun economisch handelen vrij worden gelaten. Beide ideeën werden voor het eerst geformuleerd in de achttiende eeuw, en hoewel de liberalen konden beredeneren waarom ze met elkaar samenhingen, wist niemand destijds zeker of die vooruitgang eigenlijk wel bestond. Was het Romeinse Rijk niet groter en bevolkingsrijker geweest dan de achttiende-eeuwse Europese staten, was het niet ten onder gegaan, kon zo’n awful revolution zich niet herhalen? Deze vragen wonnen aan urgentie omdat er ook mensen waren die meenden dat de wereldgeschiedenis er een was van verval en degeneratie.

De denkers van de Verlichting zochten naar aanwijzingen dat er vooruitgang bestond. Antieke teksten en de waarnemingen van wereldreizigers documenteerden primitievere levenswijzen, waarvan mannen als Anne-Robert Turgot (de minister van Financiën van Lodewijk XVI) en zijn landgenoot, de wiskundige De Condorcet, aannamen dat ze vroeger ook in Europa waren voorgekomen. Er zouden verschillende ontwikkelingsstadia zijn geweest.

  • De mens als aaseter
  • De mens leert werktuigen maken en gaat jagen
  • De mens sluit dieren op in een kraal en wordt veeteler
  • De mens wordt akkerbouwer
  • De mens gaat wonen in steden
  • Het koningschap ontstaat, met een eigen administratie, het schrift, literatuur, kunst

Van dier tot cultureel wezen: wat een mooi idee. Er bestond echter slechts indirect bewijs: de Europese ontdekkingsreizigers hadden mensen gezien die zo leefden, en Turgot en De Condorcet namen aan dat die vreemde culturen konden dienen als openluchtmusea van een verleden Europa. Maar of het werkelijk zo was, wisten ze niet.

De eerste liberale denkers bouwden dus op los zand toen ze van de Verlichtingsfilosofen het idee overnamen dat er vooruitgang bestond. Het waren archeologen als de Zweed Oscar Montelius (1843-1921) die bewezen dat de gepostuleerde evolutie inderdaad had plaatsgevonden en dat de antropologische vergelijkingen van Turgot en De Condorcet correct waren geweest.

Archeologen zouden best eens wat vaker mogen benadrukken hoe belangrijk hun bijdrage is geweest aan het huidige, door (technologisch) vooruitgangsoptimisme gedomineerde wereldbeeld. De oudheidkundige disciplines leggen zich echter, zoals ik al vaker heb betoogd, notoir slecht uit. Zó slecht zelfs dat Halbe Zijlstra, die dit én als staatssecretaris van Cultuur én als liberaal zou hebben horen weten, het niet wist. Ik weet dat archeologen hebben gelachen om “halve zoolstra”, maar het was vooral de oudheidkunde die belachelijk was.


Pilaarheilige

mei 22, 2013
De restanten van Simeons zuil

De restanten van Simeons zuil

Vandaag ben ik gegaan naar het klooster van Sint-Simeon de Jongere, die leefde van 521 tot 597. Zijn carrière doet wat denken aan die van zijn oudere naamgenoot, Simeon de Styliet, die in het noorden van Syrië zijn dagen sleet, zittend op een pilaar, waarvandaan hij ook preekte.

Het blijft een raar soort religiositeit: afwijzen wat gewoon en natuurlijk is, dat je geniet, en je lichaam kastijden omwille van het Koninkrijk. Het maakte destijds echter enorme indruk, en net als Simeon de Styliet was Simeon de Jongere een populaire “geloofsvirtuoos”.

Een deel van de verklaring moet zijn dat deze mensen een rechtstreekser contact met het heil boden dan de traditionele culten. Een gelovige hoopt dat God naar zijn gebeden luistert, maar net als in de laat-antieke realiteit, waarin een arme boer door vele bestuursechelons was gescheiden van de keizer, zo plaatste de geïnstitutionaliseerde Kerk obstakels tussen de gewone gelovige en God. Heilige mannen boden een directer contact met het Hogere.

Er is vaak gewezen op het ostentatieve karakter van pilaarheiligen: je kunt moeilijk zeggen dat iemand de mensheid ontwijkt en het isolement opzoekt als hij zich op een pilaar gaat zitten kastijden. De eerste Simeon zat nog ergens te midden van Syriës “dead cities”, maar de pilaar van de jongere, zo realiseerde ik me vandaag, stond op een 480 meter hoge heuvel, Samandağ (“berg der wonderen”), midden tussen de twee enorme steden Antiochië en Seleukia. Momenteel staan er enorme windmolens, die je vanuit het dal en vanaf de kust makkelijk kunt zien; de zuil van Simeon de Jongere was lager, maar moet even gemakkelijk te zien zijn geweest.

Er viel me nog iets op. In de eerste plaats: de eerste kerk ter plekke is gebouwd tussen 541 en 551, toen Simeon dus een twintiger was. De zuil staat ernaast en is niet een opgerichte pilaar, maar is uit de rots gehouwen. Een groot team van arbeiders heeft vertrekken in de rotsen gemaakt en de centrale hal met de zuil uitgehouwen. Het plattegrond lijkt op dat van de gebouwen die rond 475 waren opgericht rond de zuil van Simeon de Styliet. Dit was een enorm bouwproject en het heeft er de schijn van dat de jongere pilaarheilige, toen hij zijn optreden modelleerde op zijn voorganger, de beschikking heeft gehad over een aanzienlijke organisatie die hem hierin steunde. Wat het verder ook geweest moge zijn, met isolement had deze vorm van heiligdom weinig te maken.


Museumstuk (11)

mei 22, 2013
Twee sfinxen: links de Duitse en rechts de Turkse

Twee sfinxen: links de Duitse en rechts de Turkse

Aan de voet van de hoofdstad van de oude Hittieten, Hattusa, ligt een klein dorpje, Boğazkale, waar een museumpje is met archeologische vondsten. Ik was er al eens eerder geweest en vond het aardig, zonder bijzonder onder de indruk te zijn van de voorwerpen: de echte topstukken lagen namelijk in het Museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara en het Archeologisch Museum in Istanbul. Een kleitablet met een deel van de tekst van het Epos van Gilgameš was eigenlijk het enige dat bij mijn eerdere bezoeken indruk op me maakte.

Maar afgelopen zaterdag was dat ineens anders en daar zit een niet zo fris verhaal aan vast. Beide sfinxen zijn door Duitse archeologen opgegraven en in 1915 naar Berlijn overgebracht om te worden gerestaureerd. De afspraak tussen de toenmalige archeologische diensten was dat de vondsten zouden worden verdeeld en de Duitsers legden dat uit als “één sfinx voor ons en één voor jullie” en lieten in 1924 de eerste sfinx naar Istanbul verhuizen. In Turkije legde men de verdeling echter anders uit: het ging om de verdeling van het geheel van vondsten, en dat betekende dat beide sfinxen in hetzelfde museum behoorden, en dat de partij die ze niet kreeg, zich mocht compenseren met meer van de andere archeologische vondsten.

Al in 1938 vroeg Turkije ook om de tweede sfinx, maar Duitsland ging er niet op in. In het voorjaar van 2011 eiste de Turkse minister Ertuğrul Günay het voorwerp wel op, en hij speelde het hard: als de Duitsers de sfinx niet teruggaven, zouden ze nooit meer mogen opgraven in Hattusa. Duitsland moest wel inbinden, al probeerde minister Bernd Neumann er nog wat van te maken door het afstaan van de sfinx te presenteren als een vrijwillig gebaar.

Günay betoonde zich tot slot niet alleen een diplomaat van de ijzeren vuist, maar ook van de fluwelen handschoen: hij verklaarde dat het een op zichzelf staand geval was, waarmee geen precedent zou zijn geschapen voor de teruggave van andere Turkse voorwerpen in Duitse musea – wat natuurlijk precies het tegengestelde betekende van wat de minister feitelijk had gezegd.

In elk geval is de “Duitse” sfinx nu terug in Hattusa. Ik wist dat het een en ander speelde, maar had niet verwacht dat de Turken zo snel beide sfinxen bij elkaar zouden plaatsen en dat het resultaat zó geslaagd zou zijn. Eerlijk is eerlijk: ze komen in het kleine gebouw beter tot hun recht dan in de immense tentoonstellingsruimtes waar ze vroeger stonden.


Uitzicht

mei 21, 2013
Zicht op Antiochië

Zicht op Antiochië

Ik heb het hier in Turkije tot nu toe goed getroffen met het uitzicht uit mijn hotelkamers: het Romeinse badhuis in Ankara, de ruïnes van Hattusa en de bergen achter Kayseri. Het plaatje hiernaast overtreft echter alles. De stad is Antiochië: hoofdstad van het Seleukidenrijk, residentie van de Romeinse gouverneur van Syrië, christelijke metropool en een van de voornaamste plaatsen uit de tijd van de Kruistochten.

De brug ligt op de plaats van een oudere brug waarover de Kruisvaarders op maandag 28 juni 1098 een uitval deden, de opmaat tot de veldslag waarmee ze hun belegeraars versloegen. Historische grond dus. Begeleidende muziek: de oproep tot gebed van een muezzin die opvallen goed bij stem is.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 151 other followers