Joods, of ze wilden of niet

Wetenschapsjournalist Theo Toebosch woont vier blokken van mij vandaan. Ik kom hem op straat wel eens tegen. We zullen twee of drie keer hebben geluncht. Ik mag dus niet beweren dat ik onbevooroordeeld ben begonnen aan zijn boek over de familie Josephus Jitta, Uitverkoren zondebokken. Toch denk ik dat ik, als ik onbevooroordeelder aan dit boek was begonnen, moeilijk een andere recensie zou kunnen schrijven dan de huidige. Het is moeilijk Toebosch’ enthousiasme voor de stof niet te delen.

De woorden ‘uitverkoren’ en ‘zondebok’ suggereren dat we te maken hebben met een joodse familie, wat correct blijkt te zijn in de eerste helft van het boek, waarin Toebosch het leven beschrijft van de joden van Bamberg. Een van hen, Nathan (1739-1829), kan een financiële betrekking (‘hofjood’) krijgen bij de Prince de Ligne, die grootse plannen heeft met een dorp in Henegouwen. Het loopt echter op niets uit en Nathan vestigt zich uiteindelijk in Amsterdam, waar hij de achternaam Josephus Jitta aanneemt als Napoleon in 1812 de burgerlijke stand invoert.

De volgende generaties

Zijn zoon Wolf (1792-1850) heeft een diamantzaak, kleinzoon Sim (1818-1897) graaft het Noordzeekanaal, in de vierde generatie organiseert Daniel (1854-1925) de Amsterdamse Wereldtentoonstelling en is Nicolaas (1858-1940) een bekend oogheelkundige, en in de vijfde generatie ontmoeten we de archeologe Annie (1904-2000) en de journalist Carel (1887-1958). Als er rode draden zijn in hun levens, dan zijn dat die van een ongebruikelijk grote maatschappelijke betrokkenheid en een heel gebruikelijke secularisering. Zoals bekend had de Duitse bezetter minder moeite met de christelijke secularisering dan met de joodse: een joodse identiteit zou erfelijk zijn en schadelijk. In 1940 ‘waren de Jitta’s in één keer, of ze wilden of niet, weer joods’, is Toebosch’ onderkoelde inleiding tot het beklemmendste deel van zijn boek.

Deze beklemming valt de lezer des te rauwer op het dak omdat het vooroorlogse deel van Uitverkoren zondebokken lichtvoetig was. Het is in wezen een beschrijving van een reeks archiefstukken, waaruit Toebosch met smaak citeert. Uit een boedelbeschrijving reconstrueert hij een woonhuis en in zijn samenvatting van de correspondentie met een voorname klant toont hij hoe deze tot kostbare aankopen werd verleid. Het is alsof een archivaris je enthousiast zijn mooiste vondsten toont.

Liefdevolle archiefrat

Maar Toebosch is meer dan een liefdevolle archiefrat. Om van de in de archiefstukken geconstateerde feiten te komen tot verklaringen, benut hij sociaal-wetenschappelijke modellen: ‘Migranten, zo blijkt uit de studie Migration Theory van Caroline Bretell, gingen en gaan nooit helemaal zo maar in den blinde ergens heen.’ Ik was blij zulke zinnen te lezen. Te vaak zijn historici bang hun modellen te tonen, zodat het voze vooroordeel blijft bestaan dat je geschiedenis zou kunnen schrijven zonder kennis van de sociale wetenschappen. Toebosch toont dat je geen lezers hoeft te verliezen als je je werk gewoon goed doet.

Regelmatig geeft hij persoonlijk commentaar, en hoewel dat naarmate het boek vordert frequenter voorkomt en langer wordt, irriteert het niet. Zo lezen we dat de inpoldering van enkele gebieden langs het huidige Noordzeekanaal ‘gepaard ging met de opening in 1929 van een nieuwe, grotere sluis, die ontworpen is door een andere nazaat van Nathan, Paul’, waaraan Toebosch toevoegt dat deze ‘trouwens een interessante kaartvriend had, maar dat vertel ik later nog’.

Dit soort opmerkingen houden het verhaal in de regel luchtig en herinneren de lezer er voortdurend aan dat elk historisch beeld in laatste instantie een persoonlijk reconstructie door de auteur is. Soms is het commentaar juist niet lichtvoetig. De aanvragen van vervolgde joden om naar het geprivilegieerde Barneveld te mogen, ‘vormen een dossier van de wanhoop’. Wetenschappelijk bezien zou zo’n terzijde niet mogen, maar het schept wel betrokkenheid en Toebosch citeert niet zonder reden op deze plaats Jacques Presser, die eenzelfde geschiedopvatting had.

Een evocatie van het verleden

Ondanks het grimmige deel over de Tweede Wereldoorlog valt er veel te genieten. Toebosch heeft oog voor mooie details en roept, zeker in het deel vóór de familie tijdens de Russische Revolutie een groot deel van haar in Russische spoorwegaandelen belegde vermogen kwijtraakte, de wereld op van de liberale burgerij. Het is daardoor in zekere zin een sociale geschiedenis van West-Europa, bezien door de ogen van een welvarende familie, een familie die zichzelf beschouwt als seculier, liberaal of kosmopolitisch, maar er steeds aan wordt herinnerd dat ze joods zou moeten zijn.

Een evocatie dus van het verleden. Nostalgisch wordt Uitverkoren zondebokken echter zelden, al word je wat weemoedig als Toebosch een briefwisseling uit 1839 samenvat, waarin in één week om te beginnen een brief van Amsterdam naar Frankfurt kon gaan, vervolgens het antwoord kwam en ook nog een derde brief werd verstuurd. Dan bedenk je als lezer ineens dat de postbezorging destijds aanzienlijk betrouwbaarder en sneller was dan tegenwoordig. Daar word je toch wel wat nostalgisch van.

[Eerder verschenen op de website van de Athenaeum Boekhandel]

Een reactie op Joods, of ze wilden of niet

  1. Jan Best zegt:

    Mussolini’s Etrusken in Nederland.

    In 1942 verscheen Etruscologia van de hand van Massimo Pallottino, destijds cultureel adviseur van Mussolini (oral information barones Sibylle Cles von Reden, destijds gehuwd met de Oostenrijkse gezant in Rome). De hoofdthese van Pallottino (ook door hem geuit op diplomatieke recepties van de Oostenrijkse ambassade) is dat de Etrusken in Italië autochthoon zijn, dit in het kader van het toenmalige nationalistische fascisme. Een aanhangster van het fascisme van Mussolini in Nederland was toendertijd Annie Zadoks Josephus Jitta (haar man was liever lid van de NSB) evenals dit het geval was met veel fascistische Italiaanse Joden, let wel, vóórdat ook zij werden afgevoerd.

    Intrigerend is het initiatief waardoor aan Pallottino de Nederlandse Erasmusprijs werd verleend (in ruil voor de licentie voor o.m. de opgraving in Satricum). Theo Toebosch zou via haar paladijnen uiteindelijk uitkomen bij…. Annie Zadoks Josephus Jitta. (Overigens leren een analyse van alle historische bronnen, recente archeologische opgravingen, bestudering van de schrifttekens en de linguistisch Luwische basis van het Etruskisch dat de oorsprong van de stadscultuur der Etrusken in westelijk Turkije valt te localiseren, maar dit terzijde). De Erasmusprijs dus. Wie weet nog dat in Nederland Moederdag door de Nazis is ingesteld?….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 276 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: