Het woord ‘Kelten’ is een van de lastigste uitdrukkingen uit de antieke volkenkunde. Misschien had het woord oorspronkelijk alleen betrekking op de mensen onmiddellijk ten noorden van Marseille, maar al in de vijfde eeuw gebruikt de Griekse onderzoeker Herodotos de naam voor de bewoners van een veel groter gebied, waarin zowel het huidige Port-Vendres (aan de voet van de oostelijke Pyreneeën) als de bron van de Donau (in het Zwarte Woud) lagen. Een eeuw later benut Eforos het woord voor iedereen uit het westen.
Bij latere auteurs is ‘Keltisch’ synoniem met ‘barbaars’. Zo duidt de Griekse auteur Cassius Dio de stammen ten oosten van de Rijn aan als Kelten, hoewel deze volken in vrijwel alle andere bronnen Germanen heten. (Als Dio het over Germanen heeft, bedoelt hij de inwoners van de Romeinse provincies Neder- en Opper-Germanië.) In het verlengde van Dio’s woordkeuze ligt het gebruik van ‘Kelten’ door middeleeuwse, christelijke auteurs ter aanduiding van alle niet door de Romeinen onderworpen gebieden, zoals de bewoners van Ierland.
Het christelijk woordgebruik zou bij de klassieke auteurs waarschijnlijk hebben geleid tot opgetrokken wenkbrauwen. In deze Babylonische spraakverwarring was men het over één ding namelijk eens: de bewoners van de Britse eilanden waren geen Kelten. Caesar meent bijvoorbeeld dat Belgische stammen naar het westen waren overgestoken, en hoewel we dit niet zonder meer voor waar hoeven aan te nemen,
bewijst de opmerking dat hij de Britten niet herkende als Keltisch. Ook de geograaf Strabon onderscheidt de Britten van de Kelten.
Vanouds noemden de Romeinen de volken op de Povlakte en Midden-Frankrijk ‘Galliërs’, en Julius Caesar beweert dat zij zichzelf Kelten noemden. Vermoedelijk is het net andersom: de mensen die zichzelf aanduidden als Galliërs, werden door anderen Kelten genoemd. In elk geval staat vast dat het door Caesar als Keltisch beschouwde gebied taalkundig kon worden onderscheiden van de Aquitaniërs in het zuidwesten en de Belgisch-sprekenden in het noorden. De taal van Caesars Kelten is verwant met een reeks antieke talen, die linguïsten zijn gaan aanduiden als de Keltische taalgroep. De verspreiding daarvan correspondeert ruwweg met die van enkele IJzertijdculturen die bekendstaan als La Tène. De talen van de Britse eilanden zijn daarmee verwant.
Dan hebben we het nog niet gehad over mensen die archeologisch gezien behoren tot de La Tènecultuur maar een Germaanse taal spraken. Wat ik maar wil zeggen: de term ‘Keltisch’ is dus bijna onbruikbaar.
Dat laat echter onverlet dat je er mooie exposities over kunt organiseren. Over de mooie tentoonstelling die ik vandaag in Stuttgart bezocht, later meer.


Vele jaren lang heb ik het begrip “Keltisch” wat lacherig beschouwd als een romantische fantasie uit de 19e eeuw, die vooral nog nagloeide in de wetenschap. Onlangs echter is me gebleken dat “Keltisch” toch een bruikbare term zou kunnen zijn, mits men alle Hallstatt en La Tène verhalen er maar af laat. Ik raad u aan om het boek “The origins of the Britsh” van Stephen Oppeheimer te lezen (ISBN 978-1-84529-482-3).
Ik zou de omgekeerde keuze maken: beperk het tot Hallstatt en La Tène, en laat die Britten erbuiten. Grappig hoe een uitdrukking zó zwaan-kleef-aan speelt dat het elkaar uitsluitende begrippen in zich verenigt.
Ik begrijp dat u het boek niet gelezen heeft. De conclusie daarin is namelijk dat de Britten géén Kelten zijn. Maar de mensen van Hallstatt en La Tene óók niet.