Ashura in 1704

Ashura in Isfahan, 2004

Op 5 december 2011 herdachten de shi’itische moslims (zeg maar de Iraanse variant op het geloof) de gewelddadige dood van Husseyn, een kleinzoon van de profeet Mohammed. In Iran zijn dan passiespelen te bewonderen en in Europa zal de televisie vanavond wel weer mensen tonen die zichzelf verminken, een onsmakelijke praktijk die in Iran is verboden.

Het is, opmerkelijk genoeg, helemaal niet zo’n deprimerend feest. Er hangt een hele speciale sfeer, die ook op volkomen buitenstaanders indruk maakt. Wie meer over het Ashura-festival wil lezen, kan hier terecht.

Cornelis de Bruijn

Een van de volkomen buitenstaanders die onder de indruk was, was een Nederlandse tekenaar die in 1704 Isfahan bezocht, Cornelis de Bruijn. In zijn Reizen over Moskovie, door Persie en Indie (1711) heeft hij een beschrijving opgenomen. Af en toe slaat hij de plank volkomen mis, maar zijn beschrijving bevat ook allerlei elementen die nog altijd herkenbaar zijn. De datum van het festival is afhankelijk van de maankalender, zodat de door De Bruijn genoemde datum niet de zevende december van dit jaar is.

Op den zesten dagh der maent Mei begonnen de Persianen, nadat zy de nieuwe maen gezien hadden, te vieren de Treurdagen, ingestelt ter gedachtenisse van de doot huns grooten Heiligs Husseyn, zoon van Alie en Fatma, Mahomets eenigste dogter.

Groote rou wert hierover openbaerlyk getoont door de gansche stadt, treurende over zyne ongelukkige doot, hem op dezen dagh aengekomen in den jare, zoo als zy zeggen, 1027: wanneer Mahometh, nu volgens hunne rekening geleden 1118 jaren, zich gedwongen vont uit Mecha naer Medina te vluchten om de nieuwe gevoelens zyner tegenstreveren.

Husseyn, dan, wert in die vlucht overvallen, en met 72 van de zynen jammerlyk om ‘t leven gebragt in ‘t woest Arabie, by of in de plaets Kierbila genaemt, waer zyn graf nu nogh in groote eere gehouden, en van veele luiden bezogt wort. Want de Persianen houden hem voor hunnen wettigen imam of Opperhooft: zoo dat zelf de groote koning Abbaas roemde van hem afkomstigh te zyn; dat de Turken egter verwerpen.

De Bruijn heeft goed begrepen hoe belangrijk het martelaarschap van Husseyn is voor de shi’ieten, en inderdaad claimde sjah Abbas de Grote (reg. 1586-1628) dat hij afstamde van Husseyn. Hij is echter niet om het leven gebracht tijdens de tocht van Mohammed van Mekka naar Medina, maar enkele jaren later (zoals De Bruijn ook, enigszins kreupel, aangeeft), tijdens de slag bij Kerbala.

Een beroemd schilderij, waarvan je in Iran overal reproducties ziet, toont het paard van imam Husseyn, dat na de slag bij Kerbala zonder zijn meester terugkeert bij de totaal verslagen vrouwen.

Dit treuren duurt tien dagen lang, en gaet op de volgende wyze toe. Kleene troepen, bestaende in 8, 10, of 12 menschen, begeven zich op de straten, meest al ongehavent en slecht gekleedt. Hier onder loopen’er ook, die half naekt zyn, vuil ook, en met zwart bestreken, zoodat onze schoorsteenvegers, versch uit den schoorsteen gekropen, daer niet by halen kunnen. Voor hoedanige figuren onze kinders niet alleen, maer ook oude luiden zich op de vlucht begeven zouden, Deze menschen, zoo gedrochtelyk uitgestreken, stellen zich zeer droevigh aen, heffende klaegliederen aen onder het gespeel van een tuig, als onze kastinjerten.

Anderen dragen eenigh geweer, waer mede zy door hunne gebaerden de manier van zyn ombrenging verbeelden. Eenigen van deze luiden hadden by zich een byzonder groot menschenbeelt, waerdoor Husseyn betekent wert: zeer slegt en simpel toegetakelt. Dit beelt was hol, en wert bewogen door iemant, die daer in stak, zoodat men zyn beenen onder uit de kleederen zagh.

Zoodanige aperyen gaen’er doorgaens in zwang: wordende deze bootsemakers, die daer mede omloopen, hiervoor van de winkeliers, en anderen, voor welker huizen zy stil staen, beloont met eenige Kas-begies, dat het minste gelt is, dat by de Persianen omgaet. Anderen geven ook wel wat rykelyker.

Ondertussen wort’er des middags, en des avonts op de straten gepredikt, waer toe de bequaemste plaetsen uitgekoren worden, te weten daer de wegen op elkander slaen, en daer demeest’e gangh is van volk. Deze plaetsen schikkenze dan sierlyk op, bchangenze met kleeden, en beleggenze met tapyten. Aen de muren hangenze in ‘t rond schilden en andere wapens. Op het voornaemste deel van zulk een plaets staet een predikstoel, waer in men met 5 of zes trappen opstygt. De Leeraer hier opgetreden heeft eenige bladen beschreven papiers in de handen. Hier slaet hy zyn oogen dikwyls op, en bromt de daden en deugden van Husleyn met luider stemme uit, zonder de historie van zyn ongelukkige doot te vergeten. Twee of drie trappen lager staet een tweede Leeraer, die, als de eerste zyne Rede geeïndigt heeft, de zyne ook aenheft, maer al zingende dat het klinkt.

Alle aandacht voor een geïnteresseerde westerling.

Zoals gezegd maakte ik het festival in 2004 zelf mee. De gastvrijheid van de Iraniërs (De Bruijns “Persianen”) is spreekwoordelijk: we werden van verschillende zijden uitgenodigd, en het verlangen van de Isfahaniërs om een praatje te maken met hun Hollandse gasten was meestal groter dan hun religieuze ijver. De Bruijn had een soortgelijke ervaring.

Tot gemak der toehoorderen worden veel banken en stoelen gezet. Ik, om myne nieuigierigheit te voldoen, begaf my nevens eenige vrienden uit de woning onzer maetschapije naer een plaets, die daer digt aen was. Maer toen men ons in ‘t oogh kreegh wert ons uit inzicht van ons Opperhooft, waer voor ze grote agting hebben, aenstonts een goede zitplaets aangewezen.

Ik zag dit werk dan een goedt half uur aen en moet bekennen dat de meeste toehoorders in zodanigen druk waren door het bewegelyk verhael der Leeraren, dat men’er weinigh zagh, dien de tranen niet over de wangen liepen. Mannen, vrouwen, kinderen, ‘t kreet al wat’er was luider keele. Aen den uithoek des muurs, die aen den wegh komt, zagh men een groote mismaekte figuur van enen man gevult met stroo, gebonden onder de armen, ophangen. Hier door werd de dootslager van Husseyn, genaemt Omaer verbeelt. Dit beelt wert op eenen der avonden openbaerlyk verbrant: en dit zelve geschiedde op verscheide andere oorden der stadt.

By nacht oock zagen wy eene dezer predikplaetsen op eene groote vlakte, daer zekere soort van een toneel was opgericht, toegestelt met veel latwerk om daer lichten op te zetten, wordende het getal der lampjes geschat op een getal van ontrent tien duizent. Ik bevond den toestel hier van zeer slecht gemaekt zonder eenige bevalligheit. Want de bereidingh hier van was zoo weinigh verzorgt, dat een groot gedeelte der ligten door den wint wiert uitgeblust. Het getal der toezieners was zeer groot, om nu niet tespreken van verscheide huizen, waer in al zulk een toestel was aengerecht.

Dit soort toestellen (stellages, zouden wij zeggen) bestaan nog steeds. De rest van het jaar staan ze gewoon ergens langs een weg of op een pleintje, klaar om het volgende jaar weer gebruikt te worden.

Om weder te keeren tot de plechtigheden, waer van wy gesproken hebben, het voornaemste der zelve bestondt in eenen ommegang, die den volgenden dagh stondt te geschieden. Om welken te beschouwen wert my een bequame plaets aengewezen boven in een’winkel van eenen bekenden Kok in de Basaer. Hier most alles voorby, zoodat my niets konde ontslippen.

Het eerste gezicht dan, dat ik had, bestondt in eenige ruiters van den Daroga of schout, gevolgt door de voorsten van den ommegang, die een deel zangers waren, yder met een waskaersje in de hant, ongekleet met een slegt linnen rokje meest paers van koleur, ook hier en daer zwart, als voegende best by den rou, dien ze door hunnen zang betuigden. Men zag’er ook die ten deele naekt, of met bloote beenen liepen, veelen ook met blooten hoofde. Anders waren alle, die dezen ommegang by woonden, op de gezeide wyze gekleedt, en hadden een groot zwart opgerolt vaendel by zich.

Behalve vlaggen zie je tegenwoordig ook zwarte kleden. Al dagen voor de processies worden ook spandoeken opgehangen, beschreven met vrome spreuken. De radio zendt aangepaste muziek uit, die overigens in westerse oren vrij vrolijk klinkt. De sfeer is sowieso niet gedrukt en somber.

Een soldaat in “een gemalyt harnas”

Agter hen volgden 3 kameelen, op welker eenen twee jongens zaten meest naekt, op den anderen drie diergelyke, de een agter den anderen. op den derden een gekleet vrouwenbeelt, dogh bedekt, nevens eenen jongeling.

Hierna nogh 5 kamelen, op elk van welke 6 of 8 meest naekte jongens zaten in hangzetels van open latwerk, die aen de zyde der beesten afhingen. Hier agter werden twee vendels gedragen. Toen volgde een wagen met een opene kist, met een lichaem, dat als doot scheen, daerna deze wert nogh een andere kist gedragen met wit overtrokken, waer in niets lagh. Hier agter volgden zangers.

Toen een wierookwagen met twee Persianen daer op, en vier kleene gekleede jongens, yder met een boek. In’t midden stondt een vierkante tafel. Rontom den wagen hingen veele vertinde instrumenten, als lampjes, waer agter een opgerolt vaendel gedragen wert, gevolgt van zes paer soldaten in een gemalyt harnas, hebbende stormhoeden op ‘t hooft.

Deze man zal zich met deze metalen “gesel” slaan; het doet geen pijn.

Een processie als deze heb ik niet gezien, en een hedendaagse Iraniër zal zich niet snel “naekt” vertonen. De enige kameel die ik zag, werd achter een auto aan gesleept en moet zijn geëindigd op een grote barbecue. Maar ook tegenwoordig worden geurstoffen verbrand.

Agter hen gingen twee aerdigh gekleede jongens, met pluimen en bellen gesiert. Toen een paert, waer op een gevangen jongeling zat, gevolgt van nogh 10 gevangenen, die aen een yzere keten geboeit geleid werden, gaende de een agter den anderen, en agter hen nog 5 jonge gevangens, die aen een touw gebonden den trein volgden. Hier op quam een wagen, waer in 6 hoofden zich uit den gront vertoonden, die met zand bestroit was, waer onder de lichamen verborgen lagen, welker hoofden zoodanig uit de planken staken, als of ze afgehakt waren. Om welk te natuurlyker te vertoonen was’er eenigh versch bloet nevens de hoofden gesprengt. Op den zelven wagen zaten twee gekleede persoonen.

Hierna volgde de wagen, waer op Husseyn dood leggende verbeelt wert door eenen man in ‘t harnas, hebbende eenen houwer of sabel in de rechterhant. Men zagh dezen ook bebloet, als ware hy versch gedoot, om te meer mededoogen in ‘t gezicht en de gemoederen der aenschouweren te verwekken.

Alwaer deze wagen voorby reedt maekten de Persianen een groot misbaer, en tekenen van een ongemeene droefheit, schreeuwende ook veelen op het zien van den wagen met luider keele, en weenende voorts als kinderen. Deze verbeeldingen (ik moet het zeggen) werden zoo bewegelyk vertoont, als ik noit ergens gezien heb, zoodat ik die onverbeterlyk oordeele. Want schoon het yder van ons beuzelagtigh en ydel voorquam, deze toestel had onze zinnen zoo zeer ingenomen, dat we in geenen staet waren om’er om te lachen.

Een moderne lijkbaar voor Hosseyn

Dit is De Bruijn op zijn best. Het is zijn religie niet en hij kan niet ontkennen dat het hem even vreemd voorkomt als de “beuzelagtigheden” (de in zijn ogen bijgeloof-achtige gebruiken) die hij heeft gezien in katholieke landen. Toch erkent hij dat hij ontroerd was. Ook dat is, na drie eeuwen, een voor een westerling die er toevallig middenin staat, een herkenbaar gevoel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 224 andere volgers

%d bloggers like this: