Het Houten Zwaard

mei 24, 2013

Filmposter

Filmposter

Wie het verslag leest dat de Romeinse historicus Tacitus in zijn Historiën heeft gegeven van de Bataafse Opstand, weet dat er destijds in ons rivierenlandschap verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. De gevechten breidden zich vanuit het gebied van de Neder-Rijn uit naar Xanten en Keulen, naar Maastricht en Tongeren, naar Vlaanderen en naar de vallei van de Moezel. Er is wel eens becijferd dat elk Bataafs gezin een zoon moet hebben verloren. Nijmegen brandde.

In de korte, educatieve film “Het Houten Zwaard” kunnen we een glimp opvangen van de nasleep: een jonge Bataaf wordt gevangen genomen en als slaaf verkocht aan een gladiatorenmeester, die hem opleidt om te vechten in de amfitheaters van het Rijnland. Hoe de film afloopt, weet ik niet, maar ik begrijp uit het informatiemateriaal dat de jonge man, als hij zijn vrijheid terugkrijgt, ontdekt dat de strijd nog niet is gestreden.

Het idee van Phalera Filmworks en de re-enactors van Corbvlo was om nu eens een film te maken over de Romeinse tijd die wél klopt. Een simpel idee dat, als je erover nadenkt, de vraag doet opkomen waarom niemand het eerder heeft gehad: Museumpark Orientalis en het Archeologische Park bij Xanten bieden immers prachtige decors en er zijn veel re-enactors die weten hoe bijvoorbeeld de kostuums eruit zagen. De middelen en de know how zijn er.

Belangrijker nog is dat ook het publiek er is: de film kon met crowdfunding worden gefinancierd. Laat niemand zeggen dat er geen belangstelling is voor de oude wereld en dat het niet belangrijk zou zijn te streven naar accuratesse, want de totstandkoming van Het Houten Zwaard bewijst het tegendeel. Misschien is het belangrijkste aan dit project dan ook dát het is voltooid, zodat de weg wordt geopend naar ambitieuzere projecten.

De film is bedoeld voor in de klas, maar is vanaf aanstaande zondag ook te zien in Orientalis. In een van de huizen in de Romeinse straat valt ook een bijbehorende tentoonstelling te bekijken.


Potten en pannen

mei 23, 2013
Oscar Montelius

Oscar Montelius

En zo maakte voormalig staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra toch school met zijn opmerking dat hij niet wist wat hij aan moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”. Zijn epigoon blijkt niemand minder dan de Turkse premier Recep Erdoğan, die eveneens van mening is dat potten en pannen behoorlijk in de weg kunnen liggen. Lees maar. Beide heren bedoelen, vanzelfsprekend, dat ze niet goed weten waartoe archeologisch onderzoek dient.

Voor een oudheidkundige is zoiets natuurlijk vervelend om te lezen, maar de mannen hebben wel een punt: het belang van de oudheidkundige disciplines spreekt niet vanzelf en zal af en toe moeten worden uitgelegd. De subsidie van archeologische musea is geen absoluut recht en er zijn legio situaties denkbaar waarin het oudheidkundig onderzoek moet wijken voor andere zaken.

Desondanks zou ik van Zijlstra, als liberaal, een ander standpunt hebben verwacht, en ik neem de woorden van Erdoğan als aanleiding om nog eens terug te komen op Zijlstra’s uitspraak. Die opgegraven potten en pannen vormen namelijk een behoorlijk deel van de rechtvaardiging van het gedachtegoed van zijn politieke partij.

Het liberalisme combineert twee ideeën, namelijk de vooruitgangsgedachte en de opvatting dat de vooruitgang het meest wordt bevorderd als mensen in hun economisch handelen vrij worden gelaten. Beide ideeën werden voor het eerst geformuleerd in de achttiende eeuw, en hoewel de liberalen konden beredeneren waarom ze met elkaar samenhingen, wist niemand destijds zeker of die vooruitgang eigenlijk wel bestond. Was het Romeinse Rijk niet groter en bevolkingsrijker geweest dan de achttiende-eeuwse Europese staten, was het niet ten onder gegaan, kon zo’n awful revolution zich niet herhalen? Deze vragen wonnen aan urgentie omdat er ook mensen waren die meenden dat de wereldgeschiedenis er een was van verval en degeneratie.

De denkers van de Verlichting zochten naar aanwijzingen dat er vooruitgang bestond. Antieke teksten en de waarnemingen van wereldreizigers documenteerden primitievere levenswijzen, waarvan mannen als Anne-Robert Turgot (de minister van Financiën van Lodewijk XVI) en zijn landgenoot, de wiskundige De Condorcet, aannamen dat ze vroeger ook in Europa waren voorgekomen. Er zouden verschillende ontwikkelingsstadia zijn geweest.

  • De mens als aaseter
  • De mens leert werktuigen maken en gaat jagen
  • De mens sluit dieren op in een kraal en wordt veeteler
  • De mens wordt akkerbouwer
  • De mens gaat wonen in steden
  • Het koningschap ontstaat, met een eigen administratie, het schrift, literatuur, kunst

Van dier tot cultureel wezen: wat een mooi idee. Er bestond echter slechts indirect bewijs: de Europese ontdekkingsreizigers hadden mensen gezien die zo leefden, en Turgot en De Condorcet namen aan dat die vreemde culturen konden dienen als openluchtmusea van een verleden Europa. Maar of het werkelijk zo was, wisten ze niet.

De eerste liberale denkers bouwden dus op los zand toen ze van de Verlichtingsfilosofen het idee overnamen dat er vooruitgang bestond. Het waren archeologen als de Zweed Oscar Montelius (1843-1921) die bewezen dat de gepostuleerde evolutie inderdaad had plaatsgevonden en dat de antropologische vergelijkingen van Turgot en De Condorcet correct waren geweest.

Archeologen zouden best eens wat vaker mogen benadrukken hoe belangrijk hun bijdrage is geweest aan het huidige, door (technologisch) vooruitgangsoptimisme gedomineerde wereldbeeld. De oudheidkundige disciplines leggen zich echter, zoals ik al vaker heb betoogd, notoir slecht uit. Zó slecht zelfs dat Halbe Zijlstra, die dit én als staatssecretaris van Cultuur én als liberaal zou hebben horen weten, het niet wist. Ik weet dat archeologen hebben gelachen om “halve zoolstra”, maar het was vooral de oudheidkunde die belachelijk was.


Museumstuk (11)

mei 22, 2013
Twee sfinxen: links de Duitse en rechts de Turkse

Twee sfinxen: links de Duitse en rechts de Turkse

Aan de voet van de hoofdstad van de oude Hittieten, Hattusa, ligt een klein dorpje, Boğazkale, waar een museumpje is met archeologische vondsten. Ik was er al eens eerder geweest en vond het aardig, zonder bijzonder onder de indruk te zijn van de voorwerpen: de echte topstukken lagen namelijk in het Museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara en het Archeologisch Museum in Istanbul. Een kleitablet met een deel van de tekst van het Epos van Gilgameš was eigenlijk het enige dat bij mijn eerdere bezoeken indruk op me maakte.

Maar afgelopen zaterdag was dat ineens anders en daar zit een niet zo fris verhaal aan vast. Beide sfinxen zijn door Duitse archeologen opgegraven en in 1915 naar Berlijn overgebracht om te worden gerestaureerd. De afspraak tussen de toenmalige archeologische diensten was dat de vondsten zouden worden verdeeld en de Duitsers legden dat uit als “één sfinx voor ons en één voor jullie” en lieten in 1924 de eerste sfinx naar Istanbul verhuizen. In Turkije legde men de verdeling echter anders uit: het ging om de verdeling van het geheel van vondsten, en dat betekende dat beide sfinxen in hetzelfde museum behoorden, en dat de partij die ze niet kreeg, zich mocht compenseren met meer van de andere archeologische vondsten.

Al in 1938 vroeg Turkije ook om de tweede sfinx, maar Duitsland ging er niet op in. In het voorjaar van 2011 eiste de Turkse minister Ertuğrul Günay het voorwerp wel op, en hij speelde het hard: als de Duitsers de sfinx niet teruggaven, zouden ze nooit meer mogen opgraven in Hattusa. Duitsland moest wel inbinden, al probeerde minister Bernd Neumann er nog wat van te maken door het afstaan van de sfinx te presenteren als een vrijwillig gebaar.

Günay betoonde zich tot slot niet alleen een diplomaat van de ijzeren vuist, maar ook van de fluwelen handschoen: hij verklaarde dat het een op zichzelf staand geval was, waarmee geen precedent zou zijn geschapen voor de teruggave van andere Turkse voorwerpen in Duitse musea – wat natuurlijk precies het tegengestelde betekende van wat de minister feitelijk had gezegd.

In elk geval is de “Duitse” sfinx nu terug in Hattusa. Ik wist dat het een en ander speelde, maar had niet verwacht dat de Turken zo snel beide sfinxen bij elkaar zouden plaatsen en dat het resultaat zó geslaagd zou zijn. Eerlijk is eerlijk: ze komen in het kleine gebouw beter tot hun recht dan in de immense tentoonstellingsruimtes waar ze vroeger stonden.


Museumstuk (10)

mei 20, 2013
Twee Romeinse grafstenen uit Kayseri

Twee Romeinse grafstenen uit Kayseri

Ik was vandaag in Kayseri, het antieke Mazaka ofwel Caesarea. Het heeft een klein archeologisch museum, waar onder andere de vondsten liggen uit Kültepe, waarover ik al blogde. Er zijn echter ook voorwerpen uit Kayseri zelf, en zo ontdekte ik dat de Romeinse grafstenen in dit deel van het antieke wereldrijk altijd opnieuw een naar boven puntende driehoek kenden. In ongeveer de helft van de gevallen steekt daar een ovale vorm bovenuit met daarin twee symmetrische krullen. Zie de foto hierboven links.

Je kunt op zo’n thema variëren, zoals de beeldhouwer rechts heeft gedaan. Dit is het graf van een echtpaar, zodat we twee ovalen en twee driehoeken hebben. Daar heb ik ook andere voorbeelden van gezien, inclusief een graf waar nog wat antieke kleuren op zaten. Maar dit graf is interessanter: door de ovale vormen iets naar elkaar toe te buigen, lijkt de grafsteen ineens op twee geliefden die zich tegen elkaar vleien. De aanpassing ligt zó voor de hand dat het me verbaasde dat er niet meer van waren.

(Overigens wil ik niet onvermeld laten dat de museummensen hier superaardig zijn, want hoewel het museum op maandag gesloten is, volstond één telefoontje om toch binnen te kunnen.)


Museumstuk (9)

mei 20, 2013
Kleitablet uit Kanesh

Kleitablet uit Kanesh

Kanesh was de naam van een Assyrische handelsnederzetting in het zuidoosten van Anatolië, daterend uit de negentiende en achttiende eeuw v.Chr. De moderne naam is Kültepe en ik ben er eergisteren wezen kijken.

De plek is vooral beroemd geworden door de vele kleitabletten die er zijn gevonden. Ze documenteren de interregionale handel van die tijd. Toen ze werden ontdekt, werden ze meteen de inzet van een kinderachtige discussie tussen archeologen en historici, waarbij de laatsten claimden dat we, zonder deze teksten, niets over die handel zouden weten. Dat is onzin: niet alleen leert mineralogisch onderzoek welke metalen Anatolië en Mesopotamië uitwisselden, uit het nederzettingenpatroon blijkt ook ongeveer waar de zwaartepunten in het handelsnetwerk moeten hebben gelegen.

Gelukkig illustreren de tabletten meer dan alleen handel. Ze documenteren ook aspecten van het dagelijks leven. Het kleitabletje dat bovenaan dit stukje staat afgebeeld behoort tot de collectie van het Museum van Anatolische Beschavingen in Ankara. Het is een echtscheidingsakte: mevrouw Sakriuska uit Kanesh en haar Assyrische echtgenoot Assur-taklaku gaan in harmonie uit elkaar en spreken af geen schadeclaims tegen elkaar in te dienen. Is dat al opmerkelijk, het is mogelijk nog interessanter dat de vrouw juridisch volledig gelijkwaardig is aan de man.


Museumstuk (8)

mei 19, 2013
Hittitisch-Egyptisch verdraag (Archeologisch museum van Istanbul)

Hittitisch-Egyptisch verdraag (Archeologisch museum van Istanbul)

Het kleitablet hierboven is een van de allerberoemdste teksten uit de Oudheid. Mocht u het willen zien: het is in het onvolprezen archeologische museum van Istanbul. En mocht u willen weten wat het is: het is de tekst van een staatsverdrag tussen de Egyptische farao Ramses II en de Hittitische koning Hattusili III, gesloten in 1259 v.Chr..

Ramses was in 1279 aan de macht gekomen en erfde een imperium dat wel eens betere tijden had gekend. De Egyptische garnizoenen in Kanaän (zeg maar Israël, Libanon en delen van Syrië), dat in de vijftiende eeuw was veroverd door Thutmoses III,  waren voor een deel ontruimd, maar de nieuwe koning slaagde erin althans de kuststeden weer onder Egyptisch gezag te brengen. In 1274 besloot hij een eind landinwaarts te trekken.

Dat was niet naar de zin van Muwatalli, die in het noorden van Syrië en het zuiden van wat nu Turkije heet zo zijn belangen had. Bij Kadesh aan de rivier de Orontes, ergens ten zuiden van het huidige Aleppo, kwam het tot een veldslag, die door de Hittieten werd gewonnen, al slaagde Ramses er door snel en actief te handelen in het ergste te vermijden. De volgende dag trokken beide legers zich terug: men had ontdekt dat met de andere partij niet viel te spotten.

De oorlog ging verder, met Egypte duidelijk als de initiatiefnemer, profiterend van het feit dat Muwatallis’ broer Hattusilis hem niet zonder slag of stoot kan opvolgen. In 1259 kwam het tot een vredesverdrag. Een Hittitische delegatie kwam naar Egypte, naar Pi Ramesse, en bood daar een mooie zilveren plaat aan met de voorgestelde verdragstekst. Er moeten enkele diplomatieke manoeuvres aan vooraf zijn gegaan, want men was het blijkbaar al eens.

De vorsten spreken elkaar aan als broeders, en zijn dus volkomen gelijk, wat voor beide grote koningen een aanzienlijke psychologische stap zal zijn geweest. Verder lezen we over respect voor elkaars bezittingen – vermoedelijk is er een aanvullende overeenkomst geweest over de precieze grens – en over wederzijdse bijstand. Daaronder vallen militaire steun maar ook het uitwijzen van ongewenste vreemdelingen.

De tekst is in verschillende versies overgeleverd, onder andere in Egyptisch hiërogliefenschrift, maar de versie hierboven ligt dus in het museum van Istanbul. Ze is gevonden in Hattusa, de hoofdstad van het Hittietenrijk, even ten oosten van Ankara: de plaats die ik, als alles naar wens gaat, heb bezocht op het moment dat u dit in Nederland voorbereide stukje zult lezen.

[wordt vervolgd]


Anatolische beschavingen

mei 18, 2013
Groepsportret met curieuze verkeersborden

Groepsportret met curieuze verkeersborden

Ik ben nu alweer een paar dagen onderweg door Turkije en ben momenteel in Kayseri, een stad die ik nog nooit eerder bezocht. De reis verloopt voorspoedig, met geen grotere klachten dan een ergerlijke verkoudheid en een zonnebril die ik op de dag van aanschaf alweer kwijt was.

In Ankara sliepen we in een hotel tegenover de ruïne van het Romeinse badhuis. Het is niet echt de moeite van een bezoek waard, maar als uitzicht was het natuurlijk bepaald niet slecht. Tot mijn vreugde was het museum van Anatolische Beschavingen, dat bij mijn weten tijdelijk gesloten was, toch open. Althans, gedeeltelijk. In elk geval waren de reliëfs te zien uit Karchemish en Arslantepe, plaatsen aan de Eufraat waar we nog heen zullen gaan.

Gordion is de hoofdstad van de oude Frygiërs, een IJzertijdvolk dat in het eerste kwart van het eerste millennium centraal-Anatolië beheerste. Ik was er twee keer eerder geweest, maar had de citadel nog nooit eerder echt uitgebreid kunnen bekijken. Net als tien jaar geleden was ook nu “conservatiewerkzaamheden” een eufemisme voor “gesloten”, maar dit keer lukte het me wel (van een afstandje) te kijken naar de monumenten, zodat ik zowaar Megaron IV zag, de enige tempel die momenteel bekend is. Zou dit het heiligdom zijn waar Alexander de Grote de “gordiaanse knoop” doorhakte?

Ik was nog nooit geweest in Alacahöyük, een oude Hittitische nederzetting met een prachtige stadspoort. (De Hittieten waren een volk dat tussen pakweg 1600 en 1200 centraal-Anatolië beheersten.) De originele sfinxen had ik al eens gezien in het museum van Ankara, maar ook de kopieën die er nu staan, in situ, waren erg mooi. Ook het lieve museumpje vond ik de moeite dubbel en dwars waard.

Hattusas, de hoofdstad van de Hittieten, is een gigantische opgraving. We hadden er dit keer meer tijd dan anders en kregen zo meer gelegenheid om nieuwe dingen te ontdekken. Zo zagen we nu de alleroudste stadsmuur, waarvan ik me nu afvraag hoe ik die bij eerdere bezoekjes heb kunnen missen. Het museum is inmiddels uitgebreid met twee beelden van sfinxen, waarover ik nog zal schrijven.

Vanmorgen vroeg bezochten we Yazilikaya, het wonderlijke rotsheiligdom naast Hattusas. Bij eerdere gelegenheden was ik er steeds ’s middags, nu in de ochtend, zodat het licht heel anders viel en allerlei details zichtbaar werden die me eerder niet opvielen.

Tot slot: Kültepe, een van de belangrijkste opgravingen uit de Bronstijd. De antieke naam is Kanesh ofwel Nisa. Ik vond het fascinerend te kunnen zien dat sommige gebouwen zo’n zevenendertig eeuwen geleden waren afgebrand. De plunderaars kwamen uit een ander Anatolisch stadstaatje, Kussara, en onderwierpen ook de andere steden in de buurt. Eén daarvan was Hattusa, dat ze enige tijd later maakten tot hun hoofdstad.

Hier hadden de Assyriërs een handelspost (de vakterm is karum), niet ver van de koninklijke residentie. Er zijn duizenden kleitabletten – ik heb zowel het getal van 11.000 als 25.000 horen noemen – die allerlei aspecten van het dagelijks leven documenteren. Die tabletjes liggen in het museum van Kayseri, waar ik erg naar uitzie. Morgen!


Museumstuk (7)

mei 17, 2013
Matar (Museum Gordium)

Matar (Museum Gordium)

Bovenstaande foto is niet de mooiste uit de Livius-collectie. Het beeld staat in het museum van Gordium, even ten westen van Ankara. We bezochten dat deel van Turkije voor het eerst in 2003, toen ik bezig was met de documentatie van mijn boek over Alexander de Grote, en destijds waren de digitale camera’s nog niet zo best. Bij een tweede bezoek stond het beeld niet in de expositie. IJs en weder dienende zal ik echter snel zorgen voor een betere foto, want op de dag dat u dit (in Nederland voorbereide) stukje leest, ben ik opnieuw in Gordium, met een gloednieuwe camera.

Nu maar hopen dat Matar thuis is. Ze is een van de vele Anatolische moedergodinnen, die in dat gebied al sinds mensenheugenis worden vereerd. Er is een beroemd beeldje uit Çatal Höyük, uit pakweg 6000 v.Chr., terwijl we weten dat later “de zonnegodin van Arinna” een zeer belangrijke rol speelde in de cultus van de Midden-Bronstijd. Haar gemaal, “de weergod van Hatti” (een soort Zeus, staand op bergtoppen), was meestal haar ondergeschikte. In de late Bronstijd zouden ze worden vereerd onder de namen Hebat en Teshub.

Moedergodinnen waren, anders dan men vaak aanneemt, in de oude wereld niet alomtegenwoordig. Dat wil zeggen, er werden wel overal godinnen vereerd en sommige daarvan waren ook moeders, maar in bijvoorbeeld Mesopotamië waren zij niet – of steeds minder vaak – de soevereine Schepper-godinnen die ze wel waren in Anatolië. Daar werden in het eerste millennium bijvoorbeeld Kybele en Leto vereerd, en de Frygische Matar, die hierboven is afgebeeld.  Niet zelden waren ze voorzien van een gemaal, die dan aan haar ondergeschikt was.

Helaas is er een soort zwaan-kleef-aan geweest waarbij al deze godinnen op één hoop werden gegooid. Het is makkelijk zoiets te doen, want ze vertonen inderdaad familiegelijkenis; de Grieken beschouwden ze al als manifestaties van één en dezelfde oergodin; we weten te weinig over de eigenlijke mythologie om de nuances te zien; en dus zijn alle moedergodinnen door negentiende-eeuwse onderzoekers aan elkaar gelijkgesteld. Deze hypothetische moedergodin die alle prehistorische volkeren vereerden, werd vanzelfsprekend uitgeroepen tot het archetype van de christelijke cultus van Maria.

Dit is echter veel te kort door de bocht. We hebben in feite geen idee hoeveel de dames gemeenschappelijk hebben, afgezien dan van het feit dat de Grieken vanaf pakweg de vierde, derde eeuw v.Chr. de neiging hadden ze een zekere exclusiviteit toe te kennen: wie ze vereerde, kon de andere goden wel achterwege laten (“henotheïsme”). Het plaatselijke perspectief zou wel eens heel anders kunnen zijn geweest en ik zou zelf deze Matar nog niet meteen gelijkstellen aan pakweg Atargatis, Kybele, de Artemis van de Efesiërs, Leto, Hebat of hoe ze ook geheten mogen hebben.


Museumstuk (6)

mei 16, 2013

Ploegen met een dromedaris (Museum van Bani Walid, Libië)

Omdat ik in mijn museumstukkenreeks al wat aandacht besteedde aan de geplunderde musea van Syrië, is het zinvol ook even te kijken in Libië. Laat je niets wijsmaken: het is ook daar een klerezooi. Zeker, het mooie museum in Tripoli is vrijwel onbeschadigd, maar wat moet een mens daar zien? Mooie standbeelden en mozaïeken, fraai aardewerk: ze hebben het er allemaal. Het is echter niet uniek. Het zou triest zijn geweest als het was geplunderd, zeker, maar soortgelijk materiaal is ook elders te vinden.

Dat ligt anders met het kleine museum van Bani Walid, dat is gewijd aan de vondsten van de Limes Tripolitanus. Dit is een van de bijzonderste projecten uit de Oudheid. Deze sector uit het Romeinse grensgebied, bestaande uit halfwoestijn, lag open voor nomadische aanvallen en viel alleen te verdedigen door de oases te bezetten en te beletten dat de nomaden water konden vinden. Een oase is echter te klein om een garnizoen te voeden, en daarom veranderden de Romeinen het door wadi’s doorsneden, droge landschap door middel van kanaaltjes, dammetjes en cisternen in een vruchtbaar gebied. Hoe succesvol men was, blijkt wel uit het feit dat er in de forten badhuizen stonden, met warmwaterbaden die moesten worden gestookt en die dus houtteelt veronderstellen.

De gebouwde boerderijen waren vaak van een standaardontwerp (vergelijk dit met dat). De bewoners waren zeker niet arm en lieten het soms breed hangen, zoals is te zien bij Msletten, de andere Msletten of in de grafvelden ten zuiden en ten noorden van Ghirza. Voor de daar gevonden, ietwat primitieve kunstvoorwerpen werd het museum van Bani Walid gebouwd. Het documenteerde een unieke, op zorgvuldig watermanagement gebaseerde, Romeinse cultuur.

Kolonel Khadaffi stelde veel belang in dit onderzoek. Tot dan toe was archeologie iets geweest van de kuststrook, waar de fascistische kolonisatoren veel zorg besteedden aan de Griekse en Romeinse archeologie. De Libische stranden waren “de vierde kust van Italië”. Khadaffi wilde een eigen archeologie, en vond die in de halfwoestijn. De onderzoekers werkten onder auspiciën van Unesco en deden zeer geavanceerd werk.

Er is echter niets meer van over. Banu Walid was de laatste plaats die nog trouw was aan de clan van Khadaffi. Er is hard gevochten. De vondsten in het museum stonden voor de archeologie van een verkeerd regime. Het gebouwtje, met zijn unieke voorwerpen, is geplunderd. Ik heb geen idee wat er is geworden van het reliëf hierboven, met een boer die een dromedaris voor zijn ploeg heeft gespannen. Het is uniek: het enige andere voorbeeld van dit type afbeelding, zag ik in het museum van Bani Walid.


Naar Turkije

mei 15, 2013

efesVliegtuigticket bij de hand?

Ja.

Reisprogramma gecontroleerd?

Check.

Backups gemaakt?

Inderdaad.

Postbus leeggehaald?

Gedaan.

Was gedraaid, fiets binnen gezet, planten water gegeven, paspoort gecontroleerd, gas uitgezet?

In orde.

Als u dit leest, ben ik in Turkije. Vanuit Ankara ga ik naar de oude Frygische hoofdstad Gordion, naar de Hittitische metropool Hattusa, via Kültepe dwars door Kappadokië naar Tarsus, via het slagveld bij Issus naar Antiochië en Seleukia, naar de Eufraatsteden Karchemish, Zeugma en Arslan Tepe en – hoogtepunt van de reis – de berg Nemrud.

Kortom, een reis langs de voornaamste opgravingen van de oude Anatolische beschavingen – en wat komt het goed uit dat ik net ontdekte dat het corresponderende museum in Ankara niet, zoals ik vreesde, wegens verbouwing gesloten is, maar zijn topstukken blijft tonen. Een reisje waar ik al een tijdje naar uitzie: een deel van de plaatsen ken ik al, andere weer niet, dus dit wordt leuk.

Op deze blog blijft af en toe iets verschijnen, maar ik kan niet reageren op eventuele commentaren.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 151 other followers