Pilaarheilige

mei 22, 2013
De restanten van Simeons zuil

De restanten van Simeons zuil

Vandaag ben ik gegaan naar het klooster van Sint-Simeon de Jongere, die leefde van 521 tot 597. Zijn carrière doet wat denken aan die van zijn oudere naamgenoot, Simeon de Styliet, die in het noorden van Syrië zijn dagen sleet, zittend op een pilaar, waarvandaan hij ook preekte.

Het blijft een raar soort religiositeit: afwijzen wat gewoon en natuurlijk is, dat je geniet, en je lichaam kastijden omwille van het Koninkrijk. Het maakte destijds echter enorme indruk, en net als Simeon de Styliet was Simeon de Jongere een populaire “geloofsvirtuoos”.

Een deel van de verklaring moet zijn dat deze mensen een rechtstreekser contact met het heil boden dan de traditionele culten. Een gelovige hoopt dat God naar zijn gebeden luistert, maar net als in de laat-antieke realiteit, waarin een arme boer door vele bestuursechelons was gescheiden van de keizer, zo plaatste de geïnstitutionaliseerde Kerk obstakels tussen de gewone gelovige en God. Heilige mannen boden een directer contact met het Hogere.

Er is vaak gewezen op het ostentatieve karakter van pilaarheiligen: je kunt moeilijk zeggen dat iemand de mensheid ontwijkt en het isolement opzoekt als hij zich op een pilaar gaat zitten kastijden. De eerste Simeon zat nog ergens te midden van Syriës “dead cities”, maar de pilaar van de jongere, zo realiseerde ik me vandaag, stond op een 480 meter hoge heuvel, Samandağ (“berg der wonderen”), midden tussen de twee enorme steden Antiochië en Seleukia. Momenteel staan er enorme windmolens, die je vanuit het dal en vanaf de kust makkelijk kunt zien; de zuil van Simeon de Jongere was lager, maar moet even gemakkelijk te zien zijn geweest.

Er viel me nog iets op. In de eerste plaats: de eerste kerk ter plekke is gebouwd tussen 541 en 551, toen Simeon dus een twintiger was. De zuil staat ernaast en is niet een opgerichte pilaar, maar is uit de rots gehouwen. Een groot team van arbeiders heeft vertrekken in de rotsen gemaakt en de centrale hal met de zuil uitgehouwen. Het plattegrond lijkt op dat van de gebouwen die rond 475 waren opgericht rond de zuil van Simeon de Styliet. Dit was een enorm bouwproject en het heeft er de schijn van dat de jongere pilaarheilige, toen hij zijn optreden modelleerde op zijn voorganger, de beschikking heeft gehad over een aanzienlijke organisatie die hem hierin steunde. Wat het verder ook geweest moge zijn, met isolement had deze vorm van heiligdom weinig te maken.


Museumstuk (4)

mei 11, 2013
coin_dioscuri_211BCE_wien_khm

Castor en Pollux (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

De bovenstaande munt, die is te zien in de prachtige numismatische collectie van het Kunsthistorisches Museum in Wenen, is geslagen in het jaar 211 v.Chr., en het zal u wel duidelijk zijn in welke stad dat gebeurde: Rome. De twee ruiters, met een ster op hun helm, zijn de goddelijke tweelingen Castor en Pollux. Ze werden in Rome al sinds de vroege vijfde eeuw v.Chr. vereerd, omdat ze tijdens een bepaalde veldslag de soldaten extra krijgslust hadden gegeven én het nieuws van de overwinning in de stad waren komen melden.

De eredienst is echter veel ouder. Al sinds mensenheugenis werd dit tweetal vereerd door de Griekse aristocraten, en toen de Grieken zich in de zevende eeuw v.Chr. vestigden in zuidelijk Italië, namen ze de cultus mee. De tweelingen zouden het leger van de Griekse kolonie Lokris hebben bijgestaan in een veldslag en het nieuws van de zege nog op diezelfde dag bekend hebben gemaakt in het verre Olympia. Na deze wonderbaarlijke gebeurtenis verspreidde de cultus zich snel over de rest van Italië. De sage die de Romeinen later vertelden, is uiteraard een kopie van het Lokrische origineel.

Hier eindigt het verhaal echter niet. De cultus van de goddelijke tweelingen bestaat bij wel meer Indo-Europese volken en het is aannemelijk dat ze ook bestond bij de Iberiërs, die hen vereerden in het noordwesten van wat nu Spanje heet. Toen de Romeinen het gebied veroverden, noemden zij de Iberische tweelingen Castor en Pollux, en de eredienst bleef bestaan. In de Late Oudheid zou ze zijn gekerstend: de christenen vereerden er de heilige Jacobus. Later zou men zeggen dat het, van de diverse nieuwtestamentische Jacobi, ging om de zoon van Zebedeus, maar mogelijk dacht men aanvankelijk aan de broer van Jezus. Zeker is het niet, mogelijk is het wel.

Hij handelde in elk geval zoals je van een goddelijke tweeling zou verwachten. In een gevecht tussen de christelijke Spanjaarden en de moslims, de slag bij Clavijo (844), streed hij mee en bezorgde de christenen de zege. Zo keren Castor en Pollux terug als Santiago Matamoros, Sint-Jacobus de Morendoder.


Bij de dood van Géza Vermes

mei 8, 2013

vermesVandaag, 8 mei 2013, is Géza Vermes overleden. Zoals een echte geleerde betaamt, was hij niet te vangen met een simpel etiket als “oudhistoricus”, “nieuwtestamenticus”, “theoloog”, “judaïst”, “qumranoloog” of “exegeet”. Hij beperkte zich niet, sprak overal over mee en had altijd iets zinvols te melden. Dat wil niet zeggen dat er in zijn brede oeuvre geen zwaartepunten zouden liggen, want die waren er wel: enerzijds de Dode Zee-rollen, anderzijds de historische Jezus. En die houden met elkaar verband.

De Dode Zee-rollen zijn ontdekt in 1947. Het gaat om enkele complete boekrollen, zo’n 700 perkamentfragmenten die behoren tot niet minder dan zeventig teksten, en zo’n 15.000 snippers. Ze zijn allemaal geschreven tussen 200 v.Chr. en 70 n.Chr. en geven een beeld van het pluriforme jodendom uit die tijd, dat na de verwoesting van de tempel plaats maakte voor slechts twee stromingen, enerzijds het farizeïsme, dat zich ontwikkelde tot het rabbijnse jodendom, en anderzijds de beweging rond Jezus, waaruit het christendom is voortgekomen.

De aanhangers van deze stromingen hadden veel destijds al oude teksten niet langer nodig, kopieerden ze niet en beletten op die manier dat ze werden doorgegeven aan latere generaties. Met de vondst van de Dode Zee-rollen kregen de zo tot zwijgen gebrachte groepen joden ineens weer een stem. Alleen: wie waren dat?

Het was in elk geval duidelijk dat de mensen van de Dode Zee-rollen geen farizeeën waren, want het materiaal lijkt totaal niet op het rabbijnse materiaal, waarin de farizese opvattingen zijn vastgelegd. Christelijk was het ook niet. Het zou echter het materiaal kunnen zijn van bijvoorbeeld de sadduceeën of de essenen. Vermes was de eerste die erop wees dat wat we lazen in de Dode Zee-rollen en wat we wisten over de essenen, redelijk overeenkwam.

Dat is sindsdien de dominante theorie gebleven, al is er altijd kritiek op geweest. Misschien was het een afsplitsing van de essenen. Of misschien was de verzameling wel de bibliotheek die ooit had gelegen in de tempel. Een recente theorie is dat het materiaal helemaal geen eenheid vormt, maar heeft gelegen in verschillende synagogen in Galilea, en is meegenomen door diverse groepen vluchtelingen die uit angst voor de Romeinse legers naar het zuiden trokken en hun kostbare boeken achter lieten in de grotten bij de Dode Zee. Dat sluit overigens niet uit dat er, zoals Vermes constateerde, materiaal bij ligt dat behoorde tot de sekte der essenen.

Vermes publiceerde ook over de historische Jezus, die hij binnen de kaders van het jodendom analyseerde. Er waren wel meer charismatische wonderdoeners in die tijd. Een belangrijke kwestie hierbij is of Jezus zijn missie beschouwde als een “intern-joodse” aangelegenheid of dat hij zich ook richtte tot de volken buiten Judea en Galilea. Wie het eerste standpunt inneemt, zal al snel verhalen als dat over de honderdman interpreteren als een christelijke toevoeging, en misschien is dat ook wel zo, maar je kunt Vermes’ theorie ook zien als een manier om een beeld te scheppen van een Jezus die voor moderne joden aanvaardbaar is.

Deze poging het verre verleden betekenis te geven voor mensen tegenwoordig is ideaal voor wie onderzoek gesubsidieerd moet zien te krijgen, maar het is uiteraard een verkeerde manier om met de Oudheid om te gaan. De eis tot relevantie is nu eenmaal de vijand van de geschiedenis. Van de andere kant: Vermes heeft zijn leven lang tussen een joodse achtergrond en een katholieke opvoeding gebalanceerd en het zij hem vergeven dat hij de verleiding niet kon weerstaan een Jezus te scheppen die in het hedendaagse jodendom paste, en zo zijn dubbele identiteit te harmoniseren.

De blijvende winst – die overigens niet uitsluitend op Vermes’ conto valt te schrijven – is dat het joodse karakter van mannen als Jezus en Paulus nu gemeengoed is. Geen wetenschapper zal nog beweren dat het christendom al voor de verwoesting van de tempel in 70 onherroepelijk van het jodendom was gescheiden. Meer daarover in dit boek, dat ondenkbaar zou zijn zonder Vermes’ oeuvre.

Twee boeken van Vermes zijn mij erg dierbaar. Het eerste is The Dead Sea Scrolls: Qumran in Perspective, dat is verschenen in 1977. Veel van het materiaal lag nog onder embargo toen hij deze synthese schreef; hij heeft het boekje steeds aangepast, het grondigst nadat in 1994 het embargo werd opgheven. Elke recentere druk is nog steeds de moeite van het lezen waard. Het andere is Who’s Who in the Age of Jesus (2005), dat een ontzettend handig hulpmiddel is voor wie zich voor het eerst grondig bezighoudt met de evangeliën.


Joodse humor

mei 2, 2013
Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Ik schrijf momenteel een boek over de “scheiding van wegen” tussen jodendom en christendom. Zoals Ernest Renan in de negentiende eeuw al wist, was Jezus een jood en deed hij niets om een nieuwe religie te stichten. Voor vrijwel alles wat hij onderwees bestonden joodse parallellen, en sinds de ontdekking van de Dode Zee-rollen kunnen we dat “vrijwel” nog weglaten. Ook in het oeuvre van Paulus is niets te vinden dat duidt op het ontstaan van een nieuwe religie (meer…), al gaat het hier wel om teksten die je achteraf, als die religie er eenmaal is, zo zou kunnen interpreteren. In mijn boek, dat de werktitel Israël hersteld heeft, probeer ik te documenteren hoe die scheiding dan wel is gegroeid als noch Jezus noch Paulus ernaar streefden.

Hoe door-en-door joods de volgelingen van Jezus van Nazaret waren, blijkt als je het Nieuwe Testament leest met de aantekeningen van een vijftigtal geleerden onder leiding van Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler, The Jewish Annotated New Testament. Het biedt, zoals je al verwachtte met zo’n titel, de complete tekst van het heilige boek, voorzien van een royale hoeveelheid toelichtingen. Het is het boek dat ik eigenlijk altijd al had willen hebben. Welbeschouwd is het schandalig dat we er tot 2011 op hebben moeten wachten.

Laat joden spreken over religie en ze maken grappen. In de Misjna, een collectie rabbijnse wijsheid, wordt ergens gesproken over het vieren van het poerim-feest, waarvoor de relevante heilige tekst, Esther, twee data noemt: een voor in de steden en een voor op het platteland. De rabbijnen discussieerden nu over de vraag wat het verschil is tussen een stad en een dorp. Ze bieden verschillende antwoorden, waarvan de laatste een grap moet zijn: het is een stad als er meer dan tien mensen zijn die niets om handen hebben (Megillah 1.3). Dat heeft iets te maken met het quorum van aanwezigen in de synagoge, maar ik weet zeker dat de samenstellers het schreven met op hun gezicht een grijns van oor tot oor.

Er is sindsdien weinig veranderd, want ook de auteurs van het joodse commentaar op het Nieuwe Testament zien het humoristische van hun activiteit. Er bestaat een mooi verhaal dat Jezus in Gadara enkele boze geesten uitdrijft, die vervolgens hun intrek nemen in een roedel zwijnen, die vervolgens de hellingen afrent en zich stort in het water van het Meer van Galilea. Soort zoekt soort, zou je denken: boze geesten in onreine dieren. De commentator heeft echter compassie en noteert bij Matteüs 9.32 laconiek “pigs can swim”.


Livius Nieuwsbrief / mei

april 30, 2013

Dit is de drieënnegentigste aflevering van de Livius Nieuwsbrief, een maandelijks verschijnend mailtje voor mensen met belangstelling voor de antieke wereld. Het wordt uitgegeven door Livius.

De nieuwsbrief is gratis en u kunt hem doorsturen aan wie u maar wil; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Zomaar eens een cursus uit het Liviusaanbod: de zomercursus over de Geschiedenis van het Midden-Oosten  in Zoetermeer.

Jona Lendering (redactie)

======================================

NIEUW OP DE LIVIUS-WEBSITE

Twee kleine stukjes: de Eburonen en Majdel Anjar.

======================================

EGYPTE

Een op zich alledaags conflict om de schaarse ruimte krijgt in het verwarde Egypte ineens grotere afmetingen: waar leg je een modern grafveld aan als er een antiek grafveld in de buurt is, en welke consequenties heeft dat?

Indachtig het archeologische spreekwoord dat je nieuws nooit één keer naar buiten moet brengen als je ook twee keer naar geld kunt hengelen, is hier het zoveelste stukje over de arbeiders in Giza.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 1, 2.

En verder: Suez, Kabushiya, Luxor, Thonis en Sonijat.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

In Syrië wordt onder andere Ebla bedreigd.

En verder: Kültepe (Kanesh), Alacahöyük, Musandam.

======================================

DE MYCEENSE EN ARCHAÏSCHE PERIODE

Er zijn meer docenten die hun materiaal online zetten, maar het moeten er nog véél meer worden. De ontcijfering van het Lineair-B: 1, 2, 3, 4, 5, 6.

De ondergang van de Myceense cultuur – let niet op de foto.

En verder: Babylon, Sheki, Despotikon, de Banditaccia-necropool,

======================================

DE KLASSIEKE PERIODE

De maand alleen de bronzen beelden uit Riace.

======================================

DE HELLENISTISCHE PERIODE

In Syrië wordt onder andere Apamea bedreigd.

De oudst-bekende Griekse papyrus uit Egypte – en waarom die vervloekingstekst zo lang werd genegeerd.

En verder: obscene graffiti, Gaza, Pella, Kastro Kallithea en Anapa.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

In Syrië wordt onder andere Palmyra bedreigd.

De vloedgolf van 365 blijft de gemoederen bezighouden. Nieuw bewijs.

Stonehenge. Stonehenge in de Romeinse tijd?! Jawel.

En verder: Pompeii, Tell Abu Seifi, hoe men in Thessaloniki het Romeinse verleden wil tonen, Wilhelm II in Baalbek.

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Bath, Derby, Housesteads, Londen, Navenby, Sudeley Castle,

En verder: Keltisch Gallië, de vorstengraven bij Oss, Haltern, Ruiselede en Regensburg.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Het is niet helemaal de tijd van het jaar, maar misschien is het juist daarom mogelijk eens wat verstandige dingen te zeggen over de ster van Betlehem.

Ach, Jeruzalem: 1, 2 (elk bad is altijd weer een ritueel bad), 3, 4, 5, en meer voorspelbare problemen rond het archeologisch erfgoed.

En verder: Hamei Yo’av, een curieuze stenen structuur in het Meer van Galilea, hoe de hoax rond het Evangelie van Jezus’ Echtgenote tot stand kon komen en waarom het Judasevangelie echt is.

======================================

OVERIG

In het Rijksmuseum van Oudheden is de afdeling Nabije Oosten heropend. En nu we het toch over musea hebben: Orientalis is gered, haalt zijn bezoekersaantallen en gaat een hopelijk voortaan onbedreigde toekomst tegemoet. De downloadbare folder is daar.

Het nut van de klassieken staat niet ter discussie. Hoe je ze uitlegt wel. Uw redacteur ordent zijn gedachten.

En verder: de genenkaart van Europa, aanstootgevende Griekse naakten, een atelier dat antieke muziekinstrumenten nabouwt,  goed-doordachte stukken over de films Cleopatra en The Eagle, waarom je op vakanties geen oudheden moet meenemen en interessante Griekse en Latijnse meervoudsvormen.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Lujzika Adema van Kooten van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel.

Leven & (na de) dood
Onlangs is de grootse tentoonstelling Life and Death in Pompeii and Herculaneum in het British Museum geopend. De bijbehorende catalogus is zowel in hardback als in paperback beschikbaar en bevat veel van de tentoongestelde fresco’s, voorwerpen en sculpturen die overgebleven zijn na de vulkaanuitbarsting in 79 AD.

Of het enkel door deze Londense tentoonstelling komt of niet, over het onderwerp zijn tal van nieuwe uitgaven verschenen. Zoals de kleurrijke boekjes The Ages of Pompeii en The Art of Loving, het meer volledige The Complete Pompeii en Andrew Wallace-Hadrills veelgeprezen Herculaneum: Past and Future (paperback, hardcover).

Waren deze en andere overledenen geïnitieerd in bepaalde culten, dan konden ze zich verheugen op een mooi bestaan na de dood. Althans, als we luisteren naar de boodschappen op de vele kleine gouden tabletten die zijn gevonden in graven van de vijfde eeuw voor tot de tweede eeuw na Christus. In een herziene en uitgebreide editie van Ritual Texts for the Afterlife van Fritz Graf en Sarah Iles Johnston worden al deze tabletten in het Grieks gepubliceerd, vertaald en uitvoerig geïnterpreteerd.

Cicero & Nijntje
Een nieuwe GreenYellow van Cambridge is verschenen! Het gaat om een commentaar op Cicero’s Pro Marco Caelio, van de hand van Andrew R. Dyck, die eerder verantwoordelijk was voor onder meer commentaren op Cicero’s Catilinarians, De Natura Deorum en Pro Sexto Roscio.

Omdat je niet vroeg genoeg kunt beginnen, is Nijntje nu ook te lezen in het Oudgrieks. Het gaat om een vertaling van het schattige Nijntje het Spookje, oftewel: To fantasma Miffa. Voor wie Miffa en Miffa ad Mare al uit heeft of vaak genoeg cadeau heeft gedaan.

======================================

DWAASHEID

Mooi artikel waarin het onzinnige idee dat mensenhanden niet in staat zouden zijn de enorme stenen van Baalbek te verplaatsen, effectief om zeep wordt geholpen.

En verder: hoe men in Pakistan Alexander de Grote uit de geschiedenis wegschrijft.

======================================

INTERNET

Dit is nu eens leuk nieuws! Archeologiejournalist Theo Toebosch is sinds een paar dagen online met zijn eigen variant op De Correspondent en De Nieuwe Pers: een persoonlijk webtijdschrift dat hij (om er geen twijfel over te laten bestaan dat hij hoofdredacteur, redacteur, eindredacteur, moderator, administrateur & loopjongen ineen is) heeft aangeduid als Toebosch’ Eigen Tijdschrift. Voor 20 euro per jaar blijft u bij.

En nu het slechte nieuws: online-wetenschapscommunicatie is oorlog, althans in de geesteswetenschappen. Lees maar hoe de Mithras-pagina’s van Roger Pearse worden aangevallen.

======================================

EN TOT SLOT

Totaal off-topic – maar hé, wie heeft ooit gezegd dat deze nieuwsbrief géén persoonlijke inslag had? – is de website over Consensus and Crises, het boekje dat uw redacteur ooit schreef over polders, de waterschappen, Floris V, de hertogen van Bourgondië, Calvijn, de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, de regenten, de Patriottenbeweging, Vincent van Gogh en de wijze waarop de overlegcultuur vorm heeft gegeven aan overlegeconomie.

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de website van het Rijksmuseum van Oudheden (2009, 2010, 2011, 2012, 2013) en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer 67.07.91.121 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel.


Monsignor Quixote (1)

april 28, 2013

quixoteIneens wist ik aan wie de nieuwe paus, Franciscus, me deed denken: aan Monseigneur Quichot, de hoofdpersoon van een in 1982 verschenen roman van Graham Greene. Ik gebruik het woord “roman”, waarmee de schrijver zelf de tekst aanduidde, met aarzeling. De grenzen van het genre zijn inmiddels zó ver opgerekt dat vrijwel alle lange prozateksten er nu onder vallen. Er valt best met zo’n nietszeggend etiket te leven, maar bij Monsignor Quixote is het toch wat problematisch. Het is eerder het scenario van een road movie (en is dan ook verfilmd) of een klassieke tragedie, compleet met expositie, complicaties, climax, consequenties en catastrofe.

Het beste laat de tekst zich lezen als filosofische dialoog. Aan de ene zijde staat de eenvoudige dorpspriester van El Toboso, Monseigneur Quichot (inderdaad: afstammeling van), die gelooft in het belang van de christelijke waarden, ook nu de kerk gecorrumpeerd is geraakt. Dat laatste slaat vooral op de specifieke problemen van het katholicisme in het Spanje van Franco, maar de titelheld erkent ook de meer structurele problemen. Zijn antagonist Sancho is de linkse burgemeester van het dorp, die meent dat er in de failliete boedel van het communisme nog iets ligt van waarde.

De twee voeren allerlei gesprekken over de betekenis van de wederzijdse idealen. Beide erkennen daarbij dat er nogal wat verschil is tussen de theorie en de praktijk, wat voor de lezer het voordeel heeft dat een hoop drogredeneringen achterwege blijven. Geen gratuite verwijten dus over het kwaad van de Inquisitie of de Goelag, maar argumenten die het ideaal zélf betreffen, waarbij menselijkheid uiteindelijk beslissend is.

Even boeiend als de uitwisseling van argumenten is de vriendschap van de twee mannen. Ik vermoed dat u bij de combinatie van dorpspriester en communistische burgemeester dezelfde associatie hebt als ik: Don Camillo en Peppone, de protagonisten uit de verhalen van Giovanni Guareschi. Er is inderdaad een overeenkomst. De twee Italianen zullen, als het erop aankomt, altijd hun zorg voor hun dorpsgenoten laten prevaleren boven hun levensbeschouwing. Dat kan ook makkelijk, want christendom en communisme zijn in de kern beide een aanklacht tegen onrecht. De rest is bijzaak. Ook Monseigneur Quichot en Sancho zijn het erover eens dat humane waarden centraal dienen te staan. Bovendien vinden ze elkaar steeds opnieuw in hun twijfel. Ze weten het allemaal zo zeker niet en kunnen makkelijk toegeven dat hun gespreksgenoot ook wel eens gelijk kan hebben.

Uiteraard zijn ze als discussianten wat irreëel. In het echt dwalen mensen tijdens discussies af, komen ze aan met drogredeneringen en houden ze tegen beter weten in vast aan hun gelijk. Er zijn wel meer irreële aspecten in het verhaal. Monseigneur Quichot blijkt af en toe veel beter op de hoogte van de grote intellectuele debatten dan je van een wat naïeve dorpspriester zou verwachten, zoals in het volgende voorbeeld:

We are all bourgeois today. Don’t tell me that Brezhnev is not just as much a bourgeois as you and me. If the whole world becomes bourgeois, will it be so bad – except for dreamers like Marx and my ancestor?

Omgekeerd blijkt Sancho meer te weten van moraaltheologie dan een communistische dorpsburgemeester doorgaans in zijn intellectuele bagage heeft. Greene heeft zulke onrealistische personages nodig om de discussie werkelijk te laten draaien om de Grote Vragen.

Ook de rest van het verhaal is daaraan ondergeschikt gemaakt: als er ergens drie flessen wijn soldaat worden gemaakt, en de lezer zich afvraagt waarom de schrijver zo expliciet is over het aantal, krijgt hij een antwoord wanneer Monseigneur Quichot de flessen benut om de Drie-eenheid uit te leggen. Greene besteedt ook slechts weinig woorden aan het decor: de steden die de twee mannen aandoen lijken er vooral te zijn als aanleiding voor een dialoog over een nieuw thema.

[wordt vervolgd]


From the Holy Mountain

april 27, 2013

dalrympleSommige blogstukjes vergen wat voorbereiding, zoals dit. Een goede collega, wiens spirituele belangstelling wat uitgesprokener is dan de mijne, adviseerde me From the Holy Mountain te lezen, het boek dat de Britse auteur William Dalrymple (niet te verwarren met de conservatieve filosoof) wijdde aan de verdwijnende christelijke kerken van het Midden-Oosten. Ik heb het in één adem uitgelezen, en hoezeer het me aan het denken heeft gezet, blijkt wel uit het feit dat ik de afgelopen maanden al verschillende keren heb geblogd over aspecten van dit boek. Hier is bijvoorbeeld een uitleg van wat die kerken nu eigenlijk zijn.

De ondergang van de oosterse kerken stond al ergens op mijn radar. Mijn evangelische vriend Jan-Pieter van de Giessen heeft op zijn blog lange tijd elke vrijdag een overzicht gegeven van antichristelijk geweld, waarbij Turkije, Syrië en Egypte een vast onderdeel vormden. Zelf heb ik in Diyarbakir, de hoofdstad van Turks Koerdistan, eens te laat begrepen dat de terughoudendheid van een geestelijke, die me overigens vriendelijk te woord stond, niets had te maken met tekortschietende contactuele eigenschappen – zoals ik aanvankelijk dacht – maar alles met een begrijpelijk wantrouwen jegens belangstellenden. Ik schreef daar dit stukje al over.

Kortom, een nieuw onderwerp was de ondergang van de oosterse kerken niet, maar Dalrymple bood wel een overzicht dat voldoende systematisch en boeiend was om me er verder in te verdiepen. Op de heilige berg Athos, in Istanbul, in Zuidoost-Turkije, in Syrië, in Libanon, in Palestina en in Egypte, overal spreekt hij mensen die hem iets kunnen vertellen. De portretten zijn ontroerend, en het boek had voor mij een bijzondere meerwaarde doordat ik vrij veel van de beschreven plaatsen ook zelf heb bezocht.

Het verhaal van de ondergang van het christendom begint rond 600, als de Perzen en Byzantijnen een strijd op leven en dood voeren. In deze jaren reist Johannes Moschos door het Midden-Oosten, de samensteller van een bundel monnikenverhalen waarnaar Dalrymple vaak verwijst. De uitgebreide verwoestingen schiepen een machtsvacuüm dat zou worden gevuld door de Arabieren, die in het tweede kwart van de zevende eeuw het Midden-Oosten onderwierpen. Zo ontstond een samenleving waarin de islam kon uitgroeien tot een steeds belangrijkere religie, een proces dat, zoals Philip Jenkins in Het vergeten christendom beschrijft, werd versneld toen de moslims de christenen begonnen te associëren met de Mongolen. Het laatste bedrijf lijkt te zijn ingezet in 1948: de stichting van een joodse staat is voor veel Arabieren een reden om hun vijandschap tegen het christelijke Westen te hernemen, wat in de praktijk betekent dat ze christenen in het Midden-Oosten onder druk zetten. Dalrymple beschrijft zo al met al het einde van een langzame verandering die inzette in de dagen van Moschos.

De historicus kan dit proces niet hermeneutisch verklaren door zich in te leven in “de” islamitische geest, aangezien je dan een permanente haatcultuur moet postuleren die inherent zou zijn aan “de” islam. Ik ben niet op de hoogte van een voldoende empirische onderbouwing van zo’n essentialistische interpretatie (waarmee ik niet zeg dat die niet kan bestaan – de PVV had in het Marokkanendebat minder ongelijk dan men aannam).

Het lijkt vooralsnog niet te gaan om één proces, maar om een reeks processen die samen al dertien eeuwen duren en duidelijk kunnen worden onderscheiden. De oosterse christenen leden nu weer onder de associatie met de Mongolen, dan weer onder de associatie met de koloniale heersers, vervolgens weer onder de associatie met Amerika en Israël. Op andere momenten was er juist geen enkele druk op de oosterse christenen. Tegelijk zijn er processen waarmee de zoroastriërs, de manicheeërs en de joden onder druk zijn gezet en rivaliteiten tussen soennieten en de diverse shi’itische groeperingen. Het zijn verschillende processen, die steeds weer anders zijn, en die niet hermeneutisch kunnen worden verklaard. Computersimulaties waarmee culturele homogeniseringsprocessen worden beschreven, zijn een meer belovende benadering.

Dalrymple biedt geen verklaring van de ontwikkeling, maar documenteert wat het voor de betrokkenen betekent. Dat is steeds weer iets anders. De Syrisch-orthodoxe christenen in het zuidoosten van Turkije zitten klem tussen de Koerdische opstandelingen, die hen als westerlingen beschouwen en dus als bondgenoten van de Turkse overheid, en de regering, die de mening is toegedaan dat de christenen te anders zijn om echte Turken te kunnen zijn. De christenen in Syrië leven daar volgens Dalrymple, die het land in 1996 bezocht, in betrekkelijke rust. (Ik bezocht het land in 2008 en had een iets minder positieve indruk.) In Egypte genieten de Kopten eigenlijk alleen enige bescherming zolang ze niet hardop zeggen hoe slecht hun situatie eigenlijk is.

Van Libanon vermeldt Dalrymple vooral hoe de christenen, na de burgeroorlogen, niet goed meer weten wat hun positie nu is: het land is door de Fransen geschapen als een christelijk staatje, maar de maronieten zijn hun leidinggevende positie kwijt geraakt. Wie de Libanese politiek ook maar oppervlakkig volgt, zal wel hebben ontdekt dat de christenen nu nog steeds verdeeld zijn tussen de twee grote coalities: velen werken samen met de anti-Syrische coalitie terwijl anderen met de Hezbollah samenwerken in de pro-Syrische coalitie. De christenen zijn verdeeld, weten niet meer wat ze met de situatie aanmoeten en lijken weinig veranderd sinds Dalrymple het land bezocht.

Even verderop, in Israël, bezoekt de schrijver een plaats waar Sint-Joris (sowieso een populaire heilige in het Midden-Oosten) wordt vereerd door zowel christenen als moslims, die hem gelijkstellen aan Khidr, de “groene man” die in de Koran Mozes op de proef stelt. Ik ken de plaats, Beit Jala, niet, maar ken wel een andere plaats waarvan me was verteld dat de twee geloven er samen dezelfde heilige vereren: Nabi Ayla in de Bekaa-vallei, waar Elias zou liggen begraven. Het was een mooi islamitisch heiligdom, maar ik kreeg niet de indruk dat de christenen er de deur plat liepen. Misschien is Nabi Ayla anders dan Beit Jala, maar ik sluit allerminst uit dat de samenwerking minder harmonieus is dan ze ooit was.

Dalrymple bezoekt de oude kloosters tussen Jeruzalem en de Jordaan. Een van de mooiste passages is hoe hij staat bij het graf van Johannes Moschos. De moderne westerse reiziger, die tot dan toe weliswaar geen geheim heeft gemaakt van zijn rooms-katholicisme, maar steeds een licht-ironische toon heeft gehandhaafd (voorbeeld), wordt dan ineens persoonlijk over zijn eigen opvattingen en vertelt hoe en voor wie hij bidt. Omdat je als lezer dan al weet dat Dalrymple een enorme reis heeft gemaakt om op alle plaatsen te komen, en omdat je weet dat zijn belangstelling oprecht is, komt dit niet koket over, maar heel oprecht.

Zoals de lezers van deze kleine blog weten, was ik onlangs in Libanon. Op een avond was ik uit eten met twee jonge maronitische vrouwen, die vertelden dat ze een rooms-katholieke moeder hadden. Dat verbaasde me, want de maronieten zijn katholieken. Ze erkennen het gezag van de paus en hun patriarch, Bechara Boutros al-Raï, geldt als een gewone kardinaal. Ik vroeg daarom hoe zij het verschil tussen die twee religies zagen, en ze antwoordden dat de maronitische kerkmuziek vrolijker was.

Dit is het soort informatie dat Dalrymple niet biedt. Zijn informanten zijn veelal geestelijken, waardoor From the Holy Mountain over veel kwesties het standpunt weergeeft van mannen voor wie religie hun beroep is. Zou Dalrymple het verschil tussen katholieken en maronieten hebben behandeld, hij zou vermoedelijk iets hebben gezegd over de liturgische taal. Het standpunt van de gewone gelovigen komt wel aan bod, maar blijft wat onderbelicht.

Maar deze kritiek is natuurlijk klein bier. From the Holy Mountain is het beste boek dat ik in tijden heb gelezen. Mooi geschreven, afwisselend, en vooral: het gáát ergens over. Je hoeft geen christen te zijn om te zien dat er iets van waarde teloorgaat. Zoals vrolijke kerkmuziek.


Ster van Betlehem

april 19, 2013

giottoMet kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.


Libanese propaganda

april 16, 2013
Hariri's moskee, met een kerkje ernaast

Hariri’s moskee, met een kerkje ernaast

Beiroet telt enkele tientallen kerken en moskeeën en één synagoge. Het zijn meestal vrij kleine gebouwen. De stad heeft geen godshuis dat de stad domineert, zoals de Dom van Keulen of de Blauwe moskee in Istanbul. In de skyline van Beiroet overheerst geen van de religies de andere.

Althans, zo was het tot voor kort. Inmiddels wordt het stadscentrum gedomineerd door de enorme moskee die de in 2005 vermoorde oud-premier Rafiq Hariri aan de Place des Martyrs heeft neergezet. De kerk ernaast wordt er letterlijk door overschaduwd, de omgeving is er als het ware door geïslamiseerd, de hegemonie wordt geclaimd door één van de confessies of politieke partijen (wat in dit land op hetzelfde neerkomt).

Natuurlijk is het iets van alle tijden en culturen dat religies en partijen de openbare ruimte trachten te domineren. De televisietoren op de Berlijnse Alexanderplatz, waarmee de DDR wilde bewijzen in niets onder te doen voor West-Duitsland, schiet me als eerste te binnen, en u kent zelf genoeg andere voorbeelden. Er lijkt in Libanon echter wel iets aan het verschuiven te zijn, en dan denk ik niet alleen aan architectuur.

Mensen etaleren hun religieus-politieke gezindheid namelijk wel heel nadrukkelijk. De paasstalletjes waarover ik al blogde blijven opgesteld tot ook de Grieks-orthodoxen het paasfeest hebben gevierd, en dat wil dit jaar zeggen dat je er als niet-christen een maand tegenaan moet kijken. Omgekeerd laten shi’ieten de spandoeken ter gelegenheid van ashura nog weken hangen. Vorig jaar duurde dat tot kerstmis, opdat christenen het alleenrecht op de openbare ruimte nooit zouden krijgen.

Amal viert Ashura

De liberale revolutie van Nabih Berri en Musa al-Sadr

(Tussen haakjes, op één van die doeken, opgehangen door de Amal-beweging, las ik dat ashura neerkwam op een liberale revolutie. Ik ben nieuwsgierig wat de toch seculiere VVD en de Liberale Internationale, die afgelopen week in Beiroet vergaderden, dachten van de Libanese visie op de liberale principes. De Toekomstbeweging die namens Libanon deel uitmaakt van de Internationale, is soennitisch en staat in nauw contact met het om zijn liberale ideeën zo beroemde Saoedi-Arabië.)

De nadrukkelijkheid waarmee de shi’ieten ashura herdenken – veel nadrukkelijker dan in bijvoorbeeld Iran – lijkt weer de aanleiding te zijn geweest voor christenen om hun feesten nadrukkelijker te vieren. Eergisteren wandelde ik in Zahlé langs een restaurant waar een groots diner plaatsvond en vuurwerk werd afgestoken. Was het een bruiloft, vroeg ik mijn gastvrouw, maar die vertelde dat het een doopplechtigheid was. Vroeger, zo vervolgde ze, waren die veel bescheidener, maar het was iets van de allerlaatste jaren om aan minimaal tweehonderd mensen een diner aan te bieden.

En zo gaat het door. In een restaurant hangt een kalender met afbeeldingen van christelijke heiligen, een druzische man draagt de voor zijn geloof kenmerkende zwarte pofbroek, vlaggen langs de weg herinneren aan het lijden van imam Hoessein, moslima’s dragen hoofddoeken en christenen zijn herkenbaar aan halskettingen met een crucifix.

Maar het opvallendst zijn de posters met de portretten van de politieke leiders: Hariri lacht je overal vriendelijk toe, de christelijke leider Gemayel staat steevast naast een Libanese vlag, Amal-politicus Nabih Berri wordt getoond met blauwe ogen (al zijn ze in het echt bruin) en de shi’ieten spannen de kroon met afbeeldingen van allerlei geestelijken.

Iedereen probeert een deel van de openbare ruimte te bemachtigen en dat kan uit de hand lopen, zoals wanneer Hezbollah en Amal ruzie maken om de tientallen vlaggen die een van beide partijen wilde ophangen langs de belangrijkste weg van het land.

Tot werkelijke conflicten lijkt het niet te leiden, en voor zover ik kan overzien blijven Libanezen in het dagelijks leven beleefd. Zie ik het goed, dan bestaat er tevens een vorm van terughoudendheid om over andermans religie/politieke oriëntatie te spreken. Dat is heel beschaafd, maar er zit ook iets beklemmends aan de strijd om de openbare ruimte.

Een nagebouwd Golgotha

Een nagebouwd Golgotha

Het blijft daar namelijk niet toe beperkt: er zijn fanatiekelingen die ook in de privésfeer inbreken. Het gebruik van alcohol is legaal, maar in de omgeving van Tyrus hebben shi’ieten slijterijen aangevallen en hotels onder druk gezet geen wijn meer aan te bieden. Dat gaat heel ver.

Er zijn Nederlandse parallellen, variërend van de betrekkelijk onschuldige chanoeka-lamp die in het winkelcentrum van Buitenveldert brandt tot de agressieve Tilburgse pastoor die de mensen voor dag en dauw met klokgebeier wekte om ze zo te laten weten “dat er ook voor hen werd gebeden”. Maar waar zo’n Tilburger kan rekenen op collectieve verontwaardiging en uiteindelijk door de rechter wordt teruggefloten, kiezen Libanezen ervoor met gelijke munt terug te betalen. Wederzijdse de-escalatie schijnt hier niet te bestaan en dat is uiteindelijk verontrustend.

(wordt vervolgd)


Het paasstalletje

april 12, 2013
batrun_st_stephen_easter

Het lege graf

Een paar maanden geleden blogde ik over de maronieten, de Libanese rooms-katholieken, die dikwijls roomser zijn dan de paus en zich altijd hyper-Europees presenteren. Ik beschreef destijds een kerststal die ik in de kerk voor Sint-Joris in Beiroet had gezien: hoewel de mensen hier toch een redelijk vermoeden kunnen hebben van hoe het er destijds in Betlehem heeft uitgezien, was hun kerststal er een van het Napolitaanse type, met een dik pak spuitbussneeuw en een herder in een lederhosen. Europees tegen beter weten in.

Wat ik vandaag in de kerk van Sint-Stephanus in Batroun zag, heb ik in Europa echter nog nooit gezien. Je zou het een paasstalletje kunnen noemen: een afbeelding van het lege graf.

Ik beleef een zeker plezier aan de bonte variëteit aan opvattingen die de mensen hebben over het goddelijke. Sommige opvattingen en gewoontes vind ik getuigen van wijsheid, andere vind ik onbegrijpelijk en weer andere werken op mijn lachspieren. Zoals een paasstalletje. Vanzelfsprekend vindt een maroniet die Nederland bezoekt, onze gebruiken vermoedelijk even wijs, onbegrijpelijk en lachwekkend.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 151 other followers