Borges, De Aleph

mei 21, 2013

alephEr bestaat een artikel – ik meen dat het is gepubliceerd in het Handelsblad –dat ermee begint dat de auteur zich afvraagt of hij mensen de lectuur van een boek van Jorge Luis Borges wel moet aanraden. Ik herinner me niet wat de recensent op zijn eigen vraag antwoordde en wat hij nog meer vertelde, maar deze openingszin is me bijgebleven. De verhalen van de Argentijnse auteur zijn namelijk niet ieders smaak.

Hij heeft veel gelezen, en dat laat hij je merken ook. Ik heb onlangs De Aleph herlezen, Annie Sillevis’ in 1964 verschenen Nederlandse vertaling van een elftal verhalen die in 1956 en 1957 in twee bundels zijn verschenen. Wat me meteen opviel was het enorme aantal verwijzingen naar andere boeken. Zulk vertoon van eruditie zou nu, een halve eeuw later, verdacht zijn, en daarom weet ook ik niet of ik mensen de lectuur van Borges moet aanraden, maar mij prikkelt het. Je kunt Borges een snob noemen, maar je kunt hem ook zien als een etalage vol boeken die je nog eens zou kunnen lezen.

Een andere reden om niet van Borges te houden, is zijn enorme fantasie. Hij is, om zo te zeggen, de anti-Voskuil, wiens literatuur bestaat uit een ingedikte beschrijving van wat werkelijk bestaat. Borges verzint juist dingen die niet kunnen bestaan zoals, in het beroemde verhaal over “De bibliotheek van Babel”, een heelal in de vorm van een bibliotheek. De vertelling illustreert allerlei aspecten van het moeilijke begrip oneindigheid en ik zou me kunnen voorstellen dat er nog eens een Annotated Borges verschijnt, zoals er ook een Annotated Alice is waarin de logische puzzeltjes worden uitgelegd die Lewis Carroll in het boek stopte.

We zien een paleis waar de architectuur geen doel dient en een punt waarin alle plaatsen van de wereld samenkomen. We lezen over iemand die zich tijdens een oorlog laf heeft gedragen, in zijn doodsdelirium de strijd opnieuw beleeft en nu wel dapper vecht, en het verleden zó aanpast dat hij als held wordt herinnerd. Iemand neemt zich voor een mens te dromen en in de werkelijkheid onder te brengen, en ontdekt dat ook hij zelf gedroomd is.

Humoristisch is het verhaal over Averroës, de Arabische Aristoteles-commentator, die zich afvraagt wat een komedie en een tragedie toch zijn, ’s avonds uit eten gaat, daar een complete beschrijving krijgt te horen van een toneelstuk, maar – opgesloten in zijn eigen werkelijkheid – niet in staat is te herkennen dat hij het antwoord op zijn vraag op een presenteerblaadje krijgt. Borges’ epiloog: Averroës is daarmee niet absurder dan ik zelf ben, nu ik probeer Averroës voor de geest te halen. Die zit.

Even verderop lezen we hoe een theoloog Judas rehabiliteert: als God zich heeft verlaagd door mens te worden, is Judas de enige die Christus werkelijk volgt door zich te verlagen tot verraad. Dit zijnde een verhaal van Borges, moet u niet verbaasd staan over verwijzingen naar de gnosis.

Zo zit het universum van de Argentijnse schrijver in elkaar: een wereld vol boeken en fantasie. Een internationale wereld ook: Duitsers, Engelsen, Spanjaarden, Amerikanen, Argentijnen, Egyptenaren, ze komen allemaal een keer langs. Ik voor mij vind het heerlijk om te lezen. En is het niet om de ongebreidelde fantasie, dan is het wel om Borges’ talent sommige dingen echt briljant te zeggen: “Een gentleman kan zich alleen interesseren voor verloren zaken,” schrijft hij ergens, volkomen terloops. Geen krullendraaierij, maar een tot nadenken stemmende definitie van adeldom als de afwezigheid van eigenbelang. Mooi.


Naar Turkije

mei 15, 2013

efesVliegtuigticket bij de hand?

Ja.

Reisprogramma gecontroleerd?

Check.

Backups gemaakt?

Inderdaad.

Postbus leeggehaald?

Gedaan.

Was gedraaid, fiets binnen gezet, planten water gegeven, paspoort gecontroleerd, gas uitgezet?

In orde.

Als u dit leest, ben ik in Turkije. Vanuit Ankara ga ik naar de oude Frygische hoofdstad Gordion, naar de Hittitische metropool Hattusa, via Kültepe dwars door Kappadokië naar Tarsus, via het slagveld bij Issus naar Antiochië en Seleukia, naar de Eufraatsteden Karchemish, Zeugma en Arslan Tepe en – hoogtepunt van de reis – de berg Nemrud.

Kortom, een reis langs de voornaamste opgravingen van de oude Anatolische beschavingen – en wat komt het goed uit dat ik net ontdekte dat het corresponderende museum in Ankara niet, zoals ik vreesde, wegens verbouwing gesloten is, maar zijn topstukken blijft tonen. Een reisje waar ik al een tijdje naar uitzie: een deel van de plaatsen ken ik al, andere weer niet, dus dit wordt leuk.

Op deze blog blijft af en toe iets verschijnen, maar ik kan niet reageren op eventuele commentaren.


Ondertussen in Syrië

april 29, 2013
Apamea in de zomer van 2011

Apamea in de zomer van 2011

De bovenste foto (via) dateert uit de zomer van 2011 en toont de ruïnes van de antieke stad Apamea in Syrië. Het is een van de best-onderzochte Grieks-Romeinse steden van het antieke Midden-Oosten. De grote lijn van links naar rechts is de weergaloze processiestraat, die aan beide zijden is omgeven door colonnades. Er is een stadspoort (helemaal links), er is een badhuis, er zijn tempels – kortom, alles wat een antieke stad zo interessant maakt is er te zien. Enkele mooie mozaïeken zijn te zien in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Er is in Apamea simpelweg té veel gevonden. Lang niet alles wat is opgegraven, kon worden gedocumenteerd. Mijn beste vriend en ik hebben in het museum foto’s genomen van een enorme, prachtige verzameling grafschriften. Men deed daar niet moeilijk over, maar verzocht ons wel of we met het online plaatsen wilden wachten tot de officiële publicatie er was.

Die zal er wel niet meer komen. En er zal nog wel meer nooit worden gepubliceerd. Zie de tweede foto, hieronder. Die is van dit jaar. De kleuren zijn anders – dit is een foto uit de late winter, als alles groen is – maar er is een wezenlijker verschil. Het hele terrein ligt vol kuilen en gaten. De opgraving is massaal en systematisch geplunderd.

Apamea in de winter van 2013

Apamea in de winter van 2013


Monsignor Quixote (2)

april 28, 2013

quixoteIn het eerste deel van dit stuk wees ik op het gekunstelde karakter van Graham Greenes boek Monsignor Quixote. Deze onnatuurlijkheid doet gelukkig niet af aan de leesbaarheid. Zoals ik al zei is de vriendschap van de twee mannen schitterend getekend, terwijl hun gesprekken ergens over gáán.

De afgelopen vijftig eeuwen – zo lang dus als we de geschiedenis kennen – zijn de meeste mensen op een of andere wijze religieus geweest. Een humanist kan dat niet zomaar als irrelevant terzijde schuiven: het verlangen naar Iets Hogers, wat dat ook moge zijn, is blijkbaar onderdeel van het mens-zijn. Omgekeerd zijn de antwoorden die de godsdiensten tot op heden hebben geboden te beperkt, te tijdgebonden, te irrationeel om in onze tijd nog te overtuigen. Voor beide standpunten valt iets te zeggen en Greene geeft aan beide ruimte, waarbij hij vooral onderstreept dat zekerheid iets is voor tevredenen en legen.

Monsignor Quixote is dus vooral een filosofische dialoog, met als conclusie dat een leven zonder twijfel niet de moeite waard is. Ik typeerde het boek ook als een road movie: de twee mannen zijn op een queeste. Dit is uiteraard een overeenkomst met Cervantes’ beroemde roman (dit keer geen classificatieprobleem: om de avonturen van de vernuftige edelman uit La Mancha te typeren als roman, hoeven de definities niet te worden opgerekt).

De overeenkomsten zijn er op twee niveaus. Enerzijds binnenin de tekst: Monsignor Quichot beweert af te stammen van de ridder van de droevige figuur en noemt zijn Seat 600 Rosinant, er zijn mensen die hem vragen of hij écht afstamt van Don Quichot en Sancho vergelijkt ergens een ontmoeting met de Guardia Civil met het gevecht dat de dolende ridder leverde met de windmolens. Anderzijds gebruikt Greene de klassieker van Cervantes om zijn eigen tekst te structureren: de monseigneur en de burgemeester maken twee reizen, overnachten in een bordeel, denken iets goeds te doen als ze in feite een crimineel helpen en komen in nog meer herkenbare situaties terecht.

De overeenkomst gaat echter verder dan spiegelende scènes: zoals Don Quichot gelooft in oude boeken, zo leest en herleest Monseigneur Quichot de mystieke teksten van het christendom (en heeft de burgemeester Het communistisch manifest op zak). En zoals de ridder van weleer in naïviteit leeft maar op zijn sterfbed een realist blijkt te zijn, zo legt ook zijn afstammeling zijn argeloosheid af in de daverende slothoofdstukken, waarin de goede monseigneur komt te overlijden.

Zoals ik al aangaf kun je Greenes boek óók lezen als een tragedie, met een catastrofe aan het einde. Monseigneur Quichot wordt oprecht kwaad als hij ziet hoe een Mariabeeld wordt bekleed met bankbiljetten. Zijn optreden tegen deze blasfemie wordt zijn dood. Het is een intens pessimistische scène: de menselijke waarden waarover de katholieke priester en de communistische humanist het eens zijn, bezwijken uiteindelijk voor het kapitalistische winstbejag. Het vasthouden aan de oude idealen, en niet de ontmoeting met de Guardia Civil, is het eigenlijke windmolengevecht, en zoals u weet zijn in het universum van Don Quichot de zogenaamde realisten de dwazen en is de zogenaamde dwaas de enige die werkelijk begrijpt wat in dit ondermaanse van waarde is.

Ik heb met dit laatste iets meer van de plot weggegeven dan ik wilde, maar u weet nog niet wat het slothoofdstuk is. Daarover verklap ik niets, maar ik verzeker u dat het indrukwekkend is, dat Sancho en Monseigneur Quichot allebei gelijk blijken te hebben, dat het mysterie intact blijft en dat het u zal ontroeren. En tot slot is er de onbeantwoorde vraag waarmee het boek eindigt: hoe komt het dat haat, zelfs de haat van en voor een man als Franco, ophoudt als iemand sterft, terwijl liefde overleeft en kan groeien?


Monsignor Quixote (1)

april 28, 2013

quixoteIneens wist ik aan wie de nieuwe paus, Franciscus, me deed denken: aan Monseigneur Quichot, de hoofdpersoon van een in 1982 verschenen roman van Graham Greene. Ik gebruik het woord “roman”, waarmee de schrijver zelf de tekst aanduidde, met aarzeling. De grenzen van het genre zijn inmiddels zó ver opgerekt dat vrijwel alle lange prozateksten er nu onder vallen. Er valt best met zo’n nietszeggend etiket te leven, maar bij Monsignor Quixote is het toch wat problematisch. Het is eerder het scenario van een road movie (en is dan ook verfilmd) of een klassieke tragedie, compleet met expositie, complicaties, climax, consequenties en catastrofe.

Het beste laat de tekst zich lezen als filosofische dialoog. Aan de ene zijde staat de eenvoudige dorpspriester van El Toboso, Monseigneur Quichot (inderdaad: afstammeling van), die gelooft in het belang van de christelijke waarden, ook nu de kerk gecorrumpeerd is geraakt. Dat laatste slaat vooral op de specifieke problemen van het katholicisme in het Spanje van Franco, maar de titelheld erkent ook de meer structurele problemen. Zijn antagonist Sancho is de linkse burgemeester van het dorp, die meent dat er in de failliete boedel van het communisme nog iets ligt van waarde.

De twee voeren allerlei gesprekken over de betekenis van de wederzijdse idealen. Beide erkennen daarbij dat er nogal wat verschil is tussen de theorie en de praktijk, wat voor de lezer het voordeel heeft dat een hoop drogredeneringen achterwege blijven. Geen gratuite verwijten dus over het kwaad van de Inquisitie of de Goelag, maar argumenten die het ideaal zélf betreffen, waarbij menselijkheid uiteindelijk beslissend is.

Even boeiend als de uitwisseling van argumenten is de vriendschap van de twee mannen. Ik vermoed dat u bij de combinatie van dorpspriester en communistische burgemeester dezelfde associatie hebt als ik: Don Camillo en Peppone, de protagonisten uit de verhalen van Giovanni Guareschi. Er is inderdaad een overeenkomst. De twee Italianen zullen, als het erop aankomt, altijd hun zorg voor hun dorpsgenoten laten prevaleren boven hun levensbeschouwing. Dat kan ook makkelijk, want christendom en communisme zijn in de kern beide een aanklacht tegen onrecht. De rest is bijzaak. Ook Monseigneur Quichot en Sancho zijn het erover eens dat humane waarden centraal dienen te staan. Bovendien vinden ze elkaar steeds opnieuw in hun twijfel. Ze weten het allemaal zo zeker niet en kunnen makkelijk toegeven dat hun gespreksgenoot ook wel eens gelijk kan hebben.

Uiteraard zijn ze als discussianten wat irreëel. In het echt dwalen mensen tijdens discussies af, komen ze aan met drogredeneringen en houden ze tegen beter weten in vast aan hun gelijk. Er zijn wel meer irreële aspecten in het verhaal. Monseigneur Quichot blijkt af en toe veel beter op de hoogte van de grote intellectuele debatten dan je van een wat naïeve dorpspriester zou verwachten, zoals in het volgende voorbeeld:

We are all bourgeois today. Don’t tell me that Brezhnev is not just as much a bourgeois as you and me. If the whole world becomes bourgeois, will it be so bad – except for dreamers like Marx and my ancestor?

Omgekeerd blijkt Sancho meer te weten van moraaltheologie dan een communistische dorpsburgemeester doorgaans in zijn intellectuele bagage heeft. Greene heeft zulke onrealistische personages nodig om de discussie werkelijk te laten draaien om de Grote Vragen.

Ook de rest van het verhaal is daaraan ondergeschikt gemaakt: als er ergens drie flessen wijn soldaat worden gemaakt, en de lezer zich afvraagt waarom de schrijver zo expliciet is over het aantal, krijgt hij een antwoord wanneer Monseigneur Quichot de flessen benut om de Drie-eenheid uit te leggen. Greene besteedt ook slechts weinig woorden aan het decor: de steden die de twee mannen aandoen lijken er vooral te zijn als aanleiding voor een dialoog over een nieuw thema.

[wordt vervolgd]


Restauratiewerkzaamheden

april 27, 2013
Schoongemaakt schilderwerk

Schoongemaakt schilderwerk

De foto hierboven maakte ik eergisteren op de tentoonstelling van mummiekisten in het Rijksmuseum van Oudheden. De voorwerpen zijn afkomstig uit één, kolossale vindplaats en verdeeld over een stuk of zestien musea; het RMO werkt nu samen met de Vaticaanse Musea en het Louvre om ze te inventariseren en te restaureren. Dat laatste gebeurt nu in het RMO op zaal. Je kunt er dus gewoon naar kijken en mag een praatje maken met de restauratoren (overigens het liefst tussen twee en drie uur).

Los van het feit dat het natuurlijk adembenemend is dat zo’n houten deksel zo’n slordige drieduizend jaar oud is, vond ik het eindeloos fascinerend om te zien hoe de mensen in de tentoonstellingszaal bezig waren. De foto toont iets van het werk dat wordt gedaan. Met een kwastje werd gel aangebracht over het grauwe hout; die gel hechtte zich dan aan het stof; vervolgens werd de gel weggehaald en werd met een ander goedje het zo gereinigde oppervlak schoongemaakt. Ik begreep dat de gel niet te lang op het hout mocht liggen, omdat het anders meer meenam dan alleen vuil: de verf.

Ik vond het contrast tussen het vuile en het schoongemaakte hout verbluffend. De foto toont het in feite niet goed genoeg, maar het verschil tussen enerzijds de stukjes linksonder en boven, en anderzijds het stuk rechts is toch wel herkenbaar.


Nieuwe RMO-afdeling Nabije Oosten

april 25, 2013

De vernieuwde afdeling

In 2018 bestaat het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waarover ik al eens eerder heb geblogd, twee eeuwen. Het zal er dan anders uitzien dan u misschien gewend bent, want momenteel worden de afdelingen een voor een gerenoveerd. De Nederlandse archeologie is al gedaan, de Griekse afdeling staat voor 2015 op het programma en de wereldberoemde Egyptische collectie voor 2017. En vanaf aanstaande zaterdag is de vernieuwde afdeling over het oude Nabije Oosten open.

Met een oppervlakte van 300 vierkante meter is het niet de grootste afdeling van het RMO. Bovendien, eerlijk is eerlijk, is de collectie te willekeurig samengesteld om een volledig chronologisch overzicht te geven van de ontwikkeling van de oud-oosterse culturen. Perzië is goed vertegenwoordigd, maar Sumerië weer niet. Je kunt met het aanwezige materiaal geen “rise of civilization”-achtige expositie inrichten.

Palmyreens grafportret

Palmyreens grafportret

Je kunt echter van de nood een deugd maken en de afdeling inrichten rond de vraag hoe zo’n collectie tot stand komt. Of: hoe hebben Nederlandse verzamelaars de afgelopen twee eeuwen gekeken naar het oude Nabije Oosten? Dat klinkt misschien als museale navelstaarderij, maar het kan beslist geen kwaad bezoekers duidelijk te maken welke keuzes er worden gemaakt bij het uitleggen van wetenschappelijke resultaten en door welke toevalligheden een collectie tot stand komt.

Het resultaat is een aangenaam-rustige afdeling met klassieke glazen vitrines. Ik weet dat er mensen zijn die dat oubollig vinden en liever zien dat antieke voorwerpen in het donker, bij low-key licht, geheimzinnig liggen te zijn, maar het is mijn stellige overtuiging dat museumvoorwerpen het beste tot hun recht komen in een traditionele opstelling.

Afgietsel van een Onsterfelijke

Afgietsel van een Onsterfelijke

Lange tijd heeft het RMO niet meer oud-oosterse voorwerpen bezeten dan één afgietsel van een van de Perzische “onsterfelijken”, die overal zijn afgebeeld in Persepolis. In 1890 kwam er als eerste originele voorwerp een betrekkelijk kleine Parthische grafkist bij, maar pas in de jaren dertig koos het museum voor het opbouwen van een eigen, oud-oosterse collectie. Ik zou wel eens wat meer willen weten over de keuze om, uitgerekend op het moment waarop een verontrustend groot deel van Europa in de ban was van de arische mythe, aandacht te gaan besteden aan een overwegend semitisch deel van de wereld.

Een voor de hand liggend onderwerp bij een opstelling die het verzamelen zélf centraal stelt, is de archeologie die werd bedreven om het historisch gelijk van de Bijbel te bewijzen. Dat concentreert zich op Deir ‘Alla in Jordanië, waar Henk Franken een beroemde Aramese tekst, met inkt geschreven op pleisterwerk, heeft gevonden die de bijbelse profeet Bileam vermeldt.

Het schild uit Luristan

Het schild uit Luristan

Een ander thema is de zorg voor het erfgoed. Het aankopen van stukken op de markt is nooit zonder problemen, want een museum heeft eigenlijk alleen iets aan voorwerpen waarvan de herkomst duidelijk is. Hoe het mis kan gaan, blijkt uit de vitrine met voorwerpen waar een luchtje aan bleek te zitten. Heel erg leuk vond ik een prachtig schild, afkomstig uit Luristan in westelijk Iran, met een godheid op een troon, waarvan lang werd aangenomen dat het een vervalsing was, tot een laboratoriumonderzoek vaststelde dat er geen sporen waren die bewezen dat er met moderne instrumenten aan was gewerkt.

Gudea

Gudea

Goed uitgewerkt vond ik ook de tegenstelling tussen de negentiende-eeuwse verzamelactiviteit, die zich richtte op de grote rijken (Assyrië, Babylonië…) en de twintigste-eeuwse aandacht voor het leven van de gewone man. Dat de eerste archeologen zich vooral met de oosterse paleizen en koningen bezighielden, is logisch: om te beginnen leefde men in een tijd van imperialisme en verder zijn paleizen nu eenmaal een stuk opvallender dan boerderijen. Het pronkstuk hier is een mooie kop van koning Gudea van Lagash. De twintigste-eeuwse voorkeur voor minder verheven architectuur is op haar beurt weer het product van een democratischer samenleving en betere onderzoeksmethoden.

De eenentwintigste eeuw toont vooral belangstelling voor culturele interactie, en dat is het laatste onderdeel van de afdeling: een Fenicische schaal die is gevonden in Midden-Italië, voorwerpen uit Karthago en de beroemde reliëfs uit Palmyra, die zowel oosterse als Grieks-Romeinse artistieke invloeden vertonen. Van een Grieks-Mesopotamisch reliëf uit Assur, waarvan ik zou hebben gezworen dat het uit de Parthische tijd stamde, wordt nu een ruimere datering gegeven: laat-Parthisch of Sassanidisch.

De opgraving van Sichem

De opgraving van Sichem

De huidige afdeling zal nog worden uitgebreid met ruimte voor kleinere, wisselende exposities. Momenteel is het nog niet zo ver, maar in de grote hal waar je het museum binnenkomt zie je nu de expositie “Graven naar het bijbelse Sichem”, waarin enkele foto’s zijn te zien die de Nederlander Franz Böhl in 1926-1928 maakte op de door de Duitse bijbelwetenschapper Ernst Sellin uitgevoerde opgraving te Tell Balata bij Nablus. Omdat Sellins huis tijdens de Tweede Wereldoorlog afbrandde, werd aangenomen dat de negatieven waren vernietigd, maar ze zijn teruggevonden in het RMO. Nu kun je dus kijken naar de prachtige foto’s uit de tijd waarin de fotofilm nog was gebaseerd op zilver en de afdrukken ongekend scherp en mooi konden zijn.

Het altaar uit Sichem

Het altaar uit Sichem

Nog een laatste punt: uit Tell Balata/Sichem komt ook de stenen kubus hiernaast. Het voorwerp doet denken aan een altaar met “horens”, zoals genoemd in de Bijbel. Wie zich aan zo’n horen vastgreep, had asiel. Omdat de Bijbel vermeldt dat Abraham in Sichem een altaar had opgericht, heeft men het voorwerp inderdaad geïnterpreteerd als een altaar, maar er zijn onderzoekers die zeggen dat het een versierde maalsteen is. Wie weet wat toekomstige geleerden ervan zullen zeggen?

PS

Tegelijk met de opening van het museum verschijnt van de hand van de curator een mooi boek, dat ik nog niet heb gelezen maar dat er in elk geval op het eerste gezicht tof uitziet: Lucas Petit, Het oude Nabije Oosten. Een paradijs voor verzamelaars en wetenschappers.


Klassieken & communicatie (4)

april 18, 2013

De Lachmannmethode was het model van Darwins evolutieleer

[Dit is het vierde van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. Het eerste is hier. Ik beschreef dat de structuur van de universiteit belet dat een goed communicatiemodel wordt ontwikkeld en waarom dat het aanzien van het vakgebied schaadt.]

Iedereen kan een boek schrijven over de Oudheid, maar met een opleiding kun je een goed boek schrijven. Je slaagt erin je publiek meer te verbazen, meer te laten genieten en beter te laten delen in de ontdekkingsvreugde. Je vermijdt religieuze, ideologische of nationalistische contaminatie. Als antwoord op de vraag hoe oudheidkundigen hun activiteiten zó kunnen uitleggen dat het publiek stopt met twijfelen aan het nut ervan, volstaat dus een traditioneel beroep op het plezier en belang van juiste informatie.

Vakmanschap alleen is echter onvoldoende. Het proces van waarheidsvinding moet worden toegelicht en er moet rekening worden gehouden met de vooropleiding van het publiek. Vroeger kon een onderzoeker misschien een continuïteit postuleren zonder deze te bewijzen, maar nu zijn er mensen die zo’n fout herkennen. Het vergelijken van toen en nu is eveneens gebonden aan niet te negeren theoretische regels.

Het helpt ook als de classici, oudhistorici en archeologen naar buiten zouden komen met onderwerpen waarover ze iets interessants te melden hebben. Ik moet momenteel voor het NRC Handelsblad het jubileumboek van het Nederlands Klassiek Verbond bespreken en zal zeker niet op de feestelijke taart spugen, maar eerlijk is eerlijk: toneel in de Oudheid is geen onderwerp dat onverwachte vergezichten opent. Het is ook nodeloos defensief, want er zijn voldoende niet-uitgekauwde onderwerpen.

Je zou zelfs twee vliegen in een klap kunnen slaan door te kiezen voor aspecten uit de klassieke traditie die én duidelijk maken dat de oudheidkunde wel degelijk een theorie heeft én de bijdrage aan de vorming van onze eigen cultuur illustreren. Aan de Vrije Universiteit heeft de toenmalige Vrije Studierichting Oudheidkunde in de jaren negentig geprobeerd een collegereeks langs die lijn op te zetten. Ik ben medeverantwoordelijk voor de mislukking, maar vind het idee nog steeds de moeite waard. Je bedient je in elk geval niet van onbewijsbare continuïteiten of contraproductieve vergelijkingen als je wijst op:

  1. het ontstaan van de tekstkritiek als aanzet tot de Reformatie;
  2. Scaligers chronologische onderzoek als begin van de Verlichting;
  3. de vergelijkende historische taalkunde als bepalend voor hoe we de relaties tussen de volken definiëren;
  4. de Lachmannmethode als model voor de evolutieleer;
  5. de archeologie als empirische onderbouwing van het liberale vooruitgangsgeloof;
  6. een Pausaniascommentator die het ideeëngoed schiep dat een voorwaarde was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog;
  7. de invloed van de uitleg van Tacitus’ Germania op het racisme.

U kunt hetzelfde vinden in Rens Bods mooie De vergeten wetenschappen, waaraan ik het derde voorbeeld dank. Natuurlijk zijn er andere manieren om het publiek én de wetenschappelijkheid van de klassieken én het belang ervan op een interessante wijze uit te leggen, maar dit lijkt mij de aantrekkelijkste manier om ervoor te zorgen dat niemand ooit nog vraagt naar het nut van de klassieken.

[wordt vervolgd]


Klassieken & communicatie (2)

april 18, 2013

Detail van de Elgin Marbles (British Museum)

[Dit is het tweede van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. In het eerste deel wees ik erop dát deze ontbreekt.]

Voor ik inga op de genegeerde ontwikkelingen, wil ik wijzen op wat wél goed gaat. In de eerste plaats: er zijn classici als Vincent Hunink, die antieke teksten vertalen voor een breed publiek. Er zijn historici als Gé de Vries, die met Pogrom in Alexandrië een standaard heeft gezet. Er zijn steeds meer infrastructurele projecten waarbij de archeologische vondsten een plaats hebben, zoals het drive-in-museum dat Hazenberg Archeologie heeft ontworpen voor de gemeente Woerden. En ik wil Piet Gerbrandy noemen, die met Het feest van Saturnus een van de mooiste boeken schreef die ik ken. Het kán dus, maar als er een goed boek kan bestaan over de Romeinse literatuur, valt des te meer op dat er geen boek bestaat over de Romeinse geschiedenis of de Griekse literatuur.

Buiten het boekenvak hebben we hetzelfde beeld. Pas in 2012 nam voor het eerst een universiteit deel aan het Romeinenfestival. Toen onlangs op het budget van het Rijksmuseum van Oudheden werd gekort, was iedereen gedupeerd maar protesteerde alleen de Leidse universiteit. Anders dan in Vlaanderen hebben de universiteiten in Nederland geen websites ontwikkeld. Bij de oprichting van Romeinen.nu ontbraken de universiteiten. De Week van de Klassieken blijft verstoken van een daverende universitaire bijdrage, wat mede verklaart waarom dit evenement elk jaar een etalage is van gezapige ambitieloosheid en het publiek blijft vragen wat het nut is van de klassieken.

Eén verklaring voor de verwaarlozing van de wetenschapscommunicatie is dat academici worden afgerekend op alleen hun wetenschappelijke publicaties. Dit is raar, want de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek eist dat de universiteiten “in elk geval hun kennis moeten overdragen ten behoeve van de maatschappij”. De publicatiedwang is dus wat in de organisatieleer een perverse prikkel heet: een mechanisme dat mensen aanzet tot gedrag dat in strijd is met de doelstellingen van de organisatie.

Tja. Zolang universiteiten alleen geld verdienen met onderzoek en onderwijs, en zolang alleen deze twee taken worden gecontroleerd, staan de medewerkers onder druk hun derde wettelijke taak te verwaarlozen. Dat de maatschappij, waarvoor de wetgever de wetenschappelijke kennis dus bedoelt, zo verwordt tot bijzaak, is voor de humaniora een ramp. Wie mensen wereldwijzer wil maken, moet ze ook wereldwijzer kúnnen maken, en dat wordt in het huidige bestel belemmerd.

[wordt vervolgd]


Klassieken & communicatie (1)

april 18, 2013

Homeros (München)

De Livius.org-website ontvangt elk jaar ruim 450 verzoeken om informatie. Sommige keren steeds terug, zoals de vraag naar het nut van de klassieken. Het is een herkenbare kwestie, ook als ze anders wordt verwoord: “waarom bestuderen we de oude culturen?”, “what have the Romans done for us?”

Het is een non-probleem. Zoals niemand zich afvraagt wat het nut is van een boswandeling, het Concertgebouw, ganzenbord of een roman, zo zou niemand zich horen afvragen wat het nut is van bijvoorbeeld dit epigram van Martialis of het Romeinenfestival. Mensen beleven daaraan plezier. Dat bestaat voor de oudheidliefhebber uit verbazing, inzicht of ontdekkingsvreugde. Liefde voor de Oudheid is haar eigen beloning.

Het ligt anders voor docenten en studenten aan een universiteit, die door de gemeenschap worden gefinancierd. De gemeenschap vraagt immers iets terug. Voor sommige wetenschappen is dat geen probleem, aangezien ze toepasbare uitvindingen leveren. Voor andere vakgebieden is het moeilijker, en dan komen al snel de humaniora in beeld. Ik heb er geen enquête over gehouden, maar het is aannemelijk dat de meeste betrokkenen niet snel de toepasbaarheid van hun inzichten (die er wel degelijk kan zijn) zullen noemen als rechtvaardiging van hun bezigheden. Eerder stellen ze dat de humaniora weliswaar niet nuttig zijn, maar wel zinvol, omdat ze ons helpen de wereld te begrijpen. Dit is onmiskenbaar waar en zo is de vraag naar het belang van de geesteswetenschappen – en dus de klassieken – ook voor academici beantwoord.

Waarom keert de vraag dan toch steeds terug?

Omdat de burgers de geboden wereldwijsheid niet zien. En trouwens niet alleen de burgers. Astronomen weten heus wel dat antieke teksten uitleg vergen, maar veranderen elke kerst weer in bijbels literalisten als ze spreken over de Ster van Betlehem. Ook bij wetenschappers komt niet op dat je advies van een classicus kunt vragen als je een oude tekst leest. Of neem de Commissie-Van Oostrom, die in 2006 adviseerde over het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis. Het is alleszins verdedigbaar dat zij slechts één venster wijdde aan de Oudheid, maar de limes is een rare keuze, die niet aansluit bij het traditionele beeld van Romeins Nederland (waarin alles draaide om wat men de “Batavieren” noemde) en evenmin aansluit bij het huidige onderzoek (dat het belang van de limes nuanceert). Het is lastig de klassieken over het voetlicht te krijgen als er weinig belangstelling is.

Daar valt echter ook iets aan te doen en ik noem natuurlijk niet toevallig de canondiscussie. U herinnert zich hoe Ronald Plasterk, Louise Fresco en Robbert Dijkgraaf erop wezen dat Christiaan Huygens niet mocht ontbreken, en hoe de commissie zich die kritiek aantrok. Voor zover blijkt uit het commissierapport heeft geen oudheidkundige een soortgelijk stuk geschreven om erop te wijzen dat de impact van de limes geringer was dan het ontstaan van een schriftcultuur, de germanisering van ons taalgebied en de verstedelijking (nota bene één van de “draden” in de canon).

Ik ken trouwens ook geen classicus die onze sterrenkundigen uitlegde wat naïef positivisme is. Sterker nog, de oudheidkundige disciplines negeren de ontwikkelingen in de wetenschapscommunicatie. Zolang dit zo blijft, zal ook de vraag naar het nut van de klassieken blijven terugkeren.

[wordt vervolgd]


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers