Sic transit

april 9, 2013

madonnaDat was even schrikken voor de fans van Cher: de hashtag #nowthatchersdead. Menigeen schijnt te hebben gedacht dat de Amerikaanse zangeres was overleden, hoewel het natuurlijk sloeg op de Britse politica, die blijkbaar al behoorlijk vergeten begint te raken.

Het deed me denken aan iets wat ik vorige week meemaakte. Mijn nichtje van elf en neefje van acht waren op visite en wandelden met me door mijn straat, waar een huis staat dat eigendom schijnt te zijn van Madonna. Ze is lang geleden ook wel eens gesignaleerd, maar dat is dus, zoals ik al zei, lang geleden. Je moet een goed verhaal echter niet kapot maken met kritische kanttekeningen, althans niet als je iets kunt aanwijzen wat aansluit bij de belevingswereld van je neef en nicht, dus ik wees het huis aan.

“Wie is Madonna?” vroeg mijn neefje.

Ook de zangeres begint vergeten te raken, zoals iedereen ooit vergeten zal zijn. Voor Madonna is dat jammer, want ik vond (en vind) sommige van haar liedjes verdraaid goed. Dat Thatcher vergeten is geraakt, dat betreur ik iets minder. Al valt niet te ontkennen dat ze inspireerde tot nog meer verdraaid goede muziek.


Toerisme

april 7, 2013

beirut_nmb_kids_1Ik sta op het punt naar Libanon te gaan. Het is een fijn land. Niet dat ik mijn ogen zal sluiten voor de vluchtelingenproblematiek – ik blogde er al eens over – of dat het me ontgaat dat de plaatselijke politici er almaar niet in slagen over ook maar iets consensus te bereiken. Het falen van de Libanese staat is een reëel gegeven en een probleem, al creëert het ook ruimte voor meer persoonlijke vrijheid dan elders in het Midden-Oosten.

Ik kom er dus graag, maar ja, dat reizen hè. Ik zal niet klagen over Schiphol, want ik krijg eigenlijk – en ik haat het dit toe te moeten geven – steeds meer bewondering voor de wijze waarop ze daar duizenden en duizenden mensen redelijk feilloos naar hun bestemming loodsen. Vergelijk dat eens met Malpensa in Milaan, waar het aantal kledingzaken een aanwijzing is voor het aantal stukken vermiste bagage.

Je komt aan in je hotel. Je reist met een groepje en je denkt op alles voorbereid te zijn: een praktische lijst met alle persoonsgegevens en paspoortnummers, data van afgifte, plaats van uitgifte, geboorteplaats, woonplaats. Geloof me, de gemeente waar je je bevindt, zal altijd iets nodig hebben waar jij nog niet aan hebt gedacht. In bijna alle gevallen is het te regelen, maar ik heb wel eens een gesprek moeten voeren met twee militiemensen die de loop van hun geweer, anders dan ik leerde in militaire dienst, niet hadden gericht op de grond.

Nee, de aanwezigheid van het leger geeft niet altijd een gevoel van veiligheid. Omgekeerd: ik ben in Turkije, Syrië, Libanon, Israël, Egypte, Libië, Iran of Pakistan nog nooit in een hotel geweest waar het personeel onvriendelijk deed of niet gemotiveerd was. Ik weet dat u dat niet gelooft, maar het is echt waar.

Ik heb wél – en meer dan eens – meegemaakt dat een kok nog even iets maakte voor de te laat aangekomen bezoekers, dat iemand mijn kleren thuis in de wasmachine deed omdat de laundry service van het hotel dicht was, of dat iemand op een brommertje naar de stad reed omdat we hadden gevraagd om een waterpijp en er geen tabak was. Roken is in de Iraanse horeca namelijk verboden, maar liever dan de gasten nee te verkopen, spande men zich daar in Semnan nog eens extra voor ons in.

Je gaat de stad in. Voor het mooiste monument staat een vrachtauto geparkeerd, en als dat niet zo is, staat er een groep toeristen. (Noot: in Amsterdam staat een reclamezuil pal voor Felix Meritis.) En er mag dan vrijheid van meningsuiting bestaan, maar waarom is de man die in het antieke theater een liedje wil zingen, altijd slecht bij stem? En waarom maakten die oude Grieken en Romeinen theaters met een zó volmaakte akoestiek dat je perfect élke valse noot kunt horen?

Net als jij aankomt bij die mooie ruïnestad, stroomt er een cruiseschip leeg. Groepen toeristen, dat is het ergste. Zonder dat ze het in de gaten hebben, bewegen ze zich zó dat individuele bezoekers ervoor opzij moeten. In Delfi werd ik letterlijk van de weg geduwd en hield ik er een verstuikte enkel aan over. Sprekend over verstuikte enkels: in Mycene vertelde een EHBO-er me eens dat ze elke dag weer vrouwen moesten helpen die op naaldhakken de ruïnestad binnenliepen.

Groepen hebben een eigen dynamiek, zoals elke reisleider je kan vertellen. Als de voorsten stilstaan om op de laatsten te wachten, zullen die dat opvatten als reden om nog langzamer te lopen. Als de gids ze aanspoort nu toch echt even door te lopen, is een geldautomaat of een doddig katje al voldoende om de mensen af te leiden.

Opvallend is ook hoe makkelijk je de nationaliteit van een groep herkent. Fransen luisteren aandachtig, Italianen zijn vooral bezig met zichzelf, Nederlandse groepen hebben een bepaald soort anarchie en Duitsers vallen op doordat ze zelden lachen. Ik kan langzamerhand niet meer om de conclusie heen dat de Duitse reisorganisatie Studiosus mensen selecteert op het vermogen om bij alles wat naar cultuur zweemt, vooral heel serieus te kijken.

Je gaat naar het museum. De openingstijden zijn onaangekondigd veranderd, de Indische onderminister van godsdienstzaken is op bezoek, de afdeling die jij wil zien is wegens verbouwing gesloten en dat ene mooie voorwerp, waarvoor je die omweg maakte, blijkt uitgeleend. En als het er toch is, blijkt het te liggen in een vitrine waar het licht zó is afgesteld dat je last hebt van de spiegeling. Dat is vooral ergerlijk als je het echt wil bestuderen en dus foto’s maken. Al beken ik dat mijn grootste ergernis mijn eigen stommiteit is: steeds als ik mijn foto’s terugzie, zie ik ook weer mijn gestreepte overhemd weerspiegeld op de ruit.

En dan is er de reisleider. Hij heeft geen zangles genomen en heeft een versterker nodig om zich verstaanbaar te maken, zodat ook de mensen die eromheen staan horen dat hij niets heeft te vertellen dat niet ook in de reisgids stond – inclusief de allang achterhaalde informatie. Over keizer Inconnus zal ik niet opnieuw beginnen, maar ik sta ervoor in dat er een Nederlandse gids is geweest die in de Hagia Sofia voor een poster uitleg stond te geven terwijl de echte mozaïeken even verderop waren.

Massatoerisme. Wat is het een ellende, maar ik draai er vrolijk in mee en lever mijn eigen bijdrage aan het circus. Want ja, ondanks alle nadelen en bezwaren, ondanks alle incompetentie en militarisme, gelden eveneens deze simpele waarheden: er zijn daar mooie dingen te zien en reizen brengt mensen werkelijk dichter bij elkaar.


Het probleem met het Marokkanenprobleem

april 6, 2013

debatIk heb wel eens een stuk mogen schrijven voor een boek van de COVS, de Centrale Organisatie van Voetbalscheidsrechters. Dat was vererend, want ik koester grote bewondering voor hen en voor de grensrechters. Probeer maar eens met wijsheid leiding te geven aan een met passie gespeelde wedstrijd. Toen in december grensrechter Richard Nieuwenhuizen werd doodgeschopt, was ik het volledig eens met de PVV: een Kamerdebat was op zijn plaats, al was het maar omdat de Kamer óók het volk vertegenwoordigt als het gaat om steunbetuigingen – bijvoorbeeld aan de mensen die het vrijwilligerswerk toch maar doen.

De verblindheid van de PVV, die van alles wat lelijk is de schuld wil geven aan Marokkanen en moslims, verhinderde de zinvolle discussie die had kunnen plaatsvinden. Ik denk niet dat de familie Nieuwenhuizen veel plezier aan het Kamerdebat heeft beleefd. Dat is, geloof ik, het voornaamste wat erover gezegd moet worden.

Maar er is nog iets. De PVV stelde een serieuze kwestie aan de orde, die door niemand wordt ontkend: dat jongens van Marokkaanse afkomst zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken. De PVV noemt dit een “Marokkanenprobleem”, de andere partijen willen liever dat we spreken van “Marokkanen met problemen”, en dat was ook de lijn waarlangs minister Asscher zijn antwoorden gaf. In elk geval moet iedereen als individu worden behandeld. Gevoelsmatig vind ik dat verstandige woorden.

En toch wringt het. Wat hij in feite zegt, is dat er alleen individuen bestaan en dat die aansprakelijk zijn voor hun eigen daden. De PVV zegt daarentegen dat je een groep, met een eigen cultuur en gedeelde waarden, aansprakelijk mag stellen. Ik denk dat het de verwarring van onze samenleving illustreert dat de rechtse partij een standpunt innam dat traditioneel links in het politieke spectrum zit, terwijl de socialistische minister een perfect liberaal standpunt verdedigde.

Asschers standpunt staat bekend als “ontologisch individualisme”: alleen individuen bestaan echt, er bestaat niets bovenindividueels, alleen individuen kunnen iets menen, alleen individuen kunnen iets doen, alleen individuen kunnen iets veroorzaken. Of ervoor aansprakelijk zijn.

Dit klinkt op het eerste gehoor onweerlegbaar, maar dat is het niet. Er zijn wel degelijk bovenindividuele normen die mensen tot bepaalde vormen van gedrag aanzetten. Een voorbeeld dat mij, met een slaapstoornis, na aan het hart ligt, is ons dagritme. Van nature bestaan er ochtendmensen, avondmensen en extreme nachtmensen, allemaal individuen die dezelfde individuele vrijheid hebben te bepalen wanneer ze slapen. Toch staan ze merendeels op rond hetzelfde, vrij vroege tijdstip. Dat is zo gegroeid toen we nog koeien molken, maar is inmiddels contraproductief: het is buitengewoon onverstandig om kinderen, met een laat ritme, al om half negen in de schoolbanken te plaatsen, alleen omdat hun volwassen docenten vroege ritmes hebben. Ons onderwijs kan efficiënter, en als we individueel mochten kiezen deden we dat, maar de norm is sterker dan wijzelf.

De kernvraag in de discussie is: worden onze Nederlandse Marokkanen door zo’n grotere norm aangezet tot bepaalde vormen van gedrag? En zo ja, is dat een norm die vanuit Marokko naar Nederland is meegenomen? Of is de oorzaak van de problemen, zoals Pim Fortuyn meende, gelegen in de “achterlijke cultuur” van de islam? Of is het complexer, en is zo’n bovenindividuele norm ontstaan in een wisselwerking tussen twee culturen in achterstandswijken?

U merkt, we bevinden ons hier op het terrein van de sociale wetenschappen, en ook al is een term als “ontologisch individualisme” een draak, de vraag die de PVV stelde was alleszins gerechtvaardigd. We mogen vragen of er iets is in “de” Nederlands-Marokkaanse gemeenschap dat aanzet tot ongewenst gedrag, we mogen vragen of er een Marokkanenprobleem is.

Ik begrijp dat de Kamer een buitenkans zag om de PVV onderuit te halen, eerst door het debat door te laten gaan toen de PVV ervan af wilde zien, en daarna door te kiezen voor een ontologisch individualistische manier om de kwestie zó te framen dat de PVV de discussie verloor. Maar daarmee heeft de Kamer ook wetenschappelijk positie gekozen: tegen een van de belangrijkste inzichten uit de sociale wetenschappen en voor een verouderde negentiende-eeuwse visie.

Uiteraard staat dat de Kamer vrij, want we leven in een democratie en niet in een technocratie waarin de universiteiten over alles en iedereen het laatste woord mogen spreken. Dat moet ook vooral zo blijven. Het lijstje van onderwerpen waarover onze politici wetenschappelijke inzichten negeren – slaapklinieken, klimaat, obesitas, kinderopvoeding… – is tijdens het Marokkanendebat echter wéér langer geworden. Dat wringt.


Rijksmuseumtunnel

april 6, 2013

tunnelDe televisieserie Bij nader inzien bevat een scène waarin een student een medestudente ziet wandelen als ze de tunnel onder het Rijksmuseum binnenloopt. Hij rent om het gebouw heen om haar bij het verlaten van de tunnel “toevallig” tegen het lijf te lopen. Misschien komt de scène ook voor in de gelijknamige roman van Voskuil, maar ik ben er nooit in geslaagd dat boek uit te lezen.

Ik heb een vergelijkbare herinnering. Op de leeszaal waar ik dikwijls met mijn neus in de boeken zat, was ook een jonge vrouw aanwezig die een andere studie volgde. We hadden nooit meer woorden gewisseld dan wat vriendelijke begroetingen. Ik had me voorgenomen haar mee te vragen om koffie te drinken, maar het was er niet van gekomen. Op een regenachtige avond fietste ik van de stad naar het Museumplein en ik was blij even te kunnen schuilen, toen zij van de andere kant aan kwam fietsen. Een ongezochte gelegenheid om toch het eerste gesprek aan te knopen.

Elke Amsterdammer heeft zo zijn herinneringen aan die tunnel. Bijvoorbeeld aan de muzikanten die er altijd zaten, of de Mongoolse zangers met hun curieuze liederen. Ik ken iemand die er in slaap is gevallen en wakker werd in een politiecel, met in zijn portemonnee ruim 200 gulden die er de avond tevoren niet in hadden gezeten. Hoe diep de liefde voor de plek zat, bleek toen een voorstel werd ingediend om een tram onder het museum door te laten rijden. Dat kon écht niet: dit was het domein van wandelaars en fietsers. Het voorstel werd schielijk afgevoerd.

Zoals bekend is het Rijksmuseum verbouwd en wilde de directie de fietsers weren uit de tunnel. Dat zou best wel eens een verstandige maatregel kunnen zijn, want toeristen in Amsterdam onderschatten de snelheid die fietsers kunnen maken. Bovendien: dingen veranderen altijd, en soms win je daarmee en soms verlies je ermee. Dat is onvermijdelijk en het is naïef te verwachten dat alles in een stad eeuwig bij het oude zal blijven. Rationeel hebben degenen die vinden dat de fietsers maar drie minuten moeten omrijden, ronduit gelijk.

Maar het gaat in deze kwestie niet om de verstandigheid van de maatregel, niet om de onvermijdelijkheid van verandering en niet om rationaliteit. Het gaat om een gevoel. Mensen hebben herinneringen aan een plaats, en als zo’n plek maar markant genoeg is, zoals de Rijksmuseumtunnel, versterken die herinneringen elkaar en groeit de plaats uit tot iets wat de bewoners van een stad verbindt. Amsterdammers worden niet verbonden door het monument op De Dam, door de Grachtengordel of door het Concertgebouw, maar wel door plaatsen waaraan iedereen een herinnering heeft. Een tramlijn of een fietsverbod op zo’n plek is zoiets als het egaliseren van de Grebbeberg: misschien heel verstandig, onvermijdelijk en rationeel – maar je tast datgene aan wat mensen verbindt.

Begrijpelijk dat er verzet komt. Onbegrijpelijk dat de museumdirectie en de architecten dat niet zagen aankomen. Onprofessioneel bovendien.

Ik weet dat vrij zeker, want in mei 2009 was ik aanwezig bij een persconferentie ter gelegenheid van het Gallo-Romaans Museum, dat is gebouwd in het centrum van Tongeren. Architect Alfredo De Gregorio vertelde dat hij wist dat de bewoners van het stadje “sentimenteel waren gehecht” aan de passage tussen het museum en de basiliek, de Allée verte. Toen hij het nieuwe museum ontwierp, vertelde hij, moest hij behoorlijk diep ingrijpen in de structuur van de stad, maar hij had zichzelf verboden aan dat straatje te komen. Er lagen daar teveel herinneringen; als die zouden worden aangetast, zou de nieuwbouw vanaf het begin worden ervaren als een inbreuk.

Ik denk dat De Gregorio gelijk heeft. Wie een groot stedelijk bouwproject onder handen krijgt, moet weten hoe de bewoners van die stad de openbare ruimte beleven. Wie dat onvoldoende op waarde schat, zoals de Rijksmuseumdirectie die meende de belangen van het massale toerisme te kunnen laten gaan vóór de sentimenten van de bewoners, is een vreemde in zijn eigen stad en schept iets dat voor eeuwig een Fremdkörper zal zijn.

Gelukkig heeft de Amsterdamse gemeenteraad in dit geval een ramp weten te vermijden. Er zijn dagen waarop ik er trots op ben in deze stad te wonen, te leven, te fietsen, te mopperen. Zoals de dag waarop definitief duidelijk werd dat fietsers gebruik mochten blijven maken van de Rijksmuseumtunnel. En de dag dat ik voor het eerst in jaren daar weer zal fietsen. Ik kijk er nu al naar uit.


Fouten

maart 28, 2013

zaalTerwijl u dit leest, heeft mijn vriendin A. een baaldag. Ze is studente, heeft onlangs een onderzoeksplan ingediend en ontdekte er zojuist alsnog fouten in. Nu hoopt ze maar dat de mensen van haar opleiding begrijpen dat het een plan is en geen vastgestelde onderzoeksrichting.

Weet je, beste A., het is helemaal niet erg fouten te maken. Het is zelfs noodzakelijk. Studeren betekent dat je iets gaat doen dat nog te moeilijk is. Je docenten spreken je, als ze het goed doen, altijd aan boven je niveau en trekken je omhoog naar een hoger niveau. Dat je af en toe eens terugzakt, is normaal. Als je nooit eens iets verkeerd doet, betekent dat dat je docenten het je niet moeilijk genoeg hebben gemaakt.

Je moet op een school, een hogeschool of een universiteit twee dingen leren: enerzijds moet je je opleiding volgen en anderzijds moet je leren dat fouten maken zó menselijk is dat het niet erg is ze toe te geven. Alleen als je ze toegeeft, kun je ervan leren, de zaak anders aanpakken en een manier ontdekken waarop je ze niet meer maakt.

Maar dat is niet alles.

Niemand is gevaarlijker dan degene die alleen negens haalt. Op het eerste gezicht gaat zo iemand alles van een leien dakje. Hij komt aan de top van een grote onderneming of krijgt hoge posities in de politiek. Maar als het eens verkeerd gaat, is zijn eerste reactie dat hij ontkent dat er een probleem is, want hij denkt dat het erg is als hij een fout maakt. Daarmee maakt hij de moeilijkheden alleen maar erger.

Je hoeft de krant ’s avonds maar te lezen om de gevolgen te zien: de bankencrisis, problemen met migratie, de falende universiteiten en de afkalvende steun voor de politiek – ze zijn allemaal nodeloos erg geworden doordat de betrokkenen hun fouten niet wilden erkennen. Goede werkgevers weten allang dat ze meer hebben aan studenten die met enige moeite een zeven halen dan aan mensen die alleen maar negens halen.

Natuurlijk, beste A., is het vervelend als je docent je straks je onderzoeksplan teruggeeft met het voorstel het aan te passen. Het levert je dubbel werk op, maar ik verzeker je: door af en toe eens een steek te laten vallen, doe je meer relevante vaardigheden op dan als je onfeilbaar zou zijn. Wie nu van vergissingen leert, zal straks met meer plezier naar z’n werk gaan.


Filmpje over Iran

maart 19, 2013

Zoals de lezers van deze kleine blog weten, was ik onlangs in Iran. Hier zijn wat beelden.


Neo-Achaimenidische kunst (2)

maart 16, 2013
Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Ik beschreef in het eerste deel van dit stuk mijn verbazing over de talloze neo-achaimenidische kunstvoorwerpen en prullaria die je overal in Iran ziet. Ze zijn geïnspireerd door een voor-islamitische godsdienst en dienden – zoals ik nog zal beschrijven – een seculiere propaganda, zodat het wat wonderlijk is dat ze alomtegenwoordig zijn in een islamitische republiek.

Eén reden waarom ze nog steeds bestaan, is dat de Iraniërs niet het idee hebben dat er een tegenstelling is tussen de godsdienst van het antieke Perzië en de islam. Al in de elfde eeuw waren de Iraniërs ervan overtuigd dat hun oergodsdienst, het door de profeet Zarathustra gestichte zoroastrisme, een vorm van monotheïsme was. De oude Perzen zouden Mohammeds openbaring alleen nodig hebben gehad voor de fijne details, maar ze hadden zelf, en als eersten, ontdekt dat God één was.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

Dat het zoroastrisme pas in de Vroege Middeleeuwen van polytheïsme is veranderd in monotheïsme en dat het Iraanse beeld van de oergodsdienst dus onjuist is, is nu niet ter zake: het gaat me erom dat het voor Iraniërs vrij eenvoudig is de komst van de islam te beschouwen als een voortzetting van een in eigen land begonnen ontwikkeling. De huidige Iraanse regering zorgt dan ook redelijk goed voor de voor-islamitische monumenten. Dit betekent niet dat je in een moskee ook neo-achaimenidische bloemenvazen kunt zien (hoewel ik er een zag in Nishapur), maar de eigenaar van een miniatuur-Behistunreliëf is niet per se een tegenstander van de islamitische republiek.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

En toch: de neo-achaimenidische stijl heeft zijn wortels in antireligieuze propaganda. In 1926 werd Reza Khan de nieuwe sjah van Perzië, met “Pahlavi” als dynastieke naam. Net als zijn tijdgenoot Atatürk was hij geïnteresseerd in het voor-islamitische verleden: niet alleen meenden beide mannen dat religie en bijgeloof de vooruitgang in de weg stonden, maar ze dachten ook dat het oudste verleden een bron van inspiratie moest zijn en eenheid kon geven aan de volken die ze zochten te verjongen. De kroon van Reza Sjah was geïnspireerd op die van deSassanidische koning Shapur I; de trappen in zijn paleis in Teheran waren versierd met de soldaten op de trappen in Persepolis; Amerikaanse archeologen werden uitgenodigd om te graven in de oude Achaimenidische hoofdsteden. Tegelijkertijd werd geprobeerd de Perzische taal te zuiveren van Arabische invloeden.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Het was in deze context dat de neo-achaimenidische stijl ontstond. Tot de mooiste voorbeelden behoren de Iraanse overheidsgebouwen, die zeker een omweg waard zijn bij een bezoek aan Teheran. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is gevestigd in een mooie kopie van de apadana in Persepolis, en even verderop zit de Nationale Bank, dat eveneens is gedecoreerd met oeroude motieven. Beide bouwwerken staan op loopafstand van het Golestanpaleis, dat in de huidige vorm dateert uit de late negentiende eeuw: wie ze vergelijkt, realiseert zich hoe schokkend nieuw de modern-antieke gebouwen moeten zijn geweest. De decoratie van het paleis staat in de traditie van de monumenten van Shiraz en Isfahan: mooie betegelde muren bijvoorbeeld, in geometrische patronen. Je zult op de neo-achaimenidische gebouwen daarentegen geen tegels zien. Het is alsof je van Biedermeier rechtstreeks overstapt naar Bauhaus.

Achaimenidische krijgers boven een tunnelingang van de spoorlijn-in-aanleg van Isfahan naar Shiraz.

Achaimenidische krijgers boven een onlangs gebouwde spoortunnel: ook de Islamitische Republiek gebruikt de Neo-Achaimenidische beeldentaal.

De sji’itische geestelijken protesteerden niet tegen de nieuwe architectuur, hoewel de afbeelding van Ahuramazda op de gebouwen welbeschouwd een klap was in hun gezicht. Toegegeven, veel Iraniërs geloofden – en velen geloven nog steeds – dat het teken niet de hoogste God weergeeft maar Zijn zichtbare glorie, maar behoudende gelovigen hadden het zeker kwetsend kunnen vinden: het gebruik van een zoroastrisch symbool in een land met een overwegend islamitische bevolking is werkelijk vreemd. De geestelijkheid accepteerde het echter, in elk geval op de wereldlijke gebouwen. Het voor-islamitische verleden was immers niet tegengesteld aan de islam, maar een voorstadium van dat geloof.

[wordt vervolgd]


Neo-Achaimenidische kunst (1)

maart 15, 2013

tehran_foreign_ministry5

Het symbool hierboven is een moderne weergave van een teken dat ook kan worden gezien op talloze antieke monumenten in Iran. Iranologen vergelijken het met de Assyrische iconografie van de god Aššur en zeggen dat het de oppergod van het oude Iran representeert, Ahuramazda. Moderne zoroastriërs en moslims zeggen echter dat het, aangezien het goddelijke niet kan worden afgebeeld, moet gaan om een weergave van farvahar, de zichtbare glorie van Ahuramazda. Hoe dit ook zij, het is zeker een symbool uit de voor-islamitische tijd. Daarom is het wat verrassend dat de foto hierboven een detail toont van de façade van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Teheran, de hoofdstad van de Islamitische Republiek Iran.

Ahuramazda als halsketting

Ahuramazda als halsketting

Dit zegt veel over de wijze waarop Iraniërs omgaan met hun verleden, dat enorm belangrijk voor ze is. Als Nederlander kan ik me niet voorstellen dat ik ooit een stoel zal bezitten met daarop afbeeldingen van Bataafse ruiters, of een klok met een Cananefatische vorst, of gordijnen met de ruïnes van het badhuis van Heerlen. Ook denk ik niet dat ik ooit een halsketting zal dragen met een Friese godheid of dat de Nederlandse regering een Keltisch symbool zal aanbrengen op een overheidsgebouw. In Iran is het echter heel normaal dat Onsterfelijken je open haard bewaken, dat je meubels zijn voorzien van Achaimenidische sfinxen, dat koning Darius is afgebeeld op je behang, of dat Ahuramazda hangt aan je halsketting of de façade van een ministerie siert. De grootste private bank van het land, Pasargad, heeft als logo een gouden Achaimenidische drinkhoorn, er zijn koekjestrommels met foto’s van Persepolis en menig restaurant heeft schilderijen met oudhistorische taferelen. Het is in Iran moeilijk kunst te vermijden die is geïnspireerd op de voor-islamitische tijd.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Het verbaast me elke keer weer. De westerse architectuur heeft haar classicismes gehad, maar geen eigentijdse architect zal de dorische, ionische en korinrhische bouworde nog gebruiken. Ook is het classicisme nooit een volkskunst geweest: de Arc de Triomphe in Parijs en de Brandenburger Tor in Berlijn zijn overheidsprojecten. Voor een Nederlander is de Iraanse retro-kunst verbazingwekkend.

Even verbazingwekkend is de selectie: de hedendaagse kunstenaars en souvenirmakers benutten vooral motieven uit de kunst van de Achaimeniden, de dynastie die in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. heerste over Iran. Daarom zal ik het hier verder aanduiden als ‘neo-achaimenidische’ kunst, hoewel er ook motieven worden gebruikt uit de tijd van de Sassaniden (224-651). De tussenliggende tijd, toen de Parthen over het land heersten, is geen bron van inspiratie. Evenmin is er belangstelling voor de Koper-, Brons- en IJzertijd, hoewel het oudste aardwerk uit Sousa buitengewoon appelleert aan de hedendaagse smaak en de trappenpiramide van Choga Zanbil bepaald indrukwekkend is.

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Maar wat me het meest verbaast aan het gebruik van antieke symbolen en motieven, dat zijn wortels heeft in de propaganda van de eerste helft van de twintigste eeuw, is dat het zijn politieke betekenis lijkt te hebben verloren. Althans in Iran: degenen die na de Iraanse Revolutie van 1979 met de laatste sjah in ballingschap gingen, gebruiken de neo-achaimenidische kunst nog wel eens om te suggereren dat er een continuïteit is van de Oudheid tot op heden. Voor hen is de monarchie, en niet de voor Iran zo specifieke sji’itische islam, datgene wat de bewoners van het land door de eeuwen heen heeft verbonden. De islam beschouwen ze als een wezensvreemd, Arabisch element in de Perzische cultuur van Iran.

De visie die de ballingen hebben op het Iraanse verleden, blijft dicht bij de oorspronkelijke propaganda. Daarover zal ik volgende keer bloggen, maar eerst zal ik ingaan op de vraag waarom de politieke lading kon verdwijnen.

[wordt vervolgd]


Iraans bier

maart 14, 2013
Jojo-bier

Jojo-bier

“Iraans bier” klinkt als een contradictio in terminis, maar het bestaat wel degelijk. Het is alleen – en dat zal u niet verbazen – alcoholvrij. Er zijn verschillende plaatselijke merken, zoals Delster en Istak, terwijl ook ons eigen Nederlandse Bavaria leverbaar is. Vroeger kon je ook Drie Hoefijzers-bier krijgen, maar dat heb ik de laatste jaren niet meer gezien.

Echt bier is het natuurlijk niet, maar soms smaakt het behoorlijk hoppig en je kunt het daarnaast krijgen in allerlei curieuze varianten. De rechtgeaarde bierliefhebber gruwt natuurlijk van ananas- of perzikbier, maar het is lekkerder dan je zou verwachten, vooral als de makers niet de ambitie hebben het écht als bier te laten smaken.

De vrachtwagen op de foto zag ik in Teheran. De naam JoJo (wat je zou kunnen vertalen als “gerstenat”) trof me, want die is dezelfde als die van een Belgische zanger die in 1979 vijftien minuten wereldberoemd was onder de bierdrinkende mensheid met “Chef, un p’tit verre, on a soif”. Ik zal de eerste zijn om te erkennen dat het liedje weinig om het lijf heeft, maar de zanger weet op een bepaalde manier het aanstekelijke plezier te verwoorden van een leuke avond in het café, met een lekker glas bier –

– alcoholhoudend uiteraard. Precies dat wat het Iraanse bier nou net nooit is. Het smaakt uitstekend, daar niet van, maar je vat een pint niet omdat ‘ie goed smaakt maar om de vrolijkheid en het gezelschap.


Terug naar Iran

februari 26, 2013
De werkkamer van de laatste shah (locatie van een ontroerende scène uit F.Springer, "Teheran, een zwanenzang")

De werkkamer van de laatste shah (locatie van een scène uit F.Springer, “Teheran, een zwanenzang”)

Ik heb een leuke muzikale associatie bij vliegvelden, maar ik heb een hekel aan internationaal vliegen. Vooral het gedoe bij de douane stoort me. Vervolgens zit je dicht opeengepakt in een vliegtuig, waar je dan zit te luisteren naar de tekortschietende veiligheidsinstructies en ongevraagd een smakeloze maaltijd krijgt voorgeschoteld.

Maar vanavond land ik wel mooi in Teheran. Het is een grote stad die, eerlijk is eerlijk, niet heel mooi is. Ik zal naar het archeologisch museum gaan, dat weer wél heel mooi is. Ik zal een vriend ontmoeten die ik al te lang niet heb gezien, en traditiegetrouw bezoeken we een van de paleizen in de stad, waar ik traditiegetrouw niet echt van kan genieten omdat ik traditiegetrouw worstel met mijn jetlag.

We gaan enkele archeologische vindplaatsen bezoeken. Om te beginnen Hamadan, het antieke Ekbatana. Het is in feite de eerste hoofdstad van Iran, uit de zevende en vroege zesde eeuw v.Chr., maar er is nog nooit iets gevonden uit deze tijd, zodat archeologen er inmiddels vrij zeker van zijn dat ze op de verkeerde heuvel aan het graven zijn. Het nabijgelegen Tepe Nush-e Jan en Godin Tepe geven overigens een idee van hoe het eruit kan hebben gezien.

Herders in de Zagros

Daarna gaan we de Zagros over: een jong gebergte vol spectaculaire contrasten. We passeren Kangavar, waar een wonderlijk monument is te zien waarvan geen mens weet wat het is. Krachtens de Eerste Hoofdwet van de Archeologie (“als je niet weet wat het is, zal het wel religieus zijn”) wordt het een heiligdom genoemd, en omdat er een bron in de buurt is, heet het een watertempel, maar het is pure speculatie.

Even verderop is het beroemde Behistunreliëf, dat ooit de sleutel vormde tot de ontcijfering van het spijkerschrift. We hopen een oud graf in de omgeving te bezoeken en gaan dan door naar Kermanshah, waar, in een mooi tuincomplex, enkele reliëfs zijn uit de tijd van de Sasanieden. Dat zijn de koningen die in de derde tot en met vroege zesde eeuw n.Chr. over Iran en Irak heersten. Ik houd erg van hun kunst.

Choga Zanbil

Khuzestan, het zuidwesten van Iran, is de volgende halte. Ik wil nu eens naar Gundj-e Shapur, waar in de Sasanidische tijd een universiteit was waar ideeën uit de hele wereld samenkwamen. Er is van beweerd dat het de grondslag was voor de grootse islamitische wetenschappelijke traditie uit de Vroege Middeleeuwen, maar dat staat niet vast. We zullen Choga Zanbil bekijken, een gigantische bakstenen berg uit de Bronstijd.

Niet veel verderop ligt Susa, dat ooit een van de hoofdsteden was van het Achaimenidische Rijk, dat van 539 tot 330 heel Voor-Azië verenigde. Het is een wat desolate plaats die nogal te lijden heeft gehad van beschietingen tijdens de Iraaks-Iraanse Oorlog, maar het is ook een mooie plek. In het stadje zelf is het graf van de profeet Daniël, dat me altijd weer ontroert.

Dan terug over de bergen, naar Yasuj, waar Alexander de Grote Perzië binnentrok. Het gebied is geologisch nog volop in beweging en de kans is klein dat we ooit Macedonische vondsten zullen opgraven, maar ik kom er graag. De bergweg is prachtig en gelukkig hebben we een excellente chauffeur. Niet veel verderop zijn allerlei rotsreliëfs (1, 2, 3), die ik dit keer voor het eerst rustig wil gaan bekijken, en de even oude stad Bishapur, met nog meer rotsreliëfs (1, 2, 3, 4, 5, 6).

Shiraz is in Iran mijn favoriete stad. Er hangt een fijne sfeer en de graven van de dichters Hafez en Saadi hébben gewoon iets, zeker als je wel eens iets van de poëzie hebt gelezen. (Er is een mooie bundel met vertalingen, door De Bruijn, Een karavaan uit Perzië.) Ik kom ook graag in een van de religieuze scholen of in de citadel. Of het er dit keer van komt, weet ik niet, omdat ik ook nog naar enkele Sasanidische monumenten ten oosten van Shiraz wil.

Adelaar uit Naqsh-e Rustam

Even verderop ligt Persepolis – kijk hier maar om te weten wat er allemaal te bekijken valt. Het is een van de spectaculaire ruïnesteden ter wereld. We zullen er vrij veel tijd doorbrengen. Even verderop is Naqsh-e Rustam, met Achaimenidische koningsgraven en – alweer – Sasanidische rotsreliëfs. Ik word er altijd opgewacht door twee adelaars, en hoop die ook dit keer weer te zien.

Pasargadai: een enorme burcht, het graf van Cyrus de Grote en zijn paleis. Daarna de eindeloze rit naar Isfahan. Ik heb de reis nog nooit gemaakt zonder in slaap te vallen, dus het is maar goed dat we een chauffeur hebben. Maar aan het einde van de dag zijn we dan Isfahan, waar ongeveer de helft van de schoonheid van de wereld is verzameld.

Ik zie uit naar het weerzien met enkele vrienden en met dit mooie land. Helaas wacht aan het einde van de reis … de luchthaven. Om een bekende dichter te parafraseren: Iran is een mooi land, maar net iets te ver weg.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers