Museumstuk (10)

mei 20, 2013
Twee Romeinse grafstenen uit Kayseri

Twee Romeinse grafstenen uit Kayseri

Ik was vandaag in Kayseri, het antieke Mazaka ofwel Caesarea. Het heeft een klein archeologisch museum, waar onder andere de vondsten liggen uit Kültepe, waarover ik al blogde. Er zijn echter ook voorwerpen uit Kayseri zelf, en zo ontdekte ik dat de Romeinse grafstenen in dit deel van het antieke wereldrijk altijd opnieuw een naar boven puntende driehoek kenden. In ongeveer de helft van de gevallen steekt daar een ovale vorm bovenuit met daarin twee symmetrische krullen. Zie de foto hierboven links.

Je kunt op zo’n thema variëren, zoals de beeldhouwer rechts heeft gedaan. Dit is het graf van een echtpaar, zodat we twee ovalen en twee driehoeken hebben. Daar heb ik ook andere voorbeelden van gezien, inclusief een graf waar nog wat antieke kleuren op zaten. Maar dit graf is interessanter: door de ovale vormen iets naar elkaar toe te buigen, lijkt de grafsteen ineens op twee geliefden die zich tegen elkaar vleien. De aanpassing ligt zó voor de hand dat het me verbaasde dat er niet meer van waren.

(Overigens wil ik niet onvermeld laten dat de museummensen hier superaardig zijn, want hoewel het museum op maandag gesloten is, volstond één telefoontje om toch binnen te kunnen.)


Museumstuk (9)

mei 20, 2013
Kleitablet uit Kanesh

Kleitablet uit Kanesh

Kanesh was de naam van een Assyrische handelsnederzetting in het zuidoosten van Anatolië, daterend uit de negentiende en achttiende eeuw v.Chr. De moderne naam is Kültepe en ik ben er eergisteren wezen kijken.

De plek is vooral beroemd geworden door de vele kleitabletten die er zijn gevonden. Ze documenteren de interregionale handel van die tijd. Toen ze werden ontdekt, werden ze meteen de inzet van een kinderachtige discussie tussen archeologen en historici, waarbij de laatsten claimden dat we, zonder deze teksten, niets over die handel zouden weten. Dat is onzin: niet alleen leert mineralogisch onderzoek welke metalen Anatolië en Mesopotamië uitwisselden, uit het nederzettingenpatroon blijkt ook ongeveer waar de zwaartepunten in het handelsnetwerk moeten hebben gelegen.

Gelukkig illustreren de tabletten meer dan alleen handel. Ze documenteren ook aspecten van het dagelijks leven. Het kleitabletje dat bovenaan dit stukje staat afgebeeld behoort tot de collectie van het Museum van Anatolische Beschavingen in Ankara. Het is een echtscheidingsakte: mevrouw Sakriuska uit Kanesh en haar Assyrische echtgenoot Assur-taklaku gaan in harmonie uit elkaar en spreken af geen schadeclaims tegen elkaar in te dienen. Is dat al opmerkelijk, het is mogelijk nog interessanter dat de vrouw juridisch volledig gelijkwaardig is aan de man.


Nationale feestdag

mei 19, 2013
Atatürkmonument in Sinasos (Mustafa Pasha)

Atatürkmonument in Sinasos (Mustafa Pasha)

Op 19 mei 1919 kwam de Ottomaanse generaal Mustafa Kemal aan in Samsun, een havenstad aan de Zwarte Zee. Het waren beroerde tijden. Het Ottomaanse Rijk was al sinds 1911 permanent in staat van oorlog: eerst in Libië, vervolgens in twee oorlogen op de Balkan en tot slot als partij in de Eerste Wereldoorlog. De soldaten hadden gevochten als leeuwen, maar hadden steeds terrein moeten prijsgeven. Toen een wapenstilstand een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, was het land gereduceerd tot wat nu de grenzen van Turkije zijn, en Rusland, Frankrijk, Griekenland en Groot-Brittannië hoopten er nog wat hompen vanaf te kunnen snijden.

Ondanks de militaire en politieke vernedering waren er successen geweest, en Kemal Pasha – het laatste woord is een eretitel voor een generaal – had zelfs een zeer grote overwinning geboekt bij Gallipoli, waar hij de Britten had verslagen en de hoofdstad Constantinopel had gered. (Ik blogde al eens over het even lelijke als ontroerende monument in Eceabat.)

De sultan, die meende dat het meeste viel te behalen door toeschietelijk te zijn jegens de grote mogendheden en daarom bereid was tot concessies, promoveerde de veel kritischere Mustafa Kemal weg naar oostelijk Anatolië, met als opdracht daar het leger te reorganiseren. Hij deed echter meer: hij verzamelde de mensen die geloofden in een hardere koers. Het was een gezond standpunt, want de Turkse legers hadden de oorlog niet verloren door gebrek aan moed of kracht, maar doordat hun tegenstanders oppermachtig waren. Zij waren nu echter oorlogsmoe, terwijl het Turkse kernland, Anatolië, nog onaangetast was.

Het zou te ver gaan alle gebeurtenissen hier op te sommen, maar het komt erop neer dat Mustafa Kemal Pasha brak met de sultan toen deze het Verdrag van Sèvres aanvaardde, waarin nóg grotere territoriale concessies werden gedaan. De revolutionairen versloegen de Russen en consolideerden hun greep op het zuidoosten (waar de Fransen een oog op hadden laten vallen), vestigden een nieuwe hoofdstad in Ankara, versloegen de Grieken en dwongen internationale erkenning af. De revolutionaire leider werd president van een nieuwe republiek en zette de koers uit van een radicale vernieuwing. Mustafa Kemal Pasha geldt als de vader des vaderlands, als de vader van alle Turken, “Atatürk”, en er is in dit land geen stad of dorp zonder een monumentje.

De foto hierboven is gemaakt in een dorpje dat Mustafapaşa heet en, zoals u al vermoedde, is genoemd naar Atatürk. Men heeft er, zoals in heel Turkije, vandaag de aankomst van Mustafa Kemal in Samsun herdacht: het begin van de onafhankelijkheidsoorlog.

Er zit iets wrangs in de herdenking op die plaats, want het was oorspronkelijk een Grieks dorpje, Sinasos, maar de bewoners zijn in 1923 gedwongen te verhuizen naar Griekenland, toen de Republiek Turkije en het Koninkrijk Griekenland overeenkwamen dat de Grieken die nog in Turkije woonden naar Griekenland zouden gaan en de nog in Griekenland verblijvende Turken naar Turkije. Misschien was de maatregel verstandig – de twee landen zijn zo’n beetje de enige in de regio die nooit meer oorlog hebben gevoerd – maar in elk geval was het een botte, harde ingreep in de levens van tienduizenden onschuldige mensen.

De huidige bewoners van Mustafapaşa/Sinasos stammen dus af van immigranten. De herdenking moet de mensen hebben doen denken aan hun familietragedie, een kleine eeuw geleden, maar er hing een aangename sfeer, en het werd niet uitgelegd als een provocatie toen we naar het voormalige kerkje gingen. Het is gewijd aan Constantijn en Helena. De schilderingen zijn al lang geleden beschadigd, maar het gebouw is goed bewaard gebleven en getuige het feit dat een van de plaatselijke cafés “Helena” heette, denk ik dat de huidige, Turkse bevolking het godshuis van de verdreven oorspronkelijke, Griekse bevolking is gaan beschouwen als het eigen erfgoed. Ze zorgen er in elk geval goed voor.


Vredesmonument

mei 19, 2013
Oorlosmonument

Vredesmonument

Ter voorbereiding van deze reis had ik, nog in Amsterdam, wat stukjes geschreven, zoals het voorgaande over het verdrag dat de Egyptenaren en Hittieten in 1259 tekenden. Het maakte een einde aan een lange oorlog, waarin de slag bij Kadesh (1274) de bekendste gevechtshandeling was. Ik wist toen nog niet dat ik in het dorpje Boğazkale, aan de voet van de antieke Hettitische hoofdstad Hattusa, het bovenstaande monument zou zien.

Het centrale gedeelte is een vergrote kopie van het kleitablet dat ik al beschreef, met daaronder een deel van de vertaling, in het Turks en het Engels. Links en rechts ziet u twee strijdwagens met soldaten in Hettitische en Egyptische stijl. Het monumentje stond er twee jaar geleden nog niet. Over smaak hoeven we niet te twisten, maar het is een aardige gedachte een gedenkteken op te richten voor de beëindiging van een conflict, zelfs al is het 3271 jaar geleden.


Museumstuk (8)

mei 19, 2013
Hittitisch-Egyptisch verdraag (Archeologisch museum van Istanbul)

Hittitisch-Egyptisch verdraag (Archeologisch museum van Istanbul)

Het kleitablet hierboven is een van de allerberoemdste teksten uit de Oudheid. Mocht u het willen zien: het is in het onvolprezen archeologische museum van Istanbul. En mocht u willen weten wat het is: het is de tekst van een staatsverdrag tussen de Egyptische farao Ramses II en de Hittitische koning Hattusili III, gesloten in 1259 v.Chr..

Ramses was in 1279 aan de macht gekomen en erfde een imperium dat wel eens betere tijden had gekend. De Egyptische garnizoenen in Kanaän (zeg maar Israël, Libanon en delen van Syrië), dat in de vijftiende eeuw was veroverd door Thutmoses III,  waren voor een deel ontruimd, maar de nieuwe koning slaagde erin althans de kuststeden weer onder Egyptisch gezag te brengen. In 1274 besloot hij een eind landinwaarts te trekken.

Dat was niet naar de zin van Muwatalli, die in het noorden van Syrië en het zuiden van wat nu Turkije heet zo zijn belangen had. Bij Kadesh aan de rivier de Orontes, ergens ten zuiden van het huidige Aleppo, kwam het tot een veldslag, die door de Hittieten werd gewonnen, al slaagde Ramses er door snel en actief te handelen in het ergste te vermijden. De volgende dag trokken beide legers zich terug: men had ontdekt dat met de andere partij niet viel te spotten.

De oorlog ging verder, met Egypte duidelijk als de initiatiefnemer, profiterend van het feit dat Muwatallis’ broer Hattusilis hem niet zonder slag of stoot kan opvolgen. In 1259 kwam het tot een vredesverdrag. Een Hittitische delegatie kwam naar Egypte, naar Pi Ramesse, en bood daar een mooie zilveren plaat aan met de voorgestelde verdragstekst. Er moeten enkele diplomatieke manoeuvres aan vooraf zijn gegaan, want men was het blijkbaar al eens.

De vorsten spreken elkaar aan als broeders, en zijn dus volkomen gelijk, wat voor beide grote koningen een aanzienlijke psychologische stap zal zijn geweest. Verder lezen we over respect voor elkaars bezittingen – vermoedelijk is er een aanvullende overeenkomst geweest over de precieze grens – en over wederzijdse bijstand. Daaronder vallen militaire steun maar ook het uitwijzen van ongewenste vreemdelingen.

De tekst is in verschillende versies overgeleverd, onder andere in Egyptisch hiërogliefenschrift, maar de versie hierboven ligt dus in het museum van Istanbul. Ze is gevonden in Hattusa, de hoofdstad van het Hittietenrijk, even ten oosten van Ankara: de plaats die ik, als alles naar wens gaat, heb bezocht op het moment dat u dit in Nederland voorbereide stukje zult lezen.

[wordt vervolgd]


Anatolische beschavingen

mei 18, 2013
Groepsportret met curieuze verkeersborden

Groepsportret met curieuze verkeersborden

Ik ben nu alweer een paar dagen onderweg door Turkije en ben momenteel in Kayseri, een stad die ik nog nooit eerder bezocht. De reis verloopt voorspoedig, met geen grotere klachten dan een ergerlijke verkoudheid en een zonnebril die ik op de dag van aanschaf alweer kwijt was.

In Ankara sliepen we in een hotel tegenover de ruïne van het Romeinse badhuis. Het is niet echt de moeite van een bezoek waard, maar als uitzicht was het natuurlijk bepaald niet slecht. Tot mijn vreugde was het museum van Anatolische Beschavingen, dat bij mijn weten tijdelijk gesloten was, toch open. Althans, gedeeltelijk. In elk geval waren de reliëfs te zien uit Karchemish en Arslantepe, plaatsen aan de Eufraat waar we nog heen zullen gaan.

Gordion is de hoofdstad van de oude Frygiërs, een IJzertijdvolk dat in het eerste kwart van het eerste millennium centraal-Anatolië beheerste. Ik was er twee keer eerder geweest, maar had de citadel nog nooit eerder echt uitgebreid kunnen bekijken. Net als tien jaar geleden was ook nu “conservatiewerkzaamheden” een eufemisme voor “gesloten”, maar dit keer lukte het me wel (van een afstandje) te kijken naar de monumenten, zodat ik zowaar Megaron IV zag, de enige tempel die momenteel bekend is. Zou dit het heiligdom zijn waar Alexander de Grote de “gordiaanse knoop” doorhakte?

Ik was nog nooit geweest in Alacahöyük, een oude Hittitische nederzetting met een prachtige stadspoort. (De Hittieten waren een volk dat tussen pakweg 1600 en 1200 centraal-Anatolië beheersten.) De originele sfinxen had ik al eens gezien in het museum van Ankara, maar ook de kopieën die er nu staan, in situ, waren erg mooi. Ook het lieve museumpje vond ik de moeite dubbel en dwars waard.

Hattusas, de hoofdstad van de Hittieten, is een gigantische opgraving. We hadden er dit keer meer tijd dan anders en kregen zo meer gelegenheid om nieuwe dingen te ontdekken. Zo zagen we nu de alleroudste stadsmuur, waarvan ik me nu afvraag hoe ik die bij eerdere bezoekjes heb kunnen missen. Het museum is inmiddels uitgebreid met twee beelden van sfinxen, waarover ik nog zal schrijven.

Vanmorgen vroeg bezochten we Yazilikaya, het wonderlijke rotsheiligdom naast Hattusas. Bij eerdere gelegenheden was ik er steeds ’s middags, nu in de ochtend, zodat het licht heel anders viel en allerlei details zichtbaar werden die me eerder niet opvielen.

Tot slot: Kültepe, een van de belangrijkste opgravingen uit de Bronstijd. De antieke naam is Kanesh ofwel Nisa. Ik vond het fascinerend te kunnen zien dat sommige gebouwen zo’n zevenendertig eeuwen geleden waren afgebrand. De plunderaars kwamen uit een ander Anatolisch stadstaatje, Kussara, en onderwierpen ook de andere steden in de buurt. Eén daarvan was Hattusa, dat ze enige tijd later maakten tot hun hoofdstad.

Hier hadden de Assyriërs een handelspost (de vakterm is karum), niet ver van de koninklijke residentie. Er zijn duizenden kleitabletten – ik heb zowel het getal van 11.000 als 25.000 horen noemen – die allerlei aspecten van het dagelijks leven documenteren. Die tabletjes liggen in het museum van Kayseri, waar ik erg naar uitzie. Morgen!


Museumstuk (7)

mei 17, 2013
Matar (Museum Gordium)

Matar (Museum Gordium)

Bovenstaande foto is niet de mooiste uit de Livius-collectie. Het beeld staat in het museum van Gordium, even ten westen van Ankara. We bezochten dat deel van Turkije voor het eerst in 2003, toen ik bezig was met de documentatie van mijn boek over Alexander de Grote, en destijds waren de digitale camera’s nog niet zo best. Bij een tweede bezoek stond het beeld niet in de expositie. IJs en weder dienende zal ik echter snel zorgen voor een betere foto, want op de dag dat u dit (in Nederland voorbereide) stukje leest, ben ik opnieuw in Gordium, met een gloednieuwe camera.

Nu maar hopen dat Matar thuis is. Ze is een van de vele Anatolische moedergodinnen, die in dat gebied al sinds mensenheugenis worden vereerd. Er is een beroemd beeldje uit Çatal Höyük, uit pakweg 6000 v.Chr., terwijl we weten dat later “de zonnegodin van Arinna” een zeer belangrijke rol speelde in de cultus van de Midden-Bronstijd. Haar gemaal, “de weergod van Hatti” (een soort Zeus, staand op bergtoppen), was meestal haar ondergeschikte. In de late Bronstijd zouden ze worden vereerd onder de namen Hebat en Teshub.

Moedergodinnen waren, anders dan men vaak aanneemt, in de oude wereld niet alomtegenwoordig. Dat wil zeggen, er werden wel overal godinnen vereerd en sommige daarvan waren ook moeders, maar in bijvoorbeeld Mesopotamië waren zij niet – of steeds minder vaak – de soevereine Schepper-godinnen die ze wel waren in Anatolië. Daar werden in het eerste millennium bijvoorbeeld Kybele en Leto vereerd, en de Frygische Matar, die hierboven is afgebeeld.  Niet zelden waren ze voorzien van een gemaal, die dan aan haar ondergeschikt was.

Helaas is er een soort zwaan-kleef-aan geweest waarbij al deze godinnen op één hoop werden gegooid. Het is makkelijk zoiets te doen, want ze vertonen inderdaad familiegelijkenis; de Grieken beschouwden ze al als manifestaties van één en dezelfde oergodin; we weten te weinig over de eigenlijke mythologie om de nuances te zien; en dus zijn alle moedergodinnen door negentiende-eeuwse onderzoekers aan elkaar gelijkgesteld. Deze hypothetische moedergodin die alle prehistorische volkeren vereerden, werd vanzelfsprekend uitgeroepen tot het archetype van de christelijke cultus van Maria.

Dit is echter veel te kort door de bocht. We hebben in feite geen idee hoeveel de dames gemeenschappelijk hebben, afgezien dan van het feit dat de Grieken vanaf pakweg de vierde, derde eeuw v.Chr. de neiging hadden ze een zekere exclusiviteit toe te kennen: wie ze vereerde, kon de andere goden wel achterwege laten (“henotheïsme”). Het plaatselijke perspectief zou wel eens heel anders kunnen zijn geweest en ik zou zelf deze Matar nog niet meteen gelijkstellen aan pakweg Atargatis, Kybele, de Artemis van de Efesiërs, Leto, Hebat of hoe ze ook geheten mogen hebben.


Museumstuk (6)

mei 16, 2013

Ploegen met een dromedaris (Museum van Bani Walid, Libië)

Omdat ik in mijn museumstukkenreeks al wat aandacht besteedde aan de geplunderde musea van Syrië, is het zinvol ook even te kijken in Libië. Laat je niets wijsmaken: het is ook daar een klerezooi. Zeker, het mooie museum in Tripoli is vrijwel onbeschadigd, maar wat moet een mens daar zien? Mooie standbeelden en mozaïeken, fraai aardewerk: ze hebben het er allemaal. Het is echter niet uniek. Het zou triest zijn geweest als het was geplunderd, zeker, maar soortgelijk materiaal is ook elders te vinden.

Dat ligt anders met het kleine museum van Bani Walid, dat is gewijd aan de vondsten van de Limes Tripolitanus. Dit is een van de bijzonderste projecten uit de Oudheid. Deze sector uit het Romeinse grensgebied, bestaande uit halfwoestijn, lag open voor nomadische aanvallen en viel alleen te verdedigen door de oases te bezetten en te beletten dat de nomaden water konden vinden. Een oase is echter te klein om een garnizoen te voeden, en daarom veranderden de Romeinen het door wadi’s doorsneden, droge landschap door middel van kanaaltjes, dammetjes en cisternen in een vruchtbaar gebied. Hoe succesvol men was, blijkt wel uit het feit dat er in de forten badhuizen stonden, met warmwaterbaden die moesten worden gestookt en die dus houtteelt veronderstellen.

De gebouwde boerderijen waren vaak van een standaardontwerp (vergelijk dit met dat). De bewoners waren zeker niet arm en lieten het soms breed hangen, zoals is te zien bij Msletten, de andere Msletten of in de grafvelden ten zuiden en ten noorden van Ghirza. Voor de daar gevonden, ietwat primitieve kunstvoorwerpen werd het museum van Bani Walid gebouwd. Het documenteerde een unieke, op zorgvuldig watermanagement gebaseerde, Romeinse cultuur.

Kolonel Khadaffi stelde veel belang in dit onderzoek. Tot dan toe was archeologie iets geweest van de kuststrook, waar de fascistische kolonisatoren veel zorg besteedden aan de Griekse en Romeinse archeologie. De Libische stranden waren “de vierde kust van Italië”. Khadaffi wilde een eigen archeologie, en vond die in de halfwoestijn. De onderzoekers werkten onder auspiciën van Unesco en deden zeer geavanceerd werk.

Er is echter niets meer van over. Banu Walid was de laatste plaats die nog trouw was aan de clan van Khadaffi. Er is hard gevochten. De vondsten in het museum stonden voor de archeologie van een verkeerd regime. Het gebouwtje, met zijn unieke voorwerpen, is geplunderd. Ik heb geen idee wat er is geworden van het reliëf hierboven, met een boer die een dromedaris voor zijn ploeg heeft gespannen. Het is uniek: het enige andere voorbeeld van dit type afbeelding, zag ik in het museum van Bani Walid.


Naar Turkije

mei 15, 2013

efesVliegtuigticket bij de hand?

Ja.

Reisprogramma gecontroleerd?

Check.

Backups gemaakt?

Inderdaad.

Postbus leeggehaald?

Gedaan.

Was gedraaid, fiets binnen gezet, planten water gegeven, paspoort gecontroleerd, gas uitgezet?

In orde.

Als u dit leest, ben ik in Turkije. Vanuit Ankara ga ik naar de oude Frygische hoofdstad Gordion, naar de Hittitische metropool Hattusa, via Kültepe dwars door Kappadokië naar Tarsus, via het slagveld bij Issus naar Antiochië en Seleukia, naar de Eufraatsteden Karchemish, Zeugma en Arslan Tepe en – hoogtepunt van de reis – de berg Nemrud.

Kortom, een reis langs de voornaamste opgravingen van de oude Anatolische beschavingen – en wat komt het goed uit dat ik net ontdekte dat het corresponderende museum in Ankara niet, zoals ik vreesde, wegens verbouwing gesloten is, maar zijn topstukken blijft tonen. Een reisje waar ik al een tijdje naar uitzie: een deel van de plaatsen ken ik al, andere weer niet, dus dit wordt leuk.

Op deze blog blijft af en toe iets verschijnen, maar ik kan niet reageren op eventuele commentaren.


Museumstuk (5)

mei 14, 2013
Lamassu (Deir ez-Zor, Syrië)

Lamassu (Deir ez-Zor, Syrië)

Lamassu’s, je ziet ze niet meer. Getuige de vele afbeeldingen uit de Assyrische en Perzische paleizen moeten ze ooit in groten getale hebben gezworven over de vlakten van Mesopotamië en de Iraanse Hoogvlakte. Het dier was een biologisch wonder, want met vier poten en twee vleugels had ’ie, net als de draak en de sfinx, zes ledematen, zodat we hier te maken hebben met de orde van de gewervelde insecten.

Anders dan de sfinx, die een leeuwenlichaam combineerde met een mensenhoofd en adelaarsvleugels, had de lamassu een stierenlichaam. Beide hadden dezelfde symboliek: zo intelligent als een mens, zo vrij als een arend en zo sterk als een leeuw of stier. Een zo monsterlijk uiterlijk, redeneerde men destijds, moest het kwaad wel afweren.

Dit negende-eeuwse exemplaar komt uit Tell Ajaja, dat is gelegen aan de rivier de Khabur in het oosten van Syrië. Ik fotografeerde het in het museum van Deir ez-Zor in oostelijk Syrië. Het is inmiddels geplunderd. Lamassu’s, je ziet ze niet meer.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers