Shiraz (Iran)

augustus 18, 2013

Het graf van Hafez

Shiraz is het Venetië van Iran. Niet omdat er bijzonder veel grachten zijn, niet omdat het toerisme er de belangrijkste economische sector is, maar omdat het een favoriete bestemming is voor huwelijksreizen. Het zal overdreven zijn dat ieder Iraans echtpaar het weekend na het huwelijksfeest afreist naar de hoofdstad van de zuidelijke provincie Fars, maar het is niet veel overdreven.

Een deel van de verklaring is dat Hafez er ligt begraven. De veertiende-eeuwse dichter schreef liefdesgedichtjes die nog altijd aansprekend zijn, vooral doordat ze bepaald niet zoetsappig zijn. Dat is des te interessanter omdat de teksten vaak een dubbele bodem hebben: wie eenmaal in de gaten heeft dat “de geliefde” ook kan slaan op God, ziet dat vrijwel elk gedicht twee kanten op gelezen kan worden. Ik heb er elders meer over geschreven en verwijs daarnaar; hier volstaat het op te merken dat zijn graf ligt in een mooi parkje.

In de bazaar

In de bazaar

Een halve stad verderop ligt de dichter Saadi begraven. Hij leefde in de dertiende eeuw en is de auteur van De rozentuin, die de menselijke komedie beschrijft, deels in proza, deels in poëzie. Het parkje waar hij ligt begraven staat, zoals u al verwachtte, vol met rozenstruiken. Heel Shiraz staat overigens vol met rozenstruiken. Al eeuwenlang.

De twee dichtersgraven zijn eigenlijk de enige herinnering aan de Middeleeuwen, hoewel het moderne monumenten zijn en je meer middeleeuwse herinneringen zou hebben verwacht in een stad die destijds belangrijk was. Ze zijn echter nagenoeg afwezig.

In de citadel

In de citadel

De stad dateert uit de zevende eeuw. De moslimveroveraars kwamen uit de woestijn en vertrouwden het leven in de steden niet echt; daarom bouwden ze islamitische nederzettingen naast de bestaande steden. Voorbeelden zijn Kufa in Irak (om niet in Ktesifon te hoeven wonen), Fustat/Cairo in Egypte (om Alexandrië te kunnen vermijden) en Kairouan in Tunesië (in plaats van Karthago). Shiraz werd gesticht om buiten de Sasanidische hoofdsteden Firuzabad en Istakhr te kunnen blijven. Anders dan de andere steden werd Shiraz nooit een Arabische stad. Integendeel: de bewoners namen in deze levendige stad de Iraanse cultuur over.

De ingang van de Khan-madrassa

De ingang van de Khan-madrassa

Van die cultuur was Shiraz in feite het laboratorium. In de Volle Middeleeuwen was het de hoofdstad van een eigen rijkje, waar Perzisch de taal van de dichters was en architecten zochten naar echt-Iraanse bouwvormen. De Oude Vrijdagsmoskee is daarvan een voorbeeld, maar het gebouw is steeds weer aangepast aan hoe men in latere tijden de Iraanse cultuur zocht te definiëren. Zo werd het uiterlijk van Shiraz steeds opnieuw aangepast aan de eisen van latere tijdperken.

Het gezicht van Shiraz is daarom niet Middeleeuws maar achttiende-eeuws. Iran verkeerde toen in een crisis omdat de Safavieden, wier hoofdstad Isfahan was, niet langer aan de macht waren. Een militaire heerser nam de macht over, en na hem kwam de macht in handen van Karim Khan, die zich echter nooit zou tooien met de titel van sjah, “koning”, maar zich wakil al-raayaa, “leider van het volk”, bleef noemen: het koningschap, zo vond, hij behoorde aan een andere familie. Dat nam niet weg dat Shiraz de hoofdstad was van heel Iran en dat er behoorlijk werd geïnvesteerd.

De Nasir-moskee

De Nasir-moskee

De citadel, met buitenmuren van prachtig metselwerk en een schitterende binnentuin, is het meest opvallende monument uit deze tijd. Enkele vertrekken zijn ingericht in de toenmalige stijl. Ik kom er graag. Even verderop bouwde Karim Khan een tuinpaleisje, een moskee, een badhuis en een bazaar, die nog steeds het belangrijkste winkelcentrum is in de stad.

Zelf houd ik erg van de Khan-madrassa, een school voor moslimgeleerden. Er is altijd wel iemand met wie je een praatje kunt maken. Ik heb er wel eens wat vragen kunnen stellen aan een vriendelijke heer, die les gaf over islamitisch bankieren maar mij op weg hielp bij het doorgronden van enkele kwesties die ik moest begrijpen om Vergeten erfenis te kunnen schrijven. Later werd me verteld dat het een van de voornaamste rechtsgeleerden van Iran was, maar de man had blijkbaar voldoende plezier in de westerse bezoeker om er wat van zijn kostbare tijd aan te wijden. Het is een cliché – en zelfs opmerken dat het een cliché is is al een cliché – maar het kan niet vaak genoeg worden benadrukt dat in Iran gastvrijheid echt een nationale deugd is.

Metselwerk in de citadel

Metselwerk in de citadel

U merkt: echt grote monumenten noem ik niet. Shiraz heeft geen centraal plein zoals Isfahan, geen graf van een imam zoals Mashhad, geen werelderfgoed-moskee zoals Tabriz, geen scholen zoals Qom. De stad heeft wél fijne hotels en ligt ideaal om dagtochtjes te maken naar oude ruïnesteden als Persepolis, Bishapur, Sarvestan of het al genoemde Firuzabad. Boven alles is het echter een stad die leeft en die van alles wat heeft te bieden, zonder dat het ergens uniek in is. Anders dan Isfahani’s, die heel goed weten dat ze in de mooiste stad van het land wonen, hebben Shirazi’s geen kapsones. Het is met afstand de stad in Iran waar ik het liefst kom.


Beleefdheid

juli 5, 2013

Ik ga graag met mijn Amsterdamse vrienden naar het café en wil hen niet te na spreken, maar een van de leukste avondjes uit van de afgelopen maanden was niet hier ter stede maar in Zahlé in de Bekaa-vallei, waar deze dikke Hollander, samen met dames uit Ierland en de Antillen, te gast was bij twee maronitische studentes uit Libanon.

De Bekaa-vallei is deels christelijk en deels sji’itisch. Ik schreef al over de alomtegenwoordige propaganda van de Hezbollah. In die dagen speculeerden de media waar de leider van de organisatie, Hassan Nasrallah, zich kon bevinden, want hij was al een tijdje niet gezien in het openbaar.

Ik grapte dat afwezig-zijn misschien hoorde bij zijn werk. De twaalfde imam, kalief Al-Hakim, Musa al-Sadr: allemaal shi’itische leiders die onder nooit helemaal opgehelderde omstandigheden zijn heengegaan. Er werd om gelachen maar een van de maronitische gespreksgenoten merkte ook op dat dit iets was wat men in Libanon niet zou zeggen. Ze vond het opvallend dat wij konden lachen om andermans religieuze opvattingen.

Het was beslist geen verwijt, meer de constatering dat mensen om verschillende zaken kunnen lachen. Toch voelde ik me wat betrapt. Het trof me als een vorm van beschaving dat je rekening houdt met andermans gevoelens en gevoeligheden, en ook in eigen kring geen grappen maakt die andere mensen, zelfs als die niet aanwezig zijn, wellicht verkeerd zouden kunnen uitleggen.

Het deed me denken aan wat een goede vriend ooit constateerde: de manier waarop Nederlandse christenen rekening zijn gaan houden met joodse gevoeligheden. De naam van God wordt, zoals bekend, door joden niet uitgesproken en al sinds de Oudheid niet volledig uitgeschreven. Sommige Nederlandse joden schrijven zelfs het woord “God” zonder klinker (G’d). Nooit heeft het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap de mensen gevraagd om daarmee rekening te houden, maar veel christenen zijn er desondanks toe overgegaan om de godsnaam niet uit te spreken. Er zullen doorgaans geen joden naar een christelijke kerkdienst komen, maar toch anticiperen christenen op de gevoelens en gevoeligheden van de niet-aanwezigen.

Enkele dagen na het gesprek in Zahlé was ik in Tyrus. Daar konden we vaststellen dat niet alle Libanezen even beschaafd waren als mijn maronitische gespreksgenoten. Je zou althans verwachten dat de sji’ieten wel respect zouden hebben voor de gevoelens en gevoeligheden van hun christelijke stadsgenoten, maar hun wordt vrij duidelijk gemaakt dat zij zich maar hebben aan te passen: restaurants die wijn schenken, kunnen erop rekenen dat de Hezbollah na sluitingstijd nog even wat mensen langs stuurt voor een goed gesprek, dat dan eindigt met een hoop gebroken glaswerk.

Ik weet niet of dit betekent dat moslims minder beschaafd zijn dan christenen, of dat gewone mensen wél rekening houden met elkaar, maar hun goede manieren verliezen op het moment dat ze als enigen beschikken over wapens.


Het einde van de Oudheid

juni 28, 2013

Khusrau en Heraclius (Louvre, Parijs)

De bovenstaande icoon is te zien in de middeleeuwse afdeling van het Louvre in Parijs. Ze is geschilderd in de tijd van de Kruistochten en toont de Byzantijnse keizer Heraclius (rechts) die Khusrau II (links) bestrijdt, de koning van de Sasanidische Perzen. Het is wat ironisch dat laatstgenoemde de geschiedenis is ingegaan met de bijnaam Parvez, “de zegevierende”, want hij won nou net niet.

Het conflict speelde zich af aan het begin van de zevende eeuw. In 604 viel Khusrau het Byzantijnse Rijk binnen en hij had opvallend veel succes: de Anatolische hoogvlakte werd onder de voet gelopen, Perzische troepen veroverden achtereenvolgens AntiochiëJeruzalem en Alexandrië. Uit Jeruzalem namen ze het Ware Kruis mee, de relikwie die in de heilige stad zou zijn vereerd sinds het bezoek van keizerin Helena, de moeder van Constantijn de Grote.

Dit was niet zomaar een conflict tussen de Perzen en de Byzantijnen, zoals er de voorgaande eeuwen meer waren geweest. Het machtsevenwicht was nu serieus verstoord en wat meer was, de Perzen tastten de religieuze fundamenten van het Byzantijnse Rijk aan. Zowel de joden als de christenen analyseerden de politieke situatie in apocalyptische termen.

In Constantinopel kwam echter een keizer aan de macht die was opgewassen tegen de situatie: Heraclius. Hij hervormde het leger en viel in 622 onverwacht de Perzen diep in Azië aan. Daar boekte hij succes na succes, en nu was het de beurt aan het Perzische Rijk om te wankelen. In 628 werd Khusrau door hovelingen vermoord; zijn opvolgers stuurden aan op vrede en gaven het Ware Kruis terug. De oorlog was geëindigd in een Byzantijnse overwinning.

Maar vraag niet wát er was gewonnen. Het was – als we afzien van de Eerste Punische Oorlog – de langste en verwoestendste oorlog uit de Oudheid geweest. De schade was immens. De steden in Anatolië en Syrië, de economisch krachtigste gebieden van de toenmalige wereld, waren zonder uitzondering verwoest en de economie stortte simpelweg in. De oude wereld ging ten onder, de Middeleeuwen begonnen.

Je begrijpt waarom mensen geloofden dat het Einde der Tijden nabij was. Eén van de apocalyptici uit deze jaren was de profeet Mohammed, en het behoeft geen lang betoog dat de Arabische legers later profiteerden van de oorlogsmoeheid van de Byzantijnen en Perzen (zoals Kennedy beschrijft in zijn boek over De grote Arabische veroveringen). De islam expandeerde in het vacuüm dat tijdens de Perzisch-Byzantijnse Oorlog van 604-628 was ontstaan.

Evenmin behoeft het een lang betoog dat het conflict tussen de keizer van Byzantium en de ongelovige Pers die zich aan Jeruzalem had vergrepen, in de twaalfde eeuw kon dienen als voorafspiegeling van de Kruistochten. Daarmee was de toon gezet: nog altijd wordt naar het laatste grote conflict van de Oudheid gekeken alsof het een soort voorloper was van een “clash of civilizations”. Dat is ze nooit geweest, en in de regel zijn degenen die dit soort “lange verbanden” van de Oudheid via de Kruistochten naar onze tijd leggen, niet de beste historici.

[Dit was de tweeëntwintigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]


From the Holy Mountain

april 27, 2013

dalrympleSommige blogstukjes vergen wat voorbereiding, zoals dit. Een goede collega, wiens spirituele belangstelling wat uitgesprokener is dan de mijne, adviseerde me From the Holy Mountain te lezen, het boek dat de Britse auteur William Dalrymple (niet te verwarren met de conservatieve filosoof) wijdde aan de verdwijnende christelijke kerken van het Midden-Oosten. Ik heb het in één adem uitgelezen, en hoezeer het me aan het denken heeft gezet, blijkt wel uit het feit dat ik de afgelopen maanden al verschillende keren heb geblogd over aspecten van dit boek. Hier is bijvoorbeeld een uitleg van wat die kerken nu eigenlijk zijn.

De ondergang van de oosterse kerken stond al ergens op mijn radar. Mijn evangelische vriend Jan-Pieter van de Giessen heeft op zijn blog lange tijd elke vrijdag een overzicht gegeven van antichristelijk geweld, waarbij Turkije, Syrië en Egypte een vast onderdeel vormden. Zelf heb ik in Diyarbakir, de hoofdstad van Turks Koerdistan, eens te laat begrepen dat de terughoudendheid van een geestelijke, die me overigens vriendelijk te woord stond, niets had te maken met tekortschietende contactuele eigenschappen – zoals ik aanvankelijk dacht – maar alles met een begrijpelijk wantrouwen jegens belangstellenden. Ik schreef daar dit stukje al over.

Kortom, een nieuw onderwerp was de ondergang van de oosterse kerken niet, maar Dalrymple bood wel een overzicht dat voldoende systematisch en boeiend was om me er verder in te verdiepen. Op de heilige berg Athos, in Istanbul, in Zuidoost-Turkije, in Syrië, in Libanon, in Palestina en in Egypte, overal spreekt hij mensen die hem iets kunnen vertellen. De portretten zijn ontroerend, en het boek had voor mij een bijzondere meerwaarde doordat ik vrij veel van de beschreven plaatsen ook zelf heb bezocht.

Het verhaal van de ondergang van het christendom begint rond 600, als de Perzen en Byzantijnen een strijd op leven en dood voeren. In deze jaren reist Johannes Moschos door het Midden-Oosten, de samensteller van een bundel monnikenverhalen waarnaar Dalrymple vaak verwijst. De uitgebreide verwoestingen schiepen een machtsvacuüm dat zou worden gevuld door de Arabieren, die in het tweede kwart van de zevende eeuw het Midden-Oosten onderwierpen. Zo ontstond een samenleving waarin de islam kon uitgroeien tot een steeds belangrijkere religie, een proces dat, zoals Philip Jenkins in Het vergeten christendom beschrijft, werd versneld toen de moslims de christenen begonnen te associëren met de Mongolen. Het laatste bedrijf lijkt te zijn ingezet in 1948: de stichting van een joodse staat is voor veel Arabieren een reden om hun vijandschap tegen het christelijke Westen te hernemen, wat in de praktijk betekent dat ze christenen in het Midden-Oosten onder druk zetten. Dalrymple beschrijft zo al met al het einde van een langzame verandering die inzette in de dagen van Moschos.

De historicus kan dit proces niet hermeneutisch verklaren door zich in te leven in “de” islamitische geest, aangezien je dan een permanente haatcultuur moet postuleren die inherent zou zijn aan “de” islam. Ik ben niet op de hoogte van een voldoende empirische onderbouwing van zo’n essentialistische interpretatie (waarmee ik niet zeg dat die niet kan bestaan – de PVV had in het Marokkanendebat minder ongelijk dan men aannam).

Het lijkt vooralsnog niet te gaan om één proces, maar om een reeks processen die samen al dertien eeuwen duren en duidelijk kunnen worden onderscheiden. De oosterse christenen leden nu weer onder de associatie met de Mongolen, dan weer onder de associatie met de koloniale heersers, vervolgens weer onder de associatie met Amerika en Israël. Op andere momenten was er juist geen enkele druk op de oosterse christenen. Tegelijk zijn er processen waarmee de zoroastriërs, de manicheeërs en de joden onder druk zijn gezet en rivaliteiten tussen soennieten en de diverse shi’itische groeperingen. Het zijn verschillende processen, die steeds weer anders zijn, en die niet hermeneutisch kunnen worden verklaard. Computersimulaties waarmee culturele homogeniseringsprocessen worden beschreven, zijn een meer belovende benadering.

Dalrymple biedt geen verklaring van de ontwikkeling, maar documenteert wat het voor de betrokkenen betekent. Dat is steeds weer iets anders. De Syrisch-orthodoxe christenen in het zuidoosten van Turkije zitten klem tussen de Koerdische opstandelingen, die hen als westerlingen beschouwen en dus als bondgenoten van de Turkse overheid, en de regering, die de mening is toegedaan dat de christenen te anders zijn om echte Turken te kunnen zijn. De christenen in Syrië leven daar volgens Dalrymple, die het land in 1996 bezocht, in betrekkelijke rust. (Ik bezocht het land in 2008 en had een iets minder positieve indruk.) In Egypte genieten de Kopten eigenlijk alleen enige bescherming zolang ze niet hardop zeggen hoe slecht hun situatie eigenlijk is.

Van Libanon vermeldt Dalrymple vooral hoe de christenen, na de burgeroorlogen, niet goed meer weten wat hun positie nu is: het land is door de Fransen geschapen als een christelijk staatje, maar de maronieten zijn hun leidinggevende positie kwijt geraakt. Wie de Libanese politiek ook maar oppervlakkig volgt, zal wel hebben ontdekt dat de christenen nu nog steeds verdeeld zijn tussen de twee grote coalities: velen werken samen met de anti-Syrische coalitie terwijl anderen met de Hezbollah samenwerken in de pro-Syrische coalitie. De christenen zijn verdeeld, weten niet meer wat ze met de situatie aanmoeten en lijken weinig veranderd sinds Dalrymple het land bezocht.

Even verderop, in Israël, bezoekt de schrijver een plaats waar Sint-Joris (sowieso een populaire heilige in het Midden-Oosten) wordt vereerd door zowel christenen als moslims, die hem gelijkstellen aan Khidr, de “groene man” die in de Koran Mozes op de proef stelt. Ik ken de plaats, Beit Jala, niet, maar ken wel een andere plaats waarvan me was verteld dat de twee geloven er samen dezelfde heilige vereren: Nabi Ayla in de Bekaa-vallei, waar Elias zou liggen begraven. Het was een mooi islamitisch heiligdom, maar ik kreeg niet de indruk dat de christenen er de deur plat liepen. Misschien is Nabi Ayla anders dan Beit Jala, maar ik sluit allerminst uit dat de samenwerking minder harmonieus is dan ze ooit was.

Dalrymple bezoekt de oude kloosters tussen Jeruzalem en de Jordaan. Een van de mooiste passages is hoe hij staat bij het graf van Johannes Moschos. De moderne westerse reiziger, die tot dan toe weliswaar geen geheim heeft gemaakt van zijn rooms-katholicisme, maar steeds een licht-ironische toon heeft gehandhaafd (voorbeeld), wordt dan ineens persoonlijk over zijn eigen opvattingen en vertelt hoe en voor wie hij bidt. Omdat je als lezer dan al weet dat Dalrymple een enorme reis heeft gemaakt om op alle plaatsen te komen, en omdat je weet dat zijn belangstelling oprecht is, komt dit niet koket over, maar heel oprecht.

Zoals de lezers van deze kleine blog weten, was ik onlangs in Libanon. Op een avond was ik uit eten met twee jonge maronitische vrouwen, die vertelden dat ze een rooms-katholieke moeder hadden. Dat verbaasde me, want de maronieten zijn katholieken. Ze erkennen het gezag van de paus en hun patriarch, Bechara Boutros al-Raï, geldt als een gewone kardinaal. Ik vroeg daarom hoe zij het verschil tussen die twee religies zagen, en ze antwoordden dat de maronitische kerkmuziek vrolijker was.

Dit is het soort informatie dat Dalrymple niet biedt. Zijn informanten zijn veelal geestelijken, waardoor From the Holy Mountain over veel kwesties het standpunt weergeeft van mannen voor wie religie hun beroep is. Zou Dalrymple het verschil tussen katholieken en maronieten hebben behandeld, hij zou vermoedelijk iets hebben gezegd over de liturgische taal. Het standpunt van de gewone gelovigen komt wel aan bod, maar blijft wat onderbelicht.

Maar deze kritiek is natuurlijk klein bier. From the Holy Mountain is het beste boek dat ik in tijden heb gelezen. Mooi geschreven, afwisselend, en vooral: het gáát ergens over. Je hoeft geen christen te zijn om te zien dat er iets van waarde teloorgaat. Zoals vrolijke kerkmuziek.


Bahlul

april 17, 2013
Haroen

Harun

Een maand of drie geleden blogde ik al eens over soefi’s, de islamitische mystici. Misschien is het grote verschil met de westerse mystiek wel dat deze laatste werkelijk naar binnen is gekeerd, zodat het écht gaat om de relatie tussen de gelovige en God, terwijl de soefi’s vaak de noodzaak voelen hun radicale liefde voor God te tonen, en daarbij dus een publiek nodig hebben. Er is een derde partij bij betrokken, wat in mijn ogen – die van een buitenstaander – de claim alléén van God te houden tegenspreekt.

Dat laat onverlet dat ik plezier beleef aan de verhalen over een Rabea, die door Bagdad rende met een kruik en een fakkel, om de hel te blussen en de hemel in brand te steken, zodat ze Gods wil kon doen zonder aan het hiernamaals te denken. De anekdote bevalt me vooral zo omdat ze illustreert dat er tussen humanisme en een werkelijke godservaring weinig verschil zit: geen angst voor straf, geen hoop op beloning, geen magnieterij, en gelukkig een element van plezier.

Een vriendin vond de volgende anekdote, waaruit eveneens een visie spreekt die niet specifiek is voor de islamitische wereld. De helden zijn de wijze Bahlul, die zijn inzicht meestal verborg achter een façade van dwaasheid, en kalief Harun ar-Rashid, die vooral bekend is uit de verhalen van Duizend-en-een-nacht. Ik heb niet kunnen achterhalen waar het verhaal vandaan komt, wat jammer is, omdat er een nauwe parallel is met een verhaal over Alexander de Grote.

Bahlul mocht het paleis van kalief Harun in en uit lopen, aangezien de heerser op hem gesteld was geraakt. Op een dag zag Bahlul de troon van de kalief, onbezet, en hij ging er daarom op zitten. De hovelingen beschouwden dat als een ernstig misdrijf, dat zelfs met de dood kon worden bestraft, en de paleiswachters grepen Bahlul vast. Ze sleepten hem van de troon en gaven hem een enorm pak slaag. Omdat hij hard schreeuwde, kwam de kalief aanrennen om te zien wat er aan de hand was.

Toen Harun zijn mannen vroeg wat de oorzaak toch was van al het kabaal, zag hij dat Bahlul nog zat te huilen van pijn. De kalief boog zich naar hem toe om hem te troosten en zei z’n soldaten: “Stelletje bruten! Jullie zien toch dat die arme drommel geestesziek is! Zou iemand die ze allemaal op een rijtje heeft, er zelfs maar over dénken te gaan zitten op de koningstroon?!”

Hij wendde zich tot Bahlul: “Huil maar niet, maak je geen zorgen. Droog je tranen maar.”

Bahlul antwoordde: “Maar majesteit, ik huil niet om dat pak ransel. Ik huil om u!”

“Om mij?! Waarom zou je huilen om mij?”

“Majesteit, ik zat één keer op de troon, en terwijl ik daar maar even had gezeten, kreeg ik al dit pak slaag. Maar wat staat u te wachten, die al twintig jaar op de troon zit?”


Libanese propaganda

april 16, 2013
Hariri's moskee, met een kerkje ernaast

Hariri’s moskee, met een kerkje ernaast

Beiroet telt enkele tientallen kerken en moskeeën en één synagoge. Het zijn meestal vrij kleine gebouwen. De stad heeft geen godshuis dat de stad domineert, zoals de Dom van Keulen of de Blauwe moskee in Istanbul. In de skyline van Beiroet overheerst geen van de religies de andere.

Althans, zo was het tot voor kort. Inmiddels wordt het stadscentrum gedomineerd door de enorme moskee die de in 2005 vermoorde oud-premier Rafiq Hariri aan de Place des Martyrs heeft neergezet. De kerk ernaast wordt er letterlijk door overschaduwd, de omgeving is er als het ware door geïslamiseerd, de hegemonie wordt geclaimd door één van de confessies of politieke partijen (wat in dit land op hetzelfde neerkomt).

Natuurlijk is het iets van alle tijden en culturen dat religies en partijen de openbare ruimte trachten te domineren. De televisietoren op de Berlijnse Alexanderplatz, waarmee de DDR wilde bewijzen in niets onder te doen voor West-Duitsland, schiet me als eerste te binnen, en u kent zelf genoeg andere voorbeelden. Er lijkt in Libanon echter wel iets aan het verschuiven te zijn, en dan denk ik niet alleen aan architectuur.

Mensen etaleren hun religieus-politieke gezindheid namelijk wel heel nadrukkelijk. De paasstalletjes waarover ik al blogde blijven opgesteld tot ook de Grieks-orthodoxen het paasfeest hebben gevierd, en dat wil dit jaar zeggen dat je er als niet-christen een maand tegenaan moet kijken. Omgekeerd laten shi’ieten de spandoeken ter gelegenheid van ashura nog weken hangen. Vorig jaar duurde dat tot kerstmis, opdat christenen het alleenrecht op de openbare ruimte nooit zouden krijgen.

Amal viert Ashura

De liberale revolutie van Nabih Berri en Musa al-Sadr

(Tussen haakjes, op één van die doeken, opgehangen door de Amal-beweging, las ik dat ashura neerkwam op een liberale revolutie. Ik ben nieuwsgierig wat de toch seculiere VVD en de Liberale Internationale, die afgelopen week in Beiroet vergaderden, dachten van de Libanese visie op de liberale principes. De Toekomstbeweging die namens Libanon deel uitmaakt van de Internationale, is soennitisch en staat in nauw contact met het om zijn liberale ideeën zo beroemde Saoedi-Arabië.)

De nadrukkelijkheid waarmee de shi’ieten ashura herdenken – veel nadrukkelijker dan in bijvoorbeeld Iran – lijkt weer de aanleiding te zijn geweest voor christenen om hun feesten nadrukkelijker te vieren. Eergisteren wandelde ik in Zahlé langs een restaurant waar een groots diner plaatsvond en vuurwerk werd afgestoken. Was het een bruiloft, vroeg ik mijn gastvrouw, maar die vertelde dat het een doopplechtigheid was. Vroeger, zo vervolgde ze, waren die veel bescheidener, maar het was iets van de allerlaatste jaren om aan minimaal tweehonderd mensen een diner aan te bieden.

En zo gaat het door. In een restaurant hangt een kalender met afbeeldingen van christelijke heiligen, een druzische man draagt de voor zijn geloof kenmerkende zwarte pofbroek, vlaggen langs de weg herinneren aan het lijden van imam Hoessein, moslima’s dragen hoofddoeken en christenen zijn herkenbaar aan halskettingen met een crucifix.

Maar het opvallendst zijn de posters met de portretten van de politieke leiders: Hariri lacht je overal vriendelijk toe, de christelijke leider Gemayel staat steevast naast een Libanese vlag, Amal-politicus Nabih Berri wordt getoond met blauwe ogen (al zijn ze in het echt bruin) en de shi’ieten spannen de kroon met afbeeldingen van allerlei geestelijken.

Iedereen probeert een deel van de openbare ruimte te bemachtigen en dat kan uit de hand lopen, zoals wanneer Hezbollah en Amal ruzie maken om de tientallen vlaggen die een van beide partijen wilde ophangen langs de belangrijkste weg van het land.

Tot werkelijke conflicten lijkt het niet te leiden, en voor zover ik kan overzien blijven Libanezen in het dagelijks leven beleefd. Zie ik het goed, dan bestaat er tevens een vorm van terughoudendheid om over andermans religie/politieke oriëntatie te spreken. Dat is heel beschaafd, maar er zit ook iets beklemmends aan de strijd om de openbare ruimte.

Een nagebouwd Golgotha

Een nagebouwd Golgotha

Het blijft daar namelijk niet toe beperkt: er zijn fanatiekelingen die ook in de privésfeer inbreken. Het gebruik van alcohol is legaal, maar in de omgeving van Tyrus hebben shi’ieten slijterijen aangevallen en hotels onder druk gezet geen wijn meer aan te bieden. Dat gaat heel ver.

Er zijn Nederlandse parallellen, variërend van de betrekkelijk onschuldige chanoeka-lamp die in het winkelcentrum van Buitenveldert brandt tot de agressieve Tilburgse pastoor die de mensen voor dag en dauw met klokgebeier wekte om ze zo te laten weten “dat er ook voor hen werd gebeden”. Maar waar zo’n Tilburger kan rekenen op collectieve verontwaardiging en uiteindelijk door de rechter wordt teruggefloten, kiezen Libanezen ervoor met gelijke munt terug te betalen. Wederzijdse de-escalatie schijnt hier niet te bestaan en dat is uiteindelijk verontrustend.

(wordt vervolgd)


De Hezbollah

maart 16, 2013

Het is een bekende klacht: de Amerikanen hebben een sjabloonachtige kijk op de wereld, die zou bestaan uit een pro- en een anti-Amerikaans kamp. Ik denk dat het verwijt in zijn algemeenheid onjuist is. Voor zover ik weet doen Amerikaanse diplomaten hun best en kennen ze alle relevante nuances. De politiek en de massamedia pakken die echter niet altijd op.

In zijn boekje Hezbollah. A Short History probeert A.R. Norton de nuance terug te brengen voor de in de titel genoemde Libanese politieke beweging, sji’itische militie of islamistische terreurorganisatie. U mag doorhalen wat u niet van toepassing acht.

Ik blogde al eens eerder over de ambigue aard van de organisatie. Het heeft geen zin haar militante karakter te ontkennen, maar ze is ook geen Hamas. Althans, volgens Norton, die erop wijst dat Hezbollah in haar strijd tegen Israël zich vooral richt op militaire doelen, terwijl de even fundamentalistische Hamasbeweging ook burgers onder vuur neemt. Ik zou graag willen weten wat Norton nu denkt van de aan Hezbollah toegeschreven aanslag op een bus met Israëlische inzittenden in Bulgarije. Aannemend dat deze toeschrijving juist is, moet je toch echt constateren dat de organisatie zich nog steeds bezighoudt met terreur.

Je moet echter tevens constateren dat de Hezbollah meer is dan alléén een terreurbeweging. Norton vertelt over de politisering van de sji’a in Libanon in de vroege jaren zeventig, een ontwikkeling die samenhangt met het optreden van Musa al-Sadr, die opkwam voor het onderontwikkelde en ondergeprivilegieerde zuiden van het land. Zo ontstond de Amal-beweging, een seculiere maar door sji’ieten gedragen nationalistische beweging. Na de Israëlische inval van 1982 ontstonden daarnaast allerlei strijdgroepen, die later werden omgevormd tot de Hezbollah: eveneens sji’itisch, maar veel religieuzer en met nauwe banden met de islamitische republiek in Iran.

Of toch niet? Sji’ieten richten zich, althans als men werk maakt van zijn overtuigingen, op een marji’ al-taqlid, een rolmodel dat de gelovigen proberen in het dagelijks leven na te volgen. Je zou verwachten dat Hezbollah-leden zich zouden richten op de Iraanse hoogste leider Khamenei, maar Norton constateert dat dit niet waar is: de Iraakse grootayatollah al-Sistani en zijn onlangs overleden Libanese collega Fadlallah zijn vele malen populairder. De Hezbollah richt zich vooral in politiek opzicht op Iran, maar de leden gaan in religieus opzicht hun eigen gang.

Norton beschrijft hoe de Hezbollah, die aanvankelijk het door-en-door corrupte Libanese politieke systeem afwees, er na de burgeroorlogen toch voor koos deel te nemen aan de verkiezingen. Een andere paradox is dat de Hezbollah, die de strijd tegen Israël hoog in het vaandel heeft, dit conflict volgens wederzijds overeengekomen spelregels uitvecht, waarbij de vraag opkomt hoe serieus de strijd eigenlijk is. Beide partijen hebben belang bij onrust aan de grens: Israël omdat het alleen maar heeft te winnen als het de oplossing van het Palestijnse vraagstuk kan uitstellen, de Hezbollah omdat ze haar wapens dan kan behouden – en die kan gebruiken om haar eisen in Libanon kracht bij te zetten.

Dat de twee strijdende partijen boezemvijanden zijn, neemt overigens niet weg dat het conflict in elk geval in 2006 niet kleinschalig is gebleven. En dan wéér zo’n gekke paradox: Hassan Nasrallah, de leider van de Hezbollah die de Israëlische inval uitlokte, erkende later dat het een grote fout was geweest. Waar ter wereld vind je dat nog, een bestuurder die zijn vergissingen erkent?

Norton gaat ook in op het eigen karakter van de sji’a in Libanon. Hij geeft een beschrijving van ashura, de jaarlijkse herdenking van de dood van imam Hoesein in de slag bij Kerbala. Dat is, zoals ik zelf eens zag in Isfahan, een minder deprimerende plechtigheid dan je zou verwachten, en ook Norton vermeldt de ontspannen sfeer, al wijst hij ook op de rivaliteit tussen de Hezbollah en de Amal-beweging over de vraag wie de mooiste herdenkingen organiseert.

Amal viert Ashura

Amal viert Ashura

Tegelijk wijst Norton erop dat de herdenking zwaar is gepolitiseerd: deels door verbanden te leggen tussen de strijd bij Kerbala en tegen Israël, en deels doordat de Libanese sji’ieten de plechtigheid gebruiken om zich te manifesteren tegenover hun landgenoten. Terwijl in Iran de vaandels en spandoeken snel na de gebeurtenis worden weggehaald, laten de Libanese sji’ieten ze nog lang hangen. (Ik zag onlangs in Beiroet nog een Amal-affiche met de mededeling dat ashura een “liberal revolution” was, zeker drie weken na de eigenlijke herdenking.) Een ander verschil met het Iraanse ashura is dat de gelovigen in Libanon zó begaan zijn met het lijden van Hoesein, dat ze zich met scheermesjes bewerken. Norton wijst er overigens op dat dit omstreden is. Zo was grootayatollah Fadlallah er tegen, met het even praktische als onweerlegbare argument dat het de islam een slechte naam bezorgt, terwijl Nasrallah sarcastisch heeft opgemerkt dat mensen die hun bloed ergens voor willen geven, het beste naar de bloedbank kunnen gaan.

hezbollahKortom, Norton biedt een genuanceerd overzicht van een complexe beweging. Het moet me echter van het hart dat hij soms wat neigt naar apologetiek. Zeker, hij maakt ook wel verwijten aan de Hezbollah, maar hij legt er wel heel zwaar de nadruk op dat de beweging niet langer de terreurorganisatie is van weleer. Dat kan waar zijn, maar ik denk dat menige Libanees zich herinnert hoe de beweging nog in 2008 mobiliseerde tegen de legitieme regering en het land bracht aan de rand van een nieuwe burgeroorlog. Michael Young, wiens boek The Ghosts of Martyrs Square ik onlangs besprak, houdt het erop dat de Hezbollah vanaf dat moment elk moreel prestige – dat ze door haar strijd tegen Israël zeker genoot – heeft verspeeld. De meningen die de Libanezen hebben over de beweging, laat Norton opvallend onderbelicht.

Hij heeft mij daarom niet overtuigd, maar dat wil niet zeggen dat Hezbollah. A Short History een slecht boek zou zijn. Zeker als Norton erop wijst dat de organisatie veel heeft gedaan om het lot te verbeteren van de straatarme bevolking van zuidelijk Libanon – denk hier aan scholen, ziekenhuizen en andere sociale voorzieningen – slaagt hij in zijn doel: te bewijzen dat de Hezbollah meer is dan alleen een antizionistische strijdgroep. Al met al is het boekje dus wel degelijk de moeite waard.


De metamorfose van een museumpark

februari 24, 2013

nijmegen_orientalis_15_altar[Volgende maand heropent het Nijmeegse Museumpark Orientalis de poorten. Het stond ooit bekend als een rooms-katholiek devotiepark, de Heilig Land-Stichting, maar de opzet is al lang geleden verbreed tot het tonen van de wereld waarin de drie monotheïstische religies zijn ontstaan. De transformatie gaat niet zonder slag of stoot: er is de afgelopen weken behoorlijk gestreden over de financiering. Zie ik het goed, dan lijdt het park ook aan de associatie met het devotiepark. Alle reden om wat aandacht te besteden aan de veranderingen in dit leuke museum. Hieronder een interview dat ik in 2008 had met Pieter-Matthijs Gijsbers, toenmalig directeur van Orientalis (en nu van het Openluchtmuseum). Hij legt de veranderingen uit.]

Veel mensen kennen Orientalis nog onder haar oude naam, Heilig Land-Stichting, dezelfde naam als van het nabijgelegen dorpje. Wat is het verschil tussen de Stichting en Orientalis?

De Stichting dateert uit 1911. Op een deel van de toen verworven grond is het huidige dorp gebouwd; op het andere deel, al met al zo’n vijftig hectare, verrezen behalve het museumpark ook een kerk, een pelgrimshuis en een begraafplaats. Het toenmalige museumpark had echt een religieuze inslag: de bezoekers konden er een wandeling maken langs reconstructies van gebouwen die een rol hadden gespeeld in het leven van Jezus. Zo was er de geboortegrot, een tollenaarshuis, het paleis van Pontius Pilatus, Golgotha en uiteindelijk het lege graf. Er waren ook standbeelden, bijvoorbeeld van Jezus in de Hof van Olijven.Het doel van de stichting was, zoals men het destijds formuleerde, “het volk in den meest algemeenen zin des woords Jesus Christus te laten kennen en het door die kennis te brengen tot liefde”. Generaties rooms-katholieke kinderen zijn er met schoolreisjes naar toe geweest en in de Goede Week werden er passiespelen opgevoerd. Het was echt wat je noemt een devotiepark, deels gefinancierd vanuit de opbrengsten van de begraafplaats.

Reconstructie van een boerderij uit het oude Nabije Oosten

Reconstructie van een boerderij uit het oude Nabije Oosten

Mede op advies van bisschop Bluyssen van Den Bosch, die de joodse oorsprong van het christendom meer over het voetlicht wilde brengen, is vanaf de jaren zeventig de oorspronkelijke aanpak opgegeven. De beelden van Christus verdwenen, de bedoeïenentent die altijd “tent van Abraham” had geheten werd omgedoopt tot “tentenkamp” en de naam veranderde in Bijbels Openluchtmuseum. De doelstelling werd nu

de herinnering aan Jezus Christus levend te houden door op aanschouwelijke en wetenschappelijk verantwoorde wijze de bezoeker in contact te brengen met de boodschap van het Oude en Nieuwe Testament en hem een beeld te geven van de geestelijke en stoffelijke cultuur van de wereld waarin de Bijbel is geschreven.

Uit de jaren tachtig dateert ook de Via Orientalis, waar men een bezoek kan brengen aan huizen met stijlkamers met bijvoorbeeld een Egyptische, Griekse, Syrische en Romeinse inrichting. Tegenwoordig benadrukken we vooral dat niet alleen het christendom in het Nabije Oosten is ontstaan, maar dat ook het jodendom en de islam er hun wortels hebben en dat die religies momenteel in een niet altijd even vreedzame dialoog verkeren. Vandaar ook de nieuwe naam die we sinds een paar maanden gebruiken, Orientalis. De laatste directeuren waren kunsthistorici, geen paters. In 2011, als het park een eeuw bestaat, moet de transformatie compleet zijn.

Via Orientalis

Via Orientalis

Wat moet ik me concreet voorstellen bij zulke veranderingen?

Voor een deel regelrechte nieuwbouw, zoals de moskee die we willen gaan bouwen bij het deel van het museum dat Tell Arab heet. Dat is gebaseerd op het Arabische handelsplaatsje Mirbat, en sultan Qaboos bin Saïd van Oman heeft ons kort geleden een half miljoen euro toegezegd om naar onze eigen inzichten – dat laatste is belangrijk – een gebedshuis in te richten.

Daarnaast worden de bestaande gebouwen gerenoveerd en gerestaureerd, zodat er ruimte ontstaat voor multimediapresentaties, waarin verschillende aspecten van de diverse religies worden gepresenteerd. Een voorbeeld is het Praetorium, het paleis van Pontius Pilatus, waar aan de ene kant van het gebouw een filmpje wordt vertoond met cabaretiers die zich boos maken over het kwaad dat uit naam van religie wordt bedreven, terwijl in de tegenoverliggende vleugel een presentatie is over de vredesboodschap die óók behoort tot het repertoire van de monotheïstische godsdiensten. Het is aan de bezoeker om, net als Pilatus destijds, vast te stellen wat waarheid is.

Het bleek betrekkelijk eenvoudig de islam bij het aanbod van het museumpark te betrekken: veel van de bestaande gebouwen zijn namelijk geïnspireerd door de architectuur van het Nabije Oosten. De katholieken kregen in Nederland rond het midden van de negentiende eeuw gelijke rechten en zochten naar een eigen beeldentaal: eerst de neogotiek, later de School van Beuron, en vanaf het begin van de twintigste eeuw het oriëntalisme, dat probeerde het leven van Jezus weer te geven zonder hem af te beelden als westerling, maar echt “wie es war”.

Synagoge

Synagoge

Er werd een tijdschrift opgericht, ’t Heilig Land, dat echt heel wetenschappelijk te werk ging en voor die tijd zeer innoverend was. De stichters van het museumpark waren natuurlijk niet de enigen die destijds de oude wereld trachtten te reconstrueren – denk aan de Saalburg in de Taunus, de Kérylosvilla in Frankrijk en het Pompejanum in Beieren – maar ze waren wel vrij bijzonder omdat ze zich toelegden op het oude Nabije Oosten. Het was niet zonder levensgevaar hoe de oprichter van het park, mgr. Arnold Suys, aan het begin van de vorige eeuw door de Levant reisde: twee van zijn metgezellen keerden niet terug. Wie wel terugkeerden van het reisgezelschap waren de architect Jan Stuyt en kunstschilder Piet Gerrits, die het park later vorm zouden gegeven. Zij hebben echt lang in het oosten doorgebracht – Gerrits van 1906 tot 1911. Al die inspanning was erop gericht het Heilige Land zo accuraat mogelijk weer te geven en dat is goed gelukt. Vandaar dat veel moslims zich vanouds op hun gemak voelen in het park.

De bouwers van de Heilig Land-stichting hebben dus kosten noch moeite gespaard om het zo authentiek mogelijk te doen zijn. Ze konden elk detail van pakweg hun reconstructie van het Sanhedrin verantwoorden. Wat vroeger “Nazaret” heette en we nu aanduiden als Beth Juda, is een exacte kopie van het Palestijnse dorpje El Hosson. De huisjes dateren uit 1916. De synagoge is daar in de jaren dertig jaar aan toegevoegd . De karavanserail uit de jaren twintig is weer gebaseerd op een model uit Jordanië. De jongste aanwinst in de serail is overigens een pas geboren dromedarisje, maar dat terzijde.

Die accuratesse levert voor ons overigens weer problemen op, want zo’n houten deur krimpt en zet uit in ons vochtige klimaat, waardoor we de huisjes niet goed kunnen afsluiten, terwijl de hoge dorpel van die huisjes ze ontoegankelijk maakt voor mensen in een rolstoel.

Waarom pas je het dan niet aan?

Omdat het museumpark op de Monumentenlijst staat, zo simpel is het. Immers, het oriëntalisme zelf is ook deel van de culturele geschiedenis van ons land. En hoewel die monumentenstatus dus af en toe problemen oproept – we kunnen zelfs de hekjes van het Praetorium niet aanpassen aan moderne inzichten – willen we het eigenlijk ook niet aanpassen. Daarvoor is het oorspronkelijke project te uitzonderlijk. Dit is essentieel katholiek erfgoed en het bestuur van de stichting spant zich in om dat te behouden.

Niet dat er niets aan te merken zou zijn op de ideeën van de stichters. Welbeschouwd is hun idee dat kennis van het huidige Midden-Oosten een soort “vijfde evangelie” zou zijn nogal badinerend. Het idee dat je daar tegenwoordig zou kunnen zien hoe het toen is geweest, vooronderstelt dat de cultuur daar weinig dynamiek kent, dat oosterlingen niet in staat zouden zijn tot enigerlei vernieuwing. Maar goed, zo zag men het destijds; en die visie maakt deel uit van ons verleden en is daarom de moeite van het bewaren waard.

Tolhuisje

Tolhuisje

Bedenk overigens ook dat niet iedereen is meegegaan met de culturele verbreding die het museum de laatste halve eeuw heeft nagestreefd. We hebben nog steeds bezoekers voor wie een bezoek aan Orientalis een christelijk, stichtelijk doel heeft. Die kunnen nu nog altijd de oude devotieroute nalopen, en waarom niet? Het park spreekt geen oordeel uit. We hebben eigenlijk wel plezier in de brede variëteit waarmee mensen denken over de zin van hun bestaan.

De bezoeker kan zijn eigen route kiezen, maar er zullen toch meer manieren zijn waarop het museum een pluriform beeld biedt?

Zeker, en de moderne multimediale technieken zijn daarbij een prachtig instrument. Neem het Huis van Mohammed dat we gaan bouwen. Dat kan vanzelfsprekend nooit een historische reconstructie zijn – niemand heeft een idee in wat van woning de Profeet leefde. Wat we wel kunnen doen is een presentatie aanbieden waarin verschillende stemmen het woord nemen. Denk aan tien gelovige moslims, sji’itisch en soennitisch, denk aan een jood, een christen en een atheïst, en laat die allemaal vertellen wie Mohammed voor hen is. En laat dan maar iemand zeggen dat Mohammed voor hem of haar een valse profeet is. De gelovige heeft er baat bij te vernemen dat zo’n visie bestaat, heeft het volste recht zijn eigen beeld daar tegenover te zetten en kan gerust zijn dat ook zijn eigen Mohammed zal worden gepresenteerd.

Elk wat wils dus als het gaat om de meningvorming. Maar dat principe is natuurlijk niet van toepassing op de reconstructie van een oud gebouw. We zijn kwaliteitsverplichtingen aangegaan ten aanzien van onze collega’s langs de Via Romana. Je kunt ervan op aan dat de gebouwen langs de Via Orientalis zo accuraat zijn als volgens moderne wetenschappelijke inzichten mogelijk is. Voor de Romeinse tuin kregen we advies van de archeoloog Wim Peters, historicus Sible de Blaauw hielp bij de reconstructie van het derde-eeuwse kerkhuis uit het Syrische Dura Europos, en zijn vakgenoot Eric Moorman adviseerde ons bij de inrichting van het mithraeum, dat een kopie is van het heiligdom uit Ostia. Ons standbeeld van keizer Augustus is gekleurd, precies zoals het volgens de laatste inzichten hoort. Voor de joodse nederzetting hebben we weer andere adviseurs, zoals de Folkertsmastichting uit Hilversum en de Stichting Levi Lassen, die de renovatie van dat deel van het museum ook financieel heeft ondersteund.

Beeldhouwersatelier

Beeldhouwersatelier

Die pluriforme benadering valt niet bij iedereen in goede aarde. Bisschop Hurkmans van Den Bosch heeft het museum voor de rechter gesleept.

De zaak is op het moment waarop we spreken [16 april 2008] nog niet helemaal afgelopen. Het kwam erop neer dat de bisschop wilde dat het katholieke Jezusbeeld meer centraal zou komen staan. Terecht merkte hij op dat we aan onze doelstelling, ook in de huidige vorm, verplicht zijn de herinnering aan Jezus van Nazaret levend te houden. En dat doen we ook. Al die jaren is er onafgebroken educatie en programmering gepleegd over Jezus en christendom: denk daarbij aan kerstexposities, aan de bouw van een vroeg-christelijke straat en nu een Jezus- Bijbelhuis.

In werkelijkheid lijkt de opmerking van de bisschop vooral een instrument te zijn geweest om zijn medestanders te mobiliseren, en was de inzet gewoonweg de macht, met het doel het museumpark te gebruiken voor katholieke evangelisatie. Maar in onze tijd is zo’n devotiepark ten dode opgeschreven – vandaar de beleidswijziging. De enige manier om te overleven is door ons te verbreden naar alle monotheïstische godsdiensten, en voor zo’n heroriëntering heb je subsidie nodig. En die krijgen we alleen als we ons houden aan de basisregels van de museale ethiek. We dienen religie dus te behandelen conform UNESCO- en ICOM-bepalingen. Katholieke evangelisatie staat daar haaks op, en dus moesten we wel nee zeggen tegen de bisschop.

Dus is het museumpark in een aparte stichting geplaatst, waarover de bisschop minder zeggenschap heeft. Een en ander is in 1998 vastgelegd in de nota “Geloof in de toekomst”. Tijdens de rechtszaak zei de bisschop onder meer dat hij daarvan niet op de hoogte was gesteld, en hij wilde de beleidswijziging terugdraaien. Dat verbaasde me. Alle bisschoppen in Nederland hebben die nota ontvangen, gelezen en erop gereageerd. Ook die van Den Bosch.

Hij heeft ons in 2003 gedagvaard, maar de rechtszaak vervolgens niet doorgezet. De kranten opperden dat mgr. Hurkmans in de gaten moest hebben dat hij de zaak niet kon winnen, en misschien is dat wel waar. Daarmee zou het probleem opgelost moeten zijn geweest, maar de bisschop had zijn mening in het openbaar gegeven, en verschillende subsidiënten leken het te gaan geloven en benaderden ons met vragen. Daarom hebben wij de zaak vorig jaar doorgezet.

Oosters dorpje

Oosters dorpje

Het was een complexe aangelegenheid, waarbij eerst allerlei inleidende kwesties moesten worden opgelost. We hadden tevens te maken met het canoniek recht, zeg maar het interne recht van de katholieke kerk. Dat wilde echter nog niet zeggen dat de bisschop het laatste woord had; het park is een particulier initiatief en zo’n privéstichting valt gewoon onder het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Toen dat eenmaal duidelijk was, restte de simpele vraag of het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum de bisschop voldoende op de hoogte had gehouden. Op 30 januari heeft de Arnhemse rechtbank uitspraak gedaan en geoordeeld dat de beleidswijziging “de bisschop van Den Bosch in redelijkheid, gezien de van hem te verwachten diligentie, niet kon en mocht zijn ontgaan”.

In gewoon Nederlands komt het erop neer dat de metamorfose van het museumpark verder kan gaan. Wat ooit een devotiepark was, werd in de jaren zeventig een openluchtmuseum over de Joods-Romeinse wereld waarin het christendom is ontstaan, en dat verandert nu verder in een ontmoetingsplaats voor aanhangers van de drie monotheïstische godsdiensten, en voor eigenlijk iedereen die religie wil onderzoeken – religie in de breedste zin des woord, met inbegrip van controverses, onderlinge beeldvorming, vragen, enzovoort. Na ons honderdjarig jubileum in 2011 willen we uitbreiden naar de wereld van het boeddhisme en hindoeïsme; we overleggen daarover momenteel met oud-bisschop Muskens.

Romeinse tuin

Romeinse tuin

Al met al zijn het veel veranderingen, maar het museumpark blijft tegelijk wat het altijd is geweest: een centrum voor religieuze educatie, in een historische setting. Mensen met verschillende levensbeschouwingen kunnen er hun eigen verleden bekijken en kennis maken met de historische achtergrond van anderen. Dat is één van de verschillen met Archeon: onze collega’s in Alphen aan den Rijn proberen je het verleden opnieuw te laten beleven – het is daar het verleden omwille van het verleden – terwijl bij ons de reconstructies eerder de aanleiding zijn om te komen tot een ontmoeting. En waar zij zich bezighouden met het verleden van Nederland in zijn volle breedte, concentreren wij ons meer op het spirituele tradities – ontstaan in de Oudheid en nog altijd springlevend.

Naschrift 2013

De bisschop ging niet in hoger beroep, zodat de weg vrijkwam naar de vernieuwing van het museumpark. Dit is de afgelopen jaren niet van een leien dakje gegaan, maar in februari 2013 werd de financiering veiliggesteld, naar het zich laat aanzien definitief. Op dit moment is het museumpark nog wegens de winter gesloten, maar op 23 maart gaat het weer open.


Heilige Oorlog

februari 10, 2013

asbridgeIk heb al eens geblogd over de veldslag bij Manzikert, waar de leider van de Seljukische Turken, Alp Arslan, in 1071 de Byzantijnse keizer, Romanos IV, versloeg en zelfs gevangennam. De sultan was niet geïnteresseerd in deze oorlog – hij was in feite op weg naar Cairo, om daar af te rekenen met de zijns inziens ketterse Fatimiden – en legde de keizer een niet al te hoge schatting op. De aristocratie in Constantinopel zette Romanos echter af en weigerde zelfs de gevraagde matsprijs te betalen. Een verontwaardigde Alp Arslan liet de Fatimiden daarop wat ze waren en viel het onbewaakte Byzantijnse Rijk binnen. Binnen de kortste keren stonden zijn troepen aan de Zee van Marmara en was hij meester van het gebied dat nu Turkije heet.

In Constantinopel zocht men nu hulp in het westen, bij de half-barbaarse volken die de Byzantijnen gemakshalve allemaal aanduidden als “Franken”. Weliswaar waren het onbetrouwbare woestelingen, die ook nog een onjuist beeld hadden van de oorsprong van de Heilige Geest en derhalve dienden te worden beschouwd als vervaarlijke ketters, maar het moest gezegd: ze konden goed vechten en waren voor de duvel niet bang, dus laat staan voor Seljukische Turken.

Dus reisde een diplomaat naar de paus, met een brief waarin werd gevraagd of deze in staat zou zijn soldaten te leveren. De Romeinse bisschop maakte er werk van en belegde een vergadering: niet in Italië, maar in Frankrijk, waar de oproep groter bereik zou hebben. Inderdaad slaagde de paus in zijn missie, en al snel trokken de woeste horden naar Constantinopel. Daar sloeg de bewoners de schrik om het hart, maar keizer Alexios slaagde erin de diverse groepen uit elkaar te houden, zette ze een voor een over naar Azië en liet alle Frankische leiders een eed van trouw afleggen.

In de volgende maanden heroverden de nieuwe huurlingen Nicea en versloegen ze de sultan bij Dorylaeum, waarmee de Seljuken zo’n 300 kilometer naar het oosten werden teruggeduwd en niet langer stonden aan de Zee van Marmara. Vervolgens trokken de Franken over de Taurus en veroverden ze Antiochië, waar ze ontdekten dat de keizer hen niet alle beloofde steun had verleend. Daarop zegden ze hun eed van trouw op en trokken ze ten strijde tegen de Fatimiden in het zuiden. In 1099 namen ze Jeruzalem in.

U heeft inmiddels herkend dat dit is wat wij aanduiden als de “Eerste Kruistocht”. Alleen heb ik het verteld vanuit een ongebruikelijk perspectief, want de meeste West-Europese boeken beginnen dit verhaal met de ideeënwereld van paus Urbanus II. Zo’n boek is The First Crusade. A New History van Thomas Asbridge. Verschenen in 2004, toen Amerikaanse troepen in Afghanistan streden tegen islamitische fundamentalisten en in Irak tegen de aanhangers van Saddam Hoessein, kreeg het boek nog een tweede ondertitel mee: The Roots of Conflict between Christianity and Islam.

Het mag dan vaker worden beweerd dat de Kruistochten een keerpunt zijn geweest in de betrekkingen tussen Oost en West, en het mag dan zo zijn dat zowel Europese als Arabische historici dit beweren – in de epiloog van zijn Les Croisades vues par les Arabes neemt de auteur, Amin Maalouf, hetzelfde standpunt in – het is, in goed Nederlands gezegd, onzin. Als je kijkt naar de ideologie, is het conflict zo oud als de islam zelf: Mohammed heeft zijn volgelingen gezegd dat ze in Constantinopel zouden regeren. Als Geert Wilders zegt dat de islam een anti-westerse geloofsinhoud heeft, dan snijdt die opmerking hout. Als je daarentegen kijkt naar de praktijk, dan bestaat “de” islam net zo min als “het” christendom. Ik heb hierboven al aangegeven dat de christenen verschillend dachten over de oorsprong van de Heilige Geest en dat de Seljuken de Fatimiden beschouwden als ketters. En ook tegenwoordig bestaan die tegenstellingen: de VS bestreden in Afghanistan religieuze fanatici en in Irak nationalisten.

Dat “het” christendom destijds niet bestond, is relevant, want Asbridge besteedt weinig aandacht aan het Seljukisch-Byzantijnse conflict, hoewel dat wel degelijk een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste, oorzaak was van de Eerste Kruistocht. Het is wat wonderlijk een westers perspectief te kiezen voor een oorlog die zijn wortels heeft in het Oosten.

Dat “de” islam destijds evenmin bestond, is eveneens relevant, omdat het de uitkomst mogelijk maakte. Zolang de Kruisvaarders vochten tegen de Seljuken, staken de Fatimiden geen vinger uit om hun geloofsgenoten te beschermen, en vice versa. In de praktijk vochten de moslims en christenen even vaak tegen als voor elkaar. Al kort na de inname van Jeruzalem had een in zijn eer gekrenkte christelijke leider islamitische hulptroepen in dienst genomen om te vechten tegen een andere christelijke leider met islamitische hulptroepen. “De” islam en “het” christendom bestonden destijds vooral als ideologie, en veel minder als een bewerkende oorzaak van praktisch gedrag.

Om te bewijzen dat er een duurzaam conflict bestaat tussen islam en christendom, zou een historicus om te beginnen moeten uitleggen hoe het mogelijk is dat een ideologie wordt omgezet in handelen en vervolgens hoe die praktijk eeuwenlang kan zijn doorgegeven. In het geval van Asbridge, die de Eerste Kruistocht identificeert als het beslissende moment, ligt het zelfs nog complexer: hij moet aantonen waarom de ideologische norm ruim vier eeuwen kon worden genegeerd en toen ineens actualiteit kreeg.

Dit alles bewijst Asbridge niet. Dat wil overigens niet zeggen dat het niet bewezen zou kunnen worden. Hij kan gelijk wel degelijk hebben, maar hij toont het niet aan.

Wat hij wel biedt is een even traditioneel als fascinerend verhaal. Stap voor stap wordt de lezer meegenomen van de pauselijk oproep in Clermont-Ferrand naar Constantinopel, naar Antiochië en naar Jeruzalem. Steeds opnieuw geeft Asbridge aan waarom hij welke bron wel of niet volgt, en hij weet het verhaal goed te vertellen. De beschrijving van het beleg van Antiochië is een hoogtepunt: de Kruisvaarders vielen eerst de stad aan, zagen zich na hun overwinning ineens zélf belegerd, deden vervolgens met de moed der wanhoop een uitval en hadden uiteindelijk tegen alle redelijke verwachtingen in succes.

Asbridge ontkracht en passant nogal wat historische mythen. Zeker, toen de kruisvaarders in Antiochië werden belegerd, vond iemand de punt van de lans waarmee de gekruisigde Jezus was getroffen, maar het is niet waar dat dit de milites Christi beslissende inspiratie bracht. En veel belangrijker: het is volgens Asbridge echt verkeerd te denken dat de Eerste Kruistocht een soort plundertocht was waarbij het de soldaten alleen om buit was te doen. Dat is te modern gedacht. De voornaamste drijfveer was toch echt geloofsijver en persoonlijke eer.

Dat maakt The First Crusade, of – zoals het in de in 2006 verschenen Nederlandse vertaling van Mieke Lindenburg heet – De Eerste Kruistocht – al met al toch tot een heel boeiend boek. Wie de tocht als het ware wil meemaken, is aan het goede adres. Maar de eigenlijke analyse schiet tekort: de wortels van de moslimfundamentalistische jihad en de westerse war on terror zijn veel complexer en liggen zowel voor als na als tijdens de Eerste Kruistocht.


Koepelbouw in Isfahan

februari 3, 2013
De koepel van Taj al-Molk in de Vrijdagsmoskee in Isfahan

De koepel van Taj al-Molk in Isfahan

Het plaatje hierboven toont de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee in Isfahan. Een inscriptie vertelt dat het gewelf is gebouwd door een voorname hoveling, Taj al-Molk, in het jaar dat wij 1088 noemen. De constructie heeft een doorsnede van ongeveer negen meter: niet heel groot, maar toch noemde de architectuurhistoricus Arthur Pope het in zijn boek Persian Architecture “perhaps the most perfect dome known”.

Hij had het ook over “the perfection of a sonnet”, en hoewel ik die vergelijking niet zo goed begrijp, is wel duidelijk dat hij onder de indruk was van deze koepel. Daar is ook alle reden toe, want dit gewelf kan eigenlijk niet bestaan. Dat vergt wat uitleg.

Koepels hebben de onhebbelijke eigenschap rond te zijn. Als je de koepel op de grond zet, levert dat geen problemen op, denk maar aan een iglo. Het wordt anders als je de koepel bovenop een gebouw wil zetten. De Romeinse architect die het Pantheon bouwde, ontweek het probleem door onder het gewelf een eveneens rond gebouw te plaatsen, maar dit is vaak geen praktische vorm. Bouw maar eens een kast voor een ronde kamer.

Koepel in Sarvestan

Koepel in Sarvestan

Kortom: hoe plaatsen we een ronde koepel op een vierkante ruimte, een iglo bovenop een kubus? De simpelste oplossing is dat je in het dak van de kubus een rond gat maakt en daaromheen de koepel bouwt. Dat is ook wel eens gedaan, zoals in het charmante vijfde-eeuwse jachtpaleisje te Sarvestan in het zuiden van Iran. Er kleeft echter een heel groot nadeel aan deze constructiewijze: het gewicht van de koepel rust op slechts vier plaatsen, namelijk daar waar de onderrand drukt op de verticale muren. De koepel kan daarom nooit al te groot worden, omdat het gewicht de muren uit elkaar duwt.

Sultaniye

Soltaniye

Het zou al makkelijker zijn als je een achthoekig gebouw hebt: dan heb je (anders dan in een Pantheon-achtig gebouw) in elk geval rechte muren, waar je een kast tegenaan kunt zetten. Bovendien wordt in een achthoekig gebouw de druk van de koepel over het dubbele aantal punten verdeeld. De Rotskoepel in Jeruzalem is het bekendste voorbeeld; een ander voorbeeld is het kolossale mausoleum in Soltaniye, in noordwestelijk Iran. Toevallig heeft mijn zus ooit een foto genomen waarop is te zien hoe ik, barbaar, sta te telefoneren met de rug naar dat schitterende veertiende-eeuwse grafmonument.

Multan

Multan

Maar ook een achthoekig gebouw als basis voor een koepel is nog verre van volmaakt. Een van de nadelen is goed te zien op de foto hiernaast: het mausoleum van shah Rukn-e Alam uit Multan in Pakistan, ruwweg even oud als de koepel van Soltaniye. Weliswaar is de druk nu dus over acht in plaats van vier punten verdeeld, maar je hebt nog steeds zware steunberen nodig om te voorkomen dat het gewicht van de koepel de dragende muren uit elkaar duwt en het gebouw doet instorten. Achthoekige gebouwen zijn van de Late Oudheid tot het einde van de Middeleeuwen heel erg populair geweest, maar verdwenen weer toen bleek dat het toch mogelijk was een koepel op een vierkante ruimte te plaatsen. Het achthoekige plattegrond van de structuur onder de koepel was als oplossing niet langer noodzakelijk.

De nieuwe oplossing was dat men een achthoekige overgangszone construeerde tussen de kubus en de koepel. Zie het tekeningetje rechts. Een van de oudste mij bekende voorbeelden komt, alweer, uit Iran en is te zien op de foto hieronder: het paleis van koning Ardašir I (r.224-241) in Firuzabad.

Onderaan op de foto zie je een vierkante ruimte, die zich uitstrekt tot aan de onderste van de twee lijsten; daarboven zie je (met enige moeite) dat de linker- en de rechterhoek zijn afgesneden; en daarboven ligt een ronde lijst, waarop de koepel rust. Het is nog wat onbeholpen. De zone tussen de twee lijsten is niet echt mooi, en was in de Oudheid dan ook versierd met stucwerk. Maar het voordeel van de constructie is dat de druk van de koepel nu gelijkmatiger over de vier onderliggende muren werd verdeeld.

Firuzabad

Firuzabad

De afgesneden hoeken staan bekend als “trompen” en in een iets verder uitgewerkte vorm als “pendentieven”. Wie in West-Europa een barokkerk bezoekt, zal opvallen dat ze vaak beschilderd zijn met de portretten van de vier evangelisten.

Maar waarom zou je je beperken tot het afsnijden van maar vier hoeken en het scheppen van een achthoek? We kunnen toch ook de hoeken van de achthoek afsnijden en een zestienhoek maken? Of een tweeëndertighoek? Dat levert een nóg regelmatigere verdeling van de druk op.

En nu komen we in Isfahan, waar van 1072 tot 1092 koning Malik Shah regeerde. Zijn vizier Nizam al-Molk (“orde van het land”) bouwde in 1086-1087 de zuidelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Het was een ambitieus project, want van onder naar boven is er sprake van een vierhoekige ruimte die via een achthoek, een zestienhoek en een tweeëndertighoek overgaat in een mooie ronde koepel.

De rivaal van Nizam al-Molk, de al genoemde hoveling Taj al-Molk (“kroon van het land”), kon dat niet op zich laten zitten en bouwde de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Kijk nu nog even naar de foto hierboven (of klik hier). In de hoeken van de foto ziet u delen van de vier trompen en daarboven ligt de zestienhoek waarop het gewelf rust. Tot zover is er niets aan de hand, maar kijk nu even naar de decoratie: dat is een vijfpuntige ster. De punten vormen een regelmatige vijfhoek.

En daar wringt het. Vier, acht, zestien en tweeëndertig zijn machten van twee (je kunt ze schrijven als 2n). Ze zijn niet deelbaar door vijf, en dat zal je ook niet lukken met 64, 128, 256, 512, 1024, 2048… Nooit eindigt het getal op een vijf of een nul. Verschillende mensen hebben daarom de vraag gesteld hoe de makers van deze koepel erin zijn geslaagd een regelmatige vijfhoek te construeren binnen een zestienhoek. Dat kun je, simpel gezegd, niet met een liniaal en een passer.

De enige die rond 1088 de wiskundige kennis bezat om het probleem aan te pakken, was Omar Khayyam, die derdegraadsvergelijkingen kon oplossen. Veel reisgidsen vertellen daarom dat de geleerde dichter-filosoof-astronoom-wiskundige ook nog architect was, waarbij een belangrijk argument is dat er een romantisch verhaal bestaat dat hij al sinds zijn jeugd bevriend was met zowel vizier Nizam al-Molk als Hasan-e Sabah, de grondlegger van de religieuze orde der Assassijnen. U kent hem misschien als de “oude man van de bergen” uit de verhalen van Marco Polo.

Alleen, de vriendschap tussen deze drie mannen is vrijwel zeker fictief. Om te beginnen kunnen ze om chronologische redenen onmogelijk al sinds hun jeugd bevriend zijn geweest: Nizam al-Molk was dertig jaar ouder dan Omar Khayyam en Hasan-e Sabah. Bovendien is het verhaal pas twee eeuwen later opgetekend door een encyclopedist uit Hamadan, Rashid ad-Din Fadhlallah. Twee eeuwen is veel tijd, genoeg om een volksverhaal te laten ontstaan waarin drie van Irans superhelden – de geleerde, de bestuurder en de religieuze leider – met elkaar in verband werden gebracht.

Er is nog een ander bezwaar. Zelfs als Omar Khayyam bevriend was met Nizam al-Molk, dan is het toch wel raar dat hij uitgerekend diens aartsvijand Taj al-Molk hielp bij het construeren van een koepel die het bouwwerk van Nizam al-Molk in de schaduw stelde.

Ik denk dat er eigenlijk gewoon geen probleem is. De vraag hoe je binnen een zestienhoek een vijfhoek construeert, is intellectueel interessant, maar we hebben niet te maken met een intellectueel maar een architectonisch probleem. Ik denk dat de ontwerper heel simpel de 360⁰ van de cirkel door vijf heeft gedeeld en wist dat zijn vijfhoek om de 72⁰ een punt moest hebben. Het is jammer, want het zou leuk zijn geweest als Omar Khayyam een bijdrage had geleverd aan ‘s werelds perfectst-bekende koepel, mais on n’a pas besoin de cette hypothèse.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 224 andere volgers