Bij de dood van Géza Vermes

mei 8, 2013

vermesVandaag, 8 mei 2013, is Géza Vermes overleden. Zoals een echte geleerde betaamt, was hij niet te vangen met een simpel etiket als “oudhistoricus”, “nieuwtestamenticus”, “theoloog”, “judaïst”, “qumranoloog” of “exegeet”. Hij beperkte zich niet, sprak overal over mee en had altijd iets zinvols te melden. Dat wil niet zeggen dat er in zijn brede oeuvre geen zwaartepunten zouden liggen, want die waren er wel: enerzijds de Dode Zee-rollen, anderzijds de historische Jezus. En die houden met elkaar verband.

De Dode Zee-rollen zijn ontdekt in 1947. Het gaat om enkele complete boekrollen, zo’n 700 perkamentfragmenten die behoren tot niet minder dan zeventig teksten, en zo’n 15.000 snippers. Ze zijn allemaal geschreven tussen 200 v.Chr. en 70 n.Chr. en geven een beeld van het pluriforme jodendom uit die tijd, dat na de verwoesting van de tempel plaats maakte voor slechts twee stromingen, enerzijds het farizeïsme, dat zich ontwikkelde tot het rabbijnse jodendom, en anderzijds de beweging rond Jezus, waaruit het christendom is voortgekomen.

De aanhangers van deze stromingen hadden veel destijds al oude teksten niet langer nodig, kopieerden ze niet en beletten op die manier dat ze werden doorgegeven aan latere generaties. Met de vondst van de Dode Zee-rollen kregen de zo tot zwijgen gebrachte groepen joden ineens weer een stem. Alleen: wie waren dat?

Het was in elk geval duidelijk dat de mensen van de Dode Zee-rollen geen farizeeën waren, want het materiaal lijkt totaal niet op het rabbijnse materiaal, waarin de farizese opvattingen zijn vastgelegd. Christelijk was het ook niet. Het zou echter het materiaal kunnen zijn van bijvoorbeeld de sadduceeën of de essenen. Vermes was de eerste die erop wees dat wat we lazen in de Dode Zee-rollen en wat we wisten over de essenen, redelijk overeenkwam.

Dat is sindsdien de dominante theorie gebleven, al is er altijd kritiek op geweest. Misschien was het een afsplitsing van de essenen. Of misschien was de verzameling wel de bibliotheek die ooit had gelegen in de tempel. Een recente theorie is dat het materiaal helemaal geen eenheid vormt, maar heeft gelegen in verschillende synagogen in Galilea, en is meegenomen door diverse groepen vluchtelingen die uit angst voor de Romeinse legers naar het zuiden trokken en hun kostbare boeken achter lieten in de grotten bij de Dode Zee. Dat sluit overigens niet uit dat er, zoals Vermes constateerde, materiaal bij ligt dat behoorde tot de sekte der essenen.

Vermes publiceerde ook over de historische Jezus, die hij binnen de kaders van het jodendom analyseerde. Er waren wel meer charismatische wonderdoeners in die tijd. Een belangrijke kwestie hierbij is of Jezus zijn missie beschouwde als een “intern-joodse” aangelegenheid of dat hij zich ook richtte tot de volken buiten Judea en Galilea. Wie het eerste standpunt inneemt, zal al snel verhalen als dat over de honderdman interpreteren als een christelijke toevoeging, en misschien is dat ook wel zo, maar je kunt Vermes’ theorie ook zien als een manier om een beeld te scheppen van een Jezus die voor moderne joden aanvaardbaar is.

Deze poging het verre verleden betekenis te geven voor mensen tegenwoordig is ideaal voor wie onderzoek gesubsidieerd moet zien te krijgen, maar het is uiteraard een verkeerde manier om met de Oudheid om te gaan. De eis tot relevantie is nu eenmaal de vijand van de geschiedenis. Van de andere kant: Vermes heeft zijn leven lang tussen een joodse achtergrond en een katholieke opvoeding gebalanceerd en het zij hem vergeven dat hij de verleiding niet kon weerstaan een Jezus te scheppen die in het hedendaagse jodendom paste, en zo zijn dubbele identiteit te harmoniseren.

De blijvende winst – die overigens niet uitsluitend op Vermes’ conto valt te schrijven – is dat het joodse karakter van mannen als Jezus en Paulus nu gemeengoed is. Geen wetenschapper zal nog beweren dat het christendom al voor de verwoesting van de tempel in 70 onherroepelijk van het jodendom was gescheiden. Meer daarover in dit boek, dat ondenkbaar zou zijn zonder Vermes’ oeuvre.

Twee boeken van Vermes zijn mij erg dierbaar. Het eerste is The Dead Sea Scrolls: Qumran in Perspective, dat is verschenen in 1977. Veel van het materiaal lag nog onder embargo toen hij deze synthese schreef; hij heeft het boekje steeds aangepast, het grondigst nadat in 1994 het embargo werd opgheven. Elke recentere druk is nog steeds de moeite van het lezen waard. Het andere is Who’s Who in the Age of Jesus (2005), dat een ontzettend handig hulpmiddel is voor wie zich voor het eerst grondig bezighoudt met de evangeliën.


Safed

mei 5, 2013
Ari

Ari Ashkenazi-synagoge

Ik ben deze dagen gierend druk met andere zaken, maar een klein berichtje trok mijn aandacht en schrééuwt erom dat ik toch even iets tiep:

Israël heeft twee batterijen luchtafweer naar het noorden van het land verplaatst. … Volgens de Israëlische radio worden de raketten bij de steden Haifa en Safed opgesteld, niet ver van de grenzen met de noordelijke buurlanden Syrië en Libanon.

Safed. Dit is een van de voornaamste spirituele centra van het jodendom. Hoewel de plaats vooral beroemd is geworden omdat sommige uit Spanje verdreven joden zich hier vestigden, hebben hier altijd joden gewoond, hoewel ze zeker niet altijd de meerderheid vormden. Ze bouwden hier enkele van de mooiste synagogen ter wereld. Hier bloeide de kabbala.

Begin 1948 is er ongelooflijk hard om gevochten. Tijdens een enorm artillerieduel dwongen de Israëlis, die meer vuurkracht hadden, de Arabieren om hun geboorteplaats te verlaten. Ze vluchtten naar Syrië, en alleen God weet waar de oud-bewoners van het Arabische Safed nu heen zijn gevlucht. Wie vandaag de dag wandelt door de iets te gelikt gerestaureerde straatjes, zal weinig zien dat eraan herinnert dat dit ooit een overwegend Arabisch stadje was.

Kogelgaten uit 1948

Kogelgaten uit 1948

Ondanks dit menselijke drama was dit een van de plaatsen die ik, toen ik twee jaar geleden voor het eerst in Israël was, het liefst wilde zien. Ik was blij de Ari Ashkenazi-synagoge en de Josef Caro-synagoge eens te hebben kunnen bezoeken. De twee geleerden liggen in het dal onder de stad begraven, niet ver van de kinderen die bij twee aanslagen op schoolbussen zijn gedood door terroristen. En nu houdt, zo zou je kunnen afleiden uit het nieuwsbericht, het Israëlische leger er rekening mee dat Safed vanuit Syrië of zuidelijk Libanon beschoten zal gaan worden.


Joodse humor

mei 2, 2013
Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Ik schrijf momenteel een boek over de “scheiding van wegen” tussen jodendom en christendom. Zoals Ernest Renan in de negentiende eeuw al wist, was Jezus een jood en deed hij niets om een nieuwe religie te stichten. Voor vrijwel alles wat hij onderwees bestonden joodse parallellen, en sinds de ontdekking van de Dode Zee-rollen kunnen we dat “vrijwel” nog weglaten. Ook in het oeuvre van Paulus is niets te vinden dat duidt op het ontstaan van een nieuwe religie (meer…), al gaat het hier wel om teksten die je achteraf, als die religie er eenmaal is, zo zou kunnen interpreteren. In mijn boek, dat de werktitel Israël hersteld heeft, probeer ik te documenteren hoe die scheiding dan wel is gegroeid als noch Jezus noch Paulus ernaar streefden.

Hoe door-en-door joods de volgelingen van Jezus van Nazaret waren, blijkt als je het Nieuwe Testament leest met de aantekeningen van een vijftigtal geleerden onder leiding van Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler, The Jewish Annotated New Testament. Het biedt, zoals je al verwachtte met zo’n titel, de complete tekst van het heilige boek, voorzien van een royale hoeveelheid toelichtingen. Het is het boek dat ik eigenlijk altijd al had willen hebben. Welbeschouwd is het schandalig dat we er tot 2011 op hebben moeten wachten.

Laat joden spreken over religie en ze maken grappen. In de Misjna, een collectie rabbijnse wijsheid, wordt ergens gesproken over het vieren van het poerim-feest, waarvoor de relevante heilige tekst, Esther, twee data noemt: een voor in de steden en een voor op het platteland. De rabbijnen discussieerden nu over de vraag wat het verschil is tussen een stad en een dorp. Ze bieden verschillende antwoorden, waarvan de laatste een grap moet zijn: het is een stad als er meer dan tien mensen zijn die niets om handen hebben (Megillah 1.3). Dat heeft iets te maken met het quorum van aanwezigen in de synagoge, maar ik weet zeker dat de samenstellers het schreven met op hun gezicht een grijns van oor tot oor.

Er is sindsdien weinig veranderd, want ook de auteurs van het joodse commentaar op het Nieuwe Testament zien het humoristische van hun activiteit. Er bestaat een mooi verhaal dat Jezus in Gadara enkele boze geesten uitdrijft, die vervolgens hun intrek nemen in een roedel zwijnen, die vervolgens de hellingen afrent en zich stort in het water van het Meer van Galilea. Soort zoekt soort, zou je denken: boze geesten in onreine dieren. De commentator heeft echter compassie en noteert bij Matteüs 9.32 laconiek “pigs can swim”.


Livius Nieuwsbrief / mei

april 30, 2013

Dit is de drieënnegentigste aflevering van de Livius Nieuwsbrief, een maandelijks verschijnend mailtje voor mensen met belangstelling voor de antieke wereld. Het wordt uitgegeven door Livius.

De nieuwsbrief is gratis en u kunt hem doorsturen aan wie u maar wil; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Zomaar eens een cursus uit het Liviusaanbod: de zomercursus over de Geschiedenis van het Midden-Oosten  in Zoetermeer.

Jona Lendering (redactie)

======================================

NIEUW OP DE LIVIUS-WEBSITE

Twee kleine stukjes: de Eburonen en Majdel Anjar.

======================================

EGYPTE

Een op zich alledaags conflict om de schaarse ruimte krijgt in het verwarde Egypte ineens grotere afmetingen: waar leg je een modern grafveld aan als er een antiek grafveld in de buurt is, en welke consequenties heeft dat?

Indachtig het archeologische spreekwoord dat je nieuws nooit één keer naar buiten moet brengen als je ook twee keer naar geld kunt hengelen, is hier het zoveelste stukje over de arbeiders in Giza.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 1, 2.

En verder: Suez, Kabushiya, Luxor, Thonis en Sonijat.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

In Syrië wordt onder andere Ebla bedreigd.

En verder: Kültepe (Kanesh), Alacahöyük, Musandam.

======================================

DE MYCEENSE EN ARCHAÏSCHE PERIODE

Er zijn meer docenten die hun materiaal online zetten, maar het moeten er nog véél meer worden. De ontcijfering van het Lineair-B: 1, 2, 3, 4, 5, 6.

De ondergang van de Myceense cultuur – let niet op de foto.

En verder: Babylon, Sheki, Despotikon, de Banditaccia-necropool,

======================================

DE KLASSIEKE PERIODE

De maand alleen de bronzen beelden uit Riace.

======================================

DE HELLENISTISCHE PERIODE

In Syrië wordt onder andere Apamea bedreigd.

De oudst-bekende Griekse papyrus uit Egypte – en waarom die vervloekingstekst zo lang werd genegeerd.

En verder: obscene graffiti, Gaza, Pella, Kastro Kallithea en Anapa.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

In Syrië wordt onder andere Palmyra bedreigd.

De vloedgolf van 365 blijft de gemoederen bezighouden. Nieuw bewijs.

Stonehenge. Stonehenge in de Romeinse tijd?! Jawel.

En verder: Pompeii, Tell Abu Seifi, hoe men in Thessaloniki het Romeinse verleden wil tonen, Wilhelm II in Baalbek.

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Bath, Derby, Housesteads, Londen, Navenby, Sudeley Castle,

En verder: Keltisch Gallië, de vorstengraven bij Oss, Haltern, Ruiselede en Regensburg.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Het is niet helemaal de tijd van het jaar, maar misschien is het juist daarom mogelijk eens wat verstandige dingen te zeggen over de ster van Betlehem.

Ach, Jeruzalem: 1, 2 (elk bad is altijd weer een ritueel bad), 3, 4, 5, en meer voorspelbare problemen rond het archeologisch erfgoed.

En verder: Hamei Yo’av, een curieuze stenen structuur in het Meer van Galilea, hoe de hoax rond het Evangelie van Jezus’ Echtgenote tot stand kon komen en waarom het Judasevangelie echt is.

======================================

OVERIG

In het Rijksmuseum van Oudheden is de afdeling Nabije Oosten heropend. En nu we het toch over musea hebben: Orientalis is gered, haalt zijn bezoekersaantallen en gaat een hopelijk voortaan onbedreigde toekomst tegemoet. De downloadbare folder is daar.

Het nut van de klassieken staat niet ter discussie. Hoe je ze uitlegt wel. Uw redacteur ordent zijn gedachten.

En verder: de genenkaart van Europa, aanstootgevende Griekse naakten, een atelier dat antieke muziekinstrumenten nabouwt,  goed-doordachte stukken over de films Cleopatra en The Eagle, waarom je op vakanties geen oudheden moet meenemen en interessante Griekse en Latijnse meervoudsvormen.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Lujzika Adema van Kooten van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel.

Leven & (na de) dood
Onlangs is de grootse tentoonstelling Life and Death in Pompeii and Herculaneum in het British Museum geopend. De bijbehorende catalogus is zowel in hardback als in paperback beschikbaar en bevat veel van de tentoongestelde fresco’s, voorwerpen en sculpturen die overgebleven zijn na de vulkaanuitbarsting in 79 AD.

Of het enkel door deze Londense tentoonstelling komt of niet, over het onderwerp zijn tal van nieuwe uitgaven verschenen. Zoals de kleurrijke boekjes The Ages of Pompeii en The Art of Loving, het meer volledige The Complete Pompeii en Andrew Wallace-Hadrills veelgeprezen Herculaneum: Past and Future (paperback, hardcover).

Waren deze en andere overledenen geïnitieerd in bepaalde culten, dan konden ze zich verheugen op een mooi bestaan na de dood. Althans, als we luisteren naar de boodschappen op de vele kleine gouden tabletten die zijn gevonden in graven van de vijfde eeuw voor tot de tweede eeuw na Christus. In een herziene en uitgebreide editie van Ritual Texts for the Afterlife van Fritz Graf en Sarah Iles Johnston worden al deze tabletten in het Grieks gepubliceerd, vertaald en uitvoerig geïnterpreteerd.

Cicero & Nijntje
Een nieuwe GreenYellow van Cambridge is verschenen! Het gaat om een commentaar op Cicero’s Pro Marco Caelio, van de hand van Andrew R. Dyck, die eerder verantwoordelijk was voor onder meer commentaren op Cicero’s Catilinarians, De Natura Deorum en Pro Sexto Roscio.

Omdat je niet vroeg genoeg kunt beginnen, is Nijntje nu ook te lezen in het Oudgrieks. Het gaat om een vertaling van het schattige Nijntje het Spookje, oftewel: To fantasma Miffa. Voor wie Miffa en Miffa ad Mare al uit heeft of vaak genoeg cadeau heeft gedaan.

======================================

DWAASHEID

Mooi artikel waarin het onzinnige idee dat mensenhanden niet in staat zouden zijn de enorme stenen van Baalbek te verplaatsen, effectief om zeep wordt geholpen.

En verder: hoe men in Pakistan Alexander de Grote uit de geschiedenis wegschrijft.

======================================

INTERNET

Dit is nu eens leuk nieuws! Archeologiejournalist Theo Toebosch is sinds een paar dagen online met zijn eigen variant op De Correspondent en De Nieuwe Pers: een persoonlijk webtijdschrift dat hij (om er geen twijfel over te laten bestaan dat hij hoofdredacteur, redacteur, eindredacteur, moderator, administrateur & loopjongen ineen is) heeft aangeduid als Toebosch’ Eigen Tijdschrift. Voor 20 euro per jaar blijft u bij.

En nu het slechte nieuws: online-wetenschapscommunicatie is oorlog, althans in de geesteswetenschappen. Lees maar hoe de Mithras-pagina’s van Roger Pearse worden aangevallen.

======================================

EN TOT SLOT

Totaal off-topic – maar hé, wie heeft ooit gezegd dat deze nieuwsbrief géén persoonlijke inslag had? – is de website over Consensus and Crises, het boekje dat uw redacteur ooit schreef over polders, de waterschappen, Floris V, de hertogen van Bourgondië, Calvijn, de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, de regenten, de Patriottenbeweging, Vincent van Gogh en de wijze waarop de overlegcultuur vorm heeft gegeven aan overlegeconomie.

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de website van het Rijksmuseum van Oudheden (2009, 2010, 2011, 2012, 2013) en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer 67.07.91.121 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel.


Nieuwe RMO-afdeling Nabije Oosten

april 25, 2013

De vernieuwde afdeling

In 2018 bestaat het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waarover ik al eens eerder heb geblogd, twee eeuwen. Het zal er dan anders uitzien dan u misschien gewend bent, want momenteel worden de afdelingen een voor een gerenoveerd. De Nederlandse archeologie is al gedaan, de Griekse afdeling staat voor 2015 op het programma en de wereldberoemde Egyptische collectie voor 2017. En vanaf aanstaande zaterdag is de vernieuwde afdeling over het oude Nabije Oosten open.

Met een oppervlakte van 300 vierkante meter is het niet de grootste afdeling van het RMO. Bovendien, eerlijk is eerlijk, is de collectie te willekeurig samengesteld om een volledig chronologisch overzicht te geven van de ontwikkeling van de oud-oosterse culturen. Perzië is goed vertegenwoordigd, maar Sumerië weer niet. Je kunt met het aanwezige materiaal geen “rise of civilization”-achtige expositie inrichten.

Palmyreens grafportret

Palmyreens grafportret

Je kunt echter van de nood een deugd maken en de afdeling inrichten rond de vraag hoe zo’n collectie tot stand komt. Of: hoe hebben Nederlandse verzamelaars de afgelopen twee eeuwen gekeken naar het oude Nabije Oosten? Dat klinkt misschien als museale navelstaarderij, maar het kan beslist geen kwaad bezoekers duidelijk te maken welke keuzes er worden gemaakt bij het uitleggen van wetenschappelijke resultaten en door welke toevalligheden een collectie tot stand komt.

Het resultaat is een aangenaam-rustige afdeling met klassieke glazen vitrines. Ik weet dat er mensen zijn die dat oubollig vinden en liever zien dat antieke voorwerpen in het donker, bij low-key licht, geheimzinnig liggen te zijn, maar het is mijn stellige overtuiging dat museumvoorwerpen het beste tot hun recht komen in een traditionele opstelling.

Afgietsel van een Onsterfelijke

Afgietsel van een Onsterfelijke

Lange tijd heeft het RMO niet meer oud-oosterse voorwerpen bezeten dan één afgietsel van een van de Perzische “onsterfelijken”, die overal zijn afgebeeld in Persepolis. In 1890 kwam er als eerste originele voorwerp een betrekkelijk kleine Parthische grafkist bij, maar pas in de jaren dertig koos het museum voor het opbouwen van een eigen, oud-oosterse collectie. Ik zou wel eens wat meer willen weten over de keuze om, uitgerekend op het moment waarop een verontrustend groot deel van Europa in de ban was van de arische mythe, aandacht te gaan besteden aan een overwegend semitisch deel van de wereld.

Een voor de hand liggend onderwerp bij een opstelling die het verzamelen zélf centraal stelt, is de archeologie die werd bedreven om het historisch gelijk van de Bijbel te bewijzen. Dat concentreert zich op Deir ‘Alla in Jordanië, waar Henk Franken een beroemde Aramese tekst, met inkt geschreven op pleisterwerk, heeft gevonden die de bijbelse profeet Bileam vermeldt.

Het schild uit Luristan

Het schild uit Luristan

Een ander thema is de zorg voor het erfgoed. Het aankopen van stukken op de markt is nooit zonder problemen, want een museum heeft eigenlijk alleen iets aan voorwerpen waarvan de herkomst duidelijk is. Hoe het mis kan gaan, blijkt uit de vitrine met voorwerpen waar een luchtje aan bleek te zitten. Heel erg leuk vond ik een prachtig schild, afkomstig uit Luristan in westelijk Iran, met een godheid op een troon, waarvan lang werd aangenomen dat het een vervalsing was, tot een laboratoriumonderzoek vaststelde dat er geen sporen waren die bewezen dat er met moderne instrumenten aan was gewerkt.

Gudea

Gudea

Goed uitgewerkt vond ik ook de tegenstelling tussen de negentiende-eeuwse verzamelactiviteit, die zich richtte op de grote rijken (Assyrië, Babylonië…) en de twintigste-eeuwse aandacht voor het leven van de gewone man. Dat de eerste archeologen zich vooral met de oosterse paleizen en koningen bezighielden, is logisch: om te beginnen leefde men in een tijd van imperialisme en verder zijn paleizen nu eenmaal een stuk opvallender dan boerderijen. Het pronkstuk hier is een mooie kop van koning Gudea van Lagash. De twintigste-eeuwse voorkeur voor minder verheven architectuur is op haar beurt weer het product van een democratischer samenleving en betere onderzoeksmethoden.

De eenentwintigste eeuw toont vooral belangstelling voor culturele interactie, en dat is het laatste onderdeel van de afdeling: een Fenicische schaal die is gevonden in Midden-Italië, voorwerpen uit Karthago en de beroemde reliëfs uit Palmyra, die zowel oosterse als Grieks-Romeinse artistieke invloeden vertonen. Van een Grieks-Mesopotamisch reliëf uit Assur, waarvan ik zou hebben gezworen dat het uit de Parthische tijd stamde, wordt nu een ruimere datering gegeven: laat-Parthisch of Sassanidisch.

De opgraving van Sichem

De opgraving van Sichem

De huidige afdeling zal nog worden uitgebreid met ruimte voor kleinere, wisselende exposities. Momenteel is het nog niet zo ver, maar in de grote hal waar je het museum binnenkomt zie je nu de expositie “Graven naar het bijbelse Sichem”, waarin enkele foto’s zijn te zien die de Nederlander Franz Böhl in 1926-1928 maakte op de door de Duitse bijbelwetenschapper Ernst Sellin uitgevoerde opgraving te Tell Balata bij Nablus. Omdat Sellins huis tijdens de Tweede Wereldoorlog afbrandde, werd aangenomen dat de negatieven waren vernietigd, maar ze zijn teruggevonden in het RMO. Nu kun je dus kijken naar de prachtige foto’s uit de tijd waarin de fotofilm nog was gebaseerd op zilver en de afdrukken ongekend scherp en mooi konden zijn.

Het altaar uit Sichem

Het altaar uit Sichem

Nog een laatste punt: uit Tell Balata/Sichem komt ook de stenen kubus hiernaast. Het voorwerp doet denken aan een altaar met “horens”, zoals genoemd in de Bijbel. Wie zich aan zo’n horen vastgreep, had asiel. Omdat de Bijbel vermeldt dat Abraham in Sichem een altaar had opgericht, heeft men het voorwerp inderdaad geïnterpreteerd als een altaar, maar er zijn onderzoekers die zeggen dat het een versierde maalsteen is. Wie weet wat toekomstige geleerden ervan zullen zeggen?

PS

Tegelijk met de opening van het museum verschijnt van de hand van de curator een mooi boek, dat ik nog niet heb gelezen maar dat er in elk geval op het eerste gezicht tof uitziet: Lucas Petit, Het oude Nabije Oosten. Een paradijs voor verzamelaars en wetenschappers.


1948 (3)

april 24, 2013

[1948Dit is het derde van drie stukjes over Benny Morris' 1948; het eerste is hier.]

Wat waren de Arabische oorlogsdoelen? De simpele waarheid is dat men niet streed voor een Palestijnse staat. Die zou namelijk hebben moeten staan onder leiding van grootmoefti van Jeruzalem, Muhammad Haj Amin al-Husseini. Dit was een felle nationalist, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nationaalsocialistisch vaarwater was gekomen. Koning Farouk van Egypte, koning Abdallah van Jordanië en de leiders van Syrië, Libanon en Irak wisten dat ze nooit zouden kunnen rekenen op steun van bijvoorbeeld Amerika, de Sovjet-Unie of Groot-Brittannië als ze zouden strijden voor een door de grootmoefti geleide Palestijnse staat.

In plaats daarvan annexeerden Jordanië en Egypte wat ze konden annexeren. Dat was de inspanning eigenlijk niet waard, en de Arabische leiders moeten dat hebben geweten. Ze konden echter niet anders dan zich in een heilloze oorlog storten. Toen het VN-delingsplan was aangekondigd, hadden ze opgeroepen tot geweld; na het bloedbad in Deir Yassin en nu Palestijnse vluchtelingen voor iedereen zichtbaar waren in de straten van Damascus, Amman en Cairo, was het uitgesloten dat men de daad niet bij het woord voegde. In feite waren de Arabische leiders verstrikt in hun eigen retoriek.

Dat het Arabische leiderschap niet was opgewassen tegen de crisis en medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk, wil niet zeggen dat de Joodse leiders vrijuit gaan. Morris wijst op de Joodse strijdplannen. Daarin was voorzien in het evacueren van burgers uit de strijdgebieden, waarbij een zekere escalatie mogelijk was: mensen evacueren, mensen dwingen hun huizen te verlaten en dorpen benaderen om de mensen weg te jagen vóór de strijd uitbarstte. Dit ging dus verder dan “normale” evacuaties uit die tijd, zoals het voorbeeld waarmee ik het eerste van deze drie stukjes opende. En tot slot: leegstaande Arabische dorpen overdragen aan Joodse burgers, wat enerzijds een militaire functie had (de dorpen zouden pro-Joods blijven) en anderzijds diende om de duizenden Joodse migranten van onderdak te voorzien.

Dit wil dus zeggen dat de Joodse troepen actief hebben geprobeerd dorpen over te nemen, een tactiek die succesvol kon zijn doordat de bevolking na Deir Yassin maar al te graag vertrok, erop vertrouwend dat de Jordaanse, Egyptische, Syrische en Iraakse troepen hen zouden terugbrengen. Zowel de Joodse als de Arabische leiders streefden er dus naar de Palestijnen te evacueren uit de oorlogszone.

Het was voorspelbaar dat Morris’ boek zowel is geprezen als bekritiseerd. Dit laatste enerzijds omdat hij teveel pro-Israëlisch zou zijn en anderzijds omdat hij niet voldoende pro-Israëlisch was, wat zou blijken uit het feit dat hij zonder veel omhaal van woorden weerlegt dat de Joden zouden hebben gestreden met “purity of arms”. Maar Deir Yassin en de aanvallen op de Palestijnse dorpen zijn niet te ontkennen.

Goed te praten zijn ze evenmin, maar Morris heeft er meer dan eens op gewezen dat er in feite geen alternatieven waren. De Arabische leiders hadden er immers toe opgeroepen de Joden de zee in te drijven. Daarmee ging het conflict niet langer over het bestuur van Palestina, maar over het voortbestaan van de Joodse natie. Na de ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog is het niet onlogisch dat de Joden het zekere voor het onzekere namen en ervoor zorgden dat zoveel mogelijk dorpen in betrouwbare handen kwamen.

Zo ontstond volgens Morris het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk. De Joden zagen geen alternatief dan het verdrijven van potentiële vijanden en de Arabieren namen ze op, hun vermogen om ze terug te brengen overschattend. Zo ontstond het vraagstuk. Hoe het is verder gegaan, is een ander onderwerp, waar je evenmin vrolijk van wordt.


1948 (2)

april 24, 2013

[1948Dit is het tweede van drie stukjes over Benny Morris' 1948; het eerste is hier.]

De oorlog van 1948 had een lange voorgeschiedenis. Het geweld tussen de Joodse en Arabische bevolking van Palestina was al in 1913 – dit jaar een eeuw geleden – voldoende ernstig om de wederzijdse leiders te laten onderhandelen over manieren om het te bedwingen. Het leverde weinig op en in 1937 concludeerden de Britten dat het mandaatgebied Palestina onbeheersbaar was. Het beste kon het worden verdeeld, waarbij alleen de corridor van de kust naar Jeruzalem in Britse handen zou blijven.

Na de Tweede Wereldoorlog werd dit plan in aangepaste vorm overgenomen door de Verenigde Naties. Het Britse mandaat zou aflopen in mei 1948. De zionisten accepteerden het delingsverdrag onmiddellijk, terwijl de Arabische leiders het afwezen en ertoe opriepen de Joden met geweld de zee in te drijven.

In de winter van 1947/1948, toen de Britten bezig waren zich terug te trekken, laaide het geweld tussen de bevolkingsgroepen op. Je moet hierbij niet alleen denken aan vetes tussen Arabische en Joodse dorpen, maar ook aan aanvallen op de Britten, over wie Morris met merkbare bewondering schrijft. Ze konden het bij geen van de strijdende partijen nog goed doen, maar bleven het desondanks proberen.

Morris schrijft ook met respect over de Palestijnse commandant ‘Abd al-Qadir al-Husseini, die probeerde een strijdgroep op de been te brengen, maar op het beslissende moment in de steek werd gelaten door de Arabische leiders. Wetend dat het niets meer kon worden, bleef hij zijn militaire plicht doen tot hij uiteindelijk in de nacht van 7/8 april strijdend ten onder ging bij Al-Qastal, langs de weg van Jeruzalem naar Tel Aviv. Met hem verdween in feite het enige Palestijnse leger, en daarmee was het conflict tussen de Arabieren en Joden in Palestina in feite beslist in het voordeel van de laatstgenoemden, ruim een maand voordat het Britse mandaat zou aflopen.

Vlakbij Al-Qastal lag Deir Yassin, dat een dag later werd ingenomen door twee Joodse strijdgroepen die niet behoorden tot de min of meer reguliere Haganah: de Irgun en de Lehi. Nadat ze het dorp hadden bezet, sloegen ze aan het moorden. Het aantal doden ligt volgens Morris rond de 100-120 (al noemden Joodse, Britse en Arabische bronnen in de daaropvolgende dagen aantallen rond de 250) en al op 12 april wist het Joodse oppercommando dat hier een oorlogsmisdrijf had plaatsgevonden.

Vanaf dit moment was de Palestijnse bevolking doodsbang. Het eigen leger was na de dood van ‘Abd al-Qadir al-Husseini uiteengevallen en de Joodse soldaten leken tot alles in staat. De evacuatieplannen die de Arabische staten al enkele maanden daarvoor hadden voorbereid, werden nu in werking gesteld. Dit markeerde het einde van wat Morris “de burgeroorlog” noemt. De Palestijnen waren verslagen en gedemoraliseerd en werden nu uit de oorlogszone weggehaald.

Zoals bekend beantwoordden de Arabische staten de Joodse onafhankelijkheidsverklaring met een invasie. Morris beschrijft de gevechten in groot detail, maar ik vat het niet voor u samen, want u kent de afloop: Egypte bezette de Gazastrook en Jordanië bezette de westelijke Jordaanoever en de oude stad van Jeruzalem, waar de Joodse wijk volkomen werd verwoest. En nog eens duizenden mensen sloegen op de vlucht.

[wordt vervolgd]


1948 (1)

april 24, 2013

1948Mijn vader komt uit Arnhem. Hij heeft de veldslag in die stad meegemaakt en ook het vervolg: de evacuatie. In de verwoeste stad dreigden besmettelijke ziektes, de Geallieerden schoten nog vanaf de andere kant van de Rijn en de nog steeds intacte brug was een voorspelbaar doelwit voor bommenwerpers: drie goede redenen om de burgers weg te halen uit het frontgebied.

Misschien zeg ik iets controversieels, maar volgens mij deden de Duitsers daarmee niets dan hun humanitaire plicht, ook toen ze dwang gebruikten om mensen te laten vertrekken. Leuk was het zeker niet, maar ik denk dat niemand van ons de evacuatie zou typeren als oorlogsmisdrijf en ik denk dat dit ook heeft gegolden in de jaren veertig.

Vier jaar later trokken duizenden bewoners van Palestina weg uit hun dorpen. Er was oorlog uitgebroken; de Haganah (de Joodse strijdkrachten) viel de Arabische dorpen aan; de Arabische staten hadden de evacuatieplannen al klaar om de Palestijnen uit het gebied weg te halen; het leek – net als de evacuatie van Arnhem – te gaan om een tijdelijke maatregel. De mensen zijn echter, zoals bekend, nooit meer teruggekomen.

Het gaat niet aan hun lijden te bagatelliseren. In Damascus sprak ik eens een man die herinneringen had aan Haifa en, zoals wel meer voorkomt, de sleutel van het huis van zijn ouders en de papieren van het kadaster nog bezat. Hij was realist genoeg om te weten dat hij nooit terug zou gaan en verlangde daar ook niet naar.

Hij is één van vele. En zij en hun afstammelingen zitten vast in kampen in Jordanië, Syrië en Palestina: klem tussen de onmogelijkheid terug te keren en de onmogelijkheid een volwaardig burgerschap te krijgen. De Arabische regeringen zouden dat laatste misschien wel willen, maar kunnen zich die maatregel niet permitteren omdat zo’n besluit de demografische verhoudingen in hun landen zal verstoren. Ik schrijf met opzet dat ze het “misschien willen”, want ik sluit niet uit dat de Arabische leiders tegelijk zien dat de vluchtelingen ook een kaart vormen die kan worden uitgespeeld tegen Israël. Goedkope arbeidskrachten zijn bovendien ook altijd handig. Hoewel er voor hardwerkende individuen uitwegen kunnen zijn, is er voor deze mensen als groep geen zicht op verbetering.

Het is maar al te menselijk om, als de gevolgen groot zijn, aan te nemen dat ook de oorzaken groot zijn. Wat in 1948 gebeurde, moet echter worden vergeleken met de wijze waarop men in de jaren veertig burgers uit de frontzones haalde, en kan beter niet worden beoordeeld aan de hand van wat later is gebeurd. In 1948 kon niemand dat voorzien.

De historicus moet, als het ware, vergeten wat hij weet over het vervolg en de situatie bekijken zoals die destijds was. Dat is wat Benny Morris probeert te doen in zijn 1948. A History of the First Arab-Israeli War (2008). Niet dat hij werkelijk niet denkt aan de ellende die de Palestijnse vluchtelingen hebben doorstaan: hij heeft ook daarover boeken geschreven, zodat hij die materie nu kan laten rusten. 1948 gaat alleen over het in de ondertitel genoemde conflict.

[wordt vervolgd]


Ster van Betlehem

april 19, 2013

giottoMet kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.


Livius Nieuwsbrief / april

april 1, 2013

Dit is de tweeënnegentigste aflevering van de Livius Nieuwsbrief, een maandelijks verschijnend mailtje voor mensen met belangstelling voor de antieke wereld. Het wordt uitgegeven door Livius.

De nieuwsbrief is gratis en u kunt hem doorsturen aan wie u maar wil; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Zomaar een greep uit het Liviusaanbod: de reis naar Turkije (nog twee plaatsen beschikbaar).

Jona Lendering (redactie)

======================================

NIEUW OP DE LIVIUS-WEBSITE

Uw redacteur maakte een reis door Iran (filmpje) en kwam thuis met nieuwe foto’s van Sarab-e Bahram, Pol-e Dokhtar, Barm-e Dilak, Sakavand en het kasteel van Bishapur. En een artikel over neo-achaimenidische kunst. Op Elfinspell: de Octavius van Minucius Felix.

======================================

EGYPTE

Een wonderlijk onderzoeksresultaat: hooggeplaatste Egyptenaren leden soms honger. Dat deed, voor de Industriële Revolutie, iedereen.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 1, 2 (interessant).

De onvermijdelijke doctor Zahi Hawass waarschuwt voor de laatste keer en een curieus stukje over het verhuren van de piramides.

En verder: de zonneboot van Cheops, Tell Habuwa, Luxor, Amarna, Karnak, een zonnewijzer uit het Dal der Koningen, Sedeinga – en ook plundering.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

Algemeen artikel over hernieuwde archeologische belangstelling voor Irak, en een aardig stuk over luchtfoto’s uit de Koude Oorlog waarop antieke wegen zijn te zien.

Dat in de Bronstijd ezels werden begraven, is niet helemaal nieuw, maar toch interessant.

En verder: Ur, Shaki, Alacahöyük, Babylon.

======================================

DE MYCEENSE EN ARCHAÏSCHE PERIODE

Uit de Bronstijd: Egion, Minoïsch Kreta en Keros.

Interessante nieuwe methode om de homerische epen te dateren (uitleg).

Uit Rome het bericht dat de ruïne van de tempel van Jupiter Stator is ontdekt. De betreffende archeoloog heeft overigens nogal veel fantasie, dus het bericht moet misschien met een korreltje zout worden genomen.

Het slotstuk in een tragische affaire: de dreigende verkoop van kleitabletten uit Iran. Om het toe te lichten, is nogal wat ruimte nodig, maar gelukkig kun je er ook over bloggen.

En verder: Despotikon, Pythagoras.

======================================

DE KLASSIEKE PERIODE

Hier word je helemaal blij van: in Athene wordt het Lyceum van Aristoteles opengesteld voor het grote publiek. In het verlengde daarvan, en eigenlijk even leuk, het bericht dat een groter deel van de Stoa Poikile wordt blootgelegd.

Vliegende slangen: alweer een sterk verhaal van Herodotos waarvoor een eenvoudige verklaring blijkt te zijn.

Infanticide in Etrurië.

En verder: de paardenrenbaan van Delfi, Pella, voor-hellenistisch Alexandrië, Grieks toneel.

======================================

DE HELLENISTISCHE PERIODE

Opgravingen van de Macedonische koningsgraven in Aigai (Vergina); meer.

Nog een koningsgraf: mogelijk is het gebeente van Arsinoe IV gevonden in het Octagon van Efese. De journalist is zo eerlijk te erkennen dat het materiaal wel oud genoeg is maar dat die datering op zich weinig bewijst.

Nóg een koningsgraf: de leeuw van Amfipolis blijkt een leeuwin te zijn en duidt misschien het graf aan van Alexanders echtgenote Roxane.

De prijs voor stating-the-obvious gaat naar iemand die oppert dat Kleopatra niet door een adder kan zijn gedood. Maar dat beweert ook helemaal niemand meer.

In Hierapolis (Pamukkale) zijn de resten gevonden van een tempel van Hades.

En verder: schoenen uit Luxor.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

Over Romeins eten raken we voorlopig niet uitgepraat.

Het slagveld van Baecula (waar Scipio de Karthagers versloeg) lijkt te zijn geïdentificeerd.

Een nuttig artikel voor als u nog eens moet vluchten voor een ontploffende vulkaan.

Het geweld in Syrië raakt ook het erfgoed. Triest hergebruik van een Romeins graf. Een filmpje uit Palmyra. En sprekend over Palmyra: gaaf artikel over antieke en moderne sierraden.

Fiches van een antiek bordspel zijn eigenlijk – nou ja, lees zelf maar.

En verder: Adana, Bodrum, Izmir, Myra, vandalen in Nîmes, Petra, Resafa.

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Een bronswerkplaats in de omgeving van Koblenz en de reconstructie van een schip uit de Bronstijd.

Journalist slaat op hol: “The mystery surrounding the origins of the Celtic people could be unravelled”. Desondanks interessant.

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Londen, Maryport,de Muur van Hadrianus, en het graf van Boudicca.

En verder: nieuwe opgravingen in Haltern, Woerden, Keulen, plus een interview met de twee misschien wel beroemdste Romeinse re-enactors van Nederland.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Uw redacteur las het beste boek in tijden, en het gaat over joodse opvattingen over het monotheïsme. Nee, Paulus brak ook op dat punt niet met het jodendom.

Ach, Jeruzalem: 1, 2. Plus het schokkende, totaal onverwachte bericht dat de archeologie van Israël is gepolitiseerd. Wie had dát nou verwacht?

En verder: de Jordaanse loden codex.

======================================

OVERIG

Deining in het Nederlandse archeologiewereldje over het gemak waarmee in Tussen kitsch en kunst voorwerpen worden besproken die vrijwel zeker afkomstig zijn uit illegale opgravingen: één, twee, drie, vier.

Hoe een vis-dieet een C14-datering kan versjteren.

Iraqi’s kunnen nog steeds niet naar het museum in Bagdad.

Leuk artikel van Josho Brouwers over de vraag waarom je je zou bezighouden met antieke oorlogvoering.

En verder: Byzantijns Thessaloniki, vijf fenomenale antieke bouwwerken – en is dit een grap of om te huilen?

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Lujzika Adema van Kooten van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel.

De Week van de Klassieken is dan wel voorbij, maar bijbehorende publicaties druppelen nu pas binnen. Om te beginnen met Toneel in de Oudheid onder redactie van Hein van Dolen. Het boek viert een dubbel jubileum: dat van het 75-jarige Nederlands Klassiek Verbond én dat van het 85-jarige Hermeneus. Rijk geïllustreerd en zeer toegankelijk geschreven handelt het boek over allerlei soorten toneel: van Eleusis tot Rome, Dionysus tot Medea, Aristophanes tot Seneca.

Voor wie aan het einde van de Week de Dies Latinus heeft bezocht en nieuwsgierig is geworden naar de ‘Natuurlijke Methode Latijn’ Lingua Latina van Hans Henning Ørberg, kan nu bij Athenaeum terecht. Naast het tekstboek en werkboek zijn er grammaticaboeken en speciaal aangepaste leesboekjes van onder andere Ovidius, Plautus en Pompejaanse graffiti. Leer spreken en zelfs denken in het Latijn!

Na het eerder genoemde Negen aardse Muzen is er van de hand van Mieke de Vos nu een nieuwe vertaling van Propertius’ Liefdesgedichten. Uitgegeven inclusief Latijnse tekst, zoals we dat het liefste zien.

Maar er is meer nieuws, in vogelvlucht een selectie: Het Oude Nabije Oosten, een selectie van het Rijksmuseum van Oudheden; De Aquis Urbis Romae, het bouwkundig geschrift van watercommissaris Frontinus vertaald door Vincent Hunink; een overzicht van de pleisterbeelden in het Ashmolean Museum; de compacte paperback van Knapps Invisible Romans over de minder zichtbare bewoners van Rome, zoals prostituees, herbergiers en soldaten; Europe before Rome van T. Douglas Price; Without having seen the queen, het geannoteerde reisverslag van Heinrich Schliemann uit 1816; Oud maar niet Out van Lieve van Hoof en Peter van Nuffelen. En natuurlijk mag het nieuwe boek van Mary Beard niet onvermeld blijven. Confronting the Classics is een bundeling van haar recensies van boeken over de oudheid.

Tot slot, voor wie het nog niet heeft: Suetonius’ Keizers van Rome in de vertaling van Daan den Hengst is nog steeds slechts €4,95.

======================================

DWAASHEID

Ach ja, de Lijkwade van Turijn. Het was tenslotte pasen. De traditionele paashoax was vorig jaar overigens beter.

En verder: Feniciërs in Amerika en christenen op de westelijke Jordaanoever.

======================================

INTERNET en DIGITALISERING

Waarom de webpagina’s van Roger Pearse over Mithras zo belangrijk zijn.

Het Vaticaan gaat zijn gehele bibliotheek digitaliseren. De illustratie heeft er niets mee te maken, maar het fotobijschrift is subliem.

======================================

EN TOT SLOT

Totaal off-topic, maar vermoedelijk leuk voor de lezers van deze nieuwsbrief: het Nationale Lezersonderzoek.

De nieuwsbrief heeft momenteel 3986 abonnees. Voor de vierduizendste abonnee ligt een mooi boek klaar!

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de website van het Rijksmuseum van Oudheden (2009, 2010, 2011, 2012, 2013) en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer 67.07.91.121 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers