Borges, De Aleph

mei 21, 2013

alephEr bestaat een artikel – ik meen dat het is gepubliceerd in het Handelsblad –dat ermee begint dat de auteur zich afvraagt of hij mensen de lectuur van een boek van Jorge Luis Borges wel moet aanraden. Ik herinner me niet wat de recensent op zijn eigen vraag antwoordde en wat hij nog meer vertelde, maar deze openingszin is me bijgebleven. De verhalen van de Argentijnse auteur zijn namelijk niet ieders smaak.

Hij heeft veel gelezen, en dat laat hij je merken ook. Ik heb onlangs De Aleph herlezen, Annie Sillevis’ in 1964 verschenen Nederlandse vertaling van een elftal verhalen die in 1956 en 1957 in twee bundels zijn verschenen. Wat me meteen opviel was het enorme aantal verwijzingen naar andere boeken. Zulk vertoon van eruditie zou nu, een halve eeuw later, verdacht zijn, en daarom weet ook ik niet of ik mensen de lectuur van Borges moet aanraden, maar mij prikkelt het. Je kunt Borges een snob noemen, maar je kunt hem ook zien als een etalage vol boeken die je nog eens zou kunnen lezen.

Een andere reden om niet van Borges te houden, is zijn enorme fantasie. Hij is, om zo te zeggen, de anti-Voskuil, wiens literatuur bestaat uit een ingedikte beschrijving van wat werkelijk bestaat. Borges verzint juist dingen die niet kunnen bestaan zoals, in het beroemde verhaal over “De bibliotheek van Babel”, een heelal in de vorm van een bibliotheek. De vertelling illustreert allerlei aspecten van het moeilijke begrip oneindigheid en ik zou me kunnen voorstellen dat er nog eens een Annotated Borges verschijnt, zoals er ook een Annotated Alice is waarin de logische puzzeltjes worden uitgelegd die Lewis Carroll in het boek stopte.

We zien een paleis waar de architectuur geen doel dient en een punt waarin alle plaatsen van de wereld samenkomen. We lezen over iemand die zich tijdens een oorlog laf heeft gedragen, in zijn doodsdelirium de strijd opnieuw beleeft en nu wel dapper vecht, en het verleden zó aanpast dat hij als held wordt herinnerd. Iemand neemt zich voor een mens te dromen en in de werkelijkheid onder te brengen, en ontdekt dat ook hij zelf gedroomd is.

Humoristisch is het verhaal over Averroës, de Arabische Aristoteles-commentator, die zich afvraagt wat een komedie en een tragedie toch zijn, ’s avonds uit eten gaat, daar een complete beschrijving krijgt te horen van een toneelstuk, maar – opgesloten in zijn eigen werkelijkheid – niet in staat is te herkennen dat hij het antwoord op zijn vraag op een presenteerblaadje krijgt. Borges’ epiloog: Averroës is daarmee niet absurder dan ik zelf ben, nu ik probeer Averroës voor de geest te halen. Die zit.

Even verderop lezen we hoe een theoloog Judas rehabiliteert: als God zich heeft verlaagd door mens te worden, is Judas de enige die Christus werkelijk volgt door zich te verlagen tot verraad. Dit zijnde een verhaal van Borges, moet u niet verbaasd staan over verwijzingen naar de gnosis.

Zo zit het universum van de Argentijnse schrijver in elkaar: een wereld vol boeken en fantasie. Een internationale wereld ook: Duitsers, Engelsen, Spanjaarden, Amerikanen, Argentijnen, Egyptenaren, ze komen allemaal een keer langs. Ik voor mij vind het heerlijk om te lezen. En is het niet om de ongebreidelde fantasie, dan is het wel om Borges’ talent sommige dingen echt briljant te zeggen: “Een gentleman kan zich alleen interesseren voor verloren zaken,” schrijft hij ergens, volkomen terloops. Geen krullendraaierij, maar een tot nadenken stemmende definitie van adeldom als de afwezigheid van eigenbelang. Mooi.


Driewerf hoezee voor Drs.P.

mei 8, 2013

degoededoctorandusHet poëziefestival in De Nieuwe Liefde, waarover ik zojuist blogde, deed me denken aan Drs.P. Hij is natuurlijk het bekendst van zijn liedjes, zoals De Gezusters Karamazov, Markt, Oost-Groningen, De Dodenrit en het Sneker Café. Daar is niks mis mee, in tegendeel. Door op te treden in TopPop, heeft hij in elk geval voor mijn generatie getoond dat poëzie ook leuk kon zijn.

Als ik nu zou schrijven dat mijn huidige liefde voor het Nederlands uitsluitend is te danken aan de goede doctorandus, deed ik de leraren Nederlands van mijn middelbare school tekort. Ook zij hebben me verteld dat onze taal mooi is en dat je er plezier aan kunt beleven.

Als dat nu klinkt als het intrappen van een open deur, is dat voor een groot deel te danken aan Drs.P., die toonde dat je ook aansprekende gedichten kunt schrijven zonder aanstellerig taalgebruik en overdreven voornaamheid. Hij stelde het prettige van een mooie formulering weer centraal, hielp de poëzie afstoffen, toonde de weg aan een complete generatie Nederlandse hiphoppers en bood met De Veerpont een nuttige tekst voor cursussen Nederlands als Tweede Taal. Hieronder zijn “credo”.

Ik waarschuw u op goede gronden
Veel dichters zijn te licht bevonden
Light verse (plezierdicht, zeggen wij)
Is speels, maar geenszins ongebonden

Dus (zij het dan qua inhoud vrij)
Qua vorm van hechte makelij!
En dat men ’t puntig af moet ronden –
Die noodzaak komt er ook nog bij

’t Gaat niet om kolder, niet om grap
Ook niet om rederijkerskuren
Het is geen zwelgen in de taal

Maar wel berust het allemaal
Op innerlijke avonturen
En onvermoeibaar vakmanschap

Ook een tekst van Drs.P. kunt u bij het poëziefestival in De Nieuwe Liefde voordragen als een van uw favoriete gedichten (hier).


Vergeefs gedicht

mei 8, 2013

campert

Zoals je loopt,
door de kamer uit het bed
naar de tafel met de kam,
zal geen regel ooit lopen.

Zoals je praat,
met je tanden in mijn mond
en je oren om mijn tong,
zal geen pen ooit praten.

Zoals je zwijgt,
met je bloed in mijn rug
door je ogen in mijn hals,
zal geen poëzie ooit zwijgen.

Dat was een van mijn lievelingsgedichten, geschreven door Remco Campert. Ik plaats het hier omdat van vrijdag 24 tot zondag 26 mei voor de eerste keer het poëziefestival De Nieuwe Liefde wordt gehouden, in het gelijknamige cultureel centrum bij mij om de hoek, in de Amsterdamse dode-dichterbuurt. De organisatoren nodigen u uit uw favoriete gedicht, met maximaal 150 woorden uitleg waarom u het zo mooi/leuk/ontroerend/zinvol vindt, op te sturen.

U kunt er vrijkaarten mee winnen voor de slotavond, maar u moet het vooral doen omdat u houdt van onze mooie taal. U leest er hier hier meer over en als u inspiratie zoekt, kunt u daar terecht.


Monsignor Quixote (2)

april 28, 2013

quixoteIn het eerste deel van dit stuk wees ik op het gekunstelde karakter van Graham Greenes boek Monsignor Quixote. Deze onnatuurlijkheid doet gelukkig niet af aan de leesbaarheid. Zoals ik al zei is de vriendschap van de twee mannen schitterend getekend, terwijl hun gesprekken ergens over gáán.

De afgelopen vijftig eeuwen – zo lang dus als we de geschiedenis kennen – zijn de meeste mensen op een of andere wijze religieus geweest. Een humanist kan dat niet zomaar als irrelevant terzijde schuiven: het verlangen naar Iets Hogers, wat dat ook moge zijn, is blijkbaar onderdeel van het mens-zijn. Omgekeerd zijn de antwoorden die de godsdiensten tot op heden hebben geboden te beperkt, te tijdgebonden, te irrationeel om in onze tijd nog te overtuigen. Voor beide standpunten valt iets te zeggen en Greene geeft aan beide ruimte, waarbij hij vooral onderstreept dat zekerheid iets is voor tevredenen en legen.

Monsignor Quixote is dus vooral een filosofische dialoog, met als conclusie dat een leven zonder twijfel niet de moeite waard is. Ik typeerde het boek ook als een road movie: de twee mannen zijn op een queeste. Dit is uiteraard een overeenkomst met Cervantes’ beroemde roman (dit keer geen classificatieprobleem: om de avonturen van de vernuftige edelman uit La Mancha te typeren als roman, hoeven de definities niet te worden opgerekt).

De overeenkomsten zijn er op twee niveaus. Enerzijds binnenin de tekst: Monsignor Quichot beweert af te stammen van de ridder van de droevige figuur en noemt zijn Seat 600 Rosinant, er zijn mensen die hem vragen of hij écht afstamt van Don Quichot en Sancho vergelijkt ergens een ontmoeting met de Guardia Civil met het gevecht dat de dolende ridder leverde met de windmolens. Anderzijds gebruikt Greene de klassieker van Cervantes om zijn eigen tekst te structureren: de monseigneur en de burgemeester maken twee reizen, overnachten in een bordeel, denken iets goeds te doen als ze in feite een crimineel helpen en komen in nog meer herkenbare situaties terecht.

De overeenkomst gaat echter verder dan spiegelende scènes: zoals Don Quichot gelooft in oude boeken, zo leest en herleest Monseigneur Quichot de mystieke teksten van het christendom (en heeft de burgemeester Het communistisch manifest op zak). En zoals de ridder van weleer in naïviteit leeft maar op zijn sterfbed een realist blijkt te zijn, zo legt ook zijn afstammeling zijn argeloosheid af in de daverende slothoofdstukken, waarin de goede monseigneur komt te overlijden.

Zoals ik al aangaf kun je Greenes boek óók lezen als een tragedie, met een catastrofe aan het einde. Monseigneur Quichot wordt oprecht kwaad als hij ziet hoe een Mariabeeld wordt bekleed met bankbiljetten. Zijn optreden tegen deze blasfemie wordt zijn dood. Het is een intens pessimistische scène: de menselijke waarden waarover de katholieke priester en de communistische humanist het eens zijn, bezwijken uiteindelijk voor het kapitalistische winstbejag. Het vasthouden aan de oude idealen, en niet de ontmoeting met de Guardia Civil, is het eigenlijke windmolengevecht, en zoals u weet zijn in het universum van Don Quichot de zogenaamde realisten de dwazen en is de zogenaamde dwaas de enige die werkelijk begrijpt wat in dit ondermaanse van waarde is.

Ik heb met dit laatste iets meer van de plot weggegeven dan ik wilde, maar u weet nog niet wat het slothoofdstuk is. Daarover verklap ik niets, maar ik verzeker u dat het indrukwekkend is, dat Sancho en Monseigneur Quichot allebei gelijk blijken te hebben, dat het mysterie intact blijft en dat het u zal ontroeren. En tot slot is er de onbeantwoorde vraag waarmee het boek eindigt: hoe komt het dat haat, zelfs de haat van en voor een man als Franco, ophoudt als iemand sterft, terwijl liefde overleeft en kan groeien?


Monsignor Quixote (1)

april 28, 2013

quixoteIneens wist ik aan wie de nieuwe paus, Franciscus, me deed denken: aan Monseigneur Quichot, de hoofdpersoon van een in 1982 verschenen roman van Graham Greene. Ik gebruik het woord “roman”, waarmee de schrijver zelf de tekst aanduidde, met aarzeling. De grenzen van het genre zijn inmiddels zó ver opgerekt dat vrijwel alle lange prozateksten er nu onder vallen. Er valt best met zo’n nietszeggend etiket te leven, maar bij Monsignor Quixote is het toch wat problematisch. Het is eerder het scenario van een road movie (en is dan ook verfilmd) of een klassieke tragedie, compleet met expositie, complicaties, climax, consequenties en catastrofe.

Het beste laat de tekst zich lezen als filosofische dialoog. Aan de ene zijde staat de eenvoudige dorpspriester van El Toboso, Monseigneur Quichot (inderdaad: afstammeling van), die gelooft in het belang van de christelijke waarden, ook nu de kerk gecorrumpeerd is geraakt. Dat laatste slaat vooral op de specifieke problemen van het katholicisme in het Spanje van Franco, maar de titelheld erkent ook de meer structurele problemen. Zijn antagonist Sancho is de linkse burgemeester van het dorp, die meent dat er in de failliete boedel van het communisme nog iets ligt van waarde.

De twee voeren allerlei gesprekken over de betekenis van de wederzijdse idealen. Beide erkennen daarbij dat er nogal wat verschil is tussen de theorie en de praktijk, wat voor de lezer het voordeel heeft dat een hoop drogredeneringen achterwege blijven. Geen gratuite verwijten dus over het kwaad van de Inquisitie of de Goelag, maar argumenten die het ideaal zélf betreffen, waarbij menselijkheid uiteindelijk beslissend is.

Even boeiend als de uitwisseling van argumenten is de vriendschap van de twee mannen. Ik vermoed dat u bij de combinatie van dorpspriester en communistische burgemeester dezelfde associatie hebt als ik: Don Camillo en Peppone, de protagonisten uit de verhalen van Giovanni Guareschi. Er is inderdaad een overeenkomst. De twee Italianen zullen, als het erop aankomt, altijd hun zorg voor hun dorpsgenoten laten prevaleren boven hun levensbeschouwing. Dat kan ook makkelijk, want christendom en communisme zijn in de kern beide een aanklacht tegen onrecht. De rest is bijzaak. Ook Monseigneur Quichot en Sancho zijn het erover eens dat humane waarden centraal dienen te staan. Bovendien vinden ze elkaar steeds opnieuw in hun twijfel. Ze weten het allemaal zo zeker niet en kunnen makkelijk toegeven dat hun gespreksgenoot ook wel eens gelijk kan hebben.

Uiteraard zijn ze als discussianten wat irreëel. In het echt dwalen mensen tijdens discussies af, komen ze aan met drogredeneringen en houden ze tegen beter weten in vast aan hun gelijk. Er zijn wel meer irreële aspecten in het verhaal. Monseigneur Quichot blijkt af en toe veel beter op de hoogte van de grote intellectuele debatten dan je van een wat naïeve dorpspriester zou verwachten, zoals in het volgende voorbeeld:

We are all bourgeois today. Don’t tell me that Brezhnev is not just as much a bourgeois as you and me. If the whole world becomes bourgeois, will it be so bad – except for dreamers like Marx and my ancestor?

Omgekeerd blijkt Sancho meer te weten van moraaltheologie dan een communistische dorpsburgemeester doorgaans in zijn intellectuele bagage heeft. Greene heeft zulke onrealistische personages nodig om de discussie werkelijk te laten draaien om de Grote Vragen.

Ook de rest van het verhaal is daaraan ondergeschikt gemaakt: als er ergens drie flessen wijn soldaat worden gemaakt, en de lezer zich afvraagt waarom de schrijver zo expliciet is over het aantal, krijgt hij een antwoord wanneer Monseigneur Quichot de flessen benut om de Drie-eenheid uit te leggen. Greene besteedt ook slechts weinig woorden aan het decor: de steden die de twee mannen aandoen lijken er vooral te zijn als aanleiding voor een dialoog over een nieuw thema.

[wordt vervolgd]


Ster van Betlehem

april 19, 2013

giottoMet kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.


Klassieken & communicatie (1)

april 18, 2013

Homeros (München)

De Livius.org-website ontvangt elk jaar ruim 450 verzoeken om informatie. Sommige keren steeds terug, zoals de vraag naar het nut van de klassieken. Het is een herkenbare kwestie, ook als ze anders wordt verwoord: “waarom bestuderen we de oude culturen?”, “what have the Romans done for us?”

Het is een non-probleem. Zoals niemand zich afvraagt wat het nut is van een boswandeling, het Concertgebouw, ganzenbord of een roman, zo zou niemand zich horen afvragen wat het nut is van bijvoorbeeld dit epigram van Martialis of het Romeinenfestival. Mensen beleven daaraan plezier. Dat bestaat voor de oudheidliefhebber uit verbazing, inzicht of ontdekkingsvreugde. Liefde voor de Oudheid is haar eigen beloning.

Het ligt anders voor docenten en studenten aan een universiteit, die door de gemeenschap worden gefinancierd. De gemeenschap vraagt immers iets terug. Voor sommige wetenschappen is dat geen probleem, aangezien ze toepasbare uitvindingen leveren. Voor andere vakgebieden is het moeilijker, en dan komen al snel de humaniora in beeld. Ik heb er geen enquête over gehouden, maar het is aannemelijk dat de meeste betrokkenen niet snel de toepasbaarheid van hun inzichten (die er wel degelijk kan zijn) zullen noemen als rechtvaardiging van hun bezigheden. Eerder stellen ze dat de humaniora weliswaar niet nuttig zijn, maar wel zinvol, omdat ze ons helpen de wereld te begrijpen. Dit is onmiskenbaar waar en zo is de vraag naar het belang van de geesteswetenschappen – en dus de klassieken – ook voor academici beantwoord.

Waarom keert de vraag dan toch steeds terug?

Omdat de burgers de geboden wereldwijsheid niet zien. En trouwens niet alleen de burgers. Astronomen weten heus wel dat antieke teksten uitleg vergen, maar veranderen elke kerst weer in bijbels literalisten als ze spreken over de Ster van Betlehem. Ook bij wetenschappers komt niet op dat je advies van een classicus kunt vragen als je een oude tekst leest. Of neem de Commissie-Van Oostrom, die in 2006 adviseerde over het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis. Het is alleszins verdedigbaar dat zij slechts één venster wijdde aan de Oudheid, maar de limes is een rare keuze, die niet aansluit bij het traditionele beeld van Romeins Nederland (waarin alles draaide om wat men de “Batavieren” noemde) en evenmin aansluit bij het huidige onderzoek (dat het belang van de limes nuanceert). Het is lastig de klassieken over het voetlicht te krijgen als er weinig belangstelling is.

Daar valt echter ook iets aan te doen en ik noem natuurlijk niet toevallig de canondiscussie. U herinnert zich hoe Ronald Plasterk, Louise Fresco en Robbert Dijkgraaf erop wezen dat Christiaan Huygens niet mocht ontbreken, en hoe de commissie zich die kritiek aantrok. Voor zover blijkt uit het commissierapport heeft geen oudheidkundige een soortgelijk stuk geschreven om erop te wijzen dat de impact van de limes geringer was dan het ontstaan van een schriftcultuur, de germanisering van ons taalgebied en de verstedelijking (nota bene één van de “draden” in de canon).

Ik ken trouwens ook geen classicus die onze sterrenkundigen uitlegde wat naïef positivisme is. Sterker nog, de oudheidkundige disciplines negeren de ontwikkelingen in de wetenschapscommunicatie. Zolang dit zo blijft, zal ook de vraag naar het nut van de klassieken blijven terugkeren.

[wordt vervolgd]


De recensent gerecenseerd

maart 26, 2013

hnlHet is een bekend grapje dat ze aan de letterenfaculteiten alles weten over literatuur, behalve hoe ze die moeten schrijven. Maar zoiets kun je natuurlijk wel onderzoeken. Momenteel loopt bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis een project om te ontdekken wat mensen nu literair vinden. Hier is de website van het Nationale Lezersonderzoek, waar u uw mening kunt geven, onder andere over een lijst van de 400 best-verkochte boeken van vorig jaar: neem er vijf minuten voor en je doet enkele neerlandici een enorm plezier.

Het onderzoek deed me denken aan een stuk dat ik enkele jaren geleden schreef voor Recensieweb, dat zijn eerste lustrum vierde en zijn duizendste bespreking plaatste. Wat waren de criteria aan de hand waarvan ik fictie beoordeelde?

*****

rwRecenseren zou simpel moeten zijn. Je neemt enkele criteria, leest het boek aandachtig, vergelijkt het gelezene met die criteria, schrijft een stukje, herleest het boek, schaaft wat aan je schrijfsel en pronto. En zo gaat het ook wel min of meer. Nu en dan vergelijk ik mijn stukje nog even met andere besprekingen om uit te sluiten dat ik een flater heb geslagen, maar dit is het wel zo’n beetje. Het probleem is echter dat de criteria zich zo verdraaid moeilijk laten vastleggen. Zo wordt elke recensie, althans voor mij, een dubbelslag: enerzijds beoordeel ik een tekst aan de hand van de criteria, anderzijds beoordeel ik de criteria aan de hand van een tekst. Daardoor ben ik in de loop van vijf jaar anders gaan denken. Hier enkele observaties, als oefening in zelfkritiek en hopelijk tot nut en vermaak.

Hoezo, de dood van de auteur?

Mijn vervelendste ontdekking was dat “beoordeel boeken, geen auteurs” een problematisch uitgangspunt is. Akkoord, in de regel hoef je niets van een auteur te weten. Om te genieten van Zuster Virgilia hoef je niet te weten dat Gerard Walschap een traumatische breuk met de rooms-katholieke kerk achter de rug had. Ook wordt een boek niet beter als je weet dat de schrijfster op hoge hakken loopt, hoewel men heeft geprobeerd ons dat wijs te maken.

Schrijvers zijn niet boeiend – geloof me, ik schrijf zelf en ben totaal oninteressant – en het stoort me dat de marketing van boeken tegenwoordig draait om personen. Het liefst zou ik boeken negeren als de auteur een website heeft genoemd naar zichzelf. De schrijver moet zijn plaats kennen en uit beeld verdwijnen als zijn boek is verschenen: het is nu van de lezer en het is aan hem om te bepalen hoe hij er het meest van geniet. Als die er iets anders in legt dan de auteur beoogde, dan moet deze bedenken dat hij bij het schrijven zijn genot al heeft gehad.

Na vijf jaar Recensieweb vind ik schrijvers nog steeds niet boeiend. Ik beschouw mijn uitgangspunt als gezond, maar ik ontdekte wel dat het ingewikkelder ligt. De twee boeken van Jacques Presser die ik mocht bespreken, De nacht van de girondijnen en Homo submersus, zijn namelijk niet te begrijpen als je niet weet dat de auteur probeert in het reine te komen met de deportatie van zijn echtgenote, zijn eigen onderduik en het feit dat hij als historicus professioneel afstand moest bewaren tot datgene wat hem persoonlijk het hardst had geraakt. Hoe je het wendt of keert, beide boeken zijn deel van een oeuvre waartoe ook Ondergang behoort en de intentie van de auteur is hier relevant.

Nu had Presser therapeutische redenen om de grens van fictie en non-fictie te zoeken en daardoor zijn zijn boeken niet helemaal representatief. De auteur bleek echter ook niet te negeren toen ik Erwin Mortiers Godenslaap besprak. Iedereen zal het erover eens zijn dat als de dood van een kind in een boek de verschrikkingen van een oorlog moet evoceren, we te maken hebben met een cliché dat zelfs Hollywood inmiddels te gortig is. Maar wie is verantwoordelijk als dat cliché in een boek opduikt? Normaal gesproken zou je het schrijven op conto van de ik-figuur die het verhaal vertelt, in dit geval een Waalse dame die terugblikt op haar jeugd. Zij is ook degene die de Bijbel inadequaat citeert, een Amerikaanse uitdrukking onjuist vertaalt en metaforen door elkaar klutst. De lezer moet vaak lachen – zoals hij ook schatert om de “samenpakkende oorlogswolken” waarmee Gore Vidal speelt in The Smithsonian Institution - en ik heb overwogen of Mortier een vrouw wilde portretteren die zich van een gekunstelde taal wilde bedienen en opzichtig faalde. Een romanschrijver kan zo’n personage scheppen (heer Bommel is het klassieke voorbeeld), maar als dat Mortiers bedoeling is geweest, wil hij ook dat we lachen om enkele ontsporende oorlogsscènes.

Moest ik dan aannemen dat niet de hoofdpersoon faalde, maar Mortier boven zijn kunnen greep? Maar dan zou ik de taaluitingen van een personage toeschrijven aan de auteur, en dat wil ik nou net niet. Ik heb de zaak voorgelegd aan twee door mij bewonderde critici, die er ook niet uitkwamen. Uiteindelijk heb ik het probleem aan het begin van mijn bespreking benoemd en vervolgens gebruikt als rode draad in een lang uitgevallen stuk, maar het blijft een verlegenheidsoplossing. Het criterium “beoordeel boeken, geen auteurs” is problematisch.

Gij zult niet münstermannen

Hoe beoordeel ik een boek? Welke criteria leg ik aan? In elk geval wil ik ervan genieten. Nick Hornby zegt het goed in het voorwoord van The Polysyllabic Spree: als het boek je tegenstaat, moet je gewoon stoppen met lezen. “En moet je het ook niet bespreken”, voeg ik daaraan toe. Op de vierenveertig boeken die Recensieweb me voorlegde, is dat één keer gebeurd, gek genoeg met de verhalenbundel van iemand wiens gedichten ik graag aanhaal.

Gelukkig geniet ik al snel van een boek. Als een schrijver mooie zinnen schrijft, droom ik mee en als een aforisme me treft, kan er niet veel meer mis gaan. Korte zinnen als die van Hannah Buenting kunnen me even makkelijk meeslepen als zinnen van Vestdijklengte. Wat ik ontdekte – of beter: wat ik had moeten weten – is dat overdaad schaadt, althans als het gaat om oneliners. Ik ben een van de weinigen die Dimitri Verhulsts De helaasheid der dingen minder vond dan zijn eerdere werk, waarin hij zijn talent tot verbale opstoppers spaarzamer en volgens mij effectiever inzette.

Zijn de zinnen goed, dan hoeft een boek geen verrassende plot te hebben om mij te blijven boeien. Jan van Akens De dwaas van Palmyra en Emily Gordts’ Arty-farty heb ik met plezier gelezen, hoewel ik in beide gevallen al vrij snel dacht te weten waar het verhaal heen zou gaan. Wat ik erger vind, is een verhaal waarin je de kunstgrepen herkent waarmee de schrijver de lezer manipuleert. Ik blijf hopen dat de uitdrukking “münstermannen” ingeburgerd raakt.

Naast de kwaliteit van de zinnen en de plot, beoordeel ik een boek op zijn personages. Daarbij deed ik als Recensiewebmedewerker een leuke ontdekking. Bij het lezen van Frans van Deijls De jonge minnaar stelde ik met verbazing vast dat ik zó veel om twee mensen was gaan geven, dat de blik die de auteur me gunde op hun minnespel, me onaangenaam trof, alsof ik iets ontdekte over het liefdesleven van bekenden. Ik kan me niet herinneren ooit een recensie te hebben gelezen waarin werd beschreven dat je een boek opzij wil leggen omdat het té goed is.

De Grote Vlaamse Roman

Mijn laatste criterium is de thematiek. Op dit punt hebben de boeken die ik voor Recensieweb mocht lezen me teleurgesteld. Ouderwets als ik ben verwacht ik van een boek dat ik er een vooroordeel door verlies. Over een vertrouwd thema wil ik graag iets nieuws lezen, en liever nog word ik gedwongen na te denken over een onderwerp waaraan ik nooit eerder een gedachte besteedde. Detlev van Heest verraste me in De verzopen katten en de Hollander met veroudering, een onderwerp waarmee ik me nooit bezig heb hoeven houden. Maar verder? De dood, de zinloosheid van het bestaan, sociale problemen, politieke onderdrukking, de vervlakking van de cultuur, gezinsproblematiek, seks en relaties, de weg naar volwassenheid, rouwverwerking, de onttovering van het bestaan en het geheugen. Niets verrassends, net zo min als romans over religie (5x) en oorlog (7x).

Waar ik nog op hoop is een boek over – ja, hoe zal ik het noemen als een volk van karakter verandert? Etnotransformatie? Ik ben niet de enige Amsterdammer die ruim twee decennia verliefd is geweest op de Brakke Grond en zijn huidige gebruiker, het Vlaams Cultuurhuis. De Vlaamse cultuur, met haar aansluiting op het Franse taalgebied, had voor Nederlanders een meerwaarde, maar die vermindert per staatshervorming en het aantal stamgasten in de Brakke Grond is het laatste decennium afgenomen. Vlamingen die ik erover spreek lijken vooral opgelucht, en ik kan ze geen ongelijk geven, maar het verbaast me dat niemand een boek heeft gewijd aan het Vlaanderen van de laatste kwart eeuw, dat aan zelfvertrouwen wint en van karakter verandert. Ik ken geen boek als Hajar en Daan, waarin Robert Anker de desintegratie van Nederland en het ontstaan van nieuwe identiteiten beschrijft. Hopelijk zie ik iets over het hoofd.

Corruptie

Van mijn eigen boeken heb ik geleerd dat je het nooit goed doet. Als de kritiek hout snijdt doe ik er mijn voordeel van en pas ik de herdruk aan, waartoe ik als schrijver van non-fictie verplicht ben. Daarvan lig ik niet wakker. Waar ik wel slapeloze nachten van heb gehad, is de kritiek die ik ervoer als onterecht. Ik heb er inmiddels wat eelt voor ontwikkeld, maar toen ik pas was begonnen ben ik tweemaal behoorlijk overstuur geweest. Omdat ik die ervaring ken, vind ik dat ik er als recensent rekening mee moet houden dat ik schrijvers van hun slaap kan beroven.

Tegelijkertijd ben je als recensent verplicht eerlijk aan te geven of een boek voor de lezers de moeite waard is. Ik heb me wat onhandig gevoeld toen een vriendelijke mevrouw me schreef dat een van mijn besprekingen haar had verleid tot de aanschaf van een boek, en dat ze zich bekocht had gevoeld. Daar kon ik niets aan doen, maar dat was anders bij de meneer die vond dat ik had moeten waarschuwen dat er nogal wat porno zat in Kees ’t Harts Ter navolging. Ik denk dat hij gelijk had. Ook mensen met wat behoudender opvattingen lezen boeken en daar moet je als recensent rekening mee houden. Ik had in dat stuk makkelijk kunnen verwijzen naar “grappige pornografische gedeelten”, waarmee die meneer gewaarschuwd zou zijn geweest, anderen juist aangelokt zouden zijn en ’t Hart niet tekort was gedaan.

Het vervelende is dat “rekening houden met de schrijver” en “rekening houden met de lezer” wel eens strijdig kunnen zijn. Ik weet dat de redactie van Recensieweb wel eens de botte titel die een recensent aan een bespreking had gegeven, heeft aangepast omdat het ging om de roman van een debutant. In feite is dit corruptie, maar ik beken dat ik me ook wel eens heb ingehouden bij de recensie van een niet zo ervaren schrijver. Gevestigde namen moeten daarentegen een stootje kunnen verdragen.

Je houdt dus rekening met degenen voor wie je recenseert en met degene die je recenseert. Met die laatste kun je ook nog wel eens contact hebben, waarmee de loyaliteiten helemaal verward kunnen raken. Eén schrijver heb ik eens om opheldering gevraagd; hij antwoordde per kerende post, wat me aangenaam verraste omdat ik wist dat hij een drukke baan had. (Hij was namelijk burgemeester van Amsterdam.) Ik had de recensie al klaar, maar realiseerde me later dat zijn attente reactie mijn oordeel had kunnen beïnvloeden.

In een bespreking van Het fluwelen labyrint van Jan van Aken, die bij me om de hoek woont, en De plant die muziek maakte van Theodor Holman, die ik wel eens in het café zie, heb ik aangegeven dat ik ze kende. En voor degenen die menen dat het hele Nederlandse literaire leven één groot complot is van de Amsterdamse Grachtengordel: van de ruim zestig auteurs waarover ik de afgelopen vijf jaar heb geschreven zijn er zes overleden en heb ik, behalve Van Aken en Holman, alleen Guus Houtzager ontmoet.

Plezier en ergernis

Het leuke van recenseren is dat je boeken in de schoot geworpen krijgt die je anders niet zou lezen. Slagschaduw van David Van Reybrouck was zo’n cadeautje. De twee recensies waaraan ik het meeste plezier heb beleefd zijn nooit op Recensieweb terechtgekomen, omdat de eerste daarvan, Schrijf zelf uw reli-thriller, twee Amerikaanse romans betrof, en de tweede, Schrijf zelf uw reli-thriller (voor gevorderden), Nederlandstalige romans die al eens op Recensieweb waren besproken.

Daaronder was Het leugenverhaal van Corine Kisling en Paul Verhuyck, een boek dat ik las omdat de bespreking op Recensieweb me nieuwsgierig had gemaakt en dat ik zelf zeker niet zou hebben gewaardeerd met slechts ***. De auteurs hebben niet de ambitie een tweede Doktor Faustus, Gattopardo of Heart of Darkness te schrijven: hun boek is – om die veel-misbruikte term maar te gebruiken – een literaire thriller. Binnen dat genre is het zeer geslaagd.

Tja, die sterren. Ik haat ze. Er zijn verschillende boeken die binnen hun genre uitstekend zijn, maar omdat het genre niet zo goed staat aangeschreven, lage beoordelingen krijgen. Ik heb Janne IJmkers Achtendertig nachten **** gegeven omdat ze haar doelstelling, een goed christelijk boek schrijven, haalt en de roman interessant is. Tegelijkertijd kun je een christelijk boek niet afrekenen op de urgentie van de thematiek, aangezien dat zou neerkomen op een beoordeling van een religie – en daar is literaire kritiek niet voor bedoeld. Zo krijg je dus de vreemde situatie dat Mulisch’ De ontdekking van de hemel wegens zijn platvloerse thema minder sterren krijgt dan Achtendertig nachten, terwijl je toch niet kunt volhouden dat IJmker de grotere schrijver is.

Ik ben blij voor Recensieweb te kunnen schrijven. Ik heb enkele goede schrijvers leren kennen en heb de criteria aangescherpt waarmee ik teksten beoordeel. Misschien ben ik daardoor zelf beter gaan schrijven.

Maar dat sterrenstelsel moet als de bliksem afgeschaft.


Vondel voor Fransen

maart 20, 2013
Vondel (Vondelpark)

Vondel (Vondelpark)

Ik blogde al over Vondels “Kinder-Lyck”. Het is zo’n bekend gedicht dat je na verloop van tijd niet meer hoort hoe mooi het eigenlijk is. Daarom is het leuk het te herlezen in een andere taal. Jean Stals heeft het omgezet in het Frans:

Constantin, l’heureux bambin,
Le chérubin , du haut des cieux
De la vaine joie humaine
Rit avec de tendres yeux:

«Pourquoi, mère, ces amères
Larmes chères et ces cris?
Là-haut vis-je, là voltige
Angelot du paradis.

J’y rayonne , j’y moissonne
Ce que donne Dieu, comblant
Ceux qui brillent et fourmillent,
Ivres de biens abondants.

Donc, gravis-les en esprit, ces
Hauts parvis, loin du néant
De la terre qui tant erre.
L’éternel vaut bien l’instant.»

Wie vertaalt – zo wil het cliché – verliest iets: in dit geval een deel van het metrum. Maar de binnenrijmen zijn bewaard gebleven en daardoor klonk het gedicht voor mij weer als nieuw.


Kinder-Lyck

maart 20, 2013
Vondel (Vondelpark)

Vondel (Vondelpark)

Het eerste gedicht dat ik uit mijn hoofd leerde, was het “Kinder-lyck” van Joost van den Vondel: het grafschrift dat hij in 1632 of 1633 schreef na de dood van zijn zoontje. Thematisch is het niet heel bijzonder: de dichter troost zijn echtgenote door haar te zeggen dat het kind nu in de hemel is. Een door-en-door christelijk idee dat niet bepaald de originaliteitsprijs verdient – iets wat de dichter ook niet nastreefde.

Het knappe zit ‘m in het virtuoze taalgebruik: het gedichtje zit vol sprankelende binnenrijmen, die lijken te zijn geïnspireerd door een soortgelijk gedicht: “Animula vagula blandula” van keizer Hadrianus.

Constantijntje, ’t zaligh kijntje
Cherubijntje, van omhoogh,
D’ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh.

Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy?
Waarom greit ghy op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engeltje van ’t hemelrijck:

En ick blinck er, en ick drinck er
’t Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.

Leer dan reizen met gepeizen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick.

De oneven regels zijn een simpele afwisseling van beklemde en onbeklemde lettergrepen: vier trocheeën, om het in dichtersjargon te zeggen. Deze versmaat heeft een sterke cadans en maakt een snelle indruk. De even regels zitten anders in elkaar. Ze beginnen opnieuw met een trochee maar eindigen op een jambe, met daartussen een drielettergrepige versvoet, namelijk een dactylus in de tweede regel of een anapest in de vierde regel. In schema:

/∪   /∪   /∪   /∪
/∪   /∪∪   ∪/
/∪   /∪   /∪   /∪
/∪   ∪∪/   ∪/

De invoeging van een drielettergrepige versvoet jaagt het tempo nog verder op, wat het gedicht al met al een vrolijke toon geeft, en de lezer bijna dwingend meevoert naar de slotregel en conclusie.

[wordt vervolgd]


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 151 other followers