Nationale feestdag

mei 19, 2013
Atatürkmonument in Sinasos (Mustafa Pasha)

Atatürkmonument in Sinasos (Mustafa Pasha)

Op 19 mei 1919 kwam de Ottomaanse generaal Mustafa Kemal aan in Samsun, een havenstad aan de Zwarte Zee. Het waren beroerde tijden. Het Ottomaanse Rijk was al sinds 1911 permanent in staat van oorlog: eerst in Libië, vervolgens in twee oorlogen op de Balkan en tot slot als partij in de Eerste Wereldoorlog. De soldaten hadden gevochten als leeuwen, maar hadden steeds terrein moeten prijsgeven. Toen een wapenstilstand een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, was het land gereduceerd tot wat nu de grenzen van Turkije zijn, en Rusland, Frankrijk, Griekenland en Groot-Brittannië hoopten er nog wat hompen vanaf te kunnen snijden.

Ondanks de militaire en politieke vernedering waren er successen geweest, en Kemal Pasha – het laatste woord is een eretitel voor een generaal – had zelfs een zeer grote overwinning geboekt bij Gallipoli, waar hij de Britten had verslagen en de hoofdstad Constantinopel had gered. (Ik blogde al eens over het even lelijke als ontroerende monument in Eceabat.)

De sultan, die meende dat het meeste viel te behalen door toeschietelijk te zijn jegens de grote mogendheden en daarom bereid was tot concessies, promoveerde de veel kritischere Mustafa Kemal weg naar oostelijk Anatolië, met als opdracht daar het leger te reorganiseren. Hij deed echter meer: hij verzamelde de mensen die geloofden in een hardere koers. Het was een gezond standpunt, want de Turkse legers hadden de oorlog niet verloren door gebrek aan moed of kracht, maar doordat hun tegenstanders oppermachtig waren. Zij waren nu echter oorlogsmoe, terwijl het Turkse kernland, Anatolië, nog onaangetast was.

Het zou te ver gaan alle gebeurtenissen hier op te sommen, maar het komt erop neer dat Mustafa Kemal Pasha brak met de sultan toen deze het Verdrag van Sèvres aanvaardde, waarin nóg grotere territoriale concessies werden gedaan. De revolutionairen versloegen de Russen en consolideerden hun greep op het zuidoosten (waar de Fransen een oog op hadden laten vallen), vestigden een nieuwe hoofdstad in Ankara, versloegen de Grieken en dwongen internationale erkenning af. De revolutionaire leider werd president van een nieuwe republiek en zette de koers uit van een radicale vernieuwing. Mustafa Kemal Pasha geldt als de vader des vaderlands, als de vader van alle Turken, “Atatürk”, en er is in dit land geen stad of dorp zonder een monumentje.

De foto hierboven is gemaakt in een dorpje dat Mustafapaşa heet en, zoals u al vermoedde, is genoemd naar Atatürk. Men heeft er, zoals in heel Turkije, vandaag de aankomst van Mustafa Kemal in Samsun herdacht: het begin van de onafhankelijkheidsoorlog.

Er zit iets wrangs in de herdenking op die plaats, want het was oorspronkelijk een Grieks dorpje, Sinasos, maar de bewoners zijn in 1923 gedwongen te verhuizen naar Griekenland, toen de Republiek Turkije en het Koninkrijk Griekenland overeenkwamen dat de Grieken die nog in Turkije woonden naar Griekenland zouden gaan en de nog in Griekenland verblijvende Turken naar Turkije. Misschien was de maatregel verstandig – de twee landen zijn zo’n beetje de enige in de regio die nooit meer oorlog hebben gevoerd – maar in elk geval was het een botte, harde ingreep in de levens van tienduizenden onschuldige mensen.

De huidige bewoners van Mustafapaşa/Sinasos stammen dus af van immigranten. De herdenking moet de mensen hebben doen denken aan hun familietragedie, een kleine eeuw geleden, maar er hing een aangename sfeer, en het werd niet uitgelegd als een provocatie toen we naar het voormalige kerkje gingen. Het is gewijd aan Constantijn en Helena. De schilderingen zijn al lang geleden beschadigd, maar het gebouw is goed bewaard gebleven en getuige het feit dat een van de plaatselijke cafés “Helena” heette, denk ik dat de huidige, Turkse bevolking het godshuis van de verdreven oorspronkelijke, Griekse bevolking is gaan beschouwen als het eigen erfgoed. Ze zorgen er in elk geval goed voor.


Museumstuk (2)

mei 10, 2013
Standaarddrager

Standaarddrager

Ik heb een tijdje geleden de eerste blogpost geplaatst met de titel “museumstuk”. Het is de bedoeling dat er nog vele gaan volgen. Ik heb – even zonder valse bescheidenheid – letterlijk tienduizenden foto’s die ik ooit, als ik tijd heb, eens allemaal online zal plaatsen. Tot het zo ver is, staan ze maar digitaal op een harde schijf te staan. Ik kan er dus net zo goed over schrijven.

Deze tweede aflevering in de reeks wil ik wijden aan Apamea in Syrië. Zoals ik onlangs beschreef, tonen satellietfoto’s dat die stad totaal is geplunderd. Ik heb gelezen dat ook het museum door vandalen is bezocht. Ik sluit niet uit dat de collectie in veiligheid was gebracht, maar ik ben niet optimistisch.

De eerste foto toont de grafsteen van de standaarddrager van een Romeins legioen, II Parthica. Die eenheid is interessant, want terwijl alle legioenen waren gestationeerd aan de grens, verbleef deze in Rome, vanwaar ze steeds weer werd verplaatst naar bedreigde grenssectoren. De regimentsgeschiedenis van deze strategische reserve biedt een catalogus van alle Romeinse veldtochten van die tijd, de derde eeuw.

In Apamea liggen enkele tientallen legionairs van deze eenheid begraven, opvallend veel, zeker in verhouding tot de korte periode dat ze in dit gebied was gelegerd. Standaarddrager Selsonius Verus was een van hen. Het aardige is dat hij het veldteken, dat de vorm heeft van een adelaar, lijkt te hebben ingepakt voor transport: de vogel zit in een kooi.

Gekooide adelaar

Gekooide adelaar

De meeste van deze inscripties zijn nooit gepubliceerd. (Deze standaarddrager is dat gelukkig wel.) Gelukkig gaan plunderaars overal ter wereld hetzelfde te werk. Het is wat dat betreft net Londen in 2011: de vandalen daar lieten de boekhandels onaangeroerd maar sloegen hun slag in elektronicawinkels. Boeken zijn immers log en je maakt er weinig winst op. Hetzelfde geldt voor de rovers in Apamea: ik neem aan dat ze zich hebben gericht op kleine, kostbare goederen, zoals goud en sierraden, en niet op zware grafstenen waarop weinig winst valt te behalen. Er is dus kans dat Selsonius Verus en zijn adelaar nog staan opgesteld op de binnenplaats van het museum van Apamea, al is het helaas omdat andere voorwerpen aantrekkelijker waren.


Safed

mei 5, 2013
Ari

Ari Ashkenazi-synagoge

Ik ben deze dagen gierend druk met andere zaken, maar een klein berichtje trok mijn aandacht en schrééuwt erom dat ik toch even iets tiep:

Israël heeft twee batterijen luchtafweer naar het noorden van het land verplaatst. … Volgens de Israëlische radio worden de raketten bij de steden Haifa en Safed opgesteld, niet ver van de grenzen met de noordelijke buurlanden Syrië en Libanon.

Safed. Dit is een van de voornaamste spirituele centra van het jodendom. Hoewel de plaats vooral beroemd is geworden omdat sommige uit Spanje verdreven joden zich hier vestigden, hebben hier altijd joden gewoond, hoewel ze zeker niet altijd de meerderheid vormden. Ze bouwden hier enkele van de mooiste synagogen ter wereld. Hier bloeide de kabbala.

Begin 1948 is er ongelooflijk hard om gevochten. Tijdens een enorm artillerieduel dwongen de Israëlis, die meer vuurkracht hadden, de Arabieren om hun geboorteplaats te verlaten. Ze vluchtten naar Syrië, en alleen God weet waar de oud-bewoners van het Arabische Safed nu heen zijn gevlucht. Wie vandaag de dag wandelt door de iets te gelikt gerestaureerde straatjes, zal weinig zien dat eraan herinnert dat dit ooit een overwegend Arabisch stadje was.

Kogelgaten uit 1948

Kogelgaten uit 1948

Ondanks dit menselijke drama was dit een van de plaatsen die ik, toen ik twee jaar geleden voor het eerst in Israël was, het liefst wilde zien. Ik was blij de Ari Ashkenazi-synagoge en de Josef Caro-synagoge eens te hebben kunnen bezoeken. De twee geleerden liggen in het dal onder de stad begraven, niet ver van de kinderen die bij twee aanslagen op schoolbussen zijn gedood door terroristen. En nu houdt, zo zou je kunnen afleiden uit het nieuwsbericht, het Israëlische leger er rekening mee dat Safed vanuit Syrië of zuidelijk Libanon beschoten zal gaan worden.


Monsignor Quixote (2)

april 28, 2013

quixoteIn het eerste deel van dit stuk wees ik op het gekunstelde karakter van Graham Greenes boek Monsignor Quixote. Deze onnatuurlijkheid doet gelukkig niet af aan de leesbaarheid. Zoals ik al zei is de vriendschap van de twee mannen schitterend getekend, terwijl hun gesprekken ergens over gáán.

De afgelopen vijftig eeuwen – zo lang dus als we de geschiedenis kennen – zijn de meeste mensen op een of andere wijze religieus geweest. Een humanist kan dat niet zomaar als irrelevant terzijde schuiven: het verlangen naar Iets Hogers, wat dat ook moge zijn, is blijkbaar onderdeel van het mens-zijn. Omgekeerd zijn de antwoorden die de godsdiensten tot op heden hebben geboden te beperkt, te tijdgebonden, te irrationeel om in onze tijd nog te overtuigen. Voor beide standpunten valt iets te zeggen en Greene geeft aan beide ruimte, waarbij hij vooral onderstreept dat zekerheid iets is voor tevredenen en legen.

Monsignor Quixote is dus vooral een filosofische dialoog, met als conclusie dat een leven zonder twijfel niet de moeite waard is. Ik typeerde het boek ook als een road movie: de twee mannen zijn op een queeste. Dit is uiteraard een overeenkomst met Cervantes’ beroemde roman (dit keer geen classificatieprobleem: om de avonturen van de vernuftige edelman uit La Mancha te typeren als roman, hoeven de definities niet te worden opgerekt).

De overeenkomsten zijn er op twee niveaus. Enerzijds binnenin de tekst: Monsignor Quichot beweert af te stammen van de ridder van de droevige figuur en noemt zijn Seat 600 Rosinant, er zijn mensen die hem vragen of hij écht afstamt van Don Quichot en Sancho vergelijkt ergens een ontmoeting met de Guardia Civil met het gevecht dat de dolende ridder leverde met de windmolens. Anderzijds gebruikt Greene de klassieker van Cervantes om zijn eigen tekst te structureren: de monseigneur en de burgemeester maken twee reizen, overnachten in een bordeel, denken iets goeds te doen als ze in feite een crimineel helpen en komen in nog meer herkenbare situaties terecht.

De overeenkomst gaat echter verder dan spiegelende scènes: zoals Don Quichot gelooft in oude boeken, zo leest en herleest Monseigneur Quichot de mystieke teksten van het christendom (en heeft de burgemeester Het communistisch manifest op zak). En zoals de ridder van weleer in naïviteit leeft maar op zijn sterfbed een realist blijkt te zijn, zo legt ook zijn afstammeling zijn argeloosheid af in de daverende slothoofdstukken, waarin de goede monseigneur komt te overlijden.

Zoals ik al aangaf kun je Greenes boek óók lezen als een tragedie, met een catastrofe aan het einde. Monseigneur Quichot wordt oprecht kwaad als hij ziet hoe een Mariabeeld wordt bekleed met bankbiljetten. Zijn optreden tegen deze blasfemie wordt zijn dood. Het is een intens pessimistische scène: de menselijke waarden waarover de katholieke priester en de communistische humanist het eens zijn, bezwijken uiteindelijk voor het kapitalistische winstbejag. Het vasthouden aan de oude idealen, en niet de ontmoeting met de Guardia Civil, is het eigenlijke windmolengevecht, en zoals u weet zijn in het universum van Don Quichot de zogenaamde realisten de dwazen en is de zogenaamde dwaas de enige die werkelijk begrijpt wat in dit ondermaanse van waarde is.

Ik heb met dit laatste iets meer van de plot weggegeven dan ik wilde, maar u weet nog niet wat het slothoofdstuk is. Daarover verklap ik niets, maar ik verzeker u dat het indrukwekkend is, dat Sancho en Monseigneur Quichot allebei gelijk blijken te hebben, dat het mysterie intact blijft en dat het u zal ontroeren. En tot slot is er de onbeantwoorde vraag waarmee het boek eindigt: hoe komt het dat haat, zelfs de haat van en voor een man als Franco, ophoudt als iemand sterft, terwijl liefde overleeft en kan groeien?


Monsignor Quixote (1)

april 28, 2013

quixoteIneens wist ik aan wie de nieuwe paus, Franciscus, me deed denken: aan Monseigneur Quichot, de hoofdpersoon van een in 1982 verschenen roman van Graham Greene. Ik gebruik het woord “roman”, waarmee de schrijver zelf de tekst aanduidde, met aarzeling. De grenzen van het genre zijn inmiddels zó ver opgerekt dat vrijwel alle lange prozateksten er nu onder vallen. Er valt best met zo’n nietszeggend etiket te leven, maar bij Monsignor Quixote is het toch wat problematisch. Het is eerder het scenario van een road movie (en is dan ook verfilmd) of een klassieke tragedie, compleet met expositie, complicaties, climax, consequenties en catastrofe.

Het beste laat de tekst zich lezen als filosofische dialoog. Aan de ene zijde staat de eenvoudige dorpspriester van El Toboso, Monseigneur Quichot (inderdaad: afstammeling van), die gelooft in het belang van de christelijke waarden, ook nu de kerk gecorrumpeerd is geraakt. Dat laatste slaat vooral op de specifieke problemen van het katholicisme in het Spanje van Franco, maar de titelheld erkent ook de meer structurele problemen. Zijn antagonist Sancho is de linkse burgemeester van het dorp, die meent dat er in de failliete boedel van het communisme nog iets ligt van waarde.

De twee voeren allerlei gesprekken over de betekenis van de wederzijdse idealen. Beide erkennen daarbij dat er nogal wat verschil is tussen de theorie en de praktijk, wat voor de lezer het voordeel heeft dat een hoop drogredeneringen achterwege blijven. Geen gratuite verwijten dus over het kwaad van de Inquisitie of de Goelag, maar argumenten die het ideaal zélf betreffen, waarbij menselijkheid uiteindelijk beslissend is.

Even boeiend als de uitwisseling van argumenten is de vriendschap van de twee mannen. Ik vermoed dat u bij de combinatie van dorpspriester en communistische burgemeester dezelfde associatie hebt als ik: Don Camillo en Peppone, de protagonisten uit de verhalen van Giovanni Guareschi. Er is inderdaad een overeenkomst. De twee Italianen zullen, als het erop aankomt, altijd hun zorg voor hun dorpsgenoten laten prevaleren boven hun levensbeschouwing. Dat kan ook makkelijk, want christendom en communisme zijn in de kern beide een aanklacht tegen onrecht. De rest is bijzaak. Ook Monseigneur Quichot en Sancho zijn het erover eens dat humane waarden centraal dienen te staan. Bovendien vinden ze elkaar steeds opnieuw in hun twijfel. Ze weten het allemaal zo zeker niet en kunnen makkelijk toegeven dat hun gespreksgenoot ook wel eens gelijk kan hebben.

Uiteraard zijn ze als discussianten wat irreëel. In het echt dwalen mensen tijdens discussies af, komen ze aan met drogredeneringen en houden ze tegen beter weten in vast aan hun gelijk. Er zijn wel meer irreële aspecten in het verhaal. Monseigneur Quichot blijkt af en toe veel beter op de hoogte van de grote intellectuele debatten dan je van een wat naïeve dorpspriester zou verwachten, zoals in het volgende voorbeeld:

We are all bourgeois today. Don’t tell me that Brezhnev is not just as much a bourgeois as you and me. If the whole world becomes bourgeois, will it be so bad – except for dreamers like Marx and my ancestor?

Omgekeerd blijkt Sancho meer te weten van moraaltheologie dan een communistische dorpsburgemeester doorgaans in zijn intellectuele bagage heeft. Greene heeft zulke onrealistische personages nodig om de discussie werkelijk te laten draaien om de Grote Vragen.

Ook de rest van het verhaal is daaraan ondergeschikt gemaakt: als er ergens drie flessen wijn soldaat worden gemaakt, en de lezer zich afvraagt waarom de schrijver zo expliciet is over het aantal, krijgt hij een antwoord wanneer Monseigneur Quichot de flessen benut om de Drie-eenheid uit te leggen. Greene besteedt ook slechts weinig woorden aan het decor: de steden die de twee mannen aandoen lijken er vooral te zijn als aanleiding voor een dialoog over een nieuw thema.

[wordt vervolgd]


Gotische letters

april 26, 2013

Het “Schrifterlass”, waarmee Bormann de gotische letters verbood. Let op het briefhoofd.

Ik heb bepaald niet te klagen over de reacties die ik krijg van de mensen die reageren op deze blog. Het is leuk als mensen een stukje over een nieuwe museumafdeling beantwoorden met de opmerking dat ze er eens langs zullen gaan. Iemand heeft me eens een bijdrage over antieke wetenschappelijke instrumenten gestuurd die ik nog zal gaan gebruiken op de Livius-website. De discussie over “1948”, waarvan ik vermoedde dat die heftig kon worden, bleef binnen de grenzen van wat ik toelaatbaar vind.

Er zijn wel eens mafketels. Zoals degene die de verantwoordelijkheid voor de Holocaust en de Armeense genocide, half in scherts, legde bij de Nederlanders. Het stukje was, zoals opgemerkt door een van de lezers van deze blog, op minstens drie andere plekken op het internet te vinden. Dat leek me voldoende om het hier weg te halen.

En dan is er die vraag waarom ik een kop gebruik met gotische letters. Ik mocht vanmorgen de dag beginnen met het verwijt een neo-nazi te zijn. Het gebeurde niet voor het eerst en aangezien ik door een groep Iraniërs voor racist word uitgemaakt omdat ik de propaganda van de laatste sjah niet onderschrijf en omdat één van mijn boeken ooit is gerecenseerd op een website die Stormfront heet, is het verwijt vrij gemakkelijk te onderbouwen.

Het is de moeite niet waard het te weerleggen, maar het kan geen kwaad er nog eens op te wijzen dat de titel van deze blog een knipoog is naar Multatuli. Dat hoef je niet te weten, maar het is op deze blog te vinden op de logische plaats. Het is dus geen misselijke verwijzing naar de nationaal-socialistische partijkrant Völkischer Beobachter, wél naar de prachtige krantentitels die ze in Duitsland nu eenmaal hebben. Waarom hebben we in Nederland alleen fantasieloze titels als De Nieuwe Pers of De Correspondent, terwijl je ook kunt kiezen voor bijvoorbeeld Trierische Volksfreund?

Een krant in de tijd van Multatuli zou koppen in gotische letters hebben gehad. De hierboven gebruikte “Fette Fraktur” werd in 1941 verboden door de nazi’s, die hadden ontdekt dat deze letter door Joden was ontworpen. Wie me aanwrijft een neo-nazi te zijn omdat de kop van deze blog is gezet in gotische letters, heeft echt iets niet begrepen.

De Amsterdamse Inquisitie aan de Nieuwmarkt

De Amsterdamse Inquisitie aan de Nieuwmarkt

Tot slot dit: al zou er werkelijk een bruine walm aan de Fette Fraktur hangen, dan nog kun je iets op het verleden terugveroveren. De kelders waarin de Inquisitie in Amsterdam haar gevangenen verhoorde, zijn nu in gebruik als supermarkt. De voormalige Lebensborn Klinik aan het Museumplein is nu een bedrijfspand, het hoofdkantoor van de SD is in gebruik als school.

Geschiedenis is een prachtig vak, en enige kennis ervan verhoogt de levensvreugde, maar we zijn er niet de gevangene van.


1948 (3)

april 24, 2013

[1948Dit is het derde van drie stukjes over Benny Morris' 1948; het eerste is hier.]

Wat waren de Arabische oorlogsdoelen? De simpele waarheid is dat men niet streed voor een Palestijnse staat. Die zou namelijk hebben moeten staan onder leiding van grootmoefti van Jeruzalem, Muhammad Haj Amin al-Husseini. Dit was een felle nationalist, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nationaalsocialistisch vaarwater was gekomen. Koning Farouk van Egypte, koning Abdallah van Jordanië en de leiders van Syrië, Libanon en Irak wisten dat ze nooit zouden kunnen rekenen op steun van bijvoorbeeld Amerika, de Sovjet-Unie of Groot-Brittannië als ze zouden strijden voor een door de grootmoefti geleide Palestijnse staat.

In plaats daarvan annexeerden Jordanië en Egypte wat ze konden annexeren. Dat was de inspanning eigenlijk niet waard, en de Arabische leiders moeten dat hebben geweten. Ze konden echter niet anders dan zich in een heilloze oorlog storten. Toen het VN-delingsplan was aangekondigd, hadden ze opgeroepen tot geweld; na het bloedbad in Deir Yassin en nu Palestijnse vluchtelingen voor iedereen zichtbaar waren in de straten van Damascus, Amman en Cairo, was het uitgesloten dat men de daad niet bij het woord voegde. In feite waren de Arabische leiders verstrikt in hun eigen retoriek.

Dat het Arabische leiderschap niet was opgewassen tegen de crisis en medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk, wil niet zeggen dat de Joodse leiders vrijuit gaan. Morris wijst op de Joodse strijdplannen. Daarin was voorzien in het evacueren van burgers uit de strijdgebieden, waarbij een zekere escalatie mogelijk was: mensen evacueren, mensen dwingen hun huizen te verlaten en dorpen benaderen om de mensen weg te jagen vóór de strijd uitbarstte. Dit ging dus verder dan “normale” evacuaties uit die tijd, zoals het voorbeeld waarmee ik het eerste van deze drie stukjes opende. En tot slot: leegstaande Arabische dorpen overdragen aan Joodse burgers, wat enerzijds een militaire functie had (de dorpen zouden pro-Joods blijven) en anderzijds diende om de duizenden Joodse migranten van onderdak te voorzien.

Dit wil dus zeggen dat de Joodse troepen actief hebben geprobeerd dorpen over te nemen, een tactiek die succesvol kon zijn doordat de bevolking na Deir Yassin maar al te graag vertrok, erop vertrouwend dat de Jordaanse, Egyptische, Syrische en Iraakse troepen hen zouden terugbrengen. Zowel de Joodse als de Arabische leiders streefden er dus naar de Palestijnen te evacueren uit de oorlogszone.

Het was voorspelbaar dat Morris’ boek zowel is geprezen als bekritiseerd. Dit laatste enerzijds omdat hij teveel pro-Israëlisch zou zijn en anderzijds omdat hij niet voldoende pro-Israëlisch was, wat zou blijken uit het feit dat hij zonder veel omhaal van woorden weerlegt dat de Joden zouden hebben gestreden met “purity of arms”. Maar Deir Yassin en de aanvallen op de Palestijnse dorpen zijn niet te ontkennen.

Goed te praten zijn ze evenmin, maar Morris heeft er meer dan eens op gewezen dat er in feite geen alternatieven waren. De Arabische leiders hadden er immers toe opgeroepen de Joden de zee in te drijven. Daarmee ging het conflict niet langer over het bestuur van Palestina, maar over het voortbestaan van de Joodse natie. Na de ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog is het niet onlogisch dat de Joden het zekere voor het onzekere namen en ervoor zorgden dat zoveel mogelijk dorpen in betrouwbare handen kwamen.

Zo ontstond volgens Morris het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk. De Joden zagen geen alternatief dan het verdrijven van potentiële vijanden en de Arabieren namen ze op, hun vermogen om ze terug te brengen overschattend. Zo ontstond het vraagstuk. Hoe het is verder gegaan, is een ander onderwerp, waar je evenmin vrolijk van wordt.


1948 (2)

april 24, 2013

[1948Dit is het tweede van drie stukjes over Benny Morris' 1948; het eerste is hier.]

De oorlog van 1948 had een lange voorgeschiedenis. Het geweld tussen de Joodse en Arabische bevolking van Palestina was al in 1913 – dit jaar een eeuw geleden – voldoende ernstig om de wederzijdse leiders te laten onderhandelen over manieren om het te bedwingen. Het leverde weinig op en in 1937 concludeerden de Britten dat het mandaatgebied Palestina onbeheersbaar was. Het beste kon het worden verdeeld, waarbij alleen de corridor van de kust naar Jeruzalem in Britse handen zou blijven.

Na de Tweede Wereldoorlog werd dit plan in aangepaste vorm overgenomen door de Verenigde Naties. Het Britse mandaat zou aflopen in mei 1948. De zionisten accepteerden het delingsverdrag onmiddellijk, terwijl de Arabische leiders het afwezen en ertoe opriepen de Joden met geweld de zee in te drijven.

In de winter van 1947/1948, toen de Britten bezig waren zich terug te trekken, laaide het geweld tussen de bevolkingsgroepen op. Je moet hierbij niet alleen denken aan vetes tussen Arabische en Joodse dorpen, maar ook aan aanvallen op de Britten, over wie Morris met merkbare bewondering schrijft. Ze konden het bij geen van de strijdende partijen nog goed doen, maar bleven het desondanks proberen.

Morris schrijft ook met respect over de Palestijnse commandant ‘Abd al-Qadir al-Husseini, die probeerde een strijdgroep op de been te brengen, maar op het beslissende moment in de steek werd gelaten door de Arabische leiders. Wetend dat het niets meer kon worden, bleef hij zijn militaire plicht doen tot hij uiteindelijk in de nacht van 7/8 april strijdend ten onder ging bij Al-Qastal, langs de weg van Jeruzalem naar Tel Aviv. Met hem verdween in feite het enige Palestijnse leger, en daarmee was het conflict tussen de Arabieren en Joden in Palestina in feite beslist in het voordeel van de laatstgenoemden, ruim een maand voordat het Britse mandaat zou aflopen.

Vlakbij Al-Qastal lag Deir Yassin, dat een dag later werd ingenomen door twee Joodse strijdgroepen die niet behoorden tot de min of meer reguliere Haganah: de Irgun en de Lehi. Nadat ze het dorp hadden bezet, sloegen ze aan het moorden. Het aantal doden ligt volgens Morris rond de 100-120 (al noemden Joodse, Britse en Arabische bronnen in de daaropvolgende dagen aantallen rond de 250) en al op 12 april wist het Joodse oppercommando dat hier een oorlogsmisdrijf had plaatsgevonden.

Vanaf dit moment was de Palestijnse bevolking doodsbang. Het eigen leger was na de dood van ‘Abd al-Qadir al-Husseini uiteengevallen en de Joodse soldaten leken tot alles in staat. De evacuatieplannen die de Arabische staten al enkele maanden daarvoor hadden voorbereid, werden nu in werking gesteld. Dit markeerde het einde van wat Morris “de burgeroorlog” noemt. De Palestijnen waren verslagen en gedemoraliseerd en werden nu uit de oorlogszone weggehaald.

Zoals bekend beantwoordden de Arabische staten de Joodse onafhankelijkheidsverklaring met een invasie. Morris beschrijft de gevechten in groot detail, maar ik vat het niet voor u samen, want u kent de afloop: Egypte bezette de Gazastrook en Jordanië bezette de westelijke Jordaanoever en de oude stad van Jeruzalem, waar de Joodse wijk volkomen werd verwoest. En nog eens duizenden mensen sloegen op de vlucht.

[wordt vervolgd]


1948 (1)

april 24, 2013

1948Mijn vader komt uit Arnhem. Hij heeft de veldslag in die stad meegemaakt en ook het vervolg: de evacuatie. In de verwoeste stad dreigden besmettelijke ziektes, de Geallieerden schoten nog vanaf de andere kant van de Rijn en de nog steeds intacte brug was een voorspelbaar doelwit voor bommenwerpers: drie goede redenen om de burgers weg te halen uit het frontgebied.

Misschien zeg ik iets controversieels, maar volgens mij deden de Duitsers daarmee niets dan hun humanitaire plicht, ook toen ze dwang gebruikten om mensen te laten vertrekken. Leuk was het zeker niet, maar ik denk dat niemand van ons de evacuatie zou typeren als oorlogsmisdrijf en ik denk dat dit ook heeft gegolden in de jaren veertig.

Vier jaar later trokken duizenden bewoners van Palestina weg uit hun dorpen. Er was oorlog uitgebroken; de Haganah (de Joodse strijdkrachten) viel de Arabische dorpen aan; de Arabische staten hadden de evacuatieplannen al klaar om de Palestijnen uit het gebied weg te halen; het leek – net als de evacuatie van Arnhem – te gaan om een tijdelijke maatregel. De mensen zijn echter, zoals bekend, nooit meer teruggekomen.

Het gaat niet aan hun lijden te bagatelliseren. In Damascus sprak ik eens een man die herinneringen had aan Haifa en, zoals wel meer voorkomt, de sleutel van het huis van zijn ouders en de papieren van het kadaster nog bezat. Hij was realist genoeg om te weten dat hij nooit terug zou gaan en verlangde daar ook niet naar.

Hij is één van vele. En zij en hun afstammelingen zitten vast in kampen in Jordanië, Syrië en Palestina: klem tussen de onmogelijkheid terug te keren en de onmogelijkheid een volwaardig burgerschap te krijgen. De Arabische regeringen zouden dat laatste misschien wel willen, maar kunnen zich die maatregel niet permitteren omdat zo’n besluit de demografische verhoudingen in hun landen zal verstoren. Ik schrijf met opzet dat ze het “misschien willen”, want ik sluit niet uit dat de Arabische leiders tegelijk zien dat de vluchtelingen ook een kaart vormen die kan worden uitgespeeld tegen Israël. Goedkope arbeidskrachten zijn bovendien ook altijd handig. Hoewel er voor hardwerkende individuen uitwegen kunnen zijn, is er voor deze mensen als groep geen zicht op verbetering.

Het is maar al te menselijk om, als de gevolgen groot zijn, aan te nemen dat ook de oorzaken groot zijn. Wat in 1948 gebeurde, moet echter worden vergeleken met de wijze waarop men in de jaren veertig burgers uit de frontzones haalde, en kan beter niet worden beoordeeld aan de hand van wat later is gebeurd. In 1948 kon niemand dat voorzien.

De historicus moet, als het ware, vergeten wat hij weet over het vervolg en de situatie bekijken zoals die destijds was. Dat is wat Benny Morris probeert te doen in zijn 1948. A History of the First Arab-Israeli War (2008). Niet dat hij werkelijk niet denkt aan de ellende die de Palestijnse vluchtelingen hebben doorstaan: hij heeft ook daarover boeken geschreven, zodat hij die materie nu kan laten rusten. 1948 gaat alleen over het in de ondertitel genoemde conflict.

[wordt vervolgd]


Geschiedenis van Nederland

april 23, 2013
Liberty of Conscience crushing Tyranny. One of the windows in the church of St John, Gouda.

De Liberteit van Conscientie overwint de Tyrannie. Een van de Goudse glazen.

Veertien jaar geleden publiceerde ik een – al zeg ik het zelf – erg leuk klein boekje over het Nederlandse consensusmodel, Hollands glorie. Onze hele ontstaanslegende zat erin verwerkt: polders, de waterschappen, Floris V, de hertogen van Bourgondië, Calvijn, de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, de regenten, de Patriottenbeweging, Vincent van Gogh en uiteindelijk hoe de overlegcultuur vorm heeft gegeven aan overlegeconomie. Ironisch detail: het eindigde met de constatering dat het streven naar consensus betekende dat soms onderwerpen onbesproken bleven. De discussie over de islam, zo schreef ik, leek zich te beperken tot een debat over hoofddoekjes en vermeed echte problemen.

Toen die discussie er toch kwam, leek het verstandig het boekje opnieuw uit te geven. Iets minder lichtvoetig en met een iets duidelijkere politieke boodschap. De belangstelling viel echter toch tegen, misschien omdat het boekje, dat vrij herkenbaar was, een nieuwe titel had gekregen, Polderdenken.

Waarschijnlijk speelde ook een rol dat ik met de eigenlijk analyse geen vrienden maakte. Ik wees erop dat in de late twintigste eeuw een bestuursklasse is ontstaan die Angelsaksische modellen gebruikt en zodoende breekt met de Hollandse overlegcultuur. Dat de internationaal-georiënteerde bestuurders de burgers in de steek hebben gelaten is natuurlijk gewoon de analyse van Christopher Lasch (The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy, 1994).

Deze visie is gevulgariseerd door Geert Wilders, die volgens mij oorzaak en gevolg omdraait: terwijl ik denk dat de problemen rond de islam alleen maar het gevolg zijn van een wegkijkende, falende bestuursklasse, ziet hij de islam als de kern van de problemen. (Dat ik het daarmee fundamenteel oneens ben, wil niet zeggen dat hij fundamenteel ongelijk heeft, zoals ik onlangs betoogde.)

Terug naar het boekje. Omdat ik vermoedde dat er in het buitenland belangstelling voor zou zijn, ging ik akkoord met het genereuze aanbod van Marie Smit-Ryan om het, met medewerking van mijn Amerikaanse vriend Bill Thayer, te vertalen. Hun inzet verdiende een goed resultaat op de boekenbeurs in Frankfurt, maar de tekst is daar niet verkocht. Sindsdien lag de vertaling er alleen maar te liggen, en daarom heb ik ik die nu als website online geplaatst: hier.

Ik heb hierboven de nadruk gelegd op het feit dat Consensus and Crises een politieke analyse biedt, maar het is toch ook – en eigenlijk: vooral – een overzicht van de toch meestal buitengewoon onderhoudende geschiedenis van Nederland, met een sterk accent op de stad waar ik woon, Amsterdam.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers