Museumstuk (2)

mei 10, 2013
Standaarddrager

Standaarddrager

Ik heb een tijdje geleden de eerste blogpost geplaatst met de titel “museumstuk”. Het is de bedoeling dat er nog vele gaan volgen. Ik heb – even zonder valse bescheidenheid – letterlijk tienduizenden foto’s die ik ooit, als ik tijd heb, eens allemaal online zal plaatsen. Tot het zo ver is, staan ze maar digitaal op een harde schijf te staan. Ik kan er dus net zo goed over schrijven.

Deze tweede aflevering in de reeks wil ik wijden aan Apamea in Syrië. Zoals ik onlangs beschreef, tonen satellietfoto’s dat die stad totaal is geplunderd. Ik heb gelezen dat ook het museum door vandalen is bezocht. Ik sluit niet uit dat de collectie in veiligheid was gebracht, maar ik ben niet optimistisch.

De eerste foto toont de grafsteen van de standaarddrager van een Romeins legioen, II Parthica. Die eenheid is interessant, want terwijl alle legioenen waren gestationeerd aan de grens, verbleef deze in Rome, vanwaar ze steeds weer werd verplaatst naar bedreigde grenssectoren. De regimentsgeschiedenis van deze strategische reserve biedt een catalogus van alle Romeinse veldtochten van die tijd, de derde eeuw.

In Apamea liggen enkele tientallen legionairs van deze eenheid begraven, opvallend veel, zeker in verhouding tot de korte periode dat ze in dit gebied was gelegerd. Standaarddrager Selsonius Verus was een van hen. Het aardige is dat hij het veldteken, dat de vorm heeft van een adelaar, lijkt te hebben ingepakt voor transport: de vogel zit in een kooi.

Gekooide adelaar

Gekooide adelaar

De meeste van deze inscripties zijn nooit gepubliceerd. (Deze standaarddrager is dat gelukkig wel.) Gelukkig gaan plunderaars overal ter wereld hetzelfde te werk. Het is wat dat betreft net Londen in 2011: de vandalen daar lieten de boekhandels onaangeroerd maar sloegen hun slag in elektronicawinkels. Boeken zijn immers log en je maakt er weinig winst op. Hetzelfde geldt voor de rovers in Apamea: ik neem aan dat ze zich hebben gericht op kleine, kostbare goederen, zoals goud en sierraden, en niet op zware grafstenen waarop weinig winst valt te behalen. Er is dus kans dat Selsonius Verus en zijn adelaar nog staan opgesteld op de binnenplaats van het museum van Apamea, al is het helaas omdat andere voorwerpen aantrekkelijker waren.


Bij de dood van Géza Vermes

mei 8, 2013

vermesVandaag, 8 mei 2013, is Géza Vermes overleden. Zoals een echte geleerde betaamt, was hij niet te vangen met een simpel etiket als “oudhistoricus”, “nieuwtestamenticus”, “theoloog”, “judaïst”, “qumranoloog” of “exegeet”. Hij beperkte zich niet, sprak overal over mee en had altijd iets zinvols te melden. Dat wil niet zeggen dat er in zijn brede oeuvre geen zwaartepunten zouden liggen, want die waren er wel: enerzijds de Dode Zee-rollen, anderzijds de historische Jezus. En die houden met elkaar verband.

De Dode Zee-rollen zijn ontdekt in 1947. Het gaat om enkele complete boekrollen, zo’n 700 perkamentfragmenten die behoren tot niet minder dan zeventig teksten, en zo’n 15.000 snippers. Ze zijn allemaal geschreven tussen 200 v.Chr. en 70 n.Chr. en geven een beeld van het pluriforme jodendom uit die tijd, dat na de verwoesting van de tempel plaats maakte voor slechts twee stromingen, enerzijds het farizeïsme, dat zich ontwikkelde tot het rabbijnse jodendom, en anderzijds de beweging rond Jezus, waaruit het christendom is voortgekomen.

De aanhangers van deze stromingen hadden veel destijds al oude teksten niet langer nodig, kopieerden ze niet en beletten op die manier dat ze werden doorgegeven aan latere generaties. Met de vondst van de Dode Zee-rollen kregen de zo tot zwijgen gebrachte groepen joden ineens weer een stem. Alleen: wie waren dat?

Het was in elk geval duidelijk dat de mensen van de Dode Zee-rollen geen farizeeën waren, want het materiaal lijkt totaal niet op het rabbijnse materiaal, waarin de farizese opvattingen zijn vastgelegd. Christelijk was het ook niet. Het zou echter het materiaal kunnen zijn van bijvoorbeeld de sadduceeën of de essenen. Vermes was de eerste die erop wees dat wat we lazen in de Dode Zee-rollen en wat we wisten over de essenen, redelijk overeenkwam.

Dat is sindsdien de dominante theorie gebleven, al is er altijd kritiek op geweest. Misschien was het een afsplitsing van de essenen. Of misschien was de verzameling wel de bibliotheek die ooit had gelegen in de tempel. Een recente theorie is dat het materiaal helemaal geen eenheid vormt, maar heeft gelegen in verschillende synagogen in Galilea, en is meegenomen door diverse groepen vluchtelingen die uit angst voor de Romeinse legers naar het zuiden trokken en hun kostbare boeken achter lieten in de grotten bij de Dode Zee. Dat sluit overigens niet uit dat er, zoals Vermes constateerde, materiaal bij ligt dat behoorde tot de sekte der essenen.

Vermes publiceerde ook over de historische Jezus, die hij binnen de kaders van het jodendom analyseerde. Er waren wel meer charismatische wonderdoeners in die tijd. Een belangrijke kwestie hierbij is of Jezus zijn missie beschouwde als een “intern-joodse” aangelegenheid of dat hij zich ook richtte tot de volken buiten Judea en Galilea. Wie het eerste standpunt inneemt, zal al snel verhalen als dat over de honderdman interpreteren als een christelijke toevoeging, en misschien is dat ook wel zo, maar je kunt Vermes’ theorie ook zien als een manier om een beeld te scheppen van een Jezus die voor moderne joden aanvaardbaar is.

Deze poging het verre verleden betekenis te geven voor mensen tegenwoordig is ideaal voor wie onderzoek gesubsidieerd moet zien te krijgen, maar het is uiteraard een verkeerde manier om met de Oudheid om te gaan. De eis tot relevantie is nu eenmaal de vijand van de geschiedenis. Van de andere kant: Vermes heeft zijn leven lang tussen een joodse achtergrond en een katholieke opvoeding gebalanceerd en het zij hem vergeven dat hij de verleiding niet kon weerstaan een Jezus te scheppen die in het hedendaagse jodendom paste, en zo zijn dubbele identiteit te harmoniseren.

De blijvende winst – die overigens niet uitsluitend op Vermes’ conto valt te schrijven – is dat het joodse karakter van mannen als Jezus en Paulus nu gemeengoed is. Geen wetenschapper zal nog beweren dat het christendom al voor de verwoesting van de tempel in 70 onherroepelijk van het jodendom was gescheiden. Meer daarover in dit boek, dat ondenkbaar zou zijn zonder Vermes’ oeuvre.

Twee boeken van Vermes zijn mij erg dierbaar. Het eerste is The Dead Sea Scrolls: Qumran in Perspective, dat is verschenen in 1977. Veel van het materiaal lag nog onder embargo toen hij deze synthese schreef; hij heeft het boekje steeds aangepast, het grondigst nadat in 1994 het embargo werd opgheven. Elke recentere druk is nog steeds de moeite van het lezen waard. Het andere is Who’s Who in the Age of Jesus (2005), dat een ontzettend handig hulpmiddel is voor wie zich voor het eerst grondig bezighoudt met de evangeliën.


Hangende tuinen?

mei 6, 2013

Artists Impression of the Non-Existent Monument

Reconstructie van het niet-bestaande wereldwonder

Oef, daar maakt de NU.nl toch even een uitglijder: de hangende tuinen van Babylon, zo zou recent wetenschappelijk onderzoek hebben opgeleverd, hingen helemaal niet in Babylon, maar in Nineve. Dat zou de Britse onderzoekster Stephanie Dalley van de Universiteit van Oxford beweren in haar boek The Mystery of the Hanging Garden of Babylon.

Er is inderdaad een probleem: het monument wordt genoemd in sommige Griekse teksten maar niet in de Babylonische teksten, en er is archeologisch geen spoor van te bekennen. Haar oplossing, dat het monument door de Grieken is geplaatst in de verkeerde stad, heeft echter helemaal geen nieuwswaarde. Dalley heeft het in 1994 al eens naar voren gebracht, en u vindt dat artikel hier.

De theorie is ook al weerlegd. Dat artikel is helaas niet digitaal beschikbaar, maar u vindt het in R.J. van der Spek, Studies in Ancient Near Eastern World View and Society (2008), en wel in het artikel over Berosus op blz.302-313. Daarin verdedigt de auteur, die voor elke journalist simpel bereikbaar is op onze Nederlandse Vrije Universiteit, dat het monument simpelweg nooit heeft bestaan. Ik heb dat hier uiteen gezet.

Ik neemt dit NU.nl niet kwalijk. De gemiddelde journalist weet immers niet wie R.J. van der Spek is, en het is ook teveel gevraagd te verwachten dat elke journalist weet dat persberichten in de oudheidkunde minder dienen om de pers voor te lichten dan om naar geld te hengelen. Het persbericht van Dalley diende om een boek te promoten. Wat ik daarentegen wél heel kwalijk vind, is dat de Nederlandse geesteswetenschappen niet ergens een afdeling voorlichting hebben, waar de journalist zijn informatie kan controleren.

Naschrift

NU.nl heeft het artikel inmiddels aangepast. Hulde.


Caesar in Germanië

mei 3, 2013

Maquette van Caesars brug (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Dit wordt een zeer gehaast stukje, maar het nieuws is te leuk om niet te delen. Archeologisch is dit dus gewoon “breaking news”.

Julius Caesar veroverde Gallië. Er is geen redelijke twijfel daaraan. Archeologisch is zijn eigen verslag, De Gallische Oorlog, bevestigd in onder meer Alesia en Gergovia, die zijn opgegraven door niemand minder dan Napoleon III. Het rare was echter dat er almaar geen archeologische bevestiging kwam voor Engeland, België en Duitsland, hoewel er honderden marskampen moeten zijn geweest voor de acht legioenen die al met al een decennium benoorden de Alpen verbleven. Ik blogde al eens over deze discrepantie.

Vorig jaar kwam daar ineens de identificatie van Thuin bij als de plek waar Caesar in 57 v.Chr. de Aduatuci had verslagen. Daarna kwam Hermeskeil: een kamp in de omgeving van Trier, dat mogelijk eind jaren vijftig dienst deed. En nu – tromgeroffel, lichteffecten – zijn er twee kampen ontdekt in Hessen. Midden eerste eeuw, Romeins, en op de rechteroever van de Rijn. Link één, link twee, link drie, link vier, link vijf, link zes. Caesar is hier geweest nadat hij in 55 en in 53 v.Chr. bruggen over de Rijn had geslagen. De expedities leverden hem weinig op, maar stonden beslist niet onaardig op zijn curriculum vitae.

Zo heb je niets, zo heb je vier extra archeologische bevestigingen van Caesars verhaal. Mits de archeologen van dienst zich niet hebben vergist uiteraard, maar als dat niet het geval is, is er weinig ruimte voor twijfel. Zeker, voor archeologen is het overdrijven van het belang van de eigen vondsten deel van de reguliere fondsenwerving, maar “aardewerk uit het midden van de eerste eeuw v.Chr.” en “oostelijke Rijnoever” zijn geen gegevens die je overdreven kunt interpreteren.

(met dank aan Siggi Karcher)


Joodse humor

mei 2, 2013
Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Jezus drijft de boze geesten uit (Ravenna)

Ik schrijf momenteel een boek over de “scheiding van wegen” tussen jodendom en christendom. Zoals Ernest Renan in de negentiende eeuw al wist, was Jezus een jood en deed hij niets om een nieuwe religie te stichten. Voor vrijwel alles wat hij onderwees bestonden joodse parallellen, en sinds de ontdekking van de Dode Zee-rollen kunnen we dat “vrijwel” nog weglaten. Ook in het oeuvre van Paulus is niets te vinden dat duidt op het ontstaan van een nieuwe religie (meer…), al gaat het hier wel om teksten die je achteraf, als die religie er eenmaal is, zo zou kunnen interpreteren. In mijn boek, dat de werktitel Israël hersteld heeft, probeer ik te documenteren hoe die scheiding dan wel is gegroeid als noch Jezus noch Paulus ernaar streefden.

Hoe door-en-door joods de volgelingen van Jezus van Nazaret waren, blijkt als je het Nieuwe Testament leest met de aantekeningen van een vijftigtal geleerden onder leiding van Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler, The Jewish Annotated New Testament. Het biedt, zoals je al verwachtte met zo’n titel, de complete tekst van het heilige boek, voorzien van een royale hoeveelheid toelichtingen. Het is het boek dat ik eigenlijk altijd al had willen hebben. Welbeschouwd is het schandalig dat we er tot 2011 op hebben moeten wachten.

Laat joden spreken over religie en ze maken grappen. In de Misjna, een collectie rabbijnse wijsheid, wordt ergens gesproken over het vieren van het poerim-feest, waarvoor de relevante heilige tekst, Esther, twee data noemt: een voor in de steden en een voor op het platteland. De rabbijnen discussieerden nu over de vraag wat het verschil is tussen een stad en een dorp. Ze bieden verschillende antwoorden, waarvan de laatste een grap moet zijn: het is een stad als er meer dan tien mensen zijn die niets om handen hebben (Megillah 1.3). Dat heeft iets te maken met het quorum van aanwezigen in de synagoge, maar ik weet zeker dat de samenstellers het schreven met op hun gezicht een grijns van oor tot oor.

Er is sindsdien weinig veranderd, want ook de auteurs van het joodse commentaar op het Nieuwe Testament zien het humoristische van hun activiteit. Er bestaat een mooi verhaal dat Jezus in Gadara enkele boze geesten uitdrijft, die vervolgens hun intrek nemen in een roedel zwijnen, die vervolgens de hellingen afrent en zich stort in het water van het Meer van Galilea. Soort zoekt soort, zou je denken: boze geesten in onreine dieren. De commentator heeft echter compassie en noteert bij Matteüs 9.32 laconiek “pigs can swim”.


Livius Nieuwsbrief / mei

april 30, 2013

Dit is de drieënnegentigste aflevering van de Livius Nieuwsbrief, een maandelijks verschijnend mailtje voor mensen met belangstelling voor de antieke wereld. Het wordt uitgegeven door Livius.

De nieuwsbrief is gratis en u kunt hem doorsturen aan wie u maar wil; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Zomaar eens een cursus uit het Liviusaanbod: de zomercursus over de Geschiedenis van het Midden-Oosten  in Zoetermeer.

Jona Lendering (redactie)

======================================

NIEUW OP DE LIVIUS-WEBSITE

Twee kleine stukjes: de Eburonen en Majdel Anjar.

======================================

EGYPTE

Een op zich alledaags conflict om de schaarse ruimte krijgt in het verwarde Egypte ineens grotere afmetingen: waar leg je een modern grafveld aan als er een antiek grafveld in de buurt is, en welke consequenties heeft dat?

Indachtig het archeologische spreekwoord dat je nieuws nooit één keer naar buiten moet brengen als je ook twee keer naar geld kunt hengelen, is hier het zoveelste stukje over de arbeiders in Giza.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 1, 2.

En verder: Suez, Kabushiya, Luxor, Thonis en Sonijat.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

In Syrië wordt onder andere Ebla bedreigd.

En verder: Kültepe (Kanesh), Alacahöyük, Musandam.

======================================

DE MYCEENSE EN ARCHAÏSCHE PERIODE

Er zijn meer docenten die hun materiaal online zetten, maar het moeten er nog véél meer worden. De ontcijfering van het Lineair-B: 1, 2, 3, 4, 5, 6.

De ondergang van de Myceense cultuur – let niet op de foto.

En verder: Babylon, Sheki, Despotikon, de Banditaccia-necropool,

======================================

DE KLASSIEKE PERIODE

De maand alleen de bronzen beelden uit Riace.

======================================

DE HELLENISTISCHE PERIODE

In Syrië wordt onder andere Apamea bedreigd.

De oudst-bekende Griekse papyrus uit Egypte – en waarom die vervloekingstekst zo lang werd genegeerd.

En verder: obscene graffiti, Gaza, Pella, Kastro Kallithea en Anapa.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

In Syrië wordt onder andere Palmyra bedreigd.

De vloedgolf van 365 blijft de gemoederen bezighouden. Nieuw bewijs.

Stonehenge. Stonehenge in de Romeinse tijd?! Jawel.

En verder: Pompeii, Tell Abu Seifi, hoe men in Thessaloniki het Romeinse verleden wil tonen, Wilhelm II in Baalbek.

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Bath, Derby, Housesteads, Londen, Navenby, Sudeley Castle,

En verder: Keltisch Gallië, de vorstengraven bij Oss, Haltern, Ruiselede en Regensburg.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Het is niet helemaal de tijd van het jaar, maar misschien is het juist daarom mogelijk eens wat verstandige dingen te zeggen over de ster van Betlehem.

Ach, Jeruzalem: 1, 2 (elk bad is altijd weer een ritueel bad), 3, 4, 5, en meer voorspelbare problemen rond het archeologisch erfgoed.

En verder: Hamei Yo’av, een curieuze stenen structuur in het Meer van Galilea, hoe de hoax rond het Evangelie van Jezus’ Echtgenote tot stand kon komen en waarom het Judasevangelie echt is.

======================================

OVERIG

In het Rijksmuseum van Oudheden is de afdeling Nabije Oosten heropend. En nu we het toch over musea hebben: Orientalis is gered, haalt zijn bezoekersaantallen en gaat een hopelijk voortaan onbedreigde toekomst tegemoet. De downloadbare folder is daar.

Het nut van de klassieken staat niet ter discussie. Hoe je ze uitlegt wel. Uw redacteur ordent zijn gedachten.

En verder: de genenkaart van Europa, aanstootgevende Griekse naakten, een atelier dat antieke muziekinstrumenten nabouwt,  goed-doordachte stukken over de films Cleopatra en The Eagle, waarom je op vakanties geen oudheden moet meenemen en interessante Griekse en Latijnse meervoudsvormen.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Lujzika Adema van Kooten van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel.

Leven & (na de) dood
Onlangs is de grootse tentoonstelling Life and Death in Pompeii and Herculaneum in het British Museum geopend. De bijbehorende catalogus is zowel in hardback als in paperback beschikbaar en bevat veel van de tentoongestelde fresco’s, voorwerpen en sculpturen die overgebleven zijn na de vulkaanuitbarsting in 79 AD.

Of het enkel door deze Londense tentoonstelling komt of niet, over het onderwerp zijn tal van nieuwe uitgaven verschenen. Zoals de kleurrijke boekjes The Ages of Pompeii en The Art of Loving, het meer volledige The Complete Pompeii en Andrew Wallace-Hadrills veelgeprezen Herculaneum: Past and Future (paperback, hardcover).

Waren deze en andere overledenen geïnitieerd in bepaalde culten, dan konden ze zich verheugen op een mooi bestaan na de dood. Althans, als we luisteren naar de boodschappen op de vele kleine gouden tabletten die zijn gevonden in graven van de vijfde eeuw voor tot de tweede eeuw na Christus. In een herziene en uitgebreide editie van Ritual Texts for the Afterlife van Fritz Graf en Sarah Iles Johnston worden al deze tabletten in het Grieks gepubliceerd, vertaald en uitvoerig geïnterpreteerd.

Cicero & Nijntje
Een nieuwe GreenYellow van Cambridge is verschenen! Het gaat om een commentaar op Cicero’s Pro Marco Caelio, van de hand van Andrew R. Dyck, die eerder verantwoordelijk was voor onder meer commentaren op Cicero’s Catilinarians, De Natura Deorum en Pro Sexto Roscio.

Omdat je niet vroeg genoeg kunt beginnen, is Nijntje nu ook te lezen in het Oudgrieks. Het gaat om een vertaling van het schattige Nijntje het Spookje, oftewel: To fantasma Miffa. Voor wie Miffa en Miffa ad Mare al uit heeft of vaak genoeg cadeau heeft gedaan.

======================================

DWAASHEID

Mooi artikel waarin het onzinnige idee dat mensenhanden niet in staat zouden zijn de enorme stenen van Baalbek te verplaatsen, effectief om zeep wordt geholpen.

En verder: hoe men in Pakistan Alexander de Grote uit de geschiedenis wegschrijft.

======================================

INTERNET

Dit is nu eens leuk nieuws! Archeologiejournalist Theo Toebosch is sinds een paar dagen online met zijn eigen variant op De Correspondent en De Nieuwe Pers: een persoonlijk webtijdschrift dat hij (om er geen twijfel over te laten bestaan dat hij hoofdredacteur, redacteur, eindredacteur, moderator, administrateur & loopjongen ineen is) heeft aangeduid als Toebosch’ Eigen Tijdschrift. Voor 20 euro per jaar blijft u bij.

En nu het slechte nieuws: online-wetenschapscommunicatie is oorlog, althans in de geesteswetenschappen. Lees maar hoe de Mithras-pagina’s van Roger Pearse worden aangevallen.

======================================

EN TOT SLOT

Totaal off-topic – maar hé, wie heeft ooit gezegd dat deze nieuwsbrief géén persoonlijke inslag had? – is de website over Consensus and Crises, het boekje dat uw redacteur ooit schreef over polders, de waterschappen, Floris V, de hertogen van Bourgondië, Calvijn, de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, de regenten, de Patriottenbeweging, Vincent van Gogh en de wijze waarop de overlegcultuur vorm heeft gegeven aan overlegeconomie.

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de website van het Rijksmuseum van Oudheden (2009, 2010, 2011, 2012, 2013) en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer 67.07.91.121 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel.


Ondertussen in Syrië

april 29, 2013
Apamea in de zomer van 2011

Apamea in de zomer van 2011

De bovenste foto (via) dateert uit de zomer van 2011 en toont de ruïnes van de antieke stad Apamea in Syrië. Het is een van de best-onderzochte Grieks-Romeinse steden van het antieke Midden-Oosten. De grote lijn van links naar rechts is de weergaloze processiestraat, die aan beide zijden is omgeven door colonnades. Er is een stadspoort (helemaal links), er is een badhuis, er zijn tempels – kortom, alles wat een antieke stad zo interessant maakt is er te zien. Enkele mooie mozaïeken zijn te zien in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Er is in Apamea simpelweg té veel gevonden. Lang niet alles wat is opgegraven, kon worden gedocumenteerd. Mijn beste vriend en ik hebben in het museum foto’s genomen van een enorme, prachtige verzameling grafschriften. Men deed daar niet moeilijk over, maar verzocht ons wel of we met het online plaatsen wilden wachten tot de officiële publicatie er was.

Die zal er wel niet meer komen. En er zal nog wel meer nooit worden gepubliceerd. Zie de tweede foto, hieronder. Die is van dit jaar. De kleuren zijn anders – dit is een foto uit de late winter, als alles groen is – maar er is een wezenlijker verschil. Het hele terrein ligt vol kuilen en gaten. De opgraving is massaal en systematisch geplunderd.

Apamea in de winter van 2013

Apamea in de winter van 2013


Geschiedvervalsing in Lahore

april 29, 2013

lahore

Te voorbereiding van mijn boek over Alexander de Grote bezocht ik in 2004 Pakistan. Ik schreef al eens over die fantastische reis.

Fantastisch was ook de landkaart van Alexanders veldtocht door de Punjab, die hierboven is te zien. De pijltjes geven de expeditie aan: linksboven ligt Herat in Afghanistan, dan naar het zuiden naar Kandahar, vervolgens richting Kabul en dan, na een expeditie in wat nu Uzbekistan heet, naar het oosten. De inzet op het landkaartje toont de Swatvallei, vervolgens is er het bezoek aan de hoofdstad Taxila, het oversteken van de rivier Jhelum bij Nikaia (“overwinningsstad”), de expeditie naar het zuidoosten, de terugkeer naar Nikaia en vervolgens de tocht stroomafwaarts naar het zuiden.

Met die pijltjes is niets mis. Wel met de rode lijn, die de grens aangeeft van Alexanders rijk.  Het gebied ten oosten van de rivier de Jhelum – dus voorbij Nikaia – is er buiten gelaten. We weten vrij zeker dat de plaatselijke radja’s zich aan de veroveraar hebben overgegeven, dus waardoor staat het er niet op?

porusNationalisme. Sommige Indiërs heeft het nooit lekker gezeten dat de Macedoniërs hun land – dat tot 1947 bestond uit India én Pakistan – betrekkelijk ongestoord konden binnenvallen. Soms werd het regelrecht ontkend, wat werd vereenvoudigd door het feit dat de oorlog in geen enkele Indische tekst staat vermeld. (In deze tijd schreef men in India zelden over politieke gebeurtenissen.) Een curieuze variant is die van Buddha Prakash, die verdedigde dat Alexander door de lokale heerser Poros is verslagen.

Zijn argument is dat in een Iraans gedicht uit de Middeleeuwen de veldslag anders wordt beschreven. Dit gedicht is echter, vergeleken met de Griekse bronnen die we hebben, zeer jong en er staan – in de gedeelten die we kunnen controleren – allerlei vergissingen in. Wie er geloof aan hecht, zou ook moeten aannemen dat Karel de Grote een dief was, omdat dit staat in Karel ende Elegast. Als archeologen dan ook nog de penningen hebben opgegraven waarmee Alexander zijn overwinning vierde, is het bewijs rond dat Poros inderdaad is verslagen.

De wonderlijke, revisionistische ideeën leven nog altijd voort in Pakistan, waar ik Prakash’ Poros the Great op de kop tikte in het boekhandeltje bij het museum van Lahore. Dat de museumdirectie ook openstond voor ideeën als die van Prakash, bewijst het landkaartje waarmee ik dit stukje opende.


Restauratiewerkzaamheden

april 27, 2013
Schoongemaakt schilderwerk

Schoongemaakt schilderwerk

De foto hierboven maakte ik eergisteren op de tentoonstelling van mummiekisten in het Rijksmuseum van Oudheden. De voorwerpen zijn afkomstig uit één, kolossale vindplaats en verdeeld over een stuk of zestien musea; het RMO werkt nu samen met de Vaticaanse Musea en het Louvre om ze te inventariseren en te restaureren. Dat laatste gebeurt nu in het RMO op zaal. Je kunt er dus gewoon naar kijken en mag een praatje maken met de restauratoren (overigens het liefst tussen twee en drie uur).

Los van het feit dat het natuurlijk adembenemend is dat zo’n houten deksel zo’n slordige drieduizend jaar oud is, vond ik het eindeloos fascinerend om te zien hoe de mensen in de tentoonstellingszaal bezig waren. De foto toont iets van het werk dat wordt gedaan. Met een kwastje werd gel aangebracht over het grauwe hout; die gel hechtte zich dan aan het stof; vervolgens werd de gel weggehaald en werd met een ander goedje het zo gereinigde oppervlak schoongemaakt. Ik begreep dat de gel niet te lang op het hout mocht liggen, omdat het anders meer meenam dan alleen vuil: de verf.

Ik vond het contrast tussen het vuile en het schoongemaakte hout verbluffend. De foto toont het in feite niet goed genoeg, maar het verschil tussen enerzijds de stukjes linksonder en boven, en anderzijds het stuk rechts is toch wel herkenbaar.


Ster van Betlehem

april 19, 2013

giottoMet kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers