Hangende tuinen?

mei 6, 2013

Artists Impression of the Non-Existent Monument

Reconstructie van het niet-bestaande wereldwonder

Oef, daar maakt de NU.nl toch even een uitglijder: de hangende tuinen van Babylon, zo zou recent wetenschappelijk onderzoek hebben opgeleverd, hingen helemaal niet in Babylon, maar in Nineve. Dat zou de Britse onderzoekster Stephanie Dalley van de Universiteit van Oxford beweren in haar boek The Mystery of the Hanging Garden of Babylon.

Er is inderdaad een probleem: het monument wordt genoemd in sommige Griekse teksten maar niet in de Babylonische teksten, en er is archeologisch geen spoor van te bekennen. Haar oplossing, dat het monument door de Grieken is geplaatst in de verkeerde stad, heeft echter helemaal geen nieuwswaarde. Dalley heeft het in 1994 al eens naar voren gebracht, en u vindt dat artikel hier.

De theorie is ook al weerlegd. Dat artikel is helaas niet digitaal beschikbaar, maar u vindt het in R.J. van der Spek, Studies in Ancient Near Eastern World View and Society (2008), en wel in het artikel over Berosus op blz.302-313. Daarin verdedigt de auteur, die voor elke journalist simpel bereikbaar is op onze Nederlandse Vrije Universiteit, dat het monument simpelweg nooit heeft bestaan. Ik heb dat hier uiteen gezet.

Ik neemt dit NU.nl niet kwalijk. De gemiddelde journalist weet immers niet wie R.J. van der Spek is, en het is ook teveel gevraagd te verwachten dat elke journalist weet dat persberichten in de oudheidkunde minder dienen om de pers voor te lichten dan om naar geld te hengelen. Het persbericht van Dalley diende om een boek te promoten. Wat ik daarentegen wél heel kwalijk vind, is dat de Nederlandse geesteswetenschappen niet ergens een afdeling voorlichting hebben, waar de journalist zijn informatie kan controleren.

Naschrift

NU.nl heeft het artikel inmiddels aangepast. Hulde.


Livius Nieuwsbrief / mei

april 30, 2013

Dit is de drieënnegentigste aflevering van de Livius Nieuwsbrief, een maandelijks verschijnend mailtje voor mensen met belangstelling voor de antieke wereld. Het wordt uitgegeven door Livius.

De nieuwsbrief is gratis en u kunt hem doorsturen aan wie u maar wil; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Zomaar eens een cursus uit het Liviusaanbod: de zomercursus over de Geschiedenis van het Midden-Oosten  in Zoetermeer.

Jona Lendering (redactie)

======================================

NIEUW OP DE LIVIUS-WEBSITE

Twee kleine stukjes: de Eburonen en Majdel Anjar.

======================================

EGYPTE

Een op zich alledaags conflict om de schaarse ruimte krijgt in het verwarde Egypte ineens grotere afmetingen: waar leg je een modern grafveld aan als er een antiek grafveld in de buurt is, en welke consequenties heeft dat?

Indachtig het archeologische spreekwoord dat je nieuws nooit één keer naar buiten moet brengen als je ook twee keer naar geld kunt hengelen, is hier het zoveelste stukje over de arbeiders in Giza.

Het maandelijkse gesleep met mummies: 1, 2.

En verder: Suez, Kabushiya, Luxor, Thonis en Sonijat.

======================================

HET OUDE NABIJE OOSTEN

In Syrië wordt onder andere Ebla bedreigd.

En verder: Kültepe (Kanesh), Alacahöyük, Musandam.

======================================

DE MYCEENSE EN ARCHAÏSCHE PERIODE

Er zijn meer docenten die hun materiaal online zetten, maar het moeten er nog véél meer worden. De ontcijfering van het Lineair-B: 1, 2, 3, 4, 5, 6.

De ondergang van de Myceense cultuur – let niet op de foto.

En verder: Babylon, Sheki, Despotikon, de Banditaccia-necropool,

======================================

DE KLASSIEKE PERIODE

De maand alleen de bronzen beelden uit Riace.

======================================

DE HELLENISTISCHE PERIODE

In Syrië wordt onder andere Apamea bedreigd.

De oudst-bekende Griekse papyrus uit Egypte – en waarom die vervloekingstekst zo lang werd genegeerd.

En verder: obscene graffiti, Gaza, Pella, Kastro Kallithea en Anapa.

======================================

ROME EN ZIJN RIJK

In Syrië wordt onder andere Palmyra bedreigd.

De vloedgolf van 365 blijft de gemoederen bezighouden. Nieuw bewijs.

Stonehenge. Stonehenge in de Romeinse tijd?! Jawel.

En verder: Pompeii, Tell Abu Seifi, hoe men in Thessaloniki het Romeinse verleden wil tonen, Wilhelm II in Baalbek.

======================================

BENOORDEN DE ALPEN

Het maandelijkse lijstje uit Groot-Brittannië: Bath, Derby, Housesteads, Londen, Navenby, Sudeley Castle,

En verder: Keltisch Gallië, de vorstengraven bij Oss, Haltern, Ruiselede en Regensburg.

======================================

ISRAËL, JODENDOM EN CHRISTENDOM

Het is niet helemaal de tijd van het jaar, maar misschien is het juist daarom mogelijk eens wat verstandige dingen te zeggen over de ster van Betlehem.

Ach, Jeruzalem: 1, 2 (elk bad is altijd weer een ritueel bad), 3, 4, 5, en meer voorspelbare problemen rond het archeologisch erfgoed.

En verder: Hamei Yo’av, een curieuze stenen structuur in het Meer van Galilea, hoe de hoax rond het Evangelie van Jezus’ Echtgenote tot stand kon komen en waarom het Judasevangelie echt is.

======================================

OVERIG

In het Rijksmuseum van Oudheden is de afdeling Nabije Oosten heropend. En nu we het toch over musea hebben: Orientalis is gered, haalt zijn bezoekersaantallen en gaat een hopelijk voortaan onbedreigde toekomst tegemoet. De downloadbare folder is daar.

Het nut van de klassieken staat niet ter discussie. Hoe je ze uitlegt wel. Uw redacteur ordent zijn gedachten.

En verder: de genenkaart van Europa, aanstootgevende Griekse naakten, een atelier dat antieke muziekinstrumenten nabouwt,  goed-doordachte stukken over de films Cleopatra en The Eagle, waarom je op vakanties geen oudheden moet meenemen en interessante Griekse en Latijnse meervoudsvormen.

======================================

BOEKEN

De boekenrubriek in de Livius Nieuwsbrief wordt verzorgd door Lujzika Adema van Kooten van de Amsterdamse Athenaeumboekhandel.

Leven & (na de) dood
Onlangs is de grootse tentoonstelling Life and Death in Pompeii and Herculaneum in het British Museum geopend. De bijbehorende catalogus is zowel in hardback als in paperback beschikbaar en bevat veel van de tentoongestelde fresco’s, voorwerpen en sculpturen die overgebleven zijn na de vulkaanuitbarsting in 79 AD.

Of het enkel door deze Londense tentoonstelling komt of niet, over het onderwerp zijn tal van nieuwe uitgaven verschenen. Zoals de kleurrijke boekjes The Ages of Pompeii en The Art of Loving, het meer volledige The Complete Pompeii en Andrew Wallace-Hadrills veelgeprezen Herculaneum: Past and Future (paperback, hardcover).

Waren deze en andere overledenen geïnitieerd in bepaalde culten, dan konden ze zich verheugen op een mooi bestaan na de dood. Althans, als we luisteren naar de boodschappen op de vele kleine gouden tabletten die zijn gevonden in graven van de vijfde eeuw voor tot de tweede eeuw na Christus. In een herziene en uitgebreide editie van Ritual Texts for the Afterlife van Fritz Graf en Sarah Iles Johnston worden al deze tabletten in het Grieks gepubliceerd, vertaald en uitvoerig geïnterpreteerd.

Cicero & Nijntje
Een nieuwe GreenYellow van Cambridge is verschenen! Het gaat om een commentaar op Cicero’s Pro Marco Caelio, van de hand van Andrew R. Dyck, die eerder verantwoordelijk was voor onder meer commentaren op Cicero’s Catilinarians, De Natura Deorum en Pro Sexto Roscio.

Omdat je niet vroeg genoeg kunt beginnen, is Nijntje nu ook te lezen in het Oudgrieks. Het gaat om een vertaling van het schattige Nijntje het Spookje, oftewel: To fantasma Miffa. Voor wie Miffa en Miffa ad Mare al uit heeft of vaak genoeg cadeau heeft gedaan.

======================================

DWAASHEID

Mooi artikel waarin het onzinnige idee dat mensenhanden niet in staat zouden zijn de enorme stenen van Baalbek te verplaatsen, effectief om zeep wordt geholpen.

En verder: hoe men in Pakistan Alexander de Grote uit de geschiedenis wegschrijft.

======================================

INTERNET

Dit is nu eens leuk nieuws! Archeologiejournalist Theo Toebosch is sinds een paar dagen online met zijn eigen variant op De Correspondent en De Nieuwe Pers: een persoonlijk webtijdschrift dat hij (om er geen twijfel over te laten bestaan dat hij hoofdredacteur, redacteur, eindredacteur, moderator, administrateur & loopjongen ineen is) heeft aangeduid als Toebosch’ Eigen Tijdschrift. Voor 20 euro per jaar blijft u bij.

En nu het slechte nieuws: online-wetenschapscommunicatie is oorlog, althans in de geesteswetenschappen. Lees maar hoe de Mithras-pagina’s van Roger Pearse worden aangevallen.

======================================

EN TOT SLOT

Totaal off-topic – maar hé, wie heeft ooit gezegd dat deze nieuwsbrief géén persoonlijke inslag had? – is de website over Consensus and Crises, het boekje dat uw redacteur ooit schreef over polders, de waterschappen, Floris V, de hertogen van Bourgondië, Calvijn, de Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, Rembrandt van Rijn, de regenten, de Patriottenbeweging, Vincent van Gogh en de wijze waarop de overlegcultuur vorm heeft gegeven aan overlegeconomie.

======================================

Oude nieuwsbrieven zijn te raadplegen via de website van het Rijksmuseum van Oudheden (2009, 2010, 2011, 2012, 2013) en bij Aantekeningen bij de Bijbel. Als u de nieuwsbrief wil steunen, kunt u een donatie doen op rekeningnummer 67.07.91.121 t.n.v. Livius, o.v.v. Ondersteuning Nieuwsbrief. Dank u wel.


Restauratiewerkzaamheden

april 27, 2013
Schoongemaakt schilderwerk

Schoongemaakt schilderwerk

De foto hierboven maakte ik eergisteren op de tentoonstelling van mummiekisten in het Rijksmuseum van Oudheden. De voorwerpen zijn afkomstig uit één, kolossale vindplaats en verdeeld over een stuk of zestien musea; het RMO werkt nu samen met de Vaticaanse Musea en het Louvre om ze te inventariseren en te restaureren. Dat laatste gebeurt nu in het RMO op zaal. Je kunt er dus gewoon naar kijken en mag een praatje maken met de restauratoren (overigens het liefst tussen twee en drie uur).

Los van het feit dat het natuurlijk adembenemend is dat zo’n houten deksel zo’n slordige drieduizend jaar oud is, vond ik het eindeloos fascinerend om te zien hoe de mensen in de tentoonstellingszaal bezig waren. De foto toont iets van het werk dat wordt gedaan. Met een kwastje werd gel aangebracht over het grauwe hout; die gel hechtte zich dan aan het stof; vervolgens werd de gel weggehaald en werd met een ander goedje het zo gereinigde oppervlak schoongemaakt. Ik begreep dat de gel niet te lang op het hout mocht liggen, omdat het anders meer meenam dan alleen vuil: de verf.

Ik vond het contrast tussen het vuile en het schoongemaakte hout verbluffend. De foto toont het in feite niet goed genoeg, maar het verschil tussen enerzijds de stukjes linksonder en boven, en anderzijds het stuk rechts is toch wel herkenbaar.


Nieuwe RMO-afdeling Nabije Oosten

april 25, 2013

De vernieuwde afdeling

In 2018 bestaat het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waarover ik al eens eerder heb geblogd, twee eeuwen. Het zal er dan anders uitzien dan u misschien gewend bent, want momenteel worden de afdelingen een voor een gerenoveerd. De Nederlandse archeologie is al gedaan, de Griekse afdeling staat voor 2015 op het programma en de wereldberoemde Egyptische collectie voor 2017. En vanaf aanstaande zaterdag is de vernieuwde afdeling over het oude Nabije Oosten open.

Met een oppervlakte van 300 vierkante meter is het niet de grootste afdeling van het RMO. Bovendien, eerlijk is eerlijk, is de collectie te willekeurig samengesteld om een volledig chronologisch overzicht te geven van de ontwikkeling van de oud-oosterse culturen. Perzië is goed vertegenwoordigd, maar Sumerië weer niet. Je kunt met het aanwezige materiaal geen “rise of civilization”-achtige expositie inrichten.

Palmyreens grafportret

Palmyreens grafportret

Je kunt echter van de nood een deugd maken en de afdeling inrichten rond de vraag hoe zo’n collectie tot stand komt. Of: hoe hebben Nederlandse verzamelaars de afgelopen twee eeuwen gekeken naar het oude Nabije Oosten? Dat klinkt misschien als museale navelstaarderij, maar het kan beslist geen kwaad bezoekers duidelijk te maken welke keuzes er worden gemaakt bij het uitleggen van wetenschappelijke resultaten en door welke toevalligheden een collectie tot stand komt.

Het resultaat is een aangenaam-rustige afdeling met klassieke glazen vitrines. Ik weet dat er mensen zijn die dat oubollig vinden en liever zien dat antieke voorwerpen in het donker, bij low-key licht, geheimzinnig liggen te zijn, maar het is mijn stellige overtuiging dat museumvoorwerpen het beste tot hun recht komen in een traditionele opstelling.

Afgietsel van een Onsterfelijke

Afgietsel van een Onsterfelijke

Lange tijd heeft het RMO niet meer oud-oosterse voorwerpen bezeten dan één afgietsel van een van de Perzische “onsterfelijken”, die overal zijn afgebeeld in Persepolis. In 1890 kwam er als eerste originele voorwerp een betrekkelijk kleine Parthische grafkist bij, maar pas in de jaren dertig koos het museum voor het opbouwen van een eigen, oud-oosterse collectie. Ik zou wel eens wat meer willen weten over de keuze om, uitgerekend op het moment waarop een verontrustend groot deel van Europa in de ban was van de arische mythe, aandacht te gaan besteden aan een overwegend semitisch deel van de wereld.

Een voor de hand liggend onderwerp bij een opstelling die het verzamelen zélf centraal stelt, is de archeologie die werd bedreven om het historisch gelijk van de Bijbel te bewijzen. Dat concentreert zich op Deir ‘Alla in Jordanië, waar Henk Franken een beroemde Aramese tekst, met inkt geschreven op pleisterwerk, heeft gevonden die de bijbelse profeet Bileam vermeldt.

Het schild uit Luristan

Het schild uit Luristan

Een ander thema is de zorg voor het erfgoed. Het aankopen van stukken op de markt is nooit zonder problemen, want een museum heeft eigenlijk alleen iets aan voorwerpen waarvan de herkomst duidelijk is. Hoe het mis kan gaan, blijkt uit de vitrine met voorwerpen waar een luchtje aan bleek te zitten. Heel erg leuk vond ik een prachtig schild, afkomstig uit Luristan in westelijk Iran, met een godheid op een troon, waarvan lang werd aangenomen dat het een vervalsing was, tot een laboratoriumonderzoek vaststelde dat er geen sporen waren die bewezen dat er met moderne instrumenten aan was gewerkt.

Gudea

Gudea

Goed uitgewerkt vond ik ook de tegenstelling tussen de negentiende-eeuwse verzamelactiviteit, die zich richtte op de grote rijken (Assyrië, Babylonië…) en de twintigste-eeuwse aandacht voor het leven van de gewone man. Dat de eerste archeologen zich vooral met de oosterse paleizen en koningen bezighielden, is logisch: om te beginnen leefde men in een tijd van imperialisme en verder zijn paleizen nu eenmaal een stuk opvallender dan boerderijen. Het pronkstuk hier is een mooie kop van koning Gudea van Lagash. De twintigste-eeuwse voorkeur voor minder verheven architectuur is op haar beurt weer het product van een democratischer samenleving en betere onderzoeksmethoden.

De eenentwintigste eeuw toont vooral belangstelling voor culturele interactie, en dat is het laatste onderdeel van de afdeling: een Fenicische schaal die is gevonden in Midden-Italië, voorwerpen uit Karthago en de beroemde reliëfs uit Palmyra, die zowel oosterse als Grieks-Romeinse artistieke invloeden vertonen. Van een Grieks-Mesopotamisch reliëf uit Assur, waarvan ik zou hebben gezworen dat het uit de Parthische tijd stamde, wordt nu een ruimere datering gegeven: laat-Parthisch of Sassanidisch.

De opgraving van Sichem

De opgraving van Sichem

De huidige afdeling zal nog worden uitgebreid met ruimte voor kleinere, wisselende exposities. Momenteel is het nog niet zo ver, maar in de grote hal waar je het museum binnenkomt zie je nu de expositie “Graven naar het bijbelse Sichem”, waarin enkele foto’s zijn te zien die de Nederlander Franz Böhl in 1926-1928 maakte op de door de Duitse bijbelwetenschapper Ernst Sellin uitgevoerde opgraving te Tell Balata bij Nablus. Omdat Sellins huis tijdens de Tweede Wereldoorlog afbrandde, werd aangenomen dat de negatieven waren vernietigd, maar ze zijn teruggevonden in het RMO. Nu kun je dus kijken naar de prachtige foto’s uit de tijd waarin de fotofilm nog was gebaseerd op zilver en de afdrukken ongekend scherp en mooi konden zijn.

Het altaar uit Sichem

Het altaar uit Sichem

Nog een laatste punt: uit Tell Balata/Sichem komt ook de stenen kubus hiernaast. Het voorwerp doet denken aan een altaar met “horens”, zoals genoemd in de Bijbel. Wie zich aan zo’n horen vastgreep, had asiel. Omdat de Bijbel vermeldt dat Abraham in Sichem een altaar had opgericht, heeft men het voorwerp inderdaad geïnterpreteerd als een altaar, maar er zijn onderzoekers die zeggen dat het een versierde maalsteen is. Wie weet wat toekomstige geleerden ervan zullen zeggen?

PS

Tegelijk met de opening van het museum verschijnt van de hand van de curator een mooi boek, dat ik nog niet heb gelezen maar dat er in elk geval op het eerste gezicht tof uitziet: Lucas Petit, Het oude Nabije Oosten. Een paradijs voor verzamelaars en wetenschappers.


De Eburonen

april 23, 2013

Standbeeld van Ambiorix, Tongeren

Ik heb al een tijdje drie boekbesprekingen in de pen – over het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk, over het verdwijnend christendom in het Midden-Oosten en over het verdwijnend christendom in West-Europa – maar er springt even een klusje in de weg. De Eburonen.

***

In 57 v.Chr. veroverde Julius Caesar het gebied van de Boven- en Midden-Maas. In zijn beroemde boek De Gallische Oorlog noemt de Romeinse generaal de Eburonen voor het eerst in 2.4, waar hij ze vermeldt als een van vier volken die met de vijanden van de Romeinen, de Belgen, mee streden. Volgens Caesar was het viertal “Germaans”, wat waarschijnlijk niet meer wil zeggen dan dat zijn Keltischsprekende tolken hen niet konden verstaan. Ze kunnen inderdaad Germanen zijn geweest, maar de weinige Eburoonse namen die we kennen, lijken alle een Keltische etymologie te hebben.

Caesar zegt dat het kernland van de Eburonen lag tussen de Maas en de Rijn (De Gallische Oorlog 5.24). Men neemt aan dat ze woonden in het gebied dat we nu Limburg zouden noemen, en daarmee bedoel ik dan zowel de Belgische als de Nederlandse provincie, samen met het westelijk deel van Nordrhein-Westphalen. Je kunt ook zeggen: de noordelijke hellingen van de Ardennen. Ten zuiden daarvan woonden de Treveren, waarvan de Eburonen (volgens De Gallische Oorlog 4.6) een cliëntstam zouden zijn geweest, die in ruil voor bescherming dienstbaarheid waren verschuldigd aan hun zuiderburen.

Het belangrijkste verhaal over de Eburonen wordt door Caesar verteld in De Gallische Oorlog 5.24-37. In de winter van 54/53 werd het Veertiende Legioen, gelegerd op een plaats die Atuatuca werd genoemd, door de stam aangevallen. De commandanten, Sabinus en Cotta, vertrouwden op het advies van de Eburoonse koning Ambiorix, die de indruk wekte hun goedgezind te zijn maar zijn mannen niet helemaal in de hand te hebben, om weg te trekken, maar liepen een keteldal in de val. Later pleegde het garnizoen collectief zelfmoord.

Het verhaal is om verschillende redenen problematisch. Eén probleem is de verleidelijke identificatie van dit Atuatuca met de latere Romeinse stad met dezelfde naam, het huidige Tongeren. (Een eigenlijk best aardig negentiende-eeuws standbeeld van Ambiorix in het stadje brengt deze identificatie nog in herinnering.) Alleen zijn er geen voorwerpen gevonden die deze identificatie bevestigen: het heeft er de schijn van dat de Romeinse stad op maagdelijke bodem is gesticht. De voor de hand liggende tegenwerping dat “absence of evidence” in de archeologie geen “evidence of absence” is, houdt geen steek aangezien er inmiddels toch wel vrij grote delen van de stad zijn onderzocht.

Een tweede probleem is dat de Eburonen een heel kleine stam waren: een vazal van de Treveri, met de drie andere “Germaanse” stammen samen goed voor niet meer dan 40.000 soldaten. Alle cijfers uit het lijstje zijn overdreven. Zelfs als we aannemen dat de Eburonen de grootste stam van het viertal vormden, kunnen ze onmogelijk de mankracht op de been hebben gebracht om een zwaarbewapend, goed-getraind legioen te overweldigen.

The walls of Caestrich

De muren van Caestrich

In de jaren zeventig heeft het erop geleken dat we wat duidelijkheid kregen, toen archeoloog Heli Roosens het IJzertijdfort Caestert onderzocht. Dit ligt even bezuiden Maastricht, een halve kilometer in België. Hoewel over de datering enige twijfel heeft bestaan, staat sinds 2008 vast dat het fort in de tweede en eerste eeuw v.Chr. dienst heeft gedaan (rapport). Roosens heeft verteld dat hij in de vallei ten westen van dit heuvelfort, waar nu het Albertkanaal stroomt, de crematieresten heeft gevonden van honderden mensen. Er is geen reden aan te nemen dat deze vallei niet identiek zou zijn aan Caesars keteldal, maar er is ook geen reden aan te nemen dat de identificatie wél correct is, aangezien Roosens crematievondsten nooit zijn gepubliceerd en niemand weet waar ze zijn. Het valt niet uit te sluiten dat hij zich heeft vergist.

De schat van Heers

Ik voor mij denk overigens dat Caestert voorlopig de meest plausibele locatie is voor het gevecht. De naamovereenkomst suggereert namelijk dat de plaats niet heel ver van Tongeren kan zijn geweest: de mensen die zich later in de Haspengouw vestigden, noemden hun stad naar een markante plaats in de omgeving. Los daarvan zijn er Eburoonse muntschatten gevonden bij Heers (in 2000, gehypet als “de schat van Ambiorix”) en Maastricht-Amby (2008). Die kunnen worden gedateerd rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. en zijn, net als enkele andere schatten, vrijwel zeker in de grond gestopt toen de Romeinen kwamen.

Caesars wraak was afschuwelijk. In het voorjaar van 53 nodigde hij iedereen die maar wilde uit voor een genocide. Ambiorix ontkwam. De Romeinse historicus Livius vermeldt dat Caesar vergeefs probeerde hem te achterhalen (Periochae 107). Of het met de antieke militaire technologie mogelijk was een volk compleet uit te roeien, staat te bezien, maar de naam verdwijnt uit de geschiedenis. Als we, rond het begin van de jaartelling, meer informatie krijgen over het gebied, wordt het bewoond door de Tungri.

Intrigerend is ook het resultaat van pollen-onderzoek uit Jülich, even benoorden Aken. Daaruit blijkt dat het aantal weilanden en graanvelden na het midden van de eerste eeuw afnam en dat er meer bossen waren. In dit gebied leefden dus geen boeren meer, maar of dat ook geldt voor andere delen van het Eburoonse land, is onduidelijk.

Waarom deze post, zult u zich afvragen. Is het voor die goedlachse fysicus uit Aken die deze blog leest of die aardige medestudent van me uit Maastricht? Uiteraard is het ook voor hen, maar het is vooral om uw aandacht te vestigen op het Romeinse festival dat op 20-21 juli zal plaatsvinden in Simpelveld. Meer informatie vindt u daar.


Journalistieke gewetenskwesties

april 21, 2013

Een paar keer per jaar schrijf ik een boekrecensie voor het NRC Handelsblad. Meestal gaan die stukjes over boeken over de Oudheid, en dat kan wat problematisch zijn. Hieronder drie kwesties.

1.

Het wereldje van classici, oudhistorici en archeologen is niet groot en het kan gebeuren dat je een boek te recenseren krijgt waarvan je de auteur wel eens hebt ontmoet. Dat ik niet ben verbonden aan een universiteit en geen lid ben van het Nederlands Klassiek Verbond, maakt die kans behoorlijk kleiner, maar soms loop je toch tegen het probleem aan. Zo stuurde de krant me een tijdje geleden Romeinen. Kleding uit de Romeinse tijd in Noordwest-Europa van Sjef Verstraaten. We hebben vorig jaar allebei een toespraakje gehouden op de Romeinenmeeting in Nijmegen en bovendien bevatte Verstraatens boek bijdragen van mensen met wie ik bevriend ben. Hier begonnen de belangen behoorlijk door elkaar te lopen.

Belangenverstrengeling moet je vermijden. Een auteur heeft niets aan bevooroordeelde kritiek, een recensent wordt niet graag beschuldigd van vooringenomenheid en vooral: het is voor een krant schadelijk als haar onafhankelijkheid ter discussie staat. Lezers kunnen heel boos worden als hun vertrouwen wordt beschaamd. Ik heb eens een mevrouw gesproken die haar krantenabonnement had opgezegd nadat ze, overtuigd door een positieve bespreking, een Griekse vertaling had aangeschaft en bij het lezen van de inleiding ontdekte dat de recensent een medewerker was van de vertaler.

Ook zonder dit voorbeeld van hoe het niet moet, aarzelde ik of ik Verstraatens boek moest bespreken. Daarom opperde ik bij de redactie dat ze een andere recensent zou vragen. Dat kon echter geen echte oplossing zijn, omdat ook deze alle betrokkenen kende. Een wijze redacteur stelde daarop voor dat ik het boek zou benutten als aanleiding om het wonderlijke verschijnsel re-enactment aan een wat breder publiek uit te leggen, en zo is het uiteindelijk ook gegaan.

Zou zo’n uitweg er niet zijn geweest, dan hoort een recensent een belangenverstrengeling in zijn stuk aan te geven. Dat heet een “full disclosure” en voorbeelden uit eigen oeuvre vindt u hier en daar. Het achterwege laten is een serieuze zaak: als iemand een negatieve bespreking krijgt van een recensent die de verstrengeling van belangen niet heeft aangegeven, zal de Raad voor de Journalistiek de criticus zeker berispen.

2.

Een ander probleem waar je als recensent van boeken over de Oudheid wel eens mee te maken krijgt, is dat de oudheidkunde, zoals elke wetenschap, onbediscussieerde vooronderstellingen heeft. (In jargontermen: ze maken deel uit van de negatieve heuristiek van het onderzoeksprogramma.) De reden voor het niet-bediscussiëren is vrij simpel: als wordt erkend dat bijvoorbeeld een vergelijking tussen toen en nu problematisch is, zal de subsidiegever kritische vragen gaan stellen. De institutionele inbedding van de wetenschap verhindert dus bepaalde vormen van zelfkritiek. (Dit probleem zou overigens in hoofdletters bovenaan elke academische agenda moeten staan, maar dat terzijde.)

De onbespreekbaarheid van omstreden vooronderstellingen is niet slechts een academische kwestie. Er zijn, zeker bij het Handelsblad, vrij veel hoogopgeleide lezers die herkennen hoe problematisch het is als een classicus een vergelijking maakt tussen een primitieve agrarische samenleving en een postindustriële maatschappij. Wat voor een classicus vanzelfsprekend is, is dat niet voor een socioloog. En – om een voorbeeld uit een recent blogstukje aan te halen – wat voor een astronoom de logische manier is om een antieke bron te lezen, wordt omver geblazen door een eerstejaarsstudent geschiedenis, theologie of klassieke talen.

Hoe nu te recenseren? Ik heb rekening te houden met de bedoelingen van de auteur, die het ook niet kan helpen dat zijn vakgebied discutabele vooronderstellingen heeft. Dan zou ik moeten doen alsof er niets aan de hand is, en er zijn boeken waarbij dat lukt. Ik moet echter tevens rekening houden met de belangen van de lezer, die gewaarschuwd moet worden dat het boek de aanvaarding veronderstelt van omstreden vooronderstellingen.

In een krant geeft uiteraard het belang van de lezer de doorslag. Voor recensies door mensen die dezelfde vooronderstellingen delen, zijn er wetenschappelijke tijdschriften. Toch vind ik dat ik wel een béétje rekening moet houden met de auteur. Ik heb de spanning tussen de twee belangen verschillende keren aangegeven in mijn stukjes (voorbeeld), maar eigenlijk is er geen oplossing. De kwestie is immers kenmerkend voor de hedendaagse informatie-infrastructuur in het algemeen: onze kennis is, met een woord van Bas Heijne, gefragmenteerd geraakt.

3.

Een derde kwestie is universeel en van alle tijden: het beperkte aantal woorden. Daar heeft elke journalist mee te maken, bij ieder stukje, en klachten daarover behoren tot de vakfolklore. De oudste mij bekende vermelding van deze moeilijkheid vond ik in de Post van den Neder-Rhijn en dateert uit de jaren tachtig van de achttiende eeuw.

Dit probleem speelt bijvoorbeeld bij het stuk waar ik vandaag de laatste hand aan leg, een recensie van Toneel in de Oudheid, de mooie uitgave waarmee het Nederlands Klassiek Verbond en het tijdschrift Hermeneus dit jaar een jubileum vieren. Dat ik hoofdauteur Hein van Dolen – overigens een bekende van me – bij naam zal noemen, is vanzelfsprekend. Zijn coauteurs (Patrick Gouw, Wolfgang D.C. de Melo en Hans Smolenaars) verdienen ook vermelding, en omdat de beeldredactrice prachtwerk heeft geleverd, zou ook zij moeten worden genoemd. Ze heeft zeker niet minder werk verricht dan de drie coauteurs. Als ik vijf namen noem, wordt het echter oneerlijk als ik niet tevens de eindredactrice vermeld, want het boek wordt nadrukkelijk gepresenteerd als samenwerking van vier auteurs en twee redactrices. Alleen: het is erg ongebruikelijk in een bespreking in te gaan op het redactionele werk. (Dat gebeurt eigenlijk alleen als het zo slecht is dat de informatieoverdracht erdoor wordt gehinderd.) Los daarvan is het gewoon zonde van de ongeveer 700 woorden die ik ter beschikking heb, een volledige alinea te besteden aan het introduceren van zes medewerkers.

Deze kwestie mag dan al dateren uit de achttiende eeuw, de twintigste eeuw gaf ons gelukkig de transistor, de computer, het internet, hypertext, het wereldwijde web en de eerste weblogs. De resulterende verandering van de informatieoverdracht pakt voor de journalistiek niet goed uit en is voor de oudheidkunde zelfs catastrofaal (meer…). Maar er is één voordeel: journalisten zijn online niet gebonden aan een maximumaantal woorden, zodat ik deze plaats kan gebruiken om naast de auteurs van Toneel in de Oudheid ook de redactrices eens met ere te noemen: beeldredactrice Elly Jans en eindredactrice Thea L. Heres hebben puik werk geleverd.


Ster van Betlehem

april 19, 2013

giottoMet kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.


Klassieken & communicatie (5)

april 18, 2013

Alles geruïneerd

[Dit is het laatste van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. Het eerste is hier. In het voorgaande beschreef ik dat de structuur van de universiteit belet dat zo’n strategie wordt ontwikkeld en gaf ik aan hoe ze eruit zou kunnen zien.]

Een eigentijdse communicatiestrategie legt feiten én proces uit, anticipeert erop dat het grote publiek fouten herkent en zoekt aansprekende onderwerpen. Ik las eens dat dit mogelijk is als academici 10% van hun tijd aan communicatie besteden. Ik vrees dat dit pas zal gebeuren als publicaties voor het grote publiek meetellen voor een publicatielijst, een maatregel die het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen natuurlijk ook gewoon eens een keer kan nemen.

Maar ook dan zal menig onderzoeker zijn internationale publicaties belangrijker vinden. Zijn belang valt immers niet samen met dat van de gemeenschap – sprekend over perverse prikkels. Ik zie dat op korte termijn niet veranderen en vrees dat het meest realistische scenario is dat classici en oudhistorici geen beleid ontwikkelen, hun belang niet afdoende uitleggen, terrein verliezen en uiteindelijk worden opgeheven zonder dat iemand herkent dat er iets van waarde verdwijnt.

Ik wil echter niet in mineur eindigen en wil wijzen op een vakgebied dat zich evenmin kan legitimeren met toepasbare uitvindingen maar – net als de oudheidkundige disciplines – kan rekenen op brede publieke belangstelling, georganiseerd in eigen tijdschriften en verenigingen. De astronomen hebben wel een charter voor de omgang met het publiek en nemen hun communicatie wel serieus. Daardoor groeit het draagvlak: niemand vraagt naar het nut van astronomie. Bovendien wordt er met het “overdragen van kennis ten behoeve van de maatschappij” geld verdiend dat kan worden besteed aan onderzoek en meer voorlichting.

De oudheidkundige disciplines hebben geen charter, leggen de eigen relevantie slecht uit en duwen de derde geldstroom zélf van zich af, richting kwakhistorici. Veel irrationeler kan een wetenschap niet zijn. De vraag is dan ook niet wat het nut is van de klassieken, want die zijn zinvol en kunnen goed worden uitgelegd. De eigenlijke vraag is waarom classici en oudhistorici dat almaar niet doen.


Klassieken & communicatie (4)

april 18, 2013

De Lachmannmethode was het model van Darwins evolutieleer

[Dit is het vierde van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. Het eerste is hier. Ik beschreef dat de structuur van de universiteit belet dat een goed communicatiemodel wordt ontwikkeld en waarom dat het aanzien van het vakgebied schaadt.]

Iedereen kan een boek schrijven over de Oudheid, maar met een opleiding kun je een goed boek schrijven. Je slaagt erin je publiek meer te verbazen, meer te laten genieten en beter te laten delen in de ontdekkingsvreugde. Je vermijdt religieuze, ideologische of nationalistische contaminatie. Als antwoord op de vraag hoe oudheidkundigen hun activiteiten zó kunnen uitleggen dat het publiek stopt met twijfelen aan het nut ervan, volstaat dus een traditioneel beroep op het plezier en belang van juiste informatie.

Vakmanschap alleen is echter onvoldoende. Het proces van waarheidsvinding moet worden toegelicht en er moet rekening worden gehouden met de vooropleiding van het publiek. Vroeger kon een onderzoeker misschien een continuïteit postuleren zonder deze te bewijzen, maar nu zijn er mensen die zo’n fout herkennen. Het vergelijken van toen en nu is eveneens gebonden aan niet te negeren theoretische regels.

Het helpt ook als de classici, oudhistorici en archeologen naar buiten zouden komen met onderwerpen waarover ze iets interessants te melden hebben. Ik moet momenteel voor het NRC Handelsblad het jubileumboek van het Nederlands Klassiek Verbond bespreken en zal zeker niet op de feestelijke taart spugen, maar eerlijk is eerlijk: toneel in de Oudheid is geen onderwerp dat onverwachte vergezichten opent. Het is ook nodeloos defensief, want er zijn voldoende niet-uitgekauwde onderwerpen.

Je zou zelfs twee vliegen in een klap kunnen slaan door te kiezen voor aspecten uit de klassieke traditie die én duidelijk maken dat de oudheidkunde wel degelijk een theorie heeft én de bijdrage aan de vorming van onze eigen cultuur illustreren. Aan de Vrije Universiteit heeft de toenmalige Vrije Studierichting Oudheidkunde in de jaren negentig geprobeerd een collegereeks langs die lijn op te zetten. Ik ben medeverantwoordelijk voor de mislukking, maar vind het idee nog steeds de moeite waard. Je bedient je in elk geval niet van onbewijsbare continuïteiten of contraproductieve vergelijkingen als je wijst op:

  1. het ontstaan van de tekstkritiek als aanzet tot de Reformatie;
  2. Scaligers chronologische onderzoek als begin van de Verlichting;
  3. de vergelijkende historische taalkunde als bepalend voor hoe we de relaties tussen de volken definiëren;
  4. de Lachmannmethode als model voor de evolutieleer;
  5. de archeologie als empirische onderbouwing van het liberale vooruitgangsgeloof;
  6. een Pausaniascommentator die het ideeëngoed schiep dat een voorwaarde was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog;
  7. de invloed van de uitleg van Tacitus’ Germania op het racisme.

U kunt hetzelfde vinden in Rens Bods mooie De vergeten wetenschappen, waaraan ik het derde voorbeeld dank. Natuurlijk zijn er andere manieren om het publiek én de wetenschappelijkheid van de klassieken én het belang ervan op een interessante wijze uit te leggen, maar dit lijkt mij de aantrekkelijkste manier om ervoor te zorgen dat niemand ooit nog vraagt naar het nut van de klassieken.

[wordt vervolgd]


Klassieken & communicatie (3)

april 18, 2013

Het Pantheon (Rome)

[Dit is het derde van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. Het eerste is hier. Ik beschreef dat de structuur van de universiteit belet dat een communicatiestrategie wordt ontwikkeld.]

Zoals gezegd hebben de oudheidkundige disciplines enkele ontwikkelingen in de wetenschapscommunicatie gemist. De belangrijkste is de toename van het aantal hoogopgeleiden. Momenteel heeft een derde van de beroepsbevolking HBO of meer. Er is een publiek ontstaan dat vergissingen kan herkennen, waardoor er meer kritiek komt op academisch medewerkers. De classici en oudhistorici zijn voor deze kritiek kwetsbaar, want ze hebben, anders dan bijvoorbeeld de archeologen, in feite geen kwaliteitsnorm voor de publieksvoorlichting.

Een andere ontwikkeling is de vervanging van het zender-ontvanger-model voor wetenschapscommunicatie door het dialoogmodel (meer…). Mede door de opkomst van het internet kan er niet langer mee worden volstaan de mensen wat feiten toe te werpen: er is meer dan ooit sprake van interactie, waarbij het publiek kan selecteren wat het wil horen. Wanneer academici zich deze problematiek realiseren, blijkt de wil om de communicatiestrategie aan te passen meestal aanwezig, maar menigeen moet nog leren omgaan met de nieuwe situatie.

Zoals ik heb beschreven in mijn boek De klad in de klassieken, is het het beste het wetenschappelijk proces uit te leggen. Er is me verweten dat dit “een speciale theorie” zou zijn, maar dit is ook te vinden in het KNAW/JA-advies Tussen onderzoek en samenleving. Het gaat om een inmiddels doodnormale kwaliteitseis bij de uitvoering van een wettelijk voorgeschreven taak. Zolang classici, oudhistorici en archeologen dit nalaten, wekken ze de indruk geen eigen methoden te hebben en werken ze in de hand dat astronomen, ongehinderd door kennis van de hermeneuse, bijbels literalisme legitimeren.

Nu is die Betlehemse ster een onschuldige kwestie. Maar neem de boeken van Tom Holland, die zonder adequaat bewijs het bestaan van historische continuïteiten van de Oudheid tot op heden postuleert en meent dat die de getroebleerde westerse omgang met het Nabije Oosten helpen verklaren. Dit is geen wetenschap maar ideologie en de juiste wetenschappelijke reactie is dat je uitlegt hoe je een culturele continuïteit vaststelt. Michiel Leezenberg heeft weliswaar in het NRC Handelsblad korte metten met Holland gemaakt, maar er zijn classici die boeken als Persian Fire hebben aanbevolen. Dan wrijf je toch je ogen uit. Wie beweert dat iemand zonder kennis van zaken goede boeken kan schrijven, zegt immers dat wetenschappelijke scholing overbodig is. Wat is het nut van een klassieke opleiding?

[wordt vervolgd]


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 150 other followers