De Anatolische beschavingen (2)

mei 26, 2013
"Zonneschijf" uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.

“Zonneschijf” uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.

[Dit is het tweede deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]

De opkomst van de steden en het ontstaan van de staat vonden plaats tijdens de overgang van de Kopertijd naar de Vroege Bronstijd, zo rond 3000 v.Chr. Rond 2750 ging Arslantepe ten onder. De opgraving van Alacahöyük documenteert de tweede helft van het Vroeg Brons. Er zijn dertien koningsgraven gevonden – vijf ervan zijn momenteel te zien – waarin wonderlijke bronzen of zilveren voorwerpen zijn opgegraven die, om het oneerbiedig te zeggen, nog het meest lijken op mattenkloppers. Men noemt ze “zonneschijven”, maar dat is omdat we niet weten wat ze wél zijn.

Tegen het einde van de Vroege Bronstijd trokken nieuwe volken Anatolië binnen, die Indo-Europese talen spraken. Daarvan stammen drie talen uit de historische periode af: het Luwisch, dat we later aantreffen in het zuiden en westen van Turkije (bijvoorbeeld in Troje), een daarmee verwante taal die in een eigen schrift werd geschreven en daarom “hiëroglifisch Luwisch” wordt genoemd, en de taal van de Hettieten.

Een pas-opgegraven deel van het paleis van Anitta in Kanesh

Een pas-opgegraven deel van het paleis van Anitta in Kanesh

Uit deze tijd hebben we een waardevolle bron aan informatie: de vele kleitabletjes die zijn opgegraven in Kültepe, het antieke Kanesh, waarover ik al blogde. (Toen ik hierheen kwam, dacht ik dat het er 11.000 waren, inmiddels schijnen het er 25.000 te zijn, terwijl er nog wordt gegraven.) Vanaf ongeveer 1940 tot 1780 v.Chr. – de jaartallen kunnen wat lager en hoger zijn – lag aan de voet van de paleisheuvel een handelsnederzetting (karum) waar kooplieden uit Assyrië verbleven. Hun administratie moest schriftelijk, en zo hebben wij ineens zeeën aan informatie.

De kleitabletjes beschrijven niet alleen de ruilhandel van koper en tin, maar kunnen ook worden gebruikt om het politieke landschap van die tijd te reconstrueren, en we zien dat er een machtige staat, Kussara, aan het ontstaan is. Koning Pithanas onderwierp Kanesh. We weten niet waar Kussara lag, maar Alacahöyük is een van de mogelijkheden.

Hoe dit ook zij, Kanesh profiteerde een generatie later van het verlies aan autonomie, toen Pithanas’ zoon Anittas Kanesh maakte tot zijn residentie. Deze man verwoestte ook Hattusa en sprak een vloek uit over iedereen die er wilde wonen.

Opgraving van de karum van Kanesh; de brandlaag is nog zichtbaar.

Opgraving van de karum van Kanesh; de brandlaag is nog zichtbaar.

Korte tijd later werd Kanesh verwoest en komt er een einde aan onze informatie, maar het is duidelijk dat Midden-Anatolië, waar steden en staten waren komen te ontstaan, nu bewoog in de richting van grotere politieke eenheid, waarin één staat kon bestaan uit verschillende steden. Als we een eeuw later opnieuw zicht hebben op de situatie, heeft de koning van Kussara weer een nieuwe residentie: het vervloekte Hattusa. Hij noemt zich zelfs naar die stad, Hattusilis.

Het was het begin van het Hettitische Rijk. Latere generaties zouden de Indo-Europese taal van de Hettieten aanduiden als “Nesaïsch” ofwel de taal van Kanesh, terwijl het land zelf Hatti werd genoemd, de voor-Indo-Europese naam voor het gebied. Een grappige ironie is dat taalkundigen nu spreken over het Hettitisch als een oude Indo-Europese taal, hoewel het woord “Hatti” nu net geen Indo-Europees is.

[wordt vervolgd]


Voorislamitisch Iran (8): het begin

augustus 11, 2011

[Dit is het laatste deel van een artikel over de archeologie van Iran; het eerste is hier.]

Choga Zanbil

Historici en archeologen maken meestal onderscheid tussen historie en prehistorie, dat wil zeggen de perioden waarover we wel en geen geschreven bronnen hebben. Het oudste tijdvak is vanzelfsprekend minder goed bekend. Maar juist uit Iran valt op dit gebied veel nieuws te verwachten.

Tot een jaar of tien geleden gold als vanzelfsprekend dat de eerste stedelijke beschavingen, met het eerste schrift, in het vroege derde millennium waren ontstaan in het zuiden van Irak. Ook Sousa bloeide toen al. De stedelijke leefwijze bloeide vervolgens in het tweede millennium, zoals we zien in Haft Tepe en de ziggurat van Chogha Zanbil. De eerste bijstelling van dit beeld was dat bij Tall-e Malyan en Tepe Sialk vondsten werden gedaan uit het tweede millennium, terwijl het derde millennium bekend werd door vondsten uit Tepe Hesar, verschillende al genoemde sites en reliëfs als die te Sar-e Pol-e Zaheb. De verstedelijking ging sneller en vond plaats over een groter gebied.

Reliëf uit Susa (Louvre)

Inmiddels wordt het beeld dat het allemaal begon in Irak, sterk bijgesteld. Bij Gohar Tepe en de zogenaamde ‘Burnt City’ zijn de resten gevonden van enorme nederzettingen uit het vroege derde millennium v.Chr. Het paradepaardje is echter Jiroft, dat even oud is, maar waarvan de diepste strata nog moeten worden onderzocht. Daar is minstens één geschreven tekst opgegraven, en er zijn rapporten over een enorme ziggurat.

Het probleem is dat de pers zich vaak erg gemakkelijk door archeologen laat misbruiken om, via een sensationeel bericht, indruk te maken op de financiers; dat de vondsten minder spectaculair zijn, kan wel worden toegegeven in een wetenschappelijk rapport. In Jiroft lijken echter wel degelijk belangrijke vondsten te worden gedaan, en het valt te verwachten dat we de komende jaren nog veel archeologisch nieuws zullen vernemen uit Iran.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 224 andere volgers