Timboektoe (2)

januari 31, 2013

timboektoeIk vertelde in de vorige post dat er in Timboektoe informatie ligt die nergens anders beschikbaar is. Maar hoe belangrijk is die? Ik had ooit een Nigeriaanse geliefde, die spinnijdig kon worden om het gemak waarmee Europese historici het konden hebben over “the people without history” (de titel van een boek dat overigens probeerde de balans recht te zetten). Voor haar was de geschiedenis van West-Afrika een halszaak. Een alleszins begrijpelijk standpunt, maar we moeten eerlijk erkennen dat niet iedereen evenveel waarde hecht aan dat onderwerp, zoals het u ook vrij staat geen belang te stellen in de precieze recitatiewijze van de Koran.

Wat maakt informatie belangrijk? Wie zegt dat álles belangrijk is en dat níets verloren mag gaan, kiest er tevens voor elk jaar miljoenen, misschien wel miljarden uit te geven. Een voorbeeld is onze eigen Nederlandse rijksoverheid. De hoeveelheid geschreven informatie die zij elk jaar produceert, wordt uitgedrukt in kilometers, en het is domweg niet mogelijk om alles te bewaren. Dat hoeft gelukkig ook niet. Ligt er eenmaal een accountantsverklaring, dan bewaren we de onderliggende stukken nog een jaar of vijf, en daarna kunnen de bonnetjes en declaraties richting archiefvernietiging. Net zoals de correspondentie met burgers of adreswijzigingen. Het mag gewoon weg. Omgekeerd blijven archiefstukken met betrekking op de Tweede Wereldoorlog, hoe triviaal ook, zonder uitzondering bewaard.

Het is te kostbaar álles te bewaren en daarom moet je selecteren. Het is daarbij echter van belang dat er neutrale criteria zijn om vast te stellen wat bewaard moet blijven en wat niet. Dat geldt voor gewone archiefstukken, maar ook voor bijvoorbeeld historische en archeologische monumenten. Dan komen vragen op rond de fysieke kwaliteit van de voorwerpen, hun zeldzaamheid of representativiteit, het wetenschappelijke belang, de historische waarde en wat “belevingswaarde” wordt genoemd. Aan de hand van deze criteria maken erfgoedspecialisten hun afwegingen – of het nu gaat om historische monumenten, archeologische voorwerpen of archiefstukken.

Een mooi voorbeeld is Libië, dat in Tripoli een prachtig Nationaal Museum heeft en even verderop de uitgestrekte ruïnestad Lepcis Magna. Hun belevingswaarde is vrij hoog en de fysieke kwaliteit is uitstekend. Om die reden staan beide ook op de monumentenlijst, maar anders dan u zou verwachten zijn het slechts subtoppers. Hoe mooi de sculptuur in het museum en hoe indrukwekkend de architectuur in Lepcis ook moge zijn, ze zijn verre van uniek. Italië, Spanje, Griekenland, Turkije en Syrië bieden hetzelfde. Wat in Libië uniek, van enorme wetenschappelijke waarde en van groot historisch belang is, en daarnaast ook nog een uitstekende fysieke kwaliteit bezit, zijn de gebouwen en monumenten van de Limes Tripolitanus.

De westerse media hebben, tijdens de recente burgeroorlog, vooral gelet op Tripoli en Lepcis. De Limes Tripolitanus trok de aandacht niet en hoe de monumenten van pakweg Ghirza er nu bij staan, weet ik niet. Van het belangrijkste museum, dat van Banu Walid, staat vast dat het is geplunderd. Een onvervangbaar stuk erfgoed van de mensheid, dat volgens de gangbare criteria bewaard had moeten blijven, is voorgoed verloren, en het is uitgesproken wrang dat de westerse media hebben rondgebazuind dat de schade in Libië wel meeviel. Dat Tripoli en Lepcis zijn gespaard is fijn voor de toeristen, maar voor de mensheid als geheel heeft zich een catastrofe voltrokken.

De manuscripten in Timboektoe vallen ook in deze categorie. Uniek, representatief voor een niet goed bekende cultuur, wetenschappelijk belangrijk, van enorme historische waarde. Volgens de gangbare criteria teksten die tot elke prijs bewaard moeten blijven. En toen kwam het bericht, eerder deze week, dat ze waren vernietigd.

[wordt vervolgd]


Timboektoe (1)

januari 31, 2013

timboektoeDe oude wereld kennen we op verschillende manieren. Als mensen inscripties of archieven van papyrusrollen hebben nagelaten, beschikken we over hun eigen handschrift. Andere teksten zijn overgeleverd omdat latere generaties ze voldoende de moeite waard vonden om ze over te schrijven en, als het afschrift sleets werd, opnieuw over te schrijven. En opnieuw. En opnieuw. Omdat daarbij fouten werden gemaakt, moeten moderne geleerden die antieke teksten willen lezen, zoveel mogelijk oude handschriften bestuderen om vast te stellen wat het origineel kan zijn geweest.

De methode staat bekend als de Lachmannmethode en het aardige is dat het meer dan eens is voorgekomen dat de reconstructie van een tekst, toen later een papyrusvondst werd gedaan, correct bleek te zijn. Het is dus een methode waarvan de betrouwbaarheid empirisch is bevestigd.

De laatste tijd staan de manuscripten van de Koran in de belangstelling. Het onderzoek staat nog in de kinderschoenen en wordt er niet eenvoudiger op doordat het vooral wordt uitgevoerd door westerse onderzoekers die voor de voeten worden gelopen door andere westerse onderzoekers met nogal opmerkelijke ideeën, die soms regelrecht onwetenschappelijk zijn (kijk hier of daar).

Eén van de plaatsen waar zich Koranmanuscripten met een hoge ouderdom én afwijkende vormen zijn te vinden, is Timboektoe. Er zijn ruim twintig manieren om de Koran te reciteren, waarvan er vier goed bekend zijn, terwijl de andere dreigen te worden vergeten en alleen nog bekend zijn uit stoffige manuscripten. De verschillen met de vier standaardrecitaties zijn klein maar bestaan, en Korangeleerden stuiteren van enthousiasme als ze aanwijzingen vinden voor zo’n uitstervende vorm. Zulke aanwijzingen kunnen liggen in Timboektoe.

Veel materiaal is echter nog nooit onderzocht, en dan gaat het niet slechts om Korans, maar ook om andere tekstsoorten, zoals familiekronieken die de geschiedenis documenteren van een gebied dat, voor westerse geleerden, nauwelijks bekend is. Het is informatie die nergens anders ligt.

[wordt vervolgd]


Misplaatst sarcasme

augustus 6, 2012

Hoe leg je wetenschap uit? Er is maar één manier die werkt, en dat is dat je mensen laat delen in de verbazing en de speurtocht. Zoals de NASA vannacht deed. Wat je niet doet, is je publiekelijk sarcastisch uitlaten over je collega’s, zoals hierboven.

Dat geldt voor elke onderzoeker. Al sinds de zeventiende eeuw is het niet langer mogelijk dat iemand alle wetenschappen beheerst – onze eigen Nederlandse Gerard Vossius moet een van de laatsten zijn geweest die de ambitie nog had – en je weet altijd te weinig over andermans vakterrein. Bescheidenheid is dus gepast en sarcasme niet.

Dit geldt voor alle onderzoekers, maar in het bijzonder voor de geesteswetenschappen, waar het wetenschappelijk niveau inmiddels verontrustend laag is. Wie in de jaren zeventig een middelbaar onderwijs-akte Nederlands haalde, wist en kon meer dan een universitair student momenteel. De geschiedvorsing laat de physics of society links liggen, en zal daarom zelf binnenkort wel links worden gelegd. Als geesteswetenschappers het hebben over andere vakterreinen, kun je er donder op zeggen dat er fouten in de artikelen zitten. En mensen zien dat, want een derde van de bevolking heeft inmiddels een HBO-opleiding of hoger.

Ik geef hier, ik weet het, een hard oordeel. Ik haast me erbij te zeggen dat de betrokkenen te maken hebben gehad met ruim een kwart eeuw wanbeleid, ongeveer vanaf het moment dat ZWO veranderde in NWO. De geesteswetenschappen zijn sindsdien vrij systematisch uitgekleed en het niveau is momenteel alleen nog acceptabel voor bureaucraten, die kijken naar toetsingscriteria als publicatieaantallen. Wetenschappers, die kijken of de informatie de burger ook bereikt, hebben een veel somberder beeld.

De burger ziet dat er fouten worden gemaakt, wéét dat hij de sluitpost is en begrijpt al zeker tien jaar niet meer waarom hij belasting moet betalen voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Hij reageert inmiddels met minachting. Letterenstudies, dat zijn maar een fopwetenschappen.

Wat het publiek ondertussen niet te zien krijgt, is dat er nog altijd prachtige dingen mogelijk zijn, zoals het archeologische onderzoek in Israël waar ik vorige week over blogde: de keuze tussen twee theoretische visies werd daar systematisch onderzocht, tot uiteindelijk het beslissende experiment kon plaatsvinden. Dat is geweldig, maar uitleg vergt een serieuzere vorm van wetenschapscommunicatie dan in de geesteswetenschap gebruikelijk is.

Zolang die er niet is, overheerst een negatief beeld van de geesteswetenschappen en is het buitengewoon onverstandig als geesteswetenschappers zich sarcastisch uitlaten over andere onderzoekers. Aan het rijtje “de geesteswetenschappers komen wetenschappelijk niet meer mee”,  “hun opleidingpeil is laag” en “ze negeren ons”, voegt de burger namelijk meteen toe “en ze hebben ook al geen zelfkennis”.

De geesteswetenschappers moeten eerst hun eigen huis weer op orde hebben vóór ze de buren sarcastisch toespreken.


Een huis tegen zichzelf verdeeld

juni 20, 2012

Oudheidkundige disciplines

Een maand of twee gelden werd in Spui25 een bijeenkomst georganiseerd met de titel “Onrust in de geesteswetenschappen“. Een maand daarvoor had het Handelsblad gemeld dat niet minder dan dertig studierichtingen in de problemen dreigden te komen. Dat bericht is overdreven, maar het valt niet loochenen dat er al dertig jaar een beleid wordt gevoerd dat niet vriendelijk staat tegenover algemene vorming. De nadruk ligt op concreet nut en vaardigheden.

Een van de sprekers bij de bijeenkomst in Spui25 was Rens Bod, de auteur van het door mij zeer bewonderde boek De vergeten wetenschappen. Wat ik ooit beoogde met de theoriesyllabus die ik voor de studierichting Oudheidkunde aan de Vrije Universiteit schreef, namelijk de relevantie van het vak tonen via zijn theorievorming, heeft hij voor álle geesteswetenschappen gedaan. Dat is echt knap.

Ik moest die avond zelf les geven, maar weet dat hij zijn praatje begon met de snoeiharde constatering dat de vorm waarin de problemen zich momenteel aandienen, vooral van eigen makelij is. Men is weliswaar bereid samen te werken, maar het moet veel, veel intensiever.

Je zou verwachten dat de Decanen van de Nederlandse Faculteiten Geesteswetenschappen hun koppen bij elkaar steken om pro-actief met een plan naar buiten te komen voor een nationaal samenwerkend verband van de faculteiten geesteswetenschappen … Dit zou een wereldbestormend plan kunnen zijn waar alle geesteswetenschappelijke studies een plaats kunnen vinden – oude en nieuwe, traditionele en experimentele. Zo’n nationaal samenwerkend verband van alfafaculteiten – dat zou nog eens indruk maken!

Daar ben ik het dus volledig mee eens. Ik heb in De klad in de klassieken een iets bescheidener voorstel gedaan: één nationaal oudheidkundig instituut. Bod wil samenwerking van álle geesteswetenschappen. Zoals hij in De vergeten wetenschappen zijn onderzoeksgebied veel breder neemt dan ik, zo ziet hij ook de oplossingen veel groter.

Er is niet alleen wetenschappelijke winst te boeken op deze manier, het is ook politiek handig om te komen met één, wereldbestormend plan. Je trekt namelijk het initiatief naar je toe. De afgelopen dertig jaar zijn allerlei vakgroepen een voor een opgeheven, domweg doordat niemand voor elkaar opkwam.

Ik moest vorige week weer denken aan Bods oproep toen ik me realiseerde dat het Rijksmuseum van Oudheden – ik blogde al over de wijze waarop het momenteel wordt bedreigd – er ook nogal alleen voor staat. Je zou denken dat de oudheidkundige onderzoeksscholen wel brieven op poten zouden schrijven om te protesteren tegen het door de Raad voor Cultuur uitgebrachte advies, maar voor zover mij bekend is dat niet gebeurd. Dat is onlogisch, want zonder goede oudheidkundige musea kun je geen goede oudheidkundige onderzoekers opleiden.

Er is maar één Oudheid. Die valt echter, voor de overheid, onder twee directoraten-generaal: onder hoger onderwijs & wetenschap en onder cultuur & media. Zo ontstaat de eerste verdeeldheid. Wetenschappelijk zijn er weer verschillende disciplines die ook almaar niet willen samenwerken. Dan hebben we nog te maken met de tegenstelling tussen hoger en middelbaar onderwijs, en verder die tussen de gesubsidieerde en de commerciële sector (waarin nogal wat archeologiebedrijven actief zijn). Voeg nog clubs toe als het Nederlands klassiek verbond, Ex Oriente Lux, de Vrienden van het gymnasium en de beroepsverenigingen van classici en historici, en je krijgt een bont geheel.

Hoe langer ik erover denk, hoe meer ik van mening ben dat alle Oudheidliefhebbers eens rond de tafel moeten. Je kunt dan tenminste als collectief reageren als een van de betrokken partijen onder vuur komt te liggen. Vandaag mag het RMO zijn eigen boontjes doppen; gisteren stonden twee classici aan de UvA er alleen voor; en morgen is het een archeologische vakgroep die in de steek wordt gelaten. Door gebrek aan samenwerking gaat iedereen er een voor een aan. Indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.

Zo’n platform zou bovendien een rol kunnen spelen bij de toetsing van de eigen activiteiten. Dit voorjaar werd (of wordt, ik weet het even niet) de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMz) geëvalueerd. Aan de brief van de staatssecretaris lagen twee rapporten ten grondslag, allebei geschreven door vooral archeologen. Iedereen weet dat classici en historici een hele zinvolle bijdrage hadden kunnen leveren.

Kortom, samenwerking. Veel meer. Ik blijf er voor. Maar het zal niet gebeuren. Hoewel er maar één Oudheid is, die alleen te kennen valt door ál het bewijsmateriaal te bekijken, identificeren de onderzoekers zich met hun beperking – ze zijn archeoloog, ze zijn classicus. Ze voelen zich al onwennig als ze worden aangesproken als oudheidkundige. Ze aanspreken als geesteswetenschapper, laat staan als wetenschapper, is, naar ik vrees, te hoog gegrepen.

Ik ben dus niet optimistisch over Bods constatering dat de enige logische strategie het schrijven van één hemelbestormend plan is. Maar dat wil niet zeggen dat we het niet zouden moeten doen. Voortmodderen is namelijk niet langer mogelijk.


De nadelen van specialisme

mei 27, 2012

Oudheidkundige disciplines

Om een of andere reden moet ik de laatste tijd vaak denken aan mijn studietijd. Gisteren werd ik eraan herinnerd hoe vaak mijn docenten vragen ontweken. Als je een docent in vakgebied X erop wees dat in vakgebied Y een tegengestelde conclusie was bereikt, vermeed men de discussie.

Zo bleven de classici dus homerische krijgers vergelijken met soldaten uit postindustriële samenlevingen, hoewel antropologen die vergelijking problematiseerden; oudhistorici negeerden wat economen zeiden over de Fisher Equation; archeologen claimden kennis van antieke marktrechten en deden geen navraag bij de aardige jonge historicus die daarop aan het promoveren was. Men bleef problemen vanuit het eigen kader bekijken, zonder te zien wat andere kaders opleverden of wat de relatieve waarde van de diverse kaders was.

Daar is wetenschapstheoretisch natuurlijk wel iets voor te zeggen. Kennis is altijd kennis vanuit een bepaald perspectief, en het is niet altijd mogelijk die perspectieven te beoordelen. Maar “niet altijd” is niet hetzelfde als “niet”, en je hebt wel de morele plicht de waarde van de eigen kaders te onderzoeken. Men deed het niet.

Het heeft heel lang geduurd tot ik begreep dat de verklaring ligt in het mechanisme dat verliesaversie heet. Het komt erop neer dat als iemand een bepaalde hoeveelheid van iets verliest, het zwaarder weegt dan als hij een even grote hoeveelheid van iets anders wint. Daarom gaan mensen door op een bepaalde weg, zelfs als men van een koerswijziging kan profiteren. Voor mijn docenten woog het feit dat ze hun kader zouden kunnen moeten aanpassen zwaarder dan het inzicht dat ze konden winnen in de waarde van dat kader. Ze hadden het wel eens over interdisciplinariteit, maar dat is vaak een wassen neus.

Is dit ondertussen erg? Nee, want er valt ook door middel van specialisme een hoop te leren. Ja, want er is dus afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de onderzoekskaders. Daarmee laat je degenen die de doelmatigheid van de financiering moeten vaststellen, geen andere keuze dan te kijken naar de studentenaantallen. Er zou een wereld zijn gewonnen als de letterenmedewerkers die – terecht! – boos zijn om het gebruik van dit oneigenlijke criterium, zouden inzien dat ze de toepassing van betere criteria zelf frustreren.


De zang der Sirenen

mei 21, 2012

Ik wist dat het heel erg was, maar als je de cijfers ziet, schrik je pas echt. Studenten lenen zo’n €365 per maand. Dat is ruim €17.500 tijdens hun hele studie.

Welke studie is zo’n bedrag nog waard? Ik heb destijds geschiedenis gestudeerd, deed de wetenschappelijke afstudeervariant en heb het geluk gehad werk te vinden als historicus. Dat was echter uitzonderlijk. Mijn studiegenoten vonden veelal pas een baan na het doen van bij- en omscholingen. Ze begonnen op de arbeidsmarkt dus met een achterstand. Dat is een hoge prijs om te betalen voor het privilege enkele jaren een prachtige studie te mogen doen.

Ik probeer me te verplaatsen in een medewerker van een hedendaagse letterenfaculteit. Er is een voorlichtingsbijeenkomst. Jonge mensen kijken je verwachtingsvol aan. Als je eerlijk bent, zeg je ze:

Ik kan jullie vier heerlijke jaren beloven, maar aan echt studeren zul je niet toekomen. De studiebeurzen zijn zó laag dat je er een baan naast moet nemen, en de OV-kaart die je verplicht bent aan te schaffen, wordt al jaren gebruikt als excuus om te bezuinigen op studentenwoonruimte. Te veel tijd gaat verloren aan reizen en een baantje en jullie komen niet toe aan efficiënt studeren.

Bovendien zijn de studieprogramma’s gestandaardiseerd, hoewel echte wetenschap alleen kan ontstaan doordat studenten andere dingen zien dan hun docenten, daardoor komen met onverwachte vragen en de onhoudbaarheid blootleggen van de aannames van de vorige generatie. Voor die interne kritiek is nu geen gelegenheid meer.

Door bezuinigingen, te korte studieduur en het feit dat jullie niet geconcentreerd kunnen doorleren, ligt het niveau lager dan vroeger. Wie ooit een MO-akte Nederlands haalde om les te geven op een middelbare school, leerde nog Gotisch, maar wie nu een MA-bul haalt, is daaraan niet toegekomen. Voor andere vakgebieden gelden soortgelijke problemen: het huidig universitair peil ligt onder dat van de oude lerarenopleidingen.

Ten slotte bouw je een gigantische schuld op en begin je met een achterstand op de arbeidsmarkt. Als we je nu vier jaar échte wetenschap hadden kunnen bieden, zou het dat waard zijn. Maar zo is het dus niet.

Zoiets zou een letterenmedewerker eigenlijk moeten zeggen. En ik heb een hoogleraar gekend die het ook werkelijk zei, omdat hij het niet kon opbrengen jonge mensen iets te beloven dat hij niet langer waar kon maken. Hij is vervroegd met pensioen gegaan. Ik heb ook iemand gekend die snoeihard loog om studenten binnen te halen.

Beide waren uitzonderingen. Ik denk dat de meeste letterenmedewerkers niet willen liegen, maar ik denk tevens dat ze niet in de positie verkeren volledig eerlijk te zijn. Er zijn te grote belangen gemoeid met het aantrekken van studenten, want te kleine studierichtingen worden vroeg of laat opgeheven. Niemand heeft het zo gewild, maar de voorlichting aan aankomende studenten begint langzamerhand verdacht veel te lijken op een sirenenzang.

Naschrift 30 december 2012

Op deze post kwamen verschillende reacties. Twee ervan waren van voorlichters die hun baan hadden opgegeven omdat ze geen hand- en spandiensten meer wilden verrichten. Beide zeiden dat “ermee stoppen” onder studentenvoorlichters een veel besproken onderwerp was. Ik heb niet gehoord van onderzoekers die weigerden te verschijnen op voorlichtingsbijeenkomsten.


Aanslag op de letteren

mei 2, 2012

1993, de zoveelste bezuinigingsronde op de geesteswetenschappen. Niks nieuws onder de zon, zou je zeggen, maar dit keer is er toch iets aan de hand. Anders dan te doen gebruikelijk, laten de medewerkers van de UvA het namelijk niet gelaten over hun kant gaan. Ze beleggen op een woensdagavond aan het begin van de zomer een manifestatie in De Balie. De zaal zit behoorlijk vol als zevenentwintig “gerenommeerde schrijvers, publicisten en vertegenwoordigers van de belangrijkste letterkundige organisaties” zich uitspreken tegen de bezuinigingen.

Vergeefse moeite, vanzelfsprekend. Wie iets wil bereiken, moet demonstreren in september of oktober. Er is echter een wezenlijker probleem: als geheel overtuigen de zevenentwintig bijdragen niet. Stuk voor stuk zijn het beste aardige stukken, maar wie ze allemaal beluisterde (of naleest in de door Jan Fontijn, Marita Mathijsen en Anthony Mertens geredigeerde bundel), raakt er vooral door geïrriteerd, en ik heb wel eens vilein gepretendeerd dat het eigenlijk satire was.

Het vervelende is dat het wérkelijk niet van satire te onderscheiden valt. Een van de sprekers betrekt de titel van de avond, “Aanslag op de letteren”, op het feit dat hem kort daarvoor een blauw oog was geslagen. Een ander stelt dat een cultuur die de relevantie van historisch besef niet begrijpt, geen geheugen meer heeft en dus geen cultuur is.  De redenatiefout, polysemie, is des te opvallender omdat de betrokkene de Letteren al eerder aanduidde als een oefening in zindelijk denken.

Steeds weer komt het beeld naar voren van een groep welwillende geleerden die zich bedreigd voelt, en die antwoordt dat dit komt doordat de bureaucraten niet begrijpen waarvoor de Letteren dienen. “Den Haag” en de universitaire bestuurders rekenen alleen maar af op economisch belang, die de Letteren nu eenmaal niet hebben. Nu klopt dit wel, maar het roept meteen de vraag op waarom men heeft gewacht tot een zomeravond in 1993 om het dan uit te leggen. Simpel gezegd: als een wetenschappelijke discipline het teruggeven van de verworven inzichten aan de samenleving niet de prioriteit geeft, zal de samenleving haar niet begrijpen – en dan moet je er niet van opkijken dat je wordt wegbezuinigd.

De meest interessante stukken in Aanslag op de letteren zijn dan ook die waarin men zichzelf bekritiseert. Sorin Alexandrescu stelt snoeihard dat cultuur uitgerekend “binnen de Faculteit zelf wordt gemarginaliseerd”. Dit is echter een uitzondering in een bundel die verder van de zelfbewieroking aan elkaar hangt.

Een kleine twintig jaar later valt ook de hypocrisie op. Er is sindsdien namelijk maar weinig gedaan om de letteren wél uit te leggen. Het ontstaan van het internet, waar slechte informatie zich sneller kan verspreiden dan goede, werd niet herkend als een probleem en niet aangegrepen als kans. Er zijn wat uitzonderingen ten goede – de neerlandici doen het beslist niet slecht – maar ik heb sinds 1993 ook gezien hoe mijn eigen vakterrein, de oude geschiedenis, naar de gallemiezen is geholpen. Het internet wordt er nog altijd genegeerd en de bestverkopende boeken staan vol onjuistheden.

Ik weet niet of het woord al bestond in 1993, maar de verzameling korte lezingen kan, alle goede bedoelingen ten spijt, eigenlijk alleen worden getypeerd als een zelfmoordaanslag.


Onrust in de geesteswetenschappen

april 15, 2012

Helaas beschik ik niet over de gave der bilocatie. Anders zou ik aanstaande dinsdagavond zowel een lezing verzorgen in Schagen als luisteren in Amsterdam bij een bijeenkomst met de titel “Onrust in de geesteswetenschappen. De dekanen aan het woord“.

De zin van de geesteswetenschappen staat al vrij lang ter discussie. Dat is niet zo vreemd. Geesteswetenschappers zijn te veel bezig met hun onderzoek en te weinig met het uitleggen daarvan, zodat menigeen niet goed weet wat ze doen. Er wordt daarom vaak sceptisch gereageerd op deze “fopwetenschap”. Ik heb in deze lezing enkele reacties geciteerd (doorscrollen naar “doelgroepen”) en wie wil weten waar de geesteswetenschappen toe dienen, kan terecht in het mooie boek over De vergeten wetenschappen van Rens Bod of in dit stukje.

Daarin merk ik ook op dat de letterdames en -heren hun zelfbeklag eens moeten laten varen en zich moeten uitspreken. Uitgerekend nu die wens in vervulling gaat, sta ik dus zelf te praten in Schagen. Jammer voor mij, maar voor u is het nog niet te laat en ik beveel de bijeenkomst (dinsdag 17 april, 17:00 – 19:00 uur; gratis aanmelden) graag bij u aan.


De universiteit en de geesteswetenschappen

maart 4, 2012

Minerva’s uil denkt er het zijne van

Passen de geesteswetenschappen nog aan de universiteiten? Voor één vak weet ik het antwoord: voor de oudheidkunde is dit kwestieus aan het worden. De verdere financiering daarvan is namelijk in strijd met het doelmatigheidsbeginsel, omdat de burger voor zijn belastingafdracht slechts oppervlakkige boekjes terugkrijgt. Er zijn enkele goede uitzonderingen, maar de best-verkopende boeken staan vol fouten en men negeert het internet.

Extra erg is dat de oudheidkundigen de meer geïnteresseerde belangstellenden in de steek laten. Nooit leggen academici uit wat hun methoden zijn. Dan moet je er niet van opkijken als mensen gaan denken dat iedereen wel een geschiedenisboek kan schrijven. De opkomst van kwakhistorici, die een belangrijk deel van de markt hebben overgenomen, is te verklaren doordat oudheidkundigen hun vak inadequaat uitleggen. Zo ontstaan steeds meer zichtbare fouten en krijgen steeds meer mensen een steeds lagere dunk van het vak.

Als je dit met oudheidkundigen bespreekt, zoals ik deed toen ik De klad in de klassieken schreef, geven ze verschillende antwoorden. Dat het populariseren niet hun taak zou zijn, is een leugen. De overdracht staat genoemd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dat de oudheidkundigen er niet voor betaald krijgen, is daarentegen wel waar, maar wie dit antwoordt, zegt tevens dat hij niet wil profiteren van de enorme markt. Elke cent die verdwijnt in de portemonnee van een kwakhistoricus, had óók onze universiteiten ten goede kunnen komen, mits de academici boeken zouden hebben geschreven die wél goed zijn.

De financiering van de universitaire oudheidkunde is dus simpelweg ondoelmatig: de burger ziet niets terug. De vraag is daarom of we met oudheidkunde nog verder moeten gaan aan de universiteiten. Ik denk zelfs dat de vraag nog iets breder is: moeten we überhaupt doorgaan met de geesteswetenschappen?

Rens Bod had daarover gisteren een goed stuk over in het NRC Handelsblad. Hij ziet nog mogelijkheden om verder te gaan. Ik denk dat hij te optimistisch is: door dertig jaar bezuinigingen, zijn ook de kiemen van mogelijk herstel vermoedelijk gestorven. Toch ben ik blij dat de vraag nu eens wordt gesteld door iemand die werkzaam is aan een universiteit.

Helaas: de krant plaatste het stuk niet online. Dat is ondoordacht, want door dit stuk offline te houden, zal de krant geen enkel los exemplaar extra verkopen. De mensen die over de geesteswetenschappen willen nadenken, hebben namelijk meestal wel een abonnement. Ze discussiëren echter wel online, en daar weet het NRC Handelsblad zijn relevantie nu goed verborgen te houden.

In die zin past het eigenlijk wel bij de geesteswetenschappen, die er ook altijd weer deksels goed in slagen verborgen te houden hoe belangrijk ze zijn.

Naschrift

Het NRC Handelsblad mag het dan niet online plaatsen, de auteur deed het wel: hier.


Het academisch Bén Tre

juli 14, 2011

Maandagochtend, ik open de mailbox. Een berichtje van mijn moeder, een paar berichtjes die betrekking hebben op mijn werk, een vriendin die een lunchafspraak wil verzetten en een mailtje van iemand uit Groot-Brittannië, die me vraagt of ik een petitie wil ondertekenen tegen de naderende sluiting van het Canterbury Roman Museum. Ik heb mijn correspondent nog nooit ontmoet, maar als ik met hem correspondeer, geeft hij goede antwoorden waaruit een enorme belezenheid blijkt. Omdat ik hem respecteer, teken ik de petitie onmiddellijk, ook al ben ik nog nooit in Canterbury geweest en had ik tot vanmorgen niet gehoord van het museum.

Meestal ben ik sceptischer. In oktober 2009 kreeg ik een vergelijkbare uitnodiging om de Universiteit van Sheffield te schrijven dat ik bezorgd was over de voorgenomen sluiting van het Biblical Studies Department. Het verzoek was niet onredelijk. “Sheffield” is inderdaad een begrip en het verbaasde me al langer dat er plannen waren het departement te sluiten. Tegelijk wrong er iets aan de uitnodiging. De samenstellers somden allerlei rationele argumenten op, maar gaven nergens aan om welke reden men het besluit tot sluiting eigenlijk had genomen.

Niemand in Sheffield lijkt dat vreemd te vinden. Ik wel.

Hoe zat het ook alweer met de geesteswetenschappen? Waartoe dienen ze? Ik ontdekte het toen ik als letterenstudent eens aanschoof bij een collegereeks medische ethiek. Wat me opviel was dat mijn medestudenten, aspirant-artsen, een heel concrete kijk op de zaken hadden. Om een diagnose te stellen, liep je een reeks criteria af, en als de symptomen aan al die criteria voldeden, dan had iemand ziekte X en was behandeling Y wenselijk. De denkhouding van ethici trof de medestudenten die ik erover sprak als onpraktisch. Het was misschien interessant een probleem van twee kanten te kunnen bekijken, maar omdat het geen concrete oplossingen bood, had je er weinig aan.

Op dat moment begreep ik ineens het belang van de humaniora. Daar gaat het er altijd om iets van twee kanten te bekijken. Een roman is pas boeiend als twee respectabele gezichtspunten tegenover elkaar komen; een schilderij fascineert als het een conventie doorbreekt; geschiedvorsing en antropologie zijn zinvol omdat je leert dat andere culturen andere normen en waarden hebben, zodat je kunt nadenken over je eigen ideeën. De geesteswetenschapper is weliswaar niet in staat ons een langer leven te geven, zoals een arts kan doen, maar hij kan het leven wel een zekere diepte geven door mensen in staat te stellen het eigen gelijk te relativeren. Andere wetenschappen kunnen dat op hun manier ook, daar niet van, maar ik zou menig politicus een studie in de humaniora aanraden om het vermogen aan te leren een probleem te bezien vanuit meer dan één perspectief.

In Sheffield lijken ze vergeten dat je niet ongenuanceerd je eigen gelijk moet najagen. Een echte geleerde is een geleerde onder alle omstandigheden. Hij kan niet de nuance zoeken als hij in de bibliotheek zit, en de nuance vergeten als zijn instelling onder vuur ligt.

Vanzelfsprekend maakt dit de geesteswetenschappen kwetsbaar als er wordt bezuinigd. Terwijl degenen die een instituut willen opheffen soms de botte bijl hanteren, kunnen de letterdames en -heren alleen komen met inhoudelijke argumenten, soms erkennend dat hun opponenten gelijk hebben. En dat is precies waar het om draait: het vermogen iets van twee kanten te bekijken om zo de waarheid op het spoor te komen. Als je die bereidheid niet tevens hebt als je eigen positie in het geding komt, is de hele exercitie niets waard. Je kunt niemand inspireren als je een ideaal uitdraagt waar je niet zelf naar leeft. Wie banen wil verdedigen door zijn principes op te offeren, verdedigt niets, want dat wat hij wilde uitdragen bestaat niet langer. Het is de absurditeit van Bén Tre: een dorp verdedigen door het te verwoesten.

De eigenlijke vraag is of de huidige financiering van de humaniora nog zin heeft. Ik weet het antwoord niet, maar er zijn veel aanwijzingen dat er serieuze problemen zijn. Om me te beperken tot mijn vakgebied, de oude geschiedenis: exposities krijgen titels waarmee publiek wordt gelokt, zelfs als de tentoonstelling over iets anders gaat; archeologische persberichten bevatten overdreven claims omdat de financiering moet worden veiliggesteld; academische oudhistorici zijn momenteel een belangrijkere bron van desinformatie dan pseudowetenschappers.

Er is iets grondig verkeerd. Het dorp ligt al voor driekwart in de as, en degenen die het verdedigen, doen het door het nog verder in brand te steken.

[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op Frontaal Naakt.]


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 221 andere volgers