Neo-Achaimenidische kunst (2)

maart 16, 2013
Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Ik beschreef in het eerste deel van dit stuk mijn verbazing over de talloze neo-achaimenidische kunstvoorwerpen en prullaria die je overal in Iran ziet. Ze zijn geïnspireerd door een voor-islamitische godsdienst en dienden – zoals ik nog zal beschrijven – een seculiere propaganda, zodat het wat wonderlijk is dat ze alomtegenwoordig zijn in een islamitische republiek.

Eén reden waarom ze nog steeds bestaan, is dat de Iraniërs niet het idee hebben dat er een tegenstelling is tussen de godsdienst van het antieke Perzië en de islam. Al in de elfde eeuw waren de Iraniërs ervan overtuigd dat hun oergodsdienst, het door de profeet Zarathustra gestichte zoroastrisme, een vorm van monotheïsme was. De oude Perzen zouden Mohammeds openbaring alleen nodig hebben gehad voor de fijne details, maar ze hadden zelf, en als eersten, ontdekt dat God één was.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

Dat het zoroastrisme pas in de Vroege Middeleeuwen van polytheïsme is veranderd in monotheïsme en dat het Iraanse beeld van de oergodsdienst dus onjuist is, is nu niet ter zake: het gaat me erom dat het voor Iraniërs vrij eenvoudig is de komst van de islam te beschouwen als een voortzetting van een in eigen land begonnen ontwikkeling. De huidige Iraanse regering zorgt dan ook redelijk goed voor de voor-islamitische monumenten. Dit betekent niet dat je in een moskee ook neo-achaimenidische bloemenvazen kunt zien (hoewel ik er een zag in Nishapur), maar de eigenaar van een miniatuur-Behistunreliëf is niet per se een tegenstander van de islamitische republiek.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

En toch: de neo-achaimenidische stijl heeft zijn wortels in antireligieuze propaganda. In 1926 werd Reza Khan de nieuwe sjah van Perzië, met “Pahlavi” als dynastieke naam. Net als zijn tijdgenoot Atatürk was hij geïnteresseerd in het voor-islamitische verleden: niet alleen meenden beide mannen dat religie en bijgeloof de vooruitgang in de weg stonden, maar ze dachten ook dat het oudste verleden een bron van inspiratie moest zijn en eenheid kon geven aan de volken die ze zochten te verjongen. De kroon van Reza Sjah was geïnspireerd op die van deSassanidische koning Shapur I; de trappen in zijn paleis in Teheran waren versierd met de soldaten op de trappen in Persepolis; Amerikaanse archeologen werden uitgenodigd om te graven in de oude Achaimenidische hoofdsteden. Tegelijkertijd werd geprobeerd de Perzische taal te zuiveren van Arabische invloeden.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Het was in deze context dat de neo-achaimenidische stijl ontstond. Tot de mooiste voorbeelden behoren de Iraanse overheidsgebouwen, die zeker een omweg waard zijn bij een bezoek aan Teheran. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is gevestigd in een mooie kopie van de apadana in Persepolis, en even verderop zit de Nationale Bank, dat eveneens is gedecoreerd met oeroude motieven. Beide bouwwerken staan op loopafstand van het Golestanpaleis, dat in de huidige vorm dateert uit de late negentiende eeuw: wie ze vergelijkt, realiseert zich hoe schokkend nieuw de modern-antieke gebouwen moeten zijn geweest. De decoratie van het paleis staat in de traditie van de monumenten van Shiraz en Isfahan: mooie betegelde muren bijvoorbeeld, in geometrische patronen. Je zult op de neo-achaimenidische gebouwen daarentegen geen tegels zien. Het is alsof je van Biedermeier rechtstreeks overstapt naar Bauhaus.

Achaimenidische krijgers boven een tunnelingang van de spoorlijn-in-aanleg van Isfahan naar Shiraz.

Achaimenidische krijgers boven een onlangs gebouwde spoortunnel: ook de Islamitische Republiek gebruikt de Neo-Achaimenidische beeldentaal.

De sji’itische geestelijken protesteerden niet tegen de nieuwe architectuur, hoewel de afbeelding van Ahuramazda op de gebouwen welbeschouwd een klap was in hun gezicht. Toegegeven, veel Iraniërs geloofden – en velen geloven nog steeds – dat het teken niet de hoogste God weergeeft maar Zijn zichtbare glorie, maar behoudende gelovigen hadden het zeker kwetsend kunnen vinden: het gebruik van een zoroastrisch symbool in een land met een overwegend islamitische bevolking is werkelijk vreemd. De geestelijkheid accepteerde het echter, in elk geval op de wereldlijke gebouwen. Het voor-islamitische verleden was immers niet tegengesteld aan de islam, maar een voorstadium van dat geloof.

[wordt vervolgd]


Neo-Achaimenidische kunst (1)

maart 15, 2013

tehran_foreign_ministry5

Het symbool hierboven is een moderne weergave van een teken dat ook kan worden gezien op talloze antieke monumenten in Iran. Iranologen vergelijken het met de Assyrische iconografie van de god Aššur en zeggen dat het de oppergod van het oude Iran representeert, Ahuramazda. Moderne zoroastriërs en moslims zeggen echter dat het, aangezien het goddelijke niet kan worden afgebeeld, moet gaan om een weergave van farvahar, de zichtbare glorie van Ahuramazda. Hoe dit ook zij, het is zeker een symbool uit de voor-islamitische tijd. Daarom is het wat verrassend dat de foto hierboven een detail toont van de façade van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Teheran, de hoofdstad van de Islamitische Republiek Iran.

Ahuramazda als halsketting

Ahuramazda als halsketting

Dit zegt veel over de wijze waarop Iraniërs omgaan met hun verleden, dat enorm belangrijk voor ze is. Als Nederlander kan ik me niet voorstellen dat ik ooit een stoel zal bezitten met daarop afbeeldingen van Bataafse ruiters, of een klok met een Cananefatische vorst, of gordijnen met de ruïnes van het badhuis van Heerlen. Ook denk ik niet dat ik ooit een halsketting zal dragen met een Friese godheid of dat de Nederlandse regering een Keltisch symbool zal aanbrengen op een overheidsgebouw. In Iran is het echter heel normaal dat Onsterfelijken je open haard bewaken, dat je meubels zijn voorzien van Achaimenidische sfinxen, dat koning Darius is afgebeeld op je behang, of dat Ahuramazda hangt aan je halsketting of de façade van een ministerie siert. De grootste private bank van het land, Pasargad, heeft als logo een gouden Achaimenidische drinkhoorn, er zijn koekjestrommels met foto’s van Persepolis en menig restaurant heeft schilderijen met oudhistorische taferelen. Het is in Iran moeilijk kunst te vermijden die is geïnspireerd op de voor-islamitische tijd.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Het verbaast me elke keer weer. De westerse architectuur heeft haar classicismes gehad, maar geen eigentijdse architect zal de dorische, ionische en korinrhische bouworde nog gebruiken. Ook is het classicisme nooit een volkskunst geweest: de Arc de Triomphe in Parijs en de Brandenburger Tor in Berlijn zijn overheidsprojecten. Voor een Nederlander is de Iraanse retro-kunst verbazingwekkend.

Even verbazingwekkend is de selectie: de hedendaagse kunstenaars en souvenirmakers benutten vooral motieven uit de kunst van de Achaimeniden, de dynastie die in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. heerste over Iran. Daarom zal ik het hier verder aanduiden als ‘neo-achaimenidische’ kunst, hoewel er ook motieven worden gebruikt uit de tijd van de Sassaniden (224-651). De tussenliggende tijd, toen de Parthen over het land heersten, is geen bron van inspiratie. Evenmin is er belangstelling voor de Koper-, Brons- en IJzertijd, hoewel het oudste aardwerk uit Sousa buitengewoon appelleert aan de hedendaagse smaak en de trappenpiramide van Choga Zanbil bepaald indrukwekkend is.

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Maar wat me het meest verbaast aan het gebruik van antieke symbolen en motieven, dat zijn wortels heeft in de propaganda van de eerste helft van de twintigste eeuw, is dat het zijn politieke betekenis lijkt te hebben verloren. Althans in Iran: degenen die na de Iraanse Revolutie van 1979 met de laatste sjah in ballingschap gingen, gebruiken de neo-achaimenidische kunst nog wel eens om te suggereren dat er een continuïteit is van de Oudheid tot op heden. Voor hen is de monarchie, en niet de voor Iran zo specifieke sji’itische islam, datgene wat de bewoners van het land door de eeuwen heen heeft verbonden. De islam beschouwen ze als een wezensvreemd, Arabisch element in de Perzische cultuur van Iran.

De visie die de ballingen hebben op het Iraanse verleden, blijft dicht bij de oorspronkelijke propaganda. Daarover zal ik volgende keer bloggen, maar eerst zal ik ingaan op de vraag waarom de politieke lading kon verdwijnen.

[wordt vervolgd]


Iraans bier

maart 14, 2013
Jojo-bier

Jojo-bier

“Iraans bier” klinkt als een contradictio in terminis, maar het bestaat wel degelijk. Het is alleen – en dat zal u niet verbazen – alcoholvrij. Er zijn verschillende plaatselijke merken, zoals Delster en Istak, terwijl ook ons eigen Nederlandse Bavaria leverbaar is. Vroeger kon je ook Drie Hoefijzers-bier krijgen, maar dat heb ik de laatste jaren niet meer gezien.

Echt bier is het natuurlijk niet, maar soms smaakt het behoorlijk hoppig en je kunt het daarnaast krijgen in allerlei curieuze varianten. De rechtgeaarde bierliefhebber gruwt natuurlijk van ananas- of perzikbier, maar het is lekkerder dan je zou verwachten, vooral als de makers niet de ambitie hebben het écht als bier te laten smaken.

De vrachtwagen op de foto zag ik in Teheran. De naam JoJo (wat je zou kunnen vertalen als “gerstenat”) trof me, want die is dezelfde als die van een Belgische zanger die in 1979 vijftien minuten wereldberoemd was onder de bierdrinkende mensheid met “Chef, un p’tit verre, on a soif”. Ik zal de eerste zijn om te erkennen dat het liedje weinig om het lijf heeft, maar de zanger weet op een bepaalde manier het aanstekelijke plezier te verwoorden van een leuke avond in het café, met een lekker glas bier –

– alcoholhoudend uiteraard. Precies dat wat het Iraanse bier nou net nooit is. Het smaakt uitstekend, daar niet van, maar je vat een pint niet omdat ‘ie goed smaakt maar om de vrolijkheid en het gezelschap.


Terug naar Iran

februari 26, 2013
De werkkamer van de laatste shah (locatie van een ontroerende scène uit F.Springer, "Teheran, een zwanenzang")

De werkkamer van de laatste shah (locatie van een scène uit F.Springer, “Teheran, een zwanenzang”)

Ik heb een leuke muzikale associatie bij vliegvelden, maar ik heb een hekel aan internationaal vliegen. Vooral het gedoe bij de douane stoort me. Vervolgens zit je dicht opeengepakt in een vliegtuig, waar je dan zit te luisteren naar de tekortschietende veiligheidsinstructies en ongevraagd een smakeloze maaltijd krijgt voorgeschoteld.

Maar vanavond land ik wel mooi in Teheran. Het is een grote stad die, eerlijk is eerlijk, niet heel mooi is. Ik zal naar het archeologisch museum gaan, dat weer wél heel mooi is. Ik zal een vriend ontmoeten die ik al te lang niet heb gezien, en traditiegetrouw bezoeken we een van de paleizen in de stad, waar ik traditiegetrouw niet echt van kan genieten omdat ik traditiegetrouw worstel met mijn jetlag.

We gaan enkele archeologische vindplaatsen bezoeken. Om te beginnen Hamadan, het antieke Ekbatana. Het is in feite de eerste hoofdstad van Iran, uit de zevende en vroege zesde eeuw v.Chr., maar er is nog nooit iets gevonden uit deze tijd, zodat archeologen er inmiddels vrij zeker van zijn dat ze op de verkeerde heuvel aan het graven zijn. Het nabijgelegen Tepe Nush-e Jan en Godin Tepe geven overigens een idee van hoe het eruit kan hebben gezien.

Herders in de Zagros

Daarna gaan we de Zagros over: een jong gebergte vol spectaculaire contrasten. We passeren Kangavar, waar een wonderlijk monument is te zien waarvan geen mens weet wat het is. Krachtens de Eerste Hoofdwet van de Archeologie (“als je niet weet wat het is, zal het wel religieus zijn”) wordt het een heiligdom genoemd, en omdat er een bron in de buurt is, heet het een watertempel, maar het is pure speculatie.

Even verderop is het beroemde Behistunreliëf, dat ooit de sleutel vormde tot de ontcijfering van het spijkerschrift. We hopen een oud graf in de omgeving te bezoeken en gaan dan door naar Kermanshah, waar, in een mooi tuincomplex, enkele reliëfs zijn uit de tijd van de Sasanieden. Dat zijn de koningen die in de derde tot en met vroege zesde eeuw n.Chr. over Iran en Irak heersten. Ik houd erg van hun kunst.

Choga Zanbil

Khuzestan, het zuidwesten van Iran, is de volgende halte. Ik wil nu eens naar Gundj-e Shapur, waar in de Sasanidische tijd een universiteit was waar ideeën uit de hele wereld samenkwamen. Er is van beweerd dat het de grondslag was voor de grootse islamitische wetenschappelijke traditie uit de Vroege Middeleeuwen, maar dat staat niet vast. We zullen Choga Zanbil bekijken, een gigantische bakstenen berg uit de Bronstijd.

Niet veel verderop ligt Susa, dat ooit een van de hoofdsteden was van het Achaimenidische Rijk, dat van 539 tot 330 heel Voor-Azië verenigde. Het is een wat desolate plaats die nogal te lijden heeft gehad van beschietingen tijdens de Iraaks-Iraanse Oorlog, maar het is ook een mooie plek. In het stadje zelf is het graf van de profeet Daniël, dat me altijd weer ontroert.

Dan terug over de bergen, naar Yasuj, waar Alexander de Grote Perzië binnentrok. Het gebied is geologisch nog volop in beweging en de kans is klein dat we ooit Macedonische vondsten zullen opgraven, maar ik kom er graag. De bergweg is prachtig en gelukkig hebben we een excellente chauffeur. Niet veel verderop zijn allerlei rotsreliëfs (1, 2, 3), die ik dit keer voor het eerst rustig wil gaan bekijken, en de even oude stad Bishapur, met nog meer rotsreliëfs (1, 2, 3, 4, 5, 6).

Shiraz is in Iran mijn favoriete stad. Er hangt een fijne sfeer en de graven van de dichters Hafez en Saadi hébben gewoon iets, zeker als je wel eens iets van de poëzie hebt gelezen. (Er is een mooie bundel met vertalingen, door De Bruijn, Een karavaan uit Perzië.) Ik kom ook graag in een van de religieuze scholen of in de citadel. Of het er dit keer van komt, weet ik niet, omdat ik ook nog naar enkele Sasanidische monumenten ten oosten van Shiraz wil.

Adelaar uit Naqsh-e Rustam

Even verderop ligt Persepolis – kijk hier maar om te weten wat er allemaal te bekijken valt. Het is een van de spectaculaire ruïnesteden ter wereld. We zullen er vrij veel tijd doorbrengen. Even verderop is Naqsh-e Rustam, met Achaimenidische koningsgraven en – alweer – Sasanidische rotsreliëfs. Ik word er altijd opgewacht door twee adelaars, en hoop die ook dit keer weer te zien.

Pasargadai: een enorme burcht, het graf van Cyrus de Grote en zijn paleis. Daarna de eindeloze rit naar Isfahan. Ik heb de reis nog nooit gemaakt zonder in slaap te vallen, dus het is maar goed dat we een chauffeur hebben. Maar aan het einde van de dag zijn we dan Isfahan, waar ongeveer de helft van de schoonheid van de wereld is verzameld.

Ik zie uit naar het weerzien met enkele vrienden en met dit mooie land. Helaas wacht aan het einde van de reis … de luchthaven. Om een bekende dichter te parafraseren: Iran is een mooi land, maar net iets te ver weg.


Koepelbouw in Isfahan

februari 3, 2013
De koepel van Taj al-Molk in de Vrijdagsmoskee in Isfahan

De koepel van Taj al-Molk in Isfahan

Het plaatje hierboven toont de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee in Isfahan. Een inscriptie vertelt dat het gewelf is gebouwd door een voorname hoveling, Taj al-Molk, in het jaar dat wij 1088 noemen. De constructie heeft een doorsnede van ongeveer negen meter: niet heel groot, maar toch noemde de architectuurhistoricus Arthur Pope het in zijn boek Persian Architecture “perhaps the most perfect dome known”.

Hij had het ook over “the perfection of a sonnet”, en hoewel ik die vergelijking niet zo goed begrijp, is wel duidelijk dat hij onder de indruk was van deze koepel. Daar is ook alle reden toe, want dit gewelf kan eigenlijk niet bestaan. Dat vergt wat uitleg.

Koepels hebben de onhebbelijke eigenschap rond te zijn. Als je de koepel op de grond zet, levert dat geen problemen op, denk maar aan een iglo. Het wordt anders als je de koepel bovenop een gebouw wil zetten. De Romeinse architect die het Pantheon bouwde, ontweek het probleem door onder het gewelf een eveneens rond gebouw te plaatsen, maar dit is vaak geen praktische vorm. Bouw maar eens een kast voor een ronde kamer.

Koepel in Sarvestan

Koepel in Sarvestan

Kortom: hoe plaatsen we een ronde koepel op een vierkante ruimte, een iglo bovenop een kubus? De simpelste oplossing is dat je in het dak van de kubus een rond gat maakt en daaromheen de koepel bouwt. Dat is ook wel eens gedaan, zoals in het charmante vijfde-eeuwse jachtpaleisje te Sarvestan in het zuiden van Iran. Er kleeft echter een heel groot nadeel aan deze constructiewijze: het gewicht van de koepel rust op slechts vier plaatsen, namelijk daar waar de onderrand drukt op de verticale muren. De koepel kan daarom nooit al te groot worden, omdat het gewicht de muren uit elkaar duwt.

Sultaniye

Soltaniye

Het zou al makkelijker zijn als je een achthoekig gebouw hebt: dan heb je (anders dan in een Pantheon-achtig gebouw) in elk geval rechte muren, waar je een kast tegenaan kunt zetten. Bovendien wordt in een achthoekig gebouw de druk van de koepel over het dubbele aantal punten verdeeld. De Rotskoepel in Jeruzalem is het bekendste voorbeeld; een ander voorbeeld is het kolossale mausoleum in Soltaniye, in noordwestelijk Iran. Toevallig heeft mijn zus ooit een foto genomen waarop is te zien hoe ik, barbaar, sta te telefoneren met de rug naar dat schitterende veertiende-eeuwse grafmonument.

Multan

Multan

Maar ook een achthoekig gebouw als basis voor een koepel is nog verre van volmaakt. Een van de nadelen is goed te zien op de foto hiernaast: het mausoleum van shah Rukn-e Alam uit Multan in Pakistan, ruwweg even oud als de koepel van Soltaniye. Weliswaar is de druk nu dus over acht in plaats van vier punten verdeeld, maar je hebt nog steeds zware steunberen nodig om te voorkomen dat het gewicht van de koepel de dragende muren uit elkaar duwt en het gebouw doet instorten. Achthoekige gebouwen zijn van de Late Oudheid tot het einde van de Middeleeuwen heel erg populair geweest, maar verdwenen weer toen bleek dat het toch mogelijk was een koepel op een vierkante ruimte te plaatsen. Het achthoekige plattegrond van de structuur onder de koepel was als oplossing niet langer noodzakelijk.

De nieuwe oplossing was dat men een achthoekige overgangszone construeerde tussen de kubus en de koepel. Zie het tekeningetje rechts. Een van de oudste mij bekende voorbeelden komt, alweer, uit Iran en is te zien op de foto hieronder: het paleis van koning Ardašir I (r.224-241) in Firuzabad.

Onderaan op de foto zie je een vierkante ruimte, die zich uitstrekt tot aan de onderste van de twee lijsten; daarboven zie je (met enige moeite) dat de linker- en de rechterhoek zijn afgesneden; en daarboven ligt een ronde lijst, waarop de koepel rust. Het is nog wat onbeholpen. De zone tussen de twee lijsten is niet echt mooi, en was in de Oudheid dan ook versierd met stucwerk. Maar het voordeel van de constructie is dat de druk van de koepel nu gelijkmatiger over de vier onderliggende muren werd verdeeld.

Firuzabad

Firuzabad

De afgesneden hoeken staan bekend als “trompen” en in een iets verder uitgewerkte vorm als “pendentieven”. Wie in West-Europa een barokkerk bezoekt, zal opvallen dat ze vaak beschilderd zijn met de portretten van de vier evangelisten.

Maar waarom zou je je beperken tot het afsnijden van maar vier hoeken en het scheppen van een achthoek? We kunnen toch ook de hoeken van de achthoek afsnijden en een zestienhoek maken? Of een tweeëndertighoek? Dat levert een nóg regelmatigere verdeling van de druk op.

En nu komen we in Isfahan, waar van 1072 tot 1092 koning Malik Shah regeerde. Zijn vizier Nizam al-Molk (“orde van het land”) bouwde in 1086-1087 de zuidelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Het was een ambitieus project, want van onder naar boven is er sprake van een vierhoekige ruimte die via een achthoek, een zestienhoek en een tweeëndertighoek overgaat in een mooie ronde koepel.

De rivaal van Nizam al-Molk, de al genoemde hoveling Taj al-Molk (“kroon van het land”), kon dat niet op zich laten zitten en bouwde de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Kijk nu nog even naar de foto hierboven (of klik hier). In de hoeken van de foto ziet u delen van de vier trompen en daarboven ligt de zestienhoek waarop het gewelf rust. Tot zover is er niets aan de hand, maar kijk nu even naar de decoratie: dat is een vijfpuntige ster. De punten vormen een regelmatige vijfhoek.

En daar wringt het. Vier, acht, zestien en tweeëndertig zijn machten van twee (je kunt ze schrijven als 2n). Ze zijn niet deelbaar door vijf, en dat zal je ook niet lukken met 64, 128, 256, 512, 1024, 2048… Nooit eindigt het getal op een vijf of een nul. Verschillende mensen hebben daarom de vraag gesteld hoe de makers van deze koepel erin zijn geslaagd een regelmatige vijfhoek te construeren binnen een zestienhoek. Dat kun je, simpel gezegd, niet met een liniaal en een passer.

De enige die rond 1088 de wiskundige kennis bezat om het probleem aan te pakken, was Omar Khayyam, die derdegraadsvergelijkingen kon oplossen. Veel reisgidsen vertellen daarom dat de geleerde dichter-filosoof-astronoom-wiskundige ook nog architect was, waarbij een belangrijk argument is dat er een romantisch verhaal bestaat dat hij al sinds zijn jeugd bevriend was met zowel vizier Nizam al-Molk als Hasan-e Sabah, de grondlegger van de religieuze orde der Assassijnen. U kent hem misschien als de “oude man van de bergen” uit de verhalen van Marco Polo.

Alleen, de vriendschap tussen deze drie mannen is vrijwel zeker fictief. Om te beginnen kunnen ze om chronologische redenen onmogelijk al sinds hun jeugd bevriend zijn geweest: Nizam al-Molk was dertig jaar ouder dan Omar Khayyam en Hasan-e Sabah. Bovendien is het verhaal pas twee eeuwen later opgetekend door een encyclopedist uit Hamadan, Rashid ad-Din Fadhlallah. Twee eeuwen is veel tijd, genoeg om een volksverhaal te laten ontstaan waarin drie van Irans superhelden – de geleerde, de bestuurder en de religieuze leider – met elkaar in verband werden gebracht.

Er is nog een ander bezwaar. Zelfs als Omar Khayyam bevriend was met Nizam al-Molk, dan is het toch wel raar dat hij uitgerekend diens aartsvijand Taj al-Molk hielp bij het construeren van een koepel die het bouwwerk van Nizam al-Molk in de schaduw stelde.

Ik denk dat er eigenlijk gewoon geen probleem is. De vraag hoe je binnen een zestienhoek een vijfhoek construeert, is intellectueel interessant, maar we hebben niet te maken met een intellectueel maar een architectonisch probleem. Ik denk dat de ontwerper heel simpel de 360⁰ van de cirkel door vijf heeft gedeeld en wist dat zijn vijfhoek om de 72⁰ een punt moest hebben. Het is jammer, want het zou leuk zijn geweest als Omar Khayyam een bijdrage had geleverd aan ‘s werelds perfectst-bekende koepel, mais on n’a pas besoin de cette hypothèse.


Omar Khayyam (2)

februari 3, 2013

khayyamIn mijn vorige blogpost introduceerde ik de Perzische dichter Omar Khayyam (1048-1131), wiens kwatrijnen door J.T.P. de Bruijn zijn vertaald onder de titel De ware zin heeft niemand nog verstaan (2009 Bulaaq). Ik wees op Omar Khayyams vele verwijzingen naar het drinken van wijn. Die kunnen letterlijk worden genomen maar ook figuurlijk, als een mystieke verwijzing naar de gelukzaligheid van een islamitische mysticus die zich in God geborgen weet. Maar was de dichter een mysticus?

Dat valt nog niet zo makkelijk uit te maken. Hij heeft veel geschreven, maar het meeste is wetenschappelijk van aard. Omar Khayyam was namelijk vooral wiskundige en astronoom. In die laatste hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor een kalenderhervorming en het is mogelijk dat hij begreep dat de aarde om zijn as draaide; als wiskundige wist hij oplossingen te vinden voor veel tot dan toe onbegrijpelijke derdegraadsvergelijkingen. Daarover is veel meer te vertellen, en ik zal nog een stukje schrijven over een heel bijzondere toepassing, maar de wetenschappelijke teksten leveren ons, zo lijkt het op het eerste gezicht, weinig op als we ’s mans religieuze opvattingen willen kennen en zijn kwatrijnen begrijpen.

Een complicerende factor is nog dat de meeste op zijn naam overgeleverde kwatrijnen niet door hem zijn geschreven. Veel dichters gingen schrijven in de geest van Omar Khayyam, en hun gedichtjes werden toegevoegd aan het bestaande corpus. Toch zijn er wel enkele kwatrijnen die zeker zijn geschreven door onze dichter, zoals:

De rondgang van ons komen en ons gaan,
Daar vind je geen begin, geen einde aan.
De ware zin heeft niemand nog verstaan:
vanwaar dit komen en waarheen dit gaan?

Een mooi, berustend gedicht, waarvan er vele zijn in de Rubaiyat. Ons menselijk handelen is, voor de auteur(s), allemaal vrij vergeefs. IJdelheid en het najagen van wind. Of, zoals Omar Khayyam het zegt: onze lichamen zijn gemaakt uit kleideeltjes en na onze dood zullen die lichamen ook weer uiteenvallen tot kleideeltjes, als grondstof voor een pottenbakker.

Vannacht, toen ik mijn kruik tegen een steen sloeg
– ik had mij zat gedronken in de kroeg –
“Ik was als jij, word jij als ik?”, het was alsof
de kruik mij dit met eigen woorden vroeg.

Stof zijn we en tot stof zullen we wederkeren. Maar het is nog erger: in het intermezzo tussen stof en stof, dus tijdens ons leven, kunnen we de werkelijkheid ook al niet goed kennen.

Mijn hart verlangde levenslang te weten.
Weinig geheimen liet ik ongeweten.
Met denken bracht ik dagen, nachten door:
ten slotte wist ik dat ik niets kon weten.

Dit kan leiden tot een gemakkelijk nihilisme, maar Omar Khayyam weet raad.

Liefste, geef mij toch waar het hart naar haakt:
je schoonheid, die de keten van mijn smachten slaakt.
Laten we samen snel een wijnkruik delen
voordat men uit ons stof weer nieuwe kruiken maakt.

De vraag is dus welke wijn hier wordt geschonken en wie de “liefste” is. De makkelijke lezing is de letterlijke: geniet van het leven zoals het is, want er valt toch niets van te begrijpen en er is niets verkeerd aan een goed glas in dito gezelschap. Tegelijk is er geen enkel bezwaar tegen de religieuze lezing: de liefste is God en Omar Khayyam wil zich met Hem verenigen. Daarvoor pleit in elk geval dat hij in een van zijn filosofische traktaten een aardige opmerking maakt over soefisme en door zijn tijdgenoten werd beschouwd als een vrome moslim. Dezelfde ambiguïteit spreekt uit het volgende kwatrijn, waarvan de laatste regel expliciet levensbeschouwelijk is:

Je weet toch dat het leven niet zo lang zal zijn?
Geniet dus maar rustig van je glaasje wijn.
Het kan geen kwaad en heeft althans één voordeel:
je bent voor even vrij van het bewuste zijn.

Moderne buste van Omar Khayyam

Moderne buste van Omar Khayyam

De meeste critici nemen aan dat Omar Khayyam wilde dat zijn gedichten op beide manieren werden gelezen. De vakterm is īhām, en het aardige is dat de auteur zijn gedicht overdraagt aan de lezer: die mag zelf uitmaken welke uitleg hij eraan wil geven. De dichter heeft het plezier van het schrijven gehad en nu het artistieke proces erop zit, is de poëzie van iedereen die haar nodig heeft.

Er is niets mis met deze interpretatie, maar ik denk zelf dat het nog een stap complexer ligt. Als Omar Khayyam een soefi was die meende niets te weten, waarom troostte hij zich dan immers de moeite om de ingewikkeldste wiskundige bewijzen te leveren en de moeilijkste astronomische berekeningen uit te voeren? Het zijn nogal wereldse activiteiten, die niet passen bij iemand die het hier en nu ondergeschikt maakt aan het goddelijke.

Ik denk daarom dat er wel eens nog een derde betekenis zou kunnen zijn voor Omar Khayyams wijn: het genot van het denken zelf. De vreugde als je iets ontdekt, als je begrijpt hoe iets in elkaar steekt, als je een aha-erlebnis hebt (hier een voorbeeld van Marco de Baar, en hier en daar van mezelf). De wetenschappelijke teksten van Omar Khayyam zijn, bij nader inzien, de sleutel om zijn poëzie te begrijpen: niet om hun inhoud, maar door het enkele feit dat ze er zijn en bewijzen dat de dichter niet zomaar als soefi kan worden gekwalificeerd. Omar Khayyam beleefde vooral plezier aan zijn wetenschappelijke activiteit, zelfs al wist hij dat hij nooit alle vragen zou oplossen.

[toegift]


Surfen in Iran

oktober 2, 2012

Het Lot is altijd dwarser

juli 26, 2012

Het graf van Hafez

In een online-discussie met een vriend kwam de Iraanse dichter Hafez ter sprake. Hij leefde in de veertiende eeuw in Shiraz, een stad die miraculeus wist te ontsnappen aan de grote invasies van de Mongolen. Hafez’ liefde voor zijn vaderstad is voor een deel te verklaren door het simpele feit dat buitenlandse reizen niet heel veilig waren.

Zijn poëzie heeft de vorm van liefdesliedjes, en vaak gaat het inderdaad over liefde. Ook kroegen en drank worden bezongen, en het is zonder meer mogelijk de gedichten van Hafez te lezen als lof van Wein, Weib & Gesang. Het is echter wel Perzische poëzie, waarin het vaak een spel is dingen zó te zeggen dat ze lijken op iets anders. Wie eenmaal begrijpt dat de Geliefde ook God kan zijn en dat wijn kan staan voor de goddelijke extase, leest de poëzie van het oude Iran heel anders. Deze ambiguïteit heet iham en is opzettelijk, al heb je bij Hafez wel heel vaak het gevoel dat hij meer nadruk legt op de materiële kant van de zaak dan bijvoorbeeld Omar Khayyam, voor wie de mystieke kant belangrijker lijkt te zijn geweest.

Het graf van Hafez

Omdat Hafez de aardse liefde zeker op het oog heeft gehad, gaat menige huwelijksreis in Iran naar Shiraz. Zijn graf wordt veel bezocht. Ik heb er wel eens een vrouw zien huilen en een Iraanse vriend van me zal bij het graf altijd even zijn echtgenote bellen, opdat die iets meekrijgt van de sfeer.

De gedichten van Hafez, verzameld in een collectie die bekendstaat als de Divan, gelden als orakel. Je betaalt wat geld en een parkiet pikt dan een briefje met een versregel. Mijn Iraanse vriend vertaalde er eens een, ten behoeve van een Nederlander die net zijn echtgenote had verloren. “Verdriet is als het water van een fontein,” zou er hebben gestaan, “het komt op maar valt ook weer neer”. De man was door deze, eh, vertaling getroost, maar het volgende gedicht is wél van Hafez.

Als ik achter hem aan ga, maakt hij groot misbaar,
En als ik niet meer zoek, staat hij op vol haat.
En als ik één moment hunkerend langs de weg
Aan zijn voeten val als het stof, vlucht hij weg.

En bedel ik om een halve kus, honderd vloeken
Regenen neer uit de doos van zijn suikeren mond.
Bespeur ik het bedrog in je narcissenogen,
De glans van mijn tranen mengt zich met het stof van de weg.

Beproeving zet vallen overal in de liefdeswoestijn;
Wiens hart is zo dapper dat het niet terugschrikt voor zo’n test?
Heb je tijd van leven en geduld, de hemelse goochelaar
Zal je nog honderd veel vreemdere trucs laten zien!

Buig het hoofd, Hafez, voor de poort van overgave,
Want hoe dwars je ook bent, het Lot is altijd dwarser.

De vertaling is van J.T.P. de Bruijn. Ik kan even niet controleren of het afkomstig is uit het boek Een karavaan uit Perzië, maar vermoedt van wel en breng het in elk geval graag even onder uw aandacht.


Viermaal propaganda

juli 18, 2012

De Cyruscilinder

De Cyruscilinder werd ontdekt in 1879 en was op slag een van de beroemdste teksten uit de oude wereld. Joodse en christelijke apologeten werden niet moe de tekst te citeren om te bewijzen dat de Bijbel historisch betrouwbaar was.

Dat was echter niet het enige propagandistische gebruik van de cilinder. Zowel in de Oudheid als heden ten dage heeft/had het voorwerp een grote symbolische betekenis. Een paar jaar geleden publiceerde ik er een artikel over, dat nu hier online is. Pittige kost, maar – al zeg ik het zelf – wel interessant, en met een heel erg wrange conclusie.


De lol van geschiedenis (2)

juli 6, 2012

De Perzische Poort

We waren de eersten, na een millenium of twee, die de plek bezochten en wisten wat er was gebeurd. Vroeg in de ochtend hadden we in Shiraz een taxi gehuurd en waren we vertrokken naar Yasuj, 150 kilometer naar het noordwesten. Zoals alle Iraniërs was onze chauffeur een en al beleefdheid en deed hij zijn uiterste best ons het gevoel te geven dat we thuis waren. Het bandje van Modern Talking was al vier keer voor ons afgedraaid toen we op onze bestemming waren aangekomen.

De laatste die het had geprobeerd, was Henri Speck geweest. Dat was 1979. Hij doceerde Engelse letterkunde aan de Amerikaanse Universiteit van Shiraz, hield van wandelen en fietsen door het prachtige zuiden van Iran, en probeerde de Perzische Poort te vinden, de bergpas waar Alexander de Grote zich een weg door het Zagrosgebergte had gevochten. Speck had al vastgesteld dat alle eerdere identificaties onjuist waren, en had uitgeknobbeld dat het slagveld in feite de Tang-e Meyran bij Yasuj was. Helaas kon hij de plaats nooit bezoeken. Toen hij in het kleine stadje kwam aanfietsen, was de Iraanse Revolutie begonnen. Bij het politiekantoor hoorde hij dat Amerikanen niet veilig waren.

Speck fietste dus verder naar Basra, werkte nog een tijd in Mosul, en belandde uiteindelijk in Oxford. Zijn onderzoek naar de Perzische Poort verdween in een la. Tot hij zijn ongepubliceerde artikel terugvond en het in 2002, zonder de foto’s die hij eigenlijk had willen hebben, toch maar publiceerde. Hij was tot acht kilometer van zijn doel gekomen.

Het slagveld bij de Perzische Poort

Mijn reisgenoot Marco en ik hadden meer succes. Het was eenvoudig de Tang-e Meyran te vinden, en ook het bergpad waarlangs de Macedoniërs om de Perzische posities waren getrokken, was makkelijk gevonden. Rond het middaguur wisten we al zeker dat Speck gelijk had gehad. Het was jammer dat de Amerikaan niet bij ons was: de eersten die op dit punt stonden, wetend welke historische gebeurtenis zich hier had afgespeeld. We voelden ons bevoorrecht en staken de Italiaanse sigaren op die we voor de gelegenheid hadden gereserveerd. 18 februari 2004 is een van de gelukkigste dagen van mijn leven.

Net als het stukje dat ik gisteren publiceerde, gaat ook dit over de magie die je ondervindt als je het verleden even kunt aanraken. Omdat ik in feite hetzelfde verhaal vertel en ik een luie donder ben, rond ik af met dezelfde woorden als gisteren: deze ervaring is de reden om het verleden te bestuderen. De vraag “waarom houd je je bezig met geschiedenis?” is even stompzinnig als “waarom zit je graag in de tuin?”, “waarom schaakt u eigenlijk?” of “hou je van wandelen?”

Geschiedenis is gewoon leuk en dat is genoeg. De vraag waartoe het dient is niet ter zake. Dat verklaart vanzelfsprekend niet waarom overheden geld besteden aan historisch onderzoek. Dat is een heel andere kwestie.

Literatuur

Henry Speck, “Alexander at the Persian Gates. A Study in Historiography and Topography” in: American Journal of Ancient History n.s. 1.1 (2002) 15-234.

***

Voor het overige ben ik van mening dat het zinvol is een parlementair onderzoek in te stellen naar de uitvoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 223 andere volgers