Isfahan

augustus 3, 2013
De Lotfollah-moskee

De Lotfollah-moskee

Is Isfahan de mooiste stad ter wereld? Dat zou zomaar eens waar kunnen zijn. In de zestiende eeuw werd het de hoofdstad van het Perzische Rijk, dat een bloeitijd meemaakte onder Sjah Abbas de Grote (r.1588-1629). De stad werd systematisch uitgebreid en zoals in die tijd gebruikelijk was, gebeurde dat door kaarsrechte straten te plannen. Anders dan de even oude straten van de Piano Sistino in Rome, die al snel te smal bleken, is de Isfahaanse Viertuinenstraat nog altijd een belangrijke verkeersader, met een langgerekt park als middenberm.

De Viertuinenstraat verbindt de Armeense wijk in het zuiden, via een van Isfahans beroemde bruggen, met de koninklijke residenties. Langs deze straat ligt het Paleis met de acht tuinen; even verderop ligt het Veertigzuilenpaleis; en nog even verderop geeft het Paleis met de Hoge Poort toegang tot het grote plein van Isfahan. Ja, er zijn nogal wat paleizen in Isfahan. Parken ook trouwens.

Dinosaurussen

Dinosaurussen

Het Veertigzuilenpaleis heeft in feite maar twintig zuilen, maar er voor ligt een mooie vijver die het twintigtal weerspiegelt en het totaal op veertig brengt. Het paleisje zelf heeft enkele mooie schilderingen, en je zult ergens een Hollander met een Keeshond ontwaren. Nederlanders waren bepaald geen zeldzaamheid in het Isfahan van die tijd; de Republiek had er een consulaat. In hetzelfde park is overigens een klein natuurhistorisch museum, waarin de evolutieleer wordt uitgelegd. Daar staan ook wat fleurige beelden van dino’s, die ik zelf altijd leuk vind contrasteren met de zeventiende-eeuwse pracht van het paleis.

Isfahan vanaf het Paleis van de Hoge Poort

Het Paleis van de Hoge Poort is misschien nog het beste voor te stellen als – inderdaad – een hoge poort, waarboven zich enkele vertrekken bevinden. Aan de voorzijde is een terras, waarvandaan de sjah kon kijken naar de polowedstrijden op het plein. Als die voorbij waren en hij behoefte had aan ander vermaak, kon hij naar de muziekkamer gaan.

Decoratie van de Koninklijke Moskee

Decoratie van de Koninklijke Moskee

De doelpalen van het polospel zijn nog steeds te zien op het grote plein, maar vallen nauwelijks op. Het bestaat grotendeels uit een park met fonteinen. Aan de zuidwestkant is de Koningsmoskee (ook wel aangeduid als de Moskee van de Imam of de Moskee van Shah Abbas), die een wereldwonder is. Je hebt nog nooit een mozaïek gezien als je hier nog nooit bent geweest. Het blauw, dat in deze tijd een modekleur was, overweegt.

Maar zelfs als je deze moskee hebt bezocht, geldt dat je nog nooit een mozaïek hebt gezien. Je bent immers nog niet geweest in de Sjeik Lotfollah-moskee, die is genoemd naar een sji’itische rechtsgeleerde die uit Libanon naar Isfahan was verhuisd. Deze moskee werd alleen gebruikt door de leden van het koninklijk huis. Het plafondmozaïek is adembenemend en ik vermoed dat als je in de hemel bent en naar boven kijkt, je in de hemel-van-de-hemel het plafond zult zien van de Lotfollah.

Vrijdagsmoskee

Vrijdagsmoskee

Maar ook wie de Lotfollah heeft gezien, heeft nog geen moskee gezien. Daarvoor moet je door de rommelige en gezellige bazaar wandelen, en dan kom je uit bij de Vrijdagsmoskee. Het is een kalm gebouw, en grote delen ervan bestaan uit bakstenen. Het spreekt mensen uit Nederland, het land van de Amsterdamse School, altijd aan. Ik ontdek er elke keer wat nieuws. Over de koepel blogde ik al eens.

Kortom, u moet naar Isfahan. U zult er geen spijt van krijgen.

Overigens: deze week zijn plannen gemaakt om de website van Livius.nl te verbeteren. Een oude wens is om daar ruimte te krijgen om meer achtergrondinformatie te verstrekken over onze reizen – informatie die anders is dan die op Livius.org. Ik zal de komende tijd dus wat vaker bloggen over steden uit het Midden-Oosten. Als u ze wil bezoeken, kunt u natuurlijk altijd mee met een van de reizen die Livius organiseert. Zoals deze reis naar Iran.


Farhad en Shirin

juni 29, 2013

Kapiteel uit Behistun met het portret van Khusrau II

De Sasanidische koning Khusrau II (r.591-628) was een machtige heerser. Zoals ik in mijn vorige stukje aangaf, veroverde hij vanuit Perzië grote delen van Anatolië en heel Syrië, Palestina en Egypte. Hij lijkt zijn overwinningen te hebben willen vieren met een reliëf in Behistun, waar Perzische vorsten al eerder hun successen hadden herdacht. Een deel van de rotswand is inderdaad klaargemaakt om te worden voorzien van een reliëf. Niet veel verderop zijn de funderingen te zien van een paleis dat Khusrau heeft laten bouwen.

De herinnering aan Khusraus bouwplannen is levend gebleven in de Iraanse volkscultuur. De dichter Nizami (1141-1209) heeft er een mooi verhaal over geschreven, dat is overgenomen, bewerkt en veranderd door generaties van rondreizende vertellers, die er op de dorpsmarkten een hele show van konden maken, aangepast aan de situatie ter plekke. Het verhaal is dus overgeleverd in verschillende varianten, waaronder een scenario uit een Turks poppentheater. Hieronder een variant die ik in 2004 hoorde in een Perzisch restaurant. Nizami’s verhaal is anders.

**

Koning Khusrau had verschillende echtgenotes, maar hield vooral veel van de mooie Shirin (“lieflijk”). Zij weet niet dat ze nog een andere bewonderaar heeft, de bouwmeester Farhad, die bijna gek wordt van verliefdheid en, tegen elk gezond verstand in, besluit ’s konings geliefde het hof te maken. Hij schrijft liedjes en brengt ze ten gehore – en bereikt zijn doel: Shirin hoort de liedjes en wordt verliefd op de zanger.

Helaas heeft ook Khusrau de liedjes gehoord. De koning wordt jaloers, maar kan, als koning, niet anders dan waardig handelen: standrechtelijke executies zijn derhalve geen optie. Hij besluit zijn liefdesrivaal van het hof weg te sturen. Een verblijf op het platteland, waar hij Shirin niet meer zal zien, zal de bouwmeester goed doen, en dus gelast de vorst Farhad de rots van Behistun uit te graven om een bron te vinden. Als de werkzaamheden zijn voltooid, mag hij terugkeren en kan Farhad, als zijn verliefdheid dan nog niet voorbij is en Shirin deze beantwoordt, alsnog met haar trouwen.

Vele jaren verstrijken. Farhad werkt in Behistun. Soms ziet hij de Perzische legers langs marcheren. Dan onderbreekt hij zijn werk om de soldaten te vragen of er nieuws is van het hof. Ze vertellen hem dat Khusrau nog steeds aan de macht is en dat Shirin nog altijd zijn echtgenote is. Hoewel Farhad blij is dat zijn geliefde nog leeft, stemmen de woorden hem droef. En zijn positie is uitzichtloos: hij heeft de rots al voor de helft afgegraven en nog steeds geen water gevonden.

Om de gunst van de koning te herwinnen, besluit hij een mooi monument op te richten, dat Khusrau met zijn verslagen vijanden toont. De koning laat hem weten dat hij er heel blij mee is, maar dat hij, een koning zijnde een koning, een eerder genomen besluit niet kan terugnemen.

Farhad is wanhopig en wil zich van de rots werpen, maar zoals steeds wanneer de wanhoop hem te groot wordt, denkt hij aan Shirin en herwint hij de wil tot leven. Hij graaft verder en op een mooie dag vindt hij water. Blij gooit hij zijn gereedschap weg en stuurt hij een boodschap naar Khusrau.

De koning stuurt een oude vrouw naar Behistun, die Farhad komt vertellen dat Khusrau hem graag aan het hof onthaalt, omdat ze dan samen kunnen rouwen om hun gemeenschappelijke verlies. Als Farhad vraagt wat de koning bedoelt, legt de vrouw uit dat Shirin onlangs is overleden. De bouwmeester is diep, diep geschokt. Zijn geest, die al instabiel was door zijn tragische liefde en door het vele werk in Behistun, bezwijkt en, in een daad van waanzin, gooit Farhad zichzelf van de rots naar beneden.

Uiteraard is Shirin in feite nog in leven. Als ze hoort dat haar geliefde dood is en welk dubbelspel de koning heeft gespeeld, verhangt ze zichzelf.


Een wrange klucht

april 1, 2013

Een van de Persepolis Fortification Tablets

Lang geleden, in 1931, streek een team Amerikaanse archeologen neer in Persepolis. Het is een van de mooiste vindplaatsen ter wereld en als u nog nooit in Iran bent geweest, is Persepolis beslist een reden om die kant op te gaan. De archeologen konden hun geluk dus niet op en deden wat alle archeologen doen: zoveel mogelijk opgraven. U moet hier maar eens kijken naar de foto’s uit de jaren dertig. Het accent op de opgraving betekende echter onvermijdelijk dat een deel van de vondsten nooit is gepubliceerd, domweg omdat de middelen, na zo uitgebreide opgravingen, ontbraken.

De Persepolis Fortification Tablets kwamen zo in het gedrang. Het gaat om een collectie van een kleine 25.000 fragmenten, die lijken te hebben behoord tot zo’n 18.000 teksten. Daarvan werd maar een deel uitgegeven: meest administratieve documenten, die helpen het economische leven van het antieke Perzië te begrijpen. Ook voor politieke geschiedenis zijn ze belangrijk: zo is er ergens een voucher dat een zekere Datiya gebruik kan maken van de Koninklijke Weg naar het westen, en dit bevestigt dat de commandant van de Perzische troepen in de slag bij Marathon inderdaad Datis heette, zoals Herodotos schrijft. Sprekend over Herodotos, de Persepolis Fortification Tablets bewijzen dat de Perzische namen die de Griekse auteur noemt, kloppen.

Maar lang niet alles werd gepubliceerd, wat overigens niet ongebruikelijk is. Onze musea en de archeologische depots liggen vol met nog te verwerken vondsten. Maar zo komt het dus dat er allerlei Iraanse voorwerpen in Amerikaanse universiteitsmusea liggen: in Chicago bijvoorbeeld, maar een soortgelijke collectie ligt in Harvard.

Ze zouden daar nog liggen verstoffen als ze een paar jaar geleden niet de inzet waren geworden van een juridische controverse, waarvan de wortels liggen in de jaren tachtig. Op 23 oktober 1983 blies een zelfmoordterrorist zichzelf op in de Amerikaanse marinierskazerne te Beiroet (meer). Daarbij kwamen 241 mensen om het leven, en er vielen nog meer gewonden. En de Amerikaanse sociale zekerheid zijnde zoals ze is, was er voor de gewonden en de nabestaanden weinig geld beschikbaar. Dat werd nog erger toen de regering-Bush Afghanistan en Irak binnenviel en immense schulden begon te maken, die werden afgedekt door te korten op de sociale uitkeringen.

Een groep nabestaanden besloot daarop de terroristen aansprakelijk te stellen. Ze behoorden tot de aan de Hezbollah gelieerde maar inmiddels opgeheven Islamitische Jihad, en dus verschoof de aanklacht naar de opdrachtgever: Iran. Aangezien de Verenigde Staten daarmee geen contact hebben, was er maar één oplossing, namelijk beslag leggen op Iraanse goederen in Amerika – zoals de kleitabletten.

De rechtszaken hadden één voordeel: er werd nu tenminste werk gemaakt van de uitgave van het verstoffende materiaal. (Hierbij was bijvoorbeeld de Nederlandse onderzoeker Wouter Henkelman betrokken.) Verder hebben alleen de advocaten er voordeel van gehad en kennen de juridische procedures in feite geen winnaars. In 2011 werd voor Chicago bepaald dat de schadeclaim moest worden afgewezen en dit berichtje heeft dezelfde strekking, nu voor Harvard. Fijn voor de wetenschap, maar voor de nabestaanden is nog altijd bitter weinig geregeld.


Filmpje over Iran

maart 19, 2013

Zoals de lezers van deze kleine blog weten, was ik onlangs in Iran. Hier zijn wat beelden.


Neo-Achaimenidische kunst (3)

maart 16, 2013
Boodschappentas

Boodschappentas

In het eerste en tweede deel van dit artikel beschreef ik de neo-achaimenidische kunst van Iran, die is ontstaan in de jaren waarin Reza Sjah probeerde het land te moderniseren. Het had kunnen worden uitgelegd als een breuk met de islam, maar de voor-islamitische wereld, waarin de zoroastrische godsdienst was ontstaan, werd niet ervaren als tegengesteld aan de islam, maar als een voorstadium daarvan. Daarom accepteerden de geestelijken de neo-achaimenidische kunst.

Toch is er kritiek geweest. Jalal Al-e Ahmad (1923-1969), een beroemde Iraanse intellectueel die sji’itische ideeën combineerde met het existentialisme, protesteerde tegen wat hij correct uitlegde als het scheppen van kunstmatig historisch erfgoed. Het was simpelweg onauthentiek, en voor een volgeling van Sartre en Camus was dat niet aanvaardbaar.

Klok

Klok

Maar welke alternatieven hadden Reza Sjah en zijn zoon Mohamad Reza Sjah? Ze wilden de eenheid van de natie benadrukken, en de meest voor de hand liggende manier – wijzen op de nationale variant van de islam, de sji’a – was onmogelijk omdat men een modern, seculier bewind wilde voeren met een sterke staat. De Achaimenidische en Sassanidische vorsten, die een gecentraliseerd en machtige koninkrijk hadden bestuurd, waren mooie rolmodellen. De kunst van de Brons- en IJzertijd, waarin Iran verdeeld was geweest of het staatsapparaat zwak was geweest, was minder geschikt voor navolging, en om soortgelijke redenen waren de Parthen minder populair.

De Cyruscilinder is ook leverbaar als vulpen of koffiemok.

De Cyruscilinder is ook leverbaar als vulpen, tapijt of koffiemok.

In 1971 vierde Mohamad Reza Shah het 2500-jarig bestaan van de Iraanse monarchie, waarbij hij zichzelf presenteerde als de laatste in een continue lijn van Iraanse koningen, die was begonnen met Cyrus de Grote. Officiële verklaringen uit deze jaren tonen hoe de sjah zijn onderdanen wilde doen geloven dat er een verschil was tussen het echte, seculiere en Perzische verleden van de Achaimeniden en Sassaniden, en het valse, religieuze en Arabische verleden van de middeleeuwen. Zo waren uit de geautoriseerde vertaling van de Cyruscilinder, een belangrijk nationaal symbool, alle verwijzingen naar ’s konings religieuze opvattingen weggelaten.

Mohamad Reza Shah introduceerde ook een nieuwe kalender, die begon met Cyrus. Deze werd echter nooit populair en de festiviteiten van 1971 waren, met een kwart miljard dollar, zó duur dat de meeste Iraniërs een antipathie voor hun vorst begonnen te voelen. Toen de Revolutie kwam, waren er vrome ijveraars die de Achaimenidische en Sassanidische monumenten probeerden te vernietigen. Sporen van vandalisme zijn zichtbaar in bijvoorbeeld Naqš-e Rajab.

Sleutelhanger

Sleutelhanger

De islamitische regering heeft echter nooit geprobeerd Irans pre-islamitische verleden uit te vlakken (al is dit voor veel nationalistische ballingen axiomatisch). De sji’itische autoriteiten kúnnen ook helemaal niet breken met het alleroudste verleden van hun land. Het idee dat de Iraniërs, in de persoon van de profeet Zarathustra, het monotheïsme al hadden ontdekt vóór de Arabieren, is immers een deel van de sji’itische ideologie. Te zeggen dat alles uit de voor-islamitische tijd waardeloos is, zou neerkomen op de conclusie dat men eigenlijk ook wel soennitisch had kunnen worden en Arabisch had kunnen gaan spreken.

Ahuramazda op een taxi

Ahuramazda op een taxi

Dit verklaart een van Irans vele paradoxen: waarom sommige overheidsgebouwen in de islamitische republiek zijn voorzien van de symbolen van een andere religie, en waarom zoveel mensen hun huizen versieren met een soort kunst die eigenlijk al twee millennia oud is. Door te verzinnen dat de zoroastriërs altijd monotheïsten zijn geweest, zijn ze veranderd in een voorstadium van de sji’a en behoren ze tot het erfgoed van de sji’itische staat.

Als historicus kan ik betreuren dat de Iraniërs zo gemakkelijk omgaan met hun verleden, maar het is ook fascinerend te zien hoe een land zich een verleden kan aanmeten. Dat is een van de dingen waarover ik me eindeloos kan verbazen.


Neo-Achaimenidische kunst (2)

maart 16, 2013
Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Achaimenidische sfinxenhoofden op een kapiteel.

Ik beschreef in het eerste deel van dit stuk mijn verbazing over de talloze neo-achaimenidische kunstvoorwerpen en prullaria die je overal in Iran ziet. Ze zijn geïnspireerd door een voor-islamitische godsdienst en dienden – zoals ik nog zal beschrijven – een seculiere propaganda, zodat het wat wonderlijk is dat ze alomtegenwoordig zijn in een islamitische republiek.

Eén reden waarom ze nog steeds bestaan, is dat de Iraniërs niet het idee hebben dat er een tegenstelling is tussen de godsdienst van het antieke Perzië en de islam. Al in de elfde eeuw waren de Iraniërs ervan overtuigd dat hun oergodsdienst, het door de profeet Zarathustra gestichte zoroastrisme, een vorm van monotheïsme was. De oude Perzen zouden Mohammeds openbaring alleen nodig hebben gehad voor de fijne details, maar ze hadden zelf, en als eersten, ontdekt dat God één was.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

De ruïnes van Persepolis op een doos met noga.

Dat het zoroastrisme pas in de Vroege Middeleeuwen van polytheïsme is veranderd in monotheïsme en dat het Iraanse beeld van de oergodsdienst dus onjuist is, is nu niet ter zake: het gaat me erom dat het voor Iraniërs vrij eenvoudig is de komst van de islam te beschouwen als een voortzetting van een in eigen land begonnen ontwikkeling. De huidige Iraanse regering zorgt dan ook redelijk goed voor de voor-islamitische monumenten. Dit betekent niet dat je in een moskee ook neo-achaimenidische bloemenvazen kunt zien (hoewel ik er een zag in Nishapur), maar de eigenaar van een miniatuur-Behistunreliëf is niet per se een tegenstander van de islamitische republiek.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

Ahuramazda op een ridderorde van de sjah.

En toch: de neo-achaimenidische stijl heeft zijn wortels in antireligieuze propaganda. In 1926 werd Reza Khan de nieuwe sjah van Perzië, met “Pahlavi” als dynastieke naam. Net als zijn tijdgenoot Atatürk was hij geïnteresseerd in het voor-islamitische verleden: niet alleen meenden beide mannen dat religie en bijgeloof de vooruitgang in de weg stonden, maar ze dachten ook dat het oudste verleden een bron van inspiratie moest zijn en eenheid kon geven aan de volken die ze zochten te verjongen. De kroon van Reza Sjah was geïnspireerd op die van deSassanidische koning Shapur I; de trappen in zijn paleis in Teheran waren versierd met de soldaten op de trappen in Persepolis; Amerikaanse archeologen werden uitgenodigd om te graven in de oude Achaimenidische hoofdsteden. Tegelijkertijd werd geprobeerd de Perzische taal te zuiveren van Arabische invloeden.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Ministerie van Buitenlandse Zaken, Teheran.

Het was in deze context dat de neo-achaimenidische stijl ontstond. Tot de mooiste voorbeelden behoren de Iraanse overheidsgebouwen, die zeker een omweg waard zijn bij een bezoek aan Teheran. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is gevestigd in een mooie kopie van de apadana in Persepolis, en even verderop zit de Nationale Bank, dat eveneens is gedecoreerd met oeroude motieven. Beide bouwwerken staan op loopafstand van het Golestanpaleis, dat in de huidige vorm dateert uit de late negentiende eeuw: wie ze vergelijkt, realiseert zich hoe schokkend nieuw de modern-antieke gebouwen moeten zijn geweest. De decoratie van het paleis staat in de traditie van de monumenten van Shiraz en Isfahan: mooie betegelde muren bijvoorbeeld, in geometrische patronen. Je zult op de neo-achaimenidische gebouwen daarentegen geen tegels zien. Het is alsof je van Biedermeier rechtstreeks overstapt naar Bauhaus.

Achaimenidische krijgers boven een tunnelingang van de spoorlijn-in-aanleg van Isfahan naar Shiraz.

Achaimenidische krijgers boven een onlangs gebouwde spoortunnel: ook de Islamitische Republiek gebruikt de Neo-Achaimenidische beeldentaal.

De sji’itische geestelijken protesteerden niet tegen de nieuwe architectuur, hoewel de afbeelding van Ahuramazda op de gebouwen welbeschouwd een klap was in hun gezicht. Toegegeven, veel Iraniërs geloofden – en velen geloven nog steeds – dat het teken niet de hoogste God weergeeft maar Zijn zichtbare glorie, maar behoudende gelovigen hadden het zeker kwetsend kunnen vinden: het gebruik van een zoroastrisch symbool in een land met een overwegend islamitische bevolking is werkelijk vreemd. De geestelijkheid accepteerde het echter, in elk geval op de wereldlijke gebouwen. Het voor-islamitische verleden was immers niet tegengesteld aan de islam, maar een voorstadium van dat geloof.

[wordt vervolgd]


Neo-Achaimenidische kunst (1)

maart 15, 2013

tehran_foreign_ministry5

Het symbool hierboven is een moderne weergave van een teken dat ook kan worden gezien op talloze antieke monumenten in Iran. Iranologen vergelijken het met de Assyrische iconografie van de god Aššur en zeggen dat het de oppergod van het oude Iran representeert, Ahuramazda. Moderne zoroastriërs en moslims zeggen echter dat het, aangezien het goddelijke niet kan worden afgebeeld, moet gaan om een weergave van farvahar, de zichtbare glorie van Ahuramazda. Hoe dit ook zij, het is zeker een symbool uit de voor-islamitische tijd. Daarom is het wat verrassend dat de foto hierboven een detail toont van de façade van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Teheran, de hoofdstad van de Islamitische Republiek Iran.

Ahuramazda als halsketting

Ahuramazda als halsketting

Dit zegt veel over de wijze waarop Iraniërs omgaan met hun verleden, dat enorm belangrijk voor ze is. Als Nederlander kan ik me niet voorstellen dat ik ooit een stoel zal bezitten met daarop afbeeldingen van Bataafse ruiters, of een klok met een Cananefatische vorst, of gordijnen met de ruïnes van het badhuis van Heerlen. Ook denk ik niet dat ik ooit een halsketting zal dragen met een Friese godheid of dat de Nederlandse regering een Keltisch symbool zal aanbrengen op een overheidsgebouw. In Iran is het echter heel normaal dat Onsterfelijken je open haard bewaken, dat je meubels zijn voorzien van Achaimenidische sfinxen, dat koning Darius is afgebeeld op je behang, of dat Ahuramazda hangt aan je halsketting of de façade van een ministerie siert. De grootste private bank van het land, Pasargad, heeft als logo een gouden Achaimenidische drinkhoorn, er zijn koekjestrommels met foto’s van Persepolis en menig restaurant heeft schilderijen met oudhistorische taferelen. Het is in Iran moeilijk kunst te vermijden die is geïnspireerd op de voor-islamitische tijd.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Een Achaimenidische drinkhoorn als bloemenvaas; dit is ook het logo van de bank Pasargad.

Het verbaast me elke keer weer. De westerse architectuur heeft haar classicismes gehad, maar geen eigentijdse architect zal de dorische, ionische en korinrhische bouworde nog gebruiken. Ook is het classicisme nooit een volkskunst geweest: de Arc de Triomphe in Parijs en de Brandenburger Tor in Berlijn zijn overheidsprojecten. Voor een Nederlander is de Iraanse retro-kunst verbazingwekkend.

Even verbazingwekkend is de selectie: de hedendaagse kunstenaars en souvenirmakers benutten vooral motieven uit de kunst van de Achaimeniden, de dynastie die in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. heerste over Iran. Daarom zal ik het hier verder aanduiden als ‘neo-achaimenidische’ kunst, hoewel er ook motieven worden gebruikt uit de tijd van de Sassaniden (224-651). De tussenliggende tijd, toen de Parthen over het land heersten, is geen bron van inspiratie. Evenmin is er belangstelling voor de Koper-, Brons- en IJzertijd, hoewel het oudste aardwerk uit Sousa buitengewoon appelleert aan de hedendaagse smaak en de trappenpiramide van Choga Zanbil bepaald indrukwekkend is.

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Wanddecoratie in het Ferdowsi-hotel in Teheran. (Het centrale deel is overigens geïnspireerd door een Assyrisch reliëf uit het British Museum.)

Maar wat me het meest verbaast aan het gebruik van antieke symbolen en motieven, dat zijn wortels heeft in de propaganda van de eerste helft van de twintigste eeuw, is dat het zijn politieke betekenis lijkt te hebben verloren. Althans in Iran: degenen die na de Iraanse Revolutie van 1979 met de laatste sjah in ballingschap gingen, gebruiken de neo-achaimenidische kunst nog wel eens om te suggereren dat er een continuïteit is van de Oudheid tot op heden. Voor hen is de monarchie, en niet de voor Iran zo specifieke sji’itische islam, datgene wat de bewoners van het land door de eeuwen heen heeft verbonden. De islam beschouwen ze als een wezensvreemd, Arabisch element in de Perzische cultuur van Iran.

De visie die de ballingen hebben op het Iraanse verleden, blijft dicht bij de oorspronkelijke propaganda. Daarover zal ik volgende keer bloggen, maar eerst zal ik ingaan op de vraag waarom de politieke lading kon verdwijnen.

[wordt vervolgd]


Iraans bier

maart 14, 2013
Jojo-bier

Jojo-bier

“Iraans bier” klinkt als een contradictio in terminis, maar het bestaat wel degelijk. Het is alleen – en dat zal u niet verbazen – alcoholvrij. Er zijn verschillende plaatselijke merken, zoals Delster en Istak, terwijl ook ons eigen Nederlandse Bavaria leverbaar is. Vroeger kon je ook Drie Hoefijzers-bier krijgen, maar dat heb ik de laatste jaren niet meer gezien.

Echt bier is het natuurlijk niet, maar soms smaakt het behoorlijk hoppig en je kunt het daarnaast krijgen in allerlei curieuze varianten. De rechtgeaarde bierliefhebber gruwt natuurlijk van ananas- of perzikbier, maar het is lekkerder dan je zou verwachten, vooral als de makers niet de ambitie hebben het écht als bier te laten smaken.

De vrachtwagen op de foto zag ik in Teheran. De naam JoJo (wat je zou kunnen vertalen als “gerstenat”) trof me, want die is dezelfde als die van een Belgische zanger die in 1979 vijftien minuten wereldberoemd was onder de bierdrinkende mensheid met “Chef, un p’tit verre, on a soif”. Ik zal de eerste zijn om te erkennen dat het liedje weinig om het lijf heeft, maar de zanger weet op een bepaalde manier het aanstekelijke plezier te verwoorden van een leuke avond in het café, met een lekker glas bier –

– alcoholhoudend uiteraard. Precies dat wat het Iraanse bier nou net nooit is. Het smaakt uitstekend, daar niet van, maar je vat een pint niet omdat ‘ie goed smaakt maar om de vrolijkheid en het gezelschap.


Terug naar Iran

februari 26, 2013
De werkkamer van de laatste shah (locatie van een ontroerende scène uit F.Springer, "Teheran, een zwanenzang")

De werkkamer van de laatste shah (locatie van een scène uit F.Springer, “Teheran, een zwanenzang”)

Ik heb een leuke muzikale associatie bij vliegvelden, maar ik heb een hekel aan internationaal vliegen. Vooral het gedoe bij de douane stoort me. Vervolgens zit je dicht opeengepakt in een vliegtuig, waar je dan zit te luisteren naar de tekortschietende veiligheidsinstructies en ongevraagd een smakeloze maaltijd krijgt voorgeschoteld.

Maar vanavond land ik wel mooi in Teheran. Het is een grote stad die, eerlijk is eerlijk, niet heel mooi is. Ik zal naar het archeologisch museum gaan, dat weer wél heel mooi is. Ik zal een vriend ontmoeten die ik al te lang niet heb gezien, en traditiegetrouw bezoeken we een van de paleizen in de stad, waar ik traditiegetrouw niet echt van kan genieten omdat ik traditiegetrouw worstel met mijn jetlag.

We gaan enkele archeologische vindplaatsen bezoeken. Om te beginnen Hamadan, het antieke Ekbatana. Het is in feite de eerste hoofdstad van Iran, uit de zevende en vroege zesde eeuw v.Chr., maar er is nog nooit iets gevonden uit deze tijd, zodat archeologen er inmiddels vrij zeker van zijn dat ze op de verkeerde heuvel aan het graven zijn. Het nabijgelegen Tepe Nush-e Jan en Godin Tepe geven overigens een idee van hoe het eruit kan hebben gezien.

Herders in de Zagros

Daarna gaan we de Zagros over: een jong gebergte vol spectaculaire contrasten. We passeren Kangavar, waar een wonderlijk monument is te zien waarvan geen mens weet wat het is. Krachtens de Eerste Hoofdwet van de Archeologie (“als je niet weet wat het is, zal het wel religieus zijn”) wordt het een heiligdom genoemd, en omdat er een bron in de buurt is, heet het een watertempel, maar het is pure speculatie.

Even verderop is het beroemde Behistunreliëf, dat ooit de sleutel vormde tot de ontcijfering van het spijkerschrift. We hopen een oud graf in de omgeving te bezoeken en gaan dan door naar Kermanshah, waar, in een mooi tuincomplex, enkele reliëfs zijn uit de tijd van de Sasanieden. Dat zijn de koningen die in de derde tot en met vroege zesde eeuw n.Chr. over Iran en Irak heersten. Ik houd erg van hun kunst.

Choga Zanbil

Khuzestan, het zuidwesten van Iran, is de volgende halte. Ik wil nu eens naar Gundj-e Shapur, waar in de Sasanidische tijd een universiteit was waar ideeën uit de hele wereld samenkwamen. Er is van beweerd dat het de grondslag was voor de grootse islamitische wetenschappelijke traditie uit de Vroege Middeleeuwen, maar dat staat niet vast. We zullen Choga Zanbil bekijken, een gigantische bakstenen berg uit de Bronstijd.

Niet veel verderop ligt Susa, dat ooit een van de hoofdsteden was van het Achaimenidische Rijk, dat van 539 tot 330 heel Voor-Azië verenigde. Het is een wat desolate plaats die nogal te lijden heeft gehad van beschietingen tijdens de Iraaks-Iraanse Oorlog, maar het is ook een mooie plek. In het stadje zelf is het graf van de profeet Daniël, dat me altijd weer ontroert.

Dan terug over de bergen, naar Yasuj, waar Alexander de Grote Perzië binnentrok. Het gebied is geologisch nog volop in beweging en de kans is klein dat we ooit Macedonische vondsten zullen opgraven, maar ik kom er graag. De bergweg is prachtig en gelukkig hebben we een excellente chauffeur. Niet veel verderop zijn allerlei rotsreliëfs (1, 2, 3), die ik dit keer voor het eerst rustig wil gaan bekijken, en de even oude stad Bishapur, met nog meer rotsreliëfs (1, 2, 3, 4, 5, 6).

Shiraz is in Iran mijn favoriete stad. Er hangt een fijne sfeer en de graven van de dichters Hafez en Saadi hébben gewoon iets, zeker als je wel eens iets van de poëzie hebt gelezen. (Er is een mooie bundel met vertalingen, door De Bruijn, Een karavaan uit Perzië.) Ik kom ook graag in een van de religieuze scholen of in de citadel. Of het er dit keer van komt, weet ik niet, omdat ik ook nog naar enkele Sasanidische monumenten ten oosten van Shiraz wil.

Adelaar uit Naqsh-e Rustam

Even verderop ligt Persepolis – kijk hier maar om te weten wat er allemaal te bekijken valt. Het is een van de spectaculaire ruïnesteden ter wereld. We zullen er vrij veel tijd doorbrengen. Even verderop is Naqsh-e Rustam, met Achaimenidische koningsgraven en – alweer – Sasanidische rotsreliëfs. Ik word er altijd opgewacht door twee adelaars, en hoop die ook dit keer weer te zien.

Pasargadai: een enorme burcht, het graf van Cyrus de Grote en zijn paleis. Daarna de eindeloze rit naar Isfahan. Ik heb de reis nog nooit gemaakt zonder in slaap te vallen, dus het is maar goed dat we een chauffeur hebben. Maar aan het einde van de dag zijn we dan Isfahan, waar ongeveer de helft van de schoonheid van de wereld is verzameld.

Ik zie uit naar het weerzien met enkele vrienden en met dit mooie land. Helaas wacht aan het einde van de reis … de luchthaven. Om een bekende dichter te parafraseren: Iran is een mooi land, maar net iets te ver weg.


Koepelbouw in Isfahan

februari 3, 2013
De koepel van Taj al-Molk in de Vrijdagsmoskee in Isfahan

De koepel van Taj al-Molk in Isfahan

Het plaatje hierboven toont de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee in Isfahan. Een inscriptie vertelt dat het gewelf is gebouwd door een voorname hoveling, Taj al-Molk, in het jaar dat wij 1088 noemen. De constructie heeft een doorsnede van ongeveer negen meter: niet heel groot, maar toch noemde de architectuurhistoricus Arthur Pope het in zijn boek Persian Architecture “perhaps the most perfect dome known”.

Hij had het ook over “the perfection of a sonnet”, en hoewel ik die vergelijking niet zo goed begrijp, is wel duidelijk dat hij onder de indruk was van deze koepel. Daar is ook alle reden toe, want dit gewelf kan eigenlijk niet bestaan. Dat vergt wat uitleg.

Koepels hebben de onhebbelijke eigenschap rond te zijn. Als je de koepel op de grond zet, levert dat geen problemen op, denk maar aan een iglo. Het wordt anders als je de koepel bovenop een gebouw wil zetten. De Romeinse architect die het Pantheon bouwde, ontweek het probleem door onder het gewelf een eveneens rond gebouw te plaatsen, maar dit is vaak geen praktische vorm. Bouw maar eens een kast voor een ronde kamer.

Koepel in Sarvestan

Koepel in Sarvestan

Kortom: hoe plaatsen we een ronde koepel op een vierkante ruimte, een iglo bovenop een kubus? De simpelste oplossing is dat je in het dak van de kubus een rond gat maakt en daaromheen de koepel bouwt. Dat is ook wel eens gedaan, zoals in het charmante vijfde-eeuwse jachtpaleisje te Sarvestan in het zuiden van Iran. Er kleeft echter een heel groot nadeel aan deze constructiewijze: het gewicht van de koepel rust op slechts vier plaatsen, namelijk daar waar de onderrand drukt op de verticale muren. De koepel kan daarom nooit al te groot worden, omdat het gewicht de muren uit elkaar duwt.

Sultaniye

Soltaniye

Het zou al makkelijker zijn als je een achthoekig gebouw hebt: dan heb je (anders dan in een Pantheon-achtig gebouw) in elk geval rechte muren, waar je een kast tegenaan kunt zetten. Bovendien wordt in een achthoekig gebouw de druk van de koepel over het dubbele aantal punten verdeeld. De Rotskoepel in Jeruzalem is het bekendste voorbeeld; een ander voorbeeld is het kolossale mausoleum in Soltaniye, in noordwestelijk Iran. Toevallig heeft mijn zus ooit een foto genomen waarop is te zien hoe ik, barbaar, sta te telefoneren met de rug naar dat schitterende veertiende-eeuwse grafmonument.

Multan

Multan

Maar ook een achthoekig gebouw als basis voor een koepel is nog verre van volmaakt. Een van de nadelen is goed te zien op de foto hiernaast: het mausoleum van shah Rukn-e Alam uit Multan in Pakistan, ruwweg even oud als de koepel van Soltaniye. Weliswaar is de druk nu dus over acht in plaats van vier punten verdeeld, maar je hebt nog steeds zware steunberen nodig om te voorkomen dat het gewicht van de koepel de dragende muren uit elkaar duwt en het gebouw doet instorten. Achthoekige gebouwen zijn van de Late Oudheid tot het einde van de Middeleeuwen heel erg populair geweest, maar verdwenen weer toen bleek dat het toch mogelijk was een koepel op een vierkante ruimte te plaatsen. Het achthoekige plattegrond van de structuur onder de koepel was als oplossing niet langer noodzakelijk.

De nieuwe oplossing was dat men een achthoekige overgangszone construeerde tussen de kubus en de koepel. Zie het tekeningetje rechts. Een van de oudste mij bekende voorbeelden komt, alweer, uit Iran en is te zien op de foto hieronder: het paleis van koning Ardašir I (r.224-241) in Firuzabad.

Onderaan op de foto zie je een vierkante ruimte, die zich uitstrekt tot aan de onderste van de twee lijsten; daarboven zie je (met enige moeite) dat de linker- en de rechterhoek zijn afgesneden; en daarboven ligt een ronde lijst, waarop de koepel rust. Het is nog wat onbeholpen. De zone tussen de twee lijsten is niet echt mooi, en was in de Oudheid dan ook versierd met stucwerk. Maar het voordeel van de constructie is dat de druk van de koepel nu gelijkmatiger over de vier onderliggende muren werd verdeeld.

Firuzabad

Firuzabad

De afgesneden hoeken staan bekend als “trompen” en in een iets verder uitgewerkte vorm als “pendentieven”. Wie in West-Europa een barokkerk bezoekt, zal opvallen dat ze vaak beschilderd zijn met de portretten van de vier evangelisten.

Maar waarom zou je je beperken tot het afsnijden van maar vier hoeken en het scheppen van een achthoek? We kunnen toch ook de hoeken van de achthoek afsnijden en een zestienhoek maken? Of een tweeëndertighoek? Dat levert een nóg regelmatigere verdeling van de druk op.

En nu komen we in Isfahan, waar van 1072 tot 1092 koning Malik Shah regeerde. Zijn vizier Nizam al-Molk (“orde van het land”) bouwde in 1086-1087 de zuidelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Het was een ambitieus project, want van onder naar boven is er sprake van een vierhoekige ruimte die via een achthoek, een zestienhoek en een tweeëndertighoek overgaat in een mooie ronde koepel.

De rivaal van Nizam al-Molk, de al genoemde hoveling Taj al-Molk (“kroon van het land”), kon dat niet op zich laten zitten en bouwde de noordelijke koepel van de Vrijdagsmoskee. Kijk nu nog even naar de foto hierboven (of klik hier). In de hoeken van de foto ziet u delen van de vier trompen en daarboven ligt de zestienhoek waarop het gewelf rust. Tot zover is er niets aan de hand, maar kijk nu even naar de decoratie: dat is een vijfpuntige ster. De punten vormen een regelmatige vijfhoek.

En daar wringt het. Vier, acht, zestien en tweeëndertig zijn machten van twee (je kunt ze schrijven als 2n). Ze zijn niet deelbaar door vijf, en dat zal je ook niet lukken met 64, 128, 256, 512, 1024, 2048… Nooit eindigt het getal op een vijf of een nul. Verschillende mensen hebben daarom de vraag gesteld hoe de makers van deze koepel erin zijn geslaagd een regelmatige vijfhoek te construeren binnen een zestienhoek. Dat kun je, simpel gezegd, niet met een liniaal en een passer.

De enige die rond 1088 de wiskundige kennis bezat om het probleem aan te pakken, was Omar Khayyam, die derdegraadsvergelijkingen kon oplossen. Veel reisgidsen vertellen daarom dat de geleerde dichter-filosoof-astronoom-wiskundige ook nog architect was, waarbij een belangrijk argument is dat er een romantisch verhaal bestaat dat hij al sinds zijn jeugd bevriend was met zowel vizier Nizam al-Molk als Hasan-e Sabah, de grondlegger van de religieuze orde der Assassijnen. U kent hem misschien als de “oude man van de bergen” uit de verhalen van Marco Polo.

Alleen, de vriendschap tussen deze drie mannen is vrijwel zeker fictief. Om te beginnen kunnen ze om chronologische redenen onmogelijk al sinds hun jeugd bevriend zijn geweest: Nizam al-Molk was dertig jaar ouder dan Omar Khayyam en Hasan-e Sabah. Bovendien is het verhaal pas twee eeuwen later opgetekend door een encyclopedist uit Hamadan, Rashid ad-Din Fadhlallah. Twee eeuwen is veel tijd, genoeg om een volksverhaal te laten ontstaan waarin drie van Irans superhelden – de geleerde, de bestuurder en de religieuze leider – met elkaar in verband werden gebracht.

Er is nog een ander bezwaar. Zelfs als Omar Khayyam bevriend was met Nizam al-Molk, dan is het toch wel raar dat hij uitgerekend diens aartsvijand Taj al-Molk hielp bij het construeren van een koepel die het bouwwerk van Nizam al-Molk in de schaduw stelde.

Ik denk dat er eigenlijk gewoon geen probleem is. De vraag hoe je binnen een zestienhoek een vijfhoek construeert, is intellectueel interessant, maar we hebben niet te maken met een intellectueel maar een architectonisch probleem. Ik denk dat de ontwerper heel simpel de 360⁰ van de cirkel door vijf heeft gedeeld en wist dat zijn vijfhoek om de 72⁰ een punt moest hebben. Het is jammer, want het zou leuk zijn geweest als Omar Khayyam een bijdrage had geleverd aan ‘s werelds perfectst-bekende koepel, mais on n’a pas besoin de cette hypothèse.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 244 andere volgers