Art is therapy

juni 3, 2014

artistherapy

Het is Amsterdammers niet gegund rustig onder het Rijksmuseum te fietsen. De laatste tijd word je, komend vanaf het Museumplein, begroet door het opschrift “Art is Therapy” en is je humeur nog tot aan het Koningsplein naar de gallemiezen. Wat een pretentie. Wat een museale zelfoverschatting.

Mijn ouders hebben me altijd meegenomen naar musea, toneel en muziekuitvoeringen. Als we op vakantie gingen, bezochten we de plaatselijke bezienswaardigheden. Op de middelbare school gaf de tekenleraar lessen kunstgeschiedenis. Ik heb gestudeerd aan een letterenfaculteit. Jarenlang ben ik twee keer per week naar het toneel gegaan. Ik ben “vriend” van twee musea, bestuurslid van een stichting en werkzaam in de culturele sector.

Lees de rest van dit artikel »


Zigeunermeisje met brug

augustus 9, 2013
Mozaïek in Nijmegen

Mozaïek in Nijmegen

Het kolossale mozaïek hierboven is te zien bij de Waalbrug in Nijmegen. Het is niet zomaar gemaakt van steentjes, maar van blokken basalt die zijn beschilderd door de leerlingen van het Citadelcollege uit Lent. Ze deden dat met kunstenaar Diederik Grootjans, die dit mozaïek maakte toen vorig jaar werd gevierd dat Nederland en Turkije vierhonderd jaar diplomatieke betrekkingen hadden. Het kunstwerk is niet minder dan twintig meter breed en tien meter hoog.

Zigeunermeisje uit Zeugma

De tweede foto toont het origineel. Het is te zien in het fenomenale mozaïekmuseum in Gazi Antep in zuidoost-Turkije maar is iets oostelijker gevonden op een plaats die in de Oudheid werd aangeduid als Zeugma, “brug”. Zoals Nijmegen en Lent tegenover elkaar liggen aan de Waal, zo lagen bij Zeugma de steden Seleucia en Apamea aan weerszijden van de Eufraat. In beide grenssteden waren Romeinse legioenen gelegerd.

Het gezicht staat bekend als het “zigeunermeisje”. Het is in 1998 gevonden in het Huis van de Maenaden in Seleucia en moet tussen 180 en 256 n.Chr. zijn gemaakt. Het portret is terecht beroemd, maar dat komt ook doordat je steeds dit fragment krijgt te zien. Daardoor kijk je meteen in die ogen en heb je contact met iemand uit het verre verleden. Er is veel meer van het mozaïek over, maar als je die delen eveneens zou zien, valt de directe ervaring weg. Je gaat dan vragen stellen: wat stelt dit plaatje voor, in welke artistieke traditie staat het, waarom heeft iemand het laten maken?

Minder blijkt meer: door alleen dit te tonen, maak je even echt contact met de Romeinse Oudheid, terwijl je intellect in de weg komt zitten als er meer zou zijn getoond.

[De oorspronkelijke foto van het mozaïek is inmiddels vervangen door een nieuwe, gemaakt door Paul van der Heijden - dank! Dit was de tweeënendertigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]


Eeuwige schoonheid

november 2, 2012

Probus (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

December nadert, en ook dit jaar zullen de kranten wel weer worden gevuld met lijstjes van de tien beste boeken van 2012, tien memorabele uitspraken, tien gebeurtenissen, tien winnaars, tien verliezers en nog meer oninteressants. Tijd om eens een lijstje samen te stellen dat de waan van de dag overstijgt. Tijd voor een lijstje vol eeuwige schoonheid.

Ik schrijf dat zonder ironie. Ik nodig u uit tien dingen uit de Oudheid te noemen die u mooi vindt. Meer informatie vindt u daar.


Tien mooie kunstwerken

oktober 24, 2012

Op Sargasso stond een oproep een lijstje te geven van tien kunstwerken die je mooi vindt. Graag een beetje concreet, dus wel schilderijen, beeldhouwwerken of installaties, maar geen muziek of gedichten. Mijn lijstje is, in chronologische volgorde, het volgende:

  1. De Amsterdamse gevelsteentjes, zoals deze op de Oude Kerk (1571)
  2. Caravaggio, De roeping van Sint-Matteüs (1599)
  3. Het plafondmozaïek van de Lotfollahmoskee in Isfahan (1618)
  4. Johannes Vermeer, Gezicht op Delft (1660)
  5. Matteo Corcos, Sogni (1896)
  6. Beurs van Berlage (1903)
  7. Edward Hopper, Nighthawks (1942) (hier hoort H.W. Audens gedicht “The Age of Anxiety” bij)
  8. Roy Lichtenstein, As I opened fire (1964)
  9. Een redelijk recent kunstwerk in station Hilversum-Noord, waarvan ik de maker niet ken

Als tiende voeg ik kalligrafie toe in het zogenaamde architectonisch-koefisch, zoals het plaatje rechtsboven.

Ik zal bij gelegenheid op deze blog een soortgelijke competitie houden voor antieke kunst; voor het moment nodig ik u uit uw eigen selectie te maken en hier te noemen.


Hoe maak ik een prul?

augustus 23, 2012

In zijn bundel Bar en boos wijst de zeer door mij bewonderde letterkundige Wim Zaal erop dat de dichters die hij opnam in zijn collectie van slechte Nederlandse poëzie, hiermee in feite hun ridderslag kregen. Zo was, om een erkende draak als het opschrift op het Nationaal Monument op de Dam te produceren, waar zelfs het toch nooit om frasen verlegen zittende Comité 4 en 5 mei maar stilzwijgend aan voorbijgaat, iemand nodig met het talent van Adriaan Roland Holst. (Ik weet niet of Zaal dit voorbeeld geeft, ik heb de bundel uitgeleend en weet niet meer aan wie.)

Het mechanisme achter zo’n flop is dat de kritiek, die de kwaliteit van een kunstwerk garandeert, begint te haperen bij getalenteerde kunstenaars. Die hebben op kritiek altijd een weerwoord. Ervaren schrijvers kunnen perfect uitleggen waarom deze of gene gedachte zo en zo, en niet anders, moet worden geformuleerd. Zijn redacteur kijkt verbluft toe. Hij was zich nog niet bewust dat taal ook zó kon werken. Vaak heeft de ervaren schrijver ook domweg gelijk. De ellende is dat zijn smaakbegrip zó verfijnd is, dat hij zich niet realiseert dat anderen het niet langer kunnen volgen. Het gedicht of de roman sterft zo in schoonheid.

Een ander mechanisme is dat redacteuren teveel respect hebben voor goede auteurs. J.K. Rowling is een mooi voorbeeld. De eerste boeken over Harry Potter waren buitengewoon amusant en spannend, en de moraal lag er niet al te dik bovenop. Maar als iemand bewezen heeft drie bestsellers te kunnen schrijven en een miljard (!) heeft verdiend, moet je als redacteur verdraaid sterk in de schoenen staan om je auteur tegen te spreken. De noodzaak is er ook niet meer, want als er een miljoenenbudget is voor de reclame en als Hollywood de filmrechten al heeft gekocht, is – ongeacht de kwaliteit van de volgende boeken – al gegarandeerd dat je superzaken gaat doen. En dus vertoont de kwaliteit van de delen vier tot en met zeven van de Harry Potter-reeks een consequent volgehouden dalende lijn.

In de Nederlandse literatuur zijn Armando en Erwin Mortier geschikte voorbeelden. Wie in de schilderkunst zoekt, kan bij Rafaël terecht. Alleen iemand met zijn talent kon aan de Sixtijnse Madonna de verveeld kijkende engeltjes toevoegen die zelfs de meest pacifistische bezoekers van de Dresdner Gemäldegalerie doen wensen dat ze een hogedrukspuit met zwavelzuur bij zich hadden. En alleen mensen met het talent van een Lennon/McCartney konden een “Ob-la-di, ob-la-da” componeren dat tot op de huidige dag de ranglijst van ergerlijkste liedjes aanvoert.

Wat ik maar zeggen wil: om een echt prul te produceren, is heel veel talent nodig.


Cultureel erfgoed

mei 30, 2012

Amersfoort

Van een mooi kunstwerk krijg je een beter humeur. Omgekeerd helpt iets lelijks je stemming naar de gallemiezen. Jarenlang ben ik elke dag chagrijnig geworden als ik door de Amsterdamse Van Baerlestraat fietste, tot ik me realiseerde dat het kwam door de aanblik van de negentiende-eeuwse façade van het Stedelijk Museum. Sindsdien neem ik een andere route.

Dat wil niet zeggen dat lelijke kunstwerken totaal geen functie hebben. Een medewerker van de Vaticaanse Musea vertelde me ooit dat ze over Giuliano Vangi’s “Over de drempel” weliswaar bijna dagelijks klachten kregen, maar dat ze het toch maar in de ontvangstruimte laten staan omdat mensen dan niet blijven hangen. Ze lopen door, het eigenlijke museum in. Zo had ik het nog niet bekeken, al erken ik dat ik Vangi’s beeld liever überhaupt niet had bekeken.

Ik vermoed dat het kunstwerk dat bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het interieur ontsiert, een soortgelijke functie heeft. Het moet zijn bedoeld om de medewerkers weg te jagen, naar hun werkplekken. Maar dat is nog niet eens het ergste.

Het is de godvergeten platvloersheid. De liggende man verbeeldt het verleden, de staande man het heden en het kind de toekomst, en het geheel moet weergeven hoe de RCE het erfgoed van de ene naar de andere generatie doorgeeft. Tja. Maak eens een kunstwerk over de wijze waarop geschiedenis, als geïnterpreteerde tijd, ons denken inperkt en onze visie structureert, zou ik zeggen. Dat is namelijk nog niet tienduizend keer vertoond.

Eceabat

Ik moest denken aan het oorlogsmonument dat ik een paar weken geleden zag in het Turkse Eceabat. Dezelfde opbouw: mensen in een naar boven draaiende, wellicht in beide gevallen door Bernini geïnspireerde spiraal, dezelfde kleuren (niet goed zichtbaar op de foto rechts) en eenzelfde makkelijk te begrijpen symboliek. (In Eceabat is dat overigens hoe tijdens de gevechten bij Gallipoli de toekomst van de Turkse natie werd weiliggesteld: je herkent een treurende moeder, de oorlogsheld korporaal Seyit, soldaten die elkaar helpen, de portretten van enkele commandanten, culminerend in een visonaire Atatürk).

In al zijn klungeligheid ontroerde de groep in Eceabat me. De bewoners van het stadje willen de herinnering aan de doden levend houden en hebben zelf het initiatief genomen tot het laten maken van dit kunstwerk. Het beeld in Amersfoort getuigt daarentegen vooral van gemakzucht. In het kader van de eenprocentsregeling moest nog even een kunstenaar worden aangetrokken, die er verder ook niet lang over na wilde denken en een cliché uitbeeldde over opeenvolgende generaties. Het resultaat is, in de ontvangsthal van een Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, precies het verkeerde signaal: ons maakt het niet zoveel uit, geschiedenis en cultuur kunnen ons niet schelen.


Searching For Utopia

april 26, 2012

Dat toneelspelers op het podium kikkers doodtrappen, dat is niet mijn idee van een leuke voorstelling. Het is een onderdeel van “De Macht der Theaterlijke Dwaasheden”, het stuk waarmee de Vlaamse kunstenaar Jan Fabre in 1985 een voorspelbaar relletje en naambekendheid uitlokte. Ik weet eigenlijk niet wat ik erger vind: het walgelijke toneelidee of de voorspelbaarheid waarmee de media elke keer weer ingaan op dit soort provocaties.

Fabres beeld “Searching For Utopia”, dat in het kader van de expositie ArtZuid 2011 aan de Amsterdamse Apollolaan was te zien, vond ik echter mooi. Ik was niet de enige die de enorme schildpad waardeerde als symbool voor de zoektocht naar een betere wereld. Het beeld was de onbetwiste publieksfavoriet en bleef op veler verzoek staan nadat de expositie was afgelopen, opdat de Stichting ArtZuid geld kon inzamelen om het aan te kopen.

Het is niet gelukt. Ik las vanavond in Het Parool (niet online) dat het beeld retour eigenaar is gegaan omdat het geld niet kon worden binnengehaald. Er stond bij dat uitgerekend de bewoners van de Apollolaan het minst hadden bijgedragen, wat aanleiding was tot columnistenbespiegelingen over het feit dat rijke mensen nooit iets aan goede doelen geven.

Enfin. Ik SMSte het door aan een vriend die het ook een mooi beeld vindt, en die gaf een verbijsterend antwoord: de Stichting 4/5 mei zou ook tegen het beeld zijn geweest, omdat het zo dicht stond bij de plaats waar de Dodenherdenking plaatsvond. Maar dat was juist de bedoeling, dacht ik.

De gigantische schildpad was het perfecte symbool voor de moeizaamheid waarmee het kwaad wordt bestreden. De mensen die na de geallieerde overwinningen bij Stalingrad en El Alamein weer wat hoop kregen, wisten hoe tergend lang de bevrijding op zich liet wachten, ondanks alle inspanningen van de Geallieerden en het Verzet. Het volmaakte bijschrift voor Jan Fabres beeld bestaat uit de regels van J.C. Bloem:

Zo moeizaam triomfeert gerechtigheid.
Aan dit besef zij deze grond gewijd.


Een leuk kunstwerk

januari 16, 2012

(Klik = groot)

Ik moest een tijdje geleden in het Mediapark in Hilversum zijn, en omdat ik met de trein aankwam, vertelde degene die me ontving dat station Hilversum-Noord was verbouwd, dat het niet langer nodig was het park via de hoofdingang te betreden en dat het volstond de verlengde loopbrug te nemen.

Dat was inderdaad goede raad. Niet alleen bespaarde het me een stevige omweg, maar de verlengde loopbrug is gewoon mooi en bleek te zijn versierd met een leuk kunstwerk. Je ziet, als je naar het Mediapark loopt, aanvankelijk alleen wat kleuren en blokken, maar naarmate je dichterbij komt, herken je daarin een testbeeld. Heel mooi. Kunst zoals kunst, althans volgens mij, in de openbare ruimte moet zijn: zonder opdringerig te zijn bijdragend aan een prettige sfeer. Kortom, een geslaagd kunstwerk.


Het academisch Bén Tre

juli 14, 2011

Maandagochtend, ik open de mailbox. Een berichtje van mijn moeder, een paar berichtjes die betrekking hebben op mijn werk, een vriendin die een lunchafspraak wil verzetten en een mailtje van iemand uit Groot-Brittannië, die me vraagt of ik een petitie wil ondertekenen tegen de naderende sluiting van het Canterbury Roman Museum. Ik heb mijn correspondent nog nooit ontmoet, maar als ik met hem correspondeer, geeft hij goede antwoorden waaruit een enorme belezenheid blijkt. Omdat ik hem respecteer, teken ik de petitie onmiddellijk, ook al ben ik nog nooit in Canterbury geweest en had ik tot vanmorgen niet gehoord van het museum.

Meestal ben ik sceptischer. In oktober 2009 kreeg ik een vergelijkbare uitnodiging om de Universiteit van Sheffield te schrijven dat ik bezorgd was over de voorgenomen sluiting van het Biblical Studies Department. Het verzoek was niet onredelijk. “Sheffield” is inderdaad een begrip en het verbaasde me al langer dat er plannen waren het departement te sluiten. Tegelijk wrong er iets aan de uitnodiging. De samenstellers somden allerlei rationele argumenten op, maar gaven nergens aan om welke reden men het besluit tot sluiting eigenlijk had genomen.

Niemand in Sheffield lijkt dat vreemd te vinden. Ik wel.

Hoe zat het ook alweer met de geesteswetenschappen? Waartoe dienen ze? Ik ontdekte het toen ik als letterenstudent eens aanschoof bij een collegereeks medische ethiek. Wat me opviel was dat mijn medestudenten, aspirant-artsen, een heel concrete kijk op de zaken hadden. Om een diagnose te stellen, liep je een reeks criteria af, en als de symptomen aan al die criteria voldeden, dan had iemand ziekte X en was behandeling Y wenselijk. De denkhouding van ethici trof de medestudenten die ik erover sprak als onpraktisch. Het was misschien interessant een probleem van twee kanten te kunnen bekijken, maar omdat het geen concrete oplossingen bood, had je er weinig aan.

Op dat moment begreep ik ineens het belang van de humaniora. Daar gaat het er altijd om iets van twee kanten te bekijken. Een roman is pas boeiend als twee respectabele gezichtspunten tegenover elkaar komen; een schilderij fascineert als het een conventie doorbreekt; geschiedvorsing en antropologie zijn zinvol omdat je leert dat andere culturen andere normen en waarden hebben, zodat je kunt nadenken over je eigen ideeën. De geesteswetenschapper is weliswaar niet in staat ons een langer leven te geven, zoals een arts kan doen, maar hij kan het leven wel een zekere diepte geven door mensen in staat te stellen het eigen gelijk te relativeren. Andere wetenschappen kunnen dat op hun manier ook, daar niet van, maar ik zou menig politicus een studie in de humaniora aanraden om het vermogen aan te leren een probleem te bezien vanuit meer dan één perspectief.

In Sheffield lijken ze vergeten dat je niet ongenuanceerd je eigen gelijk moet najagen. Een echte geleerde is een geleerde onder alle omstandigheden. Hij kan niet de nuance zoeken als hij in de bibliotheek zit, en de nuance vergeten als zijn instelling onder vuur ligt.

Vanzelfsprekend maakt dit de geesteswetenschappen kwetsbaar als er wordt bezuinigd. Terwijl degenen die een instituut willen opheffen soms de botte bijl hanteren, kunnen de letterdames en -heren alleen komen met inhoudelijke argumenten, soms erkennend dat hun opponenten gelijk hebben. En dat is precies waar het om draait: het vermogen iets van twee kanten te bekijken om zo de waarheid op het spoor te komen. Als je die bereidheid niet tevens hebt als je eigen positie in het geding komt, is de hele exercitie niets waard. Je kunt niemand inspireren als je een ideaal uitdraagt waar je niet zelf naar leeft. Wie banen wil verdedigen door zijn principes op te offeren, verdedigt niets, want dat wat hij wilde uitdragen bestaat niet langer. Het is de absurditeit van Bén Tre: een dorp verdedigen door het te verwoesten.

De eigenlijke vraag is of de huidige financiering van de humaniora nog zin heeft. Ik weet het antwoord niet, maar er zijn veel aanwijzingen dat er serieuze problemen zijn. Om me te beperken tot mijn vakgebied, de oude geschiedenis: exposities krijgen titels waarmee publiek wordt gelokt, zelfs als de tentoonstelling over iets anders gaat; archeologische persberichten bevatten overdreven claims omdat de financiering moet worden veiliggesteld; academische oudhistorici zijn momenteel een belangrijkere bron van desinformatie dan pseudowetenschappers.

Er is iets grondig verkeerd. Het dorp ligt al voor driekwart in de as, en degenen die het verdedigen, doen het door het nog verder in brand te steken.

[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op Frontaal Naakt.]


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 253 andere volgers