Arm Pakistan

april 21, 2012

Er zijn tientallen redenen om een hekel te hebben aan vliegen, maar de veiligheid van het vliegtuig zélf heeft mij nog nooit zorgen gebaard. Zelfs niet in Iran, dat geen reserveonderdelen mag kopen voor zijn verouderde luchtvloot.

De uitzondering was de vlucht van Multan naar Peshawar. De luchthaven was prima geweest, met een opvallend goede airconditioning (niet onbelangrijk in een stad waar we nog de voorgaande dag waren begroet met “wat een geluk dat het niet zo heet meer is, het is nog maar 48 graden”). Maar toen kwam het vliegtuig. Je staart uit het raam, je kijkt over de vleugel en je ziet een hele reek lege nagelgaten.

Wij zijn veilig aangekomen. Maar ik heb medelijden met de mensen die in het vliegtuig zaten dat gisteren is neergestort bij Islamabad. De eerste berichten zeggen dat het vliegtuig niet luchtwaardig was, en dat zou best waar kunnen zijn.

Ik zou liegen als ik zei dat Pakistan altijd in mijn gedachten is. Maar als het land in het nieuws komt, word ik altijd verdrietig. Het is namelijk nooit goed nieuws. Ik heb er al eens over geblogd toen bij een zelfmoordaanslag vijfenveertig mensen om het leven kwamen en nog eens toen Bin Laden werd gedood in het stadje waar ik ooit zeer gastvrij ben ontvangen. Mijn gastheer en zijn familie zijn vrijwel zeker omgekomen bij de grote aardbeving van 2005.

Laat ik het slechte nieuws eens van een contrapunt voorzien. Pakistan is ook het land van Taxila, van het Museum van Lahore, van de Shalimartuinen, van Shingerdar, van het fort bij Rhotas, en van talloze ongelooflijk aardige mensen. Het is het land waar ik in chauffeursrestaurants heb geprobeerd walgelijke melkthee te drinken, waar ik schitterend versierde vrachtwagens zag rijden, waar ik de heerlijkste bloemengeuren heb opgesnoven en rivieren zag die nog mooier waren dan onze eigen IJssel.

Dat het er zo´n puinhoop is, hebben de Pakistanen voor een groot deel aan zichzelf te wijten. Een aanhoudende 5% economische groei is te weinig als het gemiddelde gezin zes kinderen heeft. Maar de mensen zijn hartelijk en opgeruimd. Ik zat eens tijdens een enorme regenbui in een van de restaurantjes in “food street” in Lahore, toen de bliksem insloeg en de stroom uitviel. Ik hoor nog hoe iedereen reageerde met een schaterlach.

Het is zo triest dat Pakistan wordt getroffen door ramp na ramp. De mensen verdienen er zoveel beter.


De weg naar Uch (4)

juli 24, 2011

[Dit is het vierde deel van een reisverslag uit 2004; het eerste is hier.]

Een moskee en de resten van een hindoetempel, Multan

Multan staat tegenwoordig bekend om drie dingen: stof, graven en hitte. Wij worden er verwelkomd met de geruststellende woorden dat we geluk hebben dat het niet meer zo heet is als de dag ervoor. Vandaag is het nog maar 46 graden. Ondanks deze meevaller sluiten we ons op in onze hotelkamer en kijken van onder de airconditioning naar het cricket op TV. Het journaal meldt dat een autobom is ontploft bij het Amerikaanse consulaat in Karachi.

De volgende ochtend lopen we door de fleurige straten naar het moderne fort, dat ligt op de plaats waar in de tijd van Alexander een rijkgedecoreerd heiligdom stond voor de god Vishnu. Antieke bronnen melden dat eerlijke mensen de ontelbare pelgrims gastvrij onthaalden. Die offerden bloemen in de tempel, waar altijd enkele dienaressen zaten te musiceren. Het moet een aangename plaats zijn geweest, want rond de tempel lagen tuinen met waterpartijen en in de buurt was een opvanghuis waar duizenden arme mensen eten, drinken en medicijnen kregen.

Alexander liet de stad plompverloren bestormen, en raakte daarbij zo ernstig gewond dat zijn manschappen vreesden voor zijn leven. Een begrijpelijke angst. Geen van Alexanders generaals had voldoende prestige om zich op te werpen als alleenheerser, en als de koning zou sterven, was oorlog tussen de generaals onvermijdelijk. De soldaten reageerden de spanning af door elke bewoner van Multan over de kling te jagen.

Nu ik het fort zie, begrijp ik beter waarom de inname van het tempelcomplex moeilijk verliep en Alexander er gewond raakte. De hellingen zijn vrij steil en moeten in de Oudheid nog steiler zijn geweest. De Vishnutempel is tot in de jaren veertig in gebruik geweest maar een betonnen ruïne is alles wat resteert. Toen Pakistan en India werden gescheiden, is op verschillende plaatsen tussen moslims en hindoes gevochten en we vermoeden dat toen ook de tempel is verwoest.

Bovenop de heuvel is een vervallen speeltuin met een monument voor twee Britse officieren die hier in de negentiende eeuw zijn gedood. Een fakir voorspelt er de toekomst en een paar kinderen bestormen ons met de vraag “What’s the time, mister?” Net als hun leeftijdgenootjes in Iran proesten ze het uit van plezier als we op onze horloges kijken.

[Wordt vervolgd]


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 224 andere volgers