Voorislamitisch Iran (7): het einde

augustus 11, 2011

[Dit is het zevende deel van een artikel over de archeologie van Iran; het eerste is hier.]

Een helm: smeedwerk van hoge kwaliteit

Iran moet in de Sassaniedische tijd een enorm economische en culturele bloei hebben doorgemaakt. Archeologen hebben vastgesteld dat allerlei gebieden werden ontgonnen en kunsthistorici roemen het fantastische edelsmeedwerk uit deze tijd. Het betaalverkeer lijkt eveneens verbeterd te zijn – ons woord ‘cheque’ komt uit het Perzisch.

Taq-e Bostan: Shapur II vertrapt Julianus

De oorlog met Rome laaide van tijd tot tijd op. Shapur II (reg. 309-379!) verdreef de Romeinen uit het gebied ten oosten van de Tigris. Een reliëf in Taq-e Bostan toont de koning met de goden Mithra en Ahuramazda, met aan hun voeten de verslagen Romeinse keizer Julianus.

De terreinwinst was echter maar klein en grote delen van Irak lagen braak, als een soort bufferzone. Beide partijen besloten voortan af te zien van verdere oorlogen. Tegelijkertijd bloeide de handel: luxeproducten uit het verre China bereikten de Romeinse markt via de Zijderoute, dwars door het Sassaniedische Rijk.

Dit betekende dat de traditionele tussenhandelaren, de Arabieren, minder profiteerden. Het lijkt er sterk op dat het een tijd erg slecht ging op het Arabische Schiereiland; de islamitische traditie bewaart herinneringen aan de erbarmelijke sociale omstandigheden uit deze ‘tijd van de onwetendheid’ en de opkomst van de Islam was een reactie op deze humanitaire ramp. Ook andere tussenhandelaren, de nomaden op de Centraal-Aziatische steppe, raakten in het gedrang en vergrootten het bereik van hun zwerf- en plundertochten. Zo ontstond de federatie van de Hunnen, die een belangrijke rol zou spelen bij de ondergang van het Romeinse Rijk in West-Europa.

Heraclius en Khosrau

De Sassaniedische vorsten meenden te kunnen profiteren van de zwakte van hun westerbuur, en koning Khusrau II ontketende aan het begin van de zevende eeuw een enorme oorlog tegen de oostelijke restanten van het Romeinse imperium, die meestal worden aangeduid als het Byzantijnse Rijk. Hij nam Antiochië, bezette Jeruzalem, plunderde Alexandrië en verscheen zelfs aan de Bosporus, zonder dat hij Constantinopel kon innemen. De Byzantijnse keizer Heraklios hield echter het hoofd koel, want hij begreep dat Khusrau’s plundertochten weliswaar schokkend en schadelijk waren, maar dat de Sassanieden de troepen niet bezaten om de gebieden blijvend te annexeren. In 627 verdreef hij de Perzen en viel hij hun eigen land aan. Khusraus overwinningsmonument bij Behistun werd nooit voltooid, en zijn naam is vooral bekend geworden als die van de kwade genius uit het sprookje van Shirin en Fahrad.

Beide rijken waren nu verzwakt, en de Arabieren profiteerden daarvan. De Byzantijnen kwamen er met het verlies van Egypte, Palestina en Syrië genadig vanaf, maar de Sassanieden gingen ten onder. Tussen 628 en 632 heersten niet minder dan tien vorsten en de laatste, Yazdgard III, bleek geen partij voor de islamitische legers. In 636 ging Irak verloren en zes jaar later werden de Sassaniedische legers beslissend verslagen bij Nihavand.

[Wordt vervolgd]


Voorislamitisch Iran (6): de Sassanieden

augustus 11, 2011

[Dit is het zesde deel van een artikel over de archeologie van Iran; het eerste is hier.]

Rotsreliëf met de investituur van Ardašir

De dreun die de Romeinen hadden uitgedeeld, was zonder weerga. Nog een generatie lang hielden de Arsakiden het uit, maar de dynastie had prestige verloren, was verdeeld en verzwakt. In 224 kwam een Perzische edelman met de naam Papak, de zoon van Sassan, in opstand tegen koning Artabanus V, en Papaks zoon Ardašir maakte twee jaar later een einde aan de heerschappij van de Arsakiden. De Sassanieden namen de macht over: voor de tweede keer lag de macht in Iran en Irak in het zuiden, in Fars, waar Ardašir nieuwe hoofdsteden als Firuzabad en Istakhr bouwde: de eerste op de plaats waar Artabanus was verslagen, de tweede bij het oude Persepolis. Later volgde Iwan-e Karkheh. Het is aardig te zien hoe de Sassaniedische architecten aansluiting zochten bij de Achaimenidische architectuur.

Een magiër bij een vuuraltaar

Hadden de Arsakiden gekozen voor een beleid van “laissez faire, laissez passer”, de Sassanieden waren meer van het beginsel “un roi, une foi, une loi”. Eén koning: men brak met de decentrale heerschappij en wat daarvan de voor- en nadelen ook waren, in elk geval de legers werden sterker. De Romeinen zouden al snel betreuren dat de Arsakiden er niet langer waren. Eén geloof: het Zoroastriaanse dualisme. Het was de taak van de vorst om het goede te bevorderen en het kwaad te bestrijden. Eén wet: de juiste regels waren gegeven door de profeet Zarathuštra en werden in deze tijd vastgelegd door de hogepriesters in het heilige boek Avesta. En aangezien men de juiste regels kende, waren andere godsdiensten overbodig: de aanhangers van de afgodsdiensten werden dus vervolgd. Joden, christenen, manicheeërs en boeddhisten werden allemaal vroeg of laat wel een keer geconfronteerd met vervolgingen.

Tijdens de regering van koning Shapur I (241-272) escaleerde het onvermijdelijke conflict met Rome. Keizer Gordianus III streed met wisselend succes, maar werd door zijn troepen gedood – een gebeurtenis die Shapur als overwinning presenteerde. De nieuwe keizer, Philippus, zou zijn troon zelfs aan de Sassanieden te danken hebben.

Rotsreliëf van Bahram II, Sarab-e Qandil

Net als zijn vader vereeuwigde Shapur zijn overwinningen door middel van rotsreliëfs, een traditie die latere vorsten zouden voortzetten. Er zijn in totaal negenendertig van deze monumenten: bijvoorbeeld in Firuzabad, Sarab-e Qandil, Naqš-e Rajab, Naqš-e Rustam, Bishapur, Barm-e Dilak, Sarab en Taq-e Bostan. Ze zijn één en al dynamiek en behoren tot de mooiste kunstwerken die in Iran zijn te bezichtigen.

De oorlog met Rome verliep aanvankelijk succesvol, met als hoogtepunt de jaren 253-260, waarin Shapur niet alleen Romes oostelijke hoofdstad Antiochië plunderde, maar ook keizer Valerianus wist gevangen te nemen. De Romeinse krijgsgevangenen bouwden de brug bij Shushtar en de nieuwe stad Bishapur. De Romeinen herstelden zich echter en toen een generatie later, in 293, vrede werd getekend, hadden ze netto zelfs enige terreinwinst ten oosten van de Tigris geboekt.

Het paleisje van Sarvestan

In de vierde eeuw voerden de Sassanieden vooral oorlog in het noordoosten, waar de zogenaamde Muur van Alexander nog is te zien: een eindeloze wal die ertoe moest dienen dat de steppenomaden bleven waar ze hoorden – op de steppe. (De muur is vrijwel zeker ouder, en door de Sassanieden hooguit versterkt, maar de toewijzing aan Alexander is incorrect.) Verder naar het oosten werd Peshawar geplunderd. De kostbaarste buit was de bedelnap van Boeddha, die uiteindelijk in Bishapur moet zijn beland.

[Wordt vervolgd]


Voorislamitisch Iran (5): Parthen en Romeinen

augustus 10, 2011

[Dit is het vijfde deel van een artikel over de archeologie van Iran; het eerste is hier.]

Mithradates I

De pluriformiteit van het Parthische staatsapparaat maakt de bestudering van deze periode moeizaam, en de waarheid gebiedt te zeggen dat er weinig aan gebeurt en fondsen vrijwel ontbreken. Onbekend maakt onbemind. Eén van de belangrijkste geleerden op dit terrein, Farhad Assar, weet met hangen en wurgen zijn studies voort te zetten en overweegt Groot-Brittannië in te ruilen voor Iran, waar het allemaal wat goedkoper kan.

Parthische prins

Parthische monumenten zijn zeldzaam. In het museum in Teheran staat een fantastisch bronzen beeld van een Arsakidische prins (links), waarvan veel reproducties bestaan omdat het nu eenmaal een van de weinige kunstvoorwerpen uit deze perioden is. Bij Behistun zijn wat kleine reliëfs, even verderop verrijzen bij Kangavar de resten van een tempel voor de watergodin Anahita, en in Ktesifon in Irak staan de ruïnes van een paleis. Langs de grote weg van Teheran – het antieke Rhagai – naar Mashad ligt de verlaten Arsakidische hoofdstad Hekatompylos (“Honderdpoortenstad”): oorverdovend stil, onbewaakt en een prooi voor schatgravers.

Het Arsakidische Rijk was losjes georganiseerd. De titel ‘koning der koningen’ was geen loze: de Arsakidische koning werd door andere vorsten als hun superieur beschouwd, maar ze waren in hoge mate zelfstandig, en regelmatig komt de vraag op of ze wel bij het Iraanse rijk hoorden. Zo waren er van oorsprong Arsakidische vorsten in de Indusvallei, maar die waren volkomen onafhankelijk en behoren meer tot de Pakistaanse dan Iraanse geschiedenis. En in Iran zelf waren zeven grote adellijke families die zich van tijd tot tijd praktisch onafhankelijk gedroegen. (De bekendste daarvan is de Suren-clan uit Sistan in de omgeving van het huidige Zabol; vermoedelijk gaat de sage van Rustam op een van de leden van deze familie terug.)

Partnische ruiter

Los georganiseerd als het was, was het Arsakidische Rijk slecht in staat zich te verdedigen tegen vijanden in stedelijke gebieden, zoals Irak. Helaas was dat nu net het gebied waar het er het meest om spande, want hier grensde het rijk aan het Romeinse imperium. Aanvankelijk verliepen de oorlogen nog in Arsakidisch voordeel, want de Romeinen hadden nog geen antwoord op de fenomenale Parthische ruiterij. Maar vanaf het begin van de jaartelling slaagden de Romeinen er steeds beter in de juiste bondgenoten te vinden en de deelrijken van het Arsakidische staatsbestel los te weken: in Armenië zat weliswaar een Arsakidische prins op de troon, maar die werd vanaf 58 door de Romeinen aangewezen, en een Romeinse machtsdemonstratie in 115-117 leidde ertoe dat de vorsten van stadstaatjes als Edessa en Nisibis (beide in het grensgebied van Turkije en Syrië) hun loyaliteit bijstelden. In 165 erkenden ze het oppergezag van de Romeinse keizer, en in 195 lijfde Rome ze in.

[Wordt vervolgd]


Voorislamitisch Iran (4): de Parthen komen

augustus 10, 2011

[Dit is het vierde deel van een reeks; het eerste is hier.]

Seleukos (Louvre)

Het is makkelijk het belang van de ondergang van het Achaimenidische Rijk te overschatten. De Seleukiden, die sinds de regering van Alexander de macht uitoefenden, namen tal van Perzische instellingen over en voor de gewone Iraniër of Babyloniër veranderde er weinig. De nationaliteit van de bestuursklasse was weliswaar veranderd, maar dat was in het Nabije Oosten niet voor het eerst: de Assyriërs waren opgevolgd door de Babyloniërs, die door de Perzen waren afgelost, en zij maakten nu plaats voor Europeanen.

Herakles (Behistun)

Wat wél veranderde was de oriëntatie van het bestuur. Het zwaartepunt van het Perzische Rijk had altijd gelegen in Zuid-Irak en West-Iran, met Sousa en Persepolis als hoofdsteden, maar voortaan hadden de heersers óók belangen in het Middellandse-Zeegebied, en waren de hoofdsteden Seleukia (bij Bagdad) en Antiochië. Dat wil echter niet zeggen dat Iran werd genegeerd. Het schattige beeld van Herakles (links) bewijst dat Behistun nog steeds belangrijk was; Persepolis was nog altijd bewoond; in Nihavand is een lange Griekse inscriptie opgegraven die momenteel in het museum van Teheran is te zien. Dat is een zeldzaamheid: de Griekse periode is niet populair in Iran. De laatste sjah sprak niet voor niets van de “post-Achaimenidische tijd” en de huidige religieuze autoriteiten moeten evenmin veel hebben van de Griekse beschaving.

Ardakes I (British Museum)

Net als de Achaimeniden regeerden de Seleukiden vaak via plaatselijke dynastieën, waarmee ze huwelijksbanden onderhielden. Eén zo’n plaatselijke clan was die van de Arsakiden, die afstamde van een halflegendarische Arsakes, die in de derde eeuw vanuit het huidige Oezbekistan is getrokken naar Parthië, het land rond het huidige Mashhad in het noordoosten van Iran.

Deze dynastie gedroeg zich steeds onafhankelijker, breidde zijn invloed gestaag uit naar het westen en oosten, nam rond het midden van de tweede eeuw Irak over en voegde daar tot slot Khuzestan aan toe, het laatste stukje Iran dat ze nog niet beheersten.

De Arsakiden waren meesters in het aanpassen. Ze accepteerden de Grieks-sprekende elite en omdat de handel veelal ook in handen van Grieks-sprekenden was, sloegen ze munten met Griekse opschriften. Andere nationaliteiten in hun rijk werden eveneens zoveel mogelijk met rust gelaten: wie deze periode bestudeert moet behalve het Pahlavi (de taal van de Parthen) en Grieks ook Babylonisch, Aramees en nog enkele talen leren. Tolerant als ze waren, ontwikkelden ze ook geen erg herkenbare architectuur, zodat ze geen erg grote plaats innemen in de boeken kunstgeschiedenis.

[Wordt vervolgd]


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 225 andere volgers