Spelfout

februari 1, 2014
(klik=groot)

(klik=groot)

Een alleszins vergeeflijke vergissing die niettemin goed is voor een glimlach. Een artikel over spelfouten in spijkerschriftinscripties is geïllustreerd door de foto op z’n kop te plaatsen.


Xerxes’ Griekse oorlog (9)

september 12, 2013

Thermopylai vanuit het oosten, kijkend in de richting van Trachis; zo zouden de Grieken het slagveld hebben kunnen zien als ze, net als ik, in een electriciteitsmast hadden kunnen klimmen. Het gebied rechts van de grote weg was destijds zee.

[Dit is de negende aflevering in een reeks van een stuk of dertig; het eerste is hier.]

In de afgelopen twee dagen is het Perzische leger verder getrokken tot het in de middag van 12 september 480 v.Chr. Trachis bereikte, een stad aan de voet van de berg Oita. Misschien hebben zijn Griekse bondgenoten en gidsen aan koning Xerxes verteld dat lang geleden, in mythologische tijden, de halfgod Herakles op die berg zichzelf levend had verbrand. De weg boog hier naar het oosten en even verderop, duidelijk zichtbaar, bereikten de uitlopers van het gebergte, dat daar Kallidromos heet, de zee. Vanuit Trachis was te zien dat de kustweg zeer smal was. En het was ook te zien dat er soldaten waren. Hun helmen, harnassen en wapens fonkelden in de zon. De kustweg die ze bewaakten was versterkt en stond bekend als de Hete Poorten, omdat hier vlakbij een zwavelhoudende, warme bron was. Het Griekse woord is Thermopylai.

Xerxes wist dat hier gevochten zou gaan worden. En dus wachtte hij. Het enorme leger was nog niet in zijn geheel aangekomen in Trachis en het kon bovendien geen kwaad te wachten tot er duidelijkheid was over de vloot. De grote koning moet hebben geweten dat de Griekse vloot was weggegaan van Artemision en zich nu ergens voor hem bevond, in de baai voorbij Thermopylai (landkaart). Hij zal ook hebben geweten dat een flottielje van tien schepen bij Skiathos een schermutseling had gewonnen, maar waar de hoofdmacht van zijn zeestrijdkrachten was, kan Xerxes niet hebben geweten. De zorgvuldig te werk gaande koning wilde eerst weten wat de situatie was voor hij onbesuisd een moeilijke, zwaarbewapende tegenstander liet aanvallen.

Er was reden voor voorzichtigheid. De dag ervoor was de Perzische vloot uitgevaren. Ze moet hebben bestaan uit ongeveer 550 transportschepen en 650 oorlogsbodems en zal zeker niet in één keer zijn uitgevaren. Op de avond van de elfde september waren de eerste schepen aangekomen bij het schiereiland Magnesia, maar zoals we zullen zien waren er schepen die wel zeventig kilometer noordelijker waren. De gehele kust was rotsachtig, met slechts hier en daar veilige baaien. Zeker niet alle schepen konden veilig aan land worden getrokken, zoals destijds gebruikelijk was.

En toen gebeurde het onvermijdelijke: op 12 september waaide het zo hard dat uitvaren niet verantwoord was. Ook op 13 en 14 september moest de Perzische vloot aan land blijven. Gegeven de aanwezigheid van graanschepen en de nabijheid van bergbeekjes zal het niet hebben geleid tot grote problemen met de bevoorrading, maar de schepen die niet aan land waren getrokken, werden hard getroffen. Herodotos noemt vier plaatsen waar de Perzen verliezen leden – van zuid naar noord de Inktvissenkaap, de Bakovens en de steden Kasthanaia en Meliboia – en daaruit kunnen we afleiden dat de immense vloot verspreid was over vele tientallen kilometers.

Hoe groot was de schade? Herodotos claimt dat de Perzen hier al een derde van hun vloot verloren, maar vermoedelijk is dat omdat hij meent dat de totale Perzische vloot bestond uit 1200 oorlogsschepen en omdat hij weet dat de Perzische krijgsvloot bij Artemision kleiner was. Stevige stormschade was zijn manier om de twee stukjes conflicterende informatie te harmoniseren. In feite zal het zijn meegevallen, want zoals we nog zullen zien ondervond de Griekse vloot niet zó veel last van de storm dat ze niet kon terugkeren naar Artemision. Bovendien was de Perzische vloot al snel weer in staat om op te treden tegen de Griekse. Desondanks zal de schade aanzienlijk zijn geweest, zeker onder de schepen die niet aan land waren gegaan en voor anker hadden gelegen.

Zouden de Perzen hebben kunnen doorvaren, dan hadden ze het op dit moment door de Grieken verlaten Artemision kunnen bezetten en door kunnen varen, westwaarts om Euboia. Dan zouden ze op 13 september contact hebben kunnen maken met de landmacht bij Thermopylai. De Griekse admiralen, die op 12 september moeten hebben vernomen dat de Perzische legers waren aangekomen bij Thermopylai, zullen hebben geweten dat ze niet konden blijven waar ze waren, en zullen die avond hebben besloten dat ze de volgende dag zouden uitvaren, terug naar Artemision, de storm in.

[Wordt vervolgd]


Xerxes’ Griekse oorlog (7)

september 8, 2013

De Olympias, een gereconstrueerd Grieks oorlogsschip

[Dit is de zevende aflevering in een reeks; hier is een korte samenvatting van het voorafgaande.]

Op 8 september 480 v.Chr. verlieten tien Perzische schepen vloot de haven van Therma. Naar het zuiden varend hadden ze voortdurend bergen aan hun rechterhand: eerst het Olymposmassief, na het Tempe-ravijn de Ossa, en nog wat later het Peliongebergte, dat zich uitstrekt over het schiereiland Magnesia. Aan het einde daarvan was de zeestraat waar, bij Artemision, de Grieken de Perzen opwachtten (landkaart).

De bergen kwamen vaak tot vlak aan de zee. Het feit dat het ook in de moderne tijd niet mogelijk is een kustweg te volgen, illustreert hoe ontoegankelijk en rotsachtig het gebied is. De schepen moesten een flink eind uit de kust blijven en – belangrijker – hadden nauwelijks gelegenheid om ergens aan te meren.

In de middag bereikten de tien schepen het eiland Skiathos, even ten oosten van Magnesia (andere landkaart). Daar lagen drie Griekse schepen te wachten: een vooruitgeschoven wachtpost, waarvan het enige doel was de Griekse hoofdmacht in Artemision te melden dat de vijand eraan kwam. Toen de bemanningen de Perzische hoofdmacht zagen, konden ze terugkeren.

De Perzen waren echter sneller. Eén van de drie Griekse schepen werd al snel overmeesterd en Herodotos schrijft dat ze een van de krijgsgevangen genomen matrozen doodden om het enkele feit dat hij Leon heette, “leeuw”. Als dit geen laster is – van wie kan Herodotos het hebben vernomen? – is de mogelijke verklaring dat de leeuw in de Perzische beeldentaal het symbool was van Angra Mainyu, de eeuwige tegenstander van de oppergod Ahuramazda, maar in feite begrijpen we de anekdote niet. Mensenoffers waren in elk geval geen Perzisch gebruik.

Ook het tweede schip werd overmeesterd, maar het derde ontkwam door naar het noorden te varen, de Perzische hoofdmacht tegemoet. Voordat het schip in moeilijkheden geraakte, zette de kapitein het echter aan de grond, en de bemanning slaagde er uiteindelijk in behouden thuis te komen. Dit bewijst dat er in de door de Perzen bezette gebieden nog altijd Grieken waren die de Griekse zaak goed genoeg gezind waren om een complete scheepsbemanning te helpen.

Het eerste treffen tussen de Grieken en de Perzen voorspelde veel goeds voor de laatsten: hun schepen waren sneller en talrijker. Onmiddellijk daarna ging het verkeerd: drie van de tien schepen liepen op een klip tussen Skiathos en Magnesia. De Perzen werden nu voor het eerst geconfronteerd met het simpele gegeven dat als hun schepen averij opliepen, het moeilijk zou worden ze op te kalefateren. De Grieken zouden hun verliezen steeds weer kunnen compenseren, maar voor de Perzen zou dat moeilijker zijn. Niettemin, voor het moment zag het er goed uit voor de Perzen en de commandant van het flottielje zal een schip hebben teruggestuurd met de boodschap dat de kust veilig was.

[Wordt vervolgd]


Xerxes’ Griekse oorlog (6)

september 4, 2013
De aanwezigheid van Ethiopiërs in Xerxes' leger maakte indruk op de Grieken. Ze zijn afgebeeld op verschillende stukken aardewerk, zoals dit flesje in het British Museum.

De aanwezigheid van Ethiopiërs in Xerxes’ leger maakte indruk in Griekenland. Ze zijn afgebeeld op verschillende stukken aardewerk, zoals dit flesje in het British Museum.

[Dit is de zesde aflevering in een reeks van een stuk of dertig; het eerste stukje is hier.]

De laatste keer dat ik schreef over Xerxes’ Griekse expeditie, was het leger vanuit Therma begonnen aan een opmars naar Thessalië. Ik gebruik het huidige stukje om u even bij te praten, want vanaf nu gaat het snel. Uiteindelijk zullen er zo’n dertig stukjes zijn, of meer, want over sommige dagen is zoveel te vertellen dat ik misschien meer dan één stukje zal schrijven. We zullen het merken.

Voor het moment herinner ik eraan dat de Perzen een vroege staat vormden, waarin het koningschap betrekkelijk nieuw was. De vorst verwierf de loyaliteit van de traditionele adel door haar leden af te kopen, wat het noodzakelijk maakte op oorlogspad te gaan en buit te bemachtigen. Externe expansie was dus noodzakelijk om intern de macht te consolideren. Ik beschreef dat in het eerste stukje.

In het tweede introduceerde ik onze voornaamste bron, Herodotos van Halikarnassos, en in het derde vertelde ik over de wijze waarop de Perzen hoopten deze oorlog te voeren: ze wilden de haven van Athene bereiken en de istmus forceren, waarna ze – zo lijkt het – hun vloot naar Nauplion (de haven van het bevriende Argos) wilden brengen (landkaart). Het leger kon dan de Peloponnesos veroveren. De Grieken waren echter superieur in bewapening en tactiek, wat de Perzen dwong een kolossaal leger in te zetten. Dat maakte een enorme transportvloot noodzakelijk, die weer moest worden beschermd met honderden oorlogsbodems.

In het vierde stukje vertelde ik dat het Griekse krijgsdoel was gelegen in de vernietiging van de Perzische oorlogsvloot, waarna de transportvloot kon worden uitgeschakeld en het Perzische leger zou moeten terugkeren. Weliswaar waren de Grieken numeriek zwakker, maar door positie te kiezen bij Artemision hadden ze kans van slagen. Daar beschikten de Grieken namelijk over een uitstekende basis, terwijl de Perzen waren gedwongen hun vloot te verdelen over allerlei kleine baaien aan een rotsige kust. Tot slot: om te verhinderen dat Artemision in de rug zou worden aangevallen, blokkeerde een Grieks leger bij Thermopylai de kustweg.

Op 5 september 480, vandaag 2492 jaar geleden, bereikte de Perzische landmacht, met aan het hoofd koning Xerxes, Larissa, de hoofdstad van Thessalië. De heersende familie, de Aleuaden, had al contact gehad met Xerxes’ vader Darius en hem uitgenodigd om naar Griekenland te komen – althans, dat schrijft Herodotos, die op dit punt heel goed laster kan reproduceren die de ronde deed na de Perzische Oorlog. De familie was namelijk behoorlijk “fout” door in dit conflict partij te kiezen voor de Perzen.

Veel keuze had ze echter niet. Het Perzische Rijk begon aan de andere zijde van de Olympos. De Grieken hadden in het voorjaar van 480 nog een leger naar Thessalië gestuurd om te onderzoeken of de Perzen in de bergen konden worden tegengehouden, maar men had vastgesteld dat alle passen konden worden omgaan, en was weer teruggekeerd naar het zuiden. Thessalië was dus de facto overgegeven aan de Perzen en de Aleuaden hadden geen andere optie dan collaboratie.

Larissa was dus Xerxes’ eerste verovering tijdens deze expeditie en – voor zover bekend – ook de eerste verovering van zijn regering. Herodotos vertelt dat er paardenraces waren en dat de Perzische jockeys de Thessalische ruiters het nakeken gaven. Daarna marcheerden de troepen verder naar Halos, de belangrijkste vlootbasis in de omgeving. De vloot was weliswaar nog niet actief maar het is duidelijk dat Xerxes goed nadacht over de logistiek.

Een ander legeronderdeel moet naar Kasthanaia zijn gegaan, aan de oostelijke kust, om daar het gebied te bezetten waar de Perzische vloot zou aanmeren op haar weg naar het zuiden. Was de kust daar veilig, dan konden de 1200 schepen naar het zuiden varen.

[Wordt vervolgd]


Xerxes’ Griekse oorlog (4)

augustus 29, 2013

Themistokles (buste uit Ostia)

[Dit de vierde aflevering in een reeks; de eerste is hier.]

Door welke interne mechanismes de Perzen ten strijde trokken en wat onze bron is voor de gebeurtenissen, heb ik in de twee eerste stukjes uiteengezet, terwijl het derde ging over de Perzische plannen. De Grieken wisten wat hun te wachten stond: in 492 had koning Darius immers Macedonië laten annexeren en in 490 de eilanden van de Egeïsche Zee. Nu liet Xerxes een brug bouwen over de Hellespont en een kanaal graven door de Athos. Een latere schrijver, Isokrates, vermeldt een gezegde dat de ronde deed: de Perzen zouden lopen over het water en varen door het land.

De dreiging was reëel en de Grieken reageerden daarop met karakteristieke verdeeldheid. In het noordelijke Thessalië, waar de Perzen als eersten zouden aankomen, was de leidende familie pro-Perzisch. In midden-Griekenland was de elite in de stad Thebe verdeeld. Het orakel van Delfi was op het gênante af pessimistisch over de Griekse kansen. Athene, Korinthe en Sparta hadden daarentegen besloten de hakken in het zand te zetten, waardoor de stad Argos, indachtig het spreekwoord “de vijand van mijn buurman is mijn vriend”, van de weersomstuit partij koos voor de Pers.

De vertegenwoordigers van de anti-Perzische stadstaten kwamen bijeen in de tempel van Poseidon op de isthmus van Korinthe. Men noemt het wel eens de Korinthische Bond, maar veel eenheid was er niet. Zelfs uit Herodotos’ Het verslag van mijn onderzoek, waarin de Korintische gebeurtenissen onderbelicht zijn, begrijpen we dat er vooral veel is geruzied. Het was evident dat Sparta te land de leiding zou hebben, maar Athene eiste het commando ter zee, en dit was voor andere steden dermate onaanvaardbaar dat ze aankondigden zich uit de strijd terug te trekken als dit werkelijk gebeurde.

Het vlootcommando kwam uiteindelijk in handen van een Spartaan, maar de architect van de Griekse zege lijkt toch een Athener te zijn geweest: Themistokles. Toen de Perzen – vermoedelijk in 483 – waren begonnen met het graven van een kanaal door de Athos, had Themistokles genoeg begrepen, en hij had zijn stadsgenoten ervan overtuigd dat ze fondsen moesten vrijmaken voor de bouw van een oorlogsvloot. Ogenschijnlijk diende die om te vechten tegen het naburige Aigina, maar hiermee kon uiteraard ook het Perzische gevaar worden gekeerd.

Artemision; aan de overzijde Magnesia

Misschien was het ook Themistokles die bepaalde waar de Griekse vloot het beste de Perzische schepen kon opwachten: in de zeestraat tussen het schiereiland Magnesia en de noordwestkust van het eiland Euboia, die men aanduidde als Artemision (landkaart). Hier konden alle Griekse schepen op een comfortabel strand met bronnen bij elkaar worden gelegd, terwijl de Perzen hun oorlogsbodems zouden moeten verspreiden over een aantal kleine havens voor een rotsige kust. Het was de ideale plek om de vijand op te wachten.

Er kleefde echter één nadeel aan deze positie: weliswaar was Euboia een eiland, maar het lag dicht onder de kust. De afstand tot het vasteland bedroeg bij de stad Chalkis slechts veertig meter. Als de Perzische landmacht die zee-engte kon overbruggen, kon ze doorstoten naar Artemision en de Griekse vloot op het land verslaan. Om dit te vermijden, moest de Griekse landmacht de opmars van het Perzische leger voldoende vertragen om de Griekse vloot in staat te stellen haar tegenstanders te verslaan. Vandaar dat in de Poseidontempel werd besloten dat een garnizoen van vierduizend Grieken Thermopylai zou bewaken: een smalle kustweg, gelegen tussen onbegaanbare bergen en de zee. Hier moest Xerxes’ enorme landmacht worden tegengehouden.

De Grieken konden ruim 300 oorlogsschepen in de vaart houden. De Perzische vloot was eens zo groot, maar in Artemision zou de Griekse vloot kans maken. Mits, uiteraard, Thermopylai niet zou vallen. En juist dat was de vraag. We weten dat de Spartanen uitsluitend soldaten uitstuurden die al kinderen hadden – men hield er rekening mee dat de soldaten niet zouden terugkeren.

[Wordt vervolgd]


Xerxes’ Griekse oorlog (3)

augustus 27, 2013

Een hopliet: scheenbeschermers, borstpantser, helm, schild, zwaard (niet zichtbaar) en speer (KMKG, Brussel).

Zoals ik in mijn eerste stukje aangaf, dwong de interne dynamiek van het Perzische Rijk koning Xerxes ten strijde te trekken tegen de Grieken. In mijn tweede stukje vertelde ik dat we in Herodotos’ Verslag van mijn onderzoek een goede bron hebben voor zover het de feiten betreft, maar dat we – eigenwijs als we zijn – menen het beter te weten als het gaat om de interpretatie van die feiten. Het kentheoretische probleem dat feiten en interpretaties nooit helemaal zijn te scheiden, zullen we maar even laten wat het is, om in te gaan op de vraag hoe Xerxes zijn doelen wilde bereiken.

Het besluit naar Griekenland te gaan, getuigt van zelfvertrouwen, want tijdens eerdere gevechten in Klein-Azië, op Cyprus en bij Marathon hadden de Perzen ontdekt dat ze te maken hadden met een geduchte tegenstander. De Griekse soldaten, de zogeheten “hoplieten”, waren immers voorzien van zware wapenrustingen. Toch waren ze niet onverslaanbaar – uiteindelijk was de opstand van de Aziatische Grieken onderdrukt – en Xerxes’ adviseurs meenden dat de kwalitatieve superioriteit van de hoplieten viel te compenseren met een numeriek superieur leger.

Deze keuze had vérstrekkende implicaties. Herodotos noemt een miljoenenleger, maar als we aannemen dat hij zich steeds een factor tien vergist – een fout die Griekse auteurs vaker maken als ze schrijven over Perzië – komen we uit op een leger van zo’n 200.000 man, 8000 paarden en 20.000 lastdieren. Dat is erg groot, maar er zijn uit de antieke wereld parallellen, die bewijzen dat het plan uitvoerbaar was. De uit de omvang van het leger voortvloeiende logistieke eis van 400 ton proviand per dag, zou de Perzische strategie bepalen.

Twee Perzische soldaten, uitgerust met wapenrok, speer en boog; schilden en zwaarden worden in de bronnen genoemd, maar helmen niet  (Louvre)

De logistieke eisen verklaren bijvoorbeeld waarom de opmars vanuit Azië naar Europa pas kon plaatsvinden in juli: na de graanoogst. Om het voedsel te vervoeren, waren minstens 550 transportschepen noodzakelijk, die tegen Griekse aanvallen zouden moeten worden beschermd door een oorlogsvloot van rond de 650 galeien. (Herodotos schrijft 1207, maar dat getal bevat ook de schepen van de brug die Xerxes over de Hellespont liet slaan.) De roeiers daarvan hadden ook behoefte aan voedsel en water, en dus legden de Perzen enorme voedseldepots aan. Hun voorbereiding was fenomenaal.

Het Perzische krijgsdoel lijkt te zijn geweest om eind september zowel Athene als de isthmus bij Korinthe te hebben bezet, waarna contact kon worden gemaakt met de bevriende Grieks stad Argos (landkaart). De vloot zou daar, tot in april het vaarseizoen weer aanbrak, een veilige haven hebben (Nauplion), terwijl het leger vanuit Argos zuidelijk Griekenland zou overweldigen, eventueel als in in het voorjaar nieuwe troepen en paarden zouden zijn aangevoerd. Ik cursiveerde overigens het woord “lijkt” omdat Herodotos zich over de Perzische krijgsdoelen niet werkelijk uitlaat: het doel was de verovering van Griekenland, meldt hij, maar hoe de Perzen dit concreet wilden bereiken, vertelt hij niet.

Xerxes’ kanaal is nog herkenbaar als een donkere lijn van vegetatie: op de foto tussen twee rode punten. Meer informatie hier.

Hij beschrijft de voorbereidingen daarentegen wel. De route van de vloot langs de noordkust van de Egeïsche Zee kende één obstakel: de Athos, een kilometers ver de zee in stekende bergachtige kaap zonder geschikte havens, extra gevaarlijk doordat het er – zoals elke antieke zeeman wist – krioelde van de zeemonsters. Het graven van een kanaal was een verstandige maatregel, maar maakte de Grieken ook duidelijk dat koning Xerxes geen genoegen nam met de door zijn vader veroverde gebieden in Thracië en Macedonië, maar uit was op de onderwerping van Griekenland. Het bange vermoeden werd zekerheid toen de Perzen ook een brug sloegen over de Hellespont, de zeestraat tussen Azië en Europa.

In de eerste helft van augustus bereikten de twee Perzische strijdmachten, het leger en de vloot, Therma, het huidige Thessaloniki. Tot eind augustus werden de manschappen getraind of ingezet om wegen aan te leggen om het Olymposgebergte. De Grieken wisten dat de Perzen eraan kwamen en hadden al eerder spionnen gestuurd, die echter gevangen waren genomen. Koning Xerxes had ze vrijgelaten en toegestaan alles op te schrijven wat ze maar wilden weten: als de Grieken hoorden hoeveel duizenden en duizenden soldaten uit het oosten tegen hen optrokken, zou de moed hun in de schoenen zinken. Dat Herodotos de aantallen met tien heeft vermenigvuldigd, bewijst dat deze antieke psy-op zijn uitwerking niet heeft gemist.

[Wordt vervolgd]


Xerxes’ Griekse oorlog (1)

augustus 25, 2013

Ahuramazda (Persepolis)

Ahuramazda was een grote god, de grootste van alle goden, de schepper van de aarde hier beneden, de schepper van de hemel hierboven, de schepper van de mensen, de schepper van het geluk van de mensen en de schepper van koning Xerxes. Er was maar één koning voor de mensheid, één heerser over iedereen. Xerxes was de grote koning, de koning der koningen, de koning van alle landen waar mensen woonden, de koning van deze aarde, uitgestrekt als ze was, de zoon van koning Darius, een lid van de dynastie der Achaimeniden.

Tot zover de officiële Perzische formulering. Het Perzische Rijk was ontstaan in het derde kwart van de zesde eeuw v.Chr. Koning Cyrus had alle volken onderworpen, van de Lydiërs in het verre westen tot de Baktriërs in het oosten. Zijn zoon Kambyses had er Egypte aan toegevoegd en daarna was, na een burgeroorlog, de macht in handen gekomen van Darius, die tussen 522 en 486 het wereldrijk had georganiseerd. Hij erfde een los georganiseerde federatie van stammen, steden en volken en liet een echte staat achter – hij leidde Iran van de IJzertijd naar het volle licht der geschiedenis.

Zijn grote probleem was dat in Perzië het koningschap niet bestond op de wijze waarop hij het uitoefende. De Perzen waren halve nomaden en nu werden ze geregeerd door een koning met een echte residentie, die meestal wordt aangeduid met de Griekse naam Persepolis. Onze voornaamste bron van informatie, Herodotos van Halikarnassos, geeft in zijn onderhoudende geschiedwerk aan dat Darius zijn koningschap had moeten bevechten op de Iraanse adel.

Hoe Darius de aristocraten apaiseerde is niet goed bekend, maar de overgang van een stamsamenleving naar een vroege staat is bepaald niet uniek in de geschiedenis. Het Macedonië van Filippos II, het Merovingische koninkrijk der Franken of – betrekkelijk recent – de eenwording van Pruisen ten tijde van de Grote Keurvorst: het zijn allemaal parallellen. Steeds zien we dat de nieuwe koning de macht consolideert door de traditionele machthebbers te voorzien van zilver en goud, zilver en goud dat de vorst had bemachtigd in buitenlandse oorlogen. Agressie naar buiten betekende interne stabiliteit – war is peace, met een woord van George Orwell.

Cyrus, Kambyses, Darius en nu Xerxes: ze hadden een buitenlandse vijand nodig. En zo kwam het dat in september 480 v.Chr. een enorm Perzisch leger oprukte naar Griekenland. Dat is nu 2492 jaar geleden – geen mooi rond getal, maar ik heb gewoon zin om erover te vertellen, en aangezien dit mijn blog is, vertel ik de komende vijf weken het verhaal van wat de Grieken de “Perzische Oorlogen” noemen.

Vandaag, 26 augustus, lag de Perzische vloot in Therma (het huidige Thessaloniki), was het Perzische leger bezig wegen aan te leggen rond het Olymposgebergte, en waren de Griekse strijdkrachten op weg naar de twee punten waar ze de Perzen wilden tegenhouden: het leger zou zich schrap zetten in de pas van Thermopylai en de vloot zou strijden bij Kaap Artemision.

Hoe de Perzen in Therma waren aanbeland, wat voor leger koning Xerxes bij zich had, hoe Xerxes bleek te houden van natuurschoon, hoe de Grieken zich in de zomer hadden voorbereid: het komt aan bod in de komende stukjes. Eind september is dan de beslissende zeeslag, waarna we zullen ingaan op de enorme hype waartoe het conflict al in de Oudheid aanleiding gaf.

[Wordt vervolgd]


Een onvoltooid geschiedwerk

augustus 19, 2013

Herodotos (Agoramuseum, Athene)

Zou het kunnen bestaan, een boek over de Tweede Wereldoorlog dat begint met de Duitse eenwording van 1870 en eindigt in de winter van 1942/1943 met de slagen bij El Alamein, Stalingrad en Guadalcanal? Het lijkt vreemd, maar de keuze valt te verdedigen. In militaire zin was de oorlog beslist. Ook de contouren van de naoorlogse periode lagen vast, met het tekenen van het Atlantic Charter en de afspraken van Casablanca. De tijdgenoten wisten dat ook: het illegale Parool voorspelde op 28 mei 1943 dat koloniale rijken als Nederlands-Indië zouden worden opgedoekt, dat de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten na de oorlog oppermachtig zouden zijn en dat daarom een vorm van Europese samenwerking moest ontstaan waaraan ook Duitsland zou deelnemen.

Zo’n geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog zou dus kunnen bestaan, maar de meeste lezers zullen het idee hebben dat zo’n boek onvoltooid is. De oorlog was immers pas afgelopen toen Japan capituleerde. De krijgshistoricus zou dat toch ook moeten beschrijven, en liefst óók de oprichting van NAVO, COMECON en Raad van Europa. Ontbreken die zaken, dan zal de lezer zich afvragen of de historicus misschien voortijdig is overleden of – eigentijdser – door zijn subsidie heen was.

Dit is ongeveer wat er schort aan de Historiën die Herodotos van Halikarnassos wijdde aan de oorlog tussen het Perzische wereldrijk en de Griekse stadstaten aan het begin van de vijfde eeuw v.Chr. Het indrukwekkende boek, in het Nederlands vertaald onder de kloeke titel Het verslag van mijn onderzoek, begint met de regering van de Perzische vorst Cyrus de Grote in 559, vervolgt met een beschrijving van de imperialistische politiek van het door hem gestichte wereldrijk (de onderwerping van Lydië, Babylonië, Egypte, Thrakië en Libië), en pas op ongeveer tweederde lezen we over de eerste Perzische aanval op de Griekse steden in Europa, in 492. Twee jaar later veroveren de Perzen de Egeïsche Eilanden en mislukt in de slag bij Marathon een poging in Athene een pro-Perzisch regime aan de macht te helpen, en nog eens tien jaar later – we zijn dan op driekwart van het boek – begint de oorlog pas echt als koning Xerxes Griekenland binnenvalt. Niet lang na de beslissende gevechten bij Salamis (480), Plataia en Mykale (beide in 479) breekt het verhaal af, hoewel de oorlog nog niet voorbij was.

Hoe invloedrijk Herodotos is, blijkt wel uit het feit dat nog in 2005, de Britse schrijver Tom Holland een boek kon publiceren over de Grieks-Perzische oorlog, Persian Fire, dat met een even lange aanloop als de Historiën begint en even voortijdig eindigt: na Mykale is het voorbij. De val van Eïon, het laatste Perzische bolwerk in Europa, wordt niet eens vermeld. Alsof je een geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog eindigt voordat de Sovjet-troepen Berlijn hebben veroverd.

Het is wonderlijk dat Holland (en menig ander krijgshistoricus) zijn historisch oordeel afhankelijk maakt van het punt waarop een van zijn bronnen afbreekt. Herodotos zelf had in elk geval een ander oordeel over wat belangrijk was. Hij was niet van mening dat Mykale en de expeditie naar de Hellespont het einde vormden en heeft zeker méér willen beschrijven dan uiteindelijk is gepubliceerd: in 7.123 kondigt hij aan het lot van de Griekse verrader Efialtes nog te zullen behandelen, en die belofte lost hij niet in. De Historiën zijn onvoltooid. In een boek over de oorlog tussen Perzen en Grieken mogen de Griekse expedities naar de Bosporos en het strategisch cruciale Cyprus (478) niet ontbreken, net als de Spartaanse veldtocht tegen de Thessalische collaborateurs (478), de oprichting van de Delisch-Attische Zeebond (478/477), de moord op Efialtes (477), en de val van Eïon (476).

Wat zou Herodotos te vertellen hebben gehad als hij zijn werk tot het logische einde had kunnen brengen? Om te beginnen al het bovenstaande: hij geeft er blijk van te weten wat er in de jaren 478-476 heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn er twee aanwijzingen dat Herodotos meer noten op zijn zang had. Aan het begin van zijn werk, in 1.106 en 1.184, kondigt hij aan terug te zullen komen op de oude geschiedenis van het Tweestromenland. Ook die belofte lost hij niet in. Jammer, want Babylon zou wel eens belangrijk zijn geweest in Herodotos’ visie op de Grieks-Perzische oorlog. Maar hoe?

Voor Tom Holland is het simpel. Hij wijst er – terecht – op dat Xerxes meer dan één zorg aan zijn hoofd had. Kort voor de oorlog tegen de Grieken waren in Babylonië Bēl-šimānni en Šamaš-eriba in opstand gekomen en hoewel deze revolte was onderdrukt, stelt Holland dat Babylonië nog altijd opstandig was. Daarom zou Xerxes hebben moeten terugkeren, wat dan verklaart waarom de Perzen in 479 te weinig troepen op het westelijk strijdtoneel hadden. En dat verklaart op zijn beurt waarom de Griekse overwinningen bij Plataia en Mykale mogelijk waren.

Helaas is Hollands theorie een verzinsel. Ze is niet onmogelijk, maar we zouden graag een geloofwaardige aanwijzing hebben voor een opstand in 479. Die ontbreekt. Holland heeft haar volkomen uit de duim gezogen. Herodotos’ voornemen terug te komen op Babylonië is eigenlijk het enige dat het vermoeden rechtvaardigt, maar hij kan om zoveel andere redenen hebben willen terugkomen op de culturele hoofdstad van het oude Nabije Oosten.

Zou Herodotos tijd van leven hebben gehad en zou hij zijn geschiedenis tot het logische einde hebben willen voltooien, dan zou hij de volgende elementen nog hebben moeten noemen:

  • na de beschrijving van de Atheense expeditie naar de Hellespont waarmee het boek nu eindigt, zou Herodotos hebben verteld hoe in 478 de Spartanen naar Thessalië trokken;
  • hij zou hebben verteld hoe de Spartanen tegelijkertijd hun gezag verspeelden tijdens de Griekse expeditie naar Cyprus en de Bosporos;
  • hij zou hebben beschreven hoe in de winter de Delisch-Attische Zeebond werd opgericht;
  • hij zou de moord op Efialtes in 477 hebben beschreven;
  • hij zou met een beschrijving van de Atheense aanval op Eïon zijn betoog tot zijn logische einde hebben gebracht.

En ergens zou hij dus ook nog hebben verwezen naar de geschiedenis van Babylon. Dat zou een mooi symmetrisch einde hebben opgeleverd. De opkomst van het Perzische Rijk was begonnen toen Cyrus de stad had ingenomen; aan het einde van de Historiën zou de vergankelijkheid van die stad symbool hebben kunnen staan voor de inmiddels bewezen vergankelijkheid van Perzië. Zo’n einde zou een waarschuwing hebben kunnen zijn voor de Griekse stadstaten, die, toen Herodotos zijn werk schreef, op het punt stonden ten oorlog te trekken.

Ik zeg niet dat het einde zo is geweest. Ik zeg alleen dat het mogelijk is, en dat Herodotos’ niet-ingeloste belofte over een Babylonisch verhaal geen aanwijzing hoeft te zijn voor de door Holland verzonnen opstand in 479. Het is triest dat Persian Fire in bibliotheken staat bij de geschiedenisboeken, terwijl de grens met historische fictie zo royaal wordt overschreden. Over het gemakzuchtige, voor elke eerstejaars geschiedenisstudent herkenbare ontologisch holisme waarmee Holland al in zijn inleiding duidelijk maakt geen historicus te zijn, zullen we het verder maar niet hebben.

[Oorspronkelijk verschenen in Momentum.]


Farhad en Shirin

juni 29, 2013

Kapiteel uit Behistun met het portret van Khusrau II

De Sasanidische koning Khusrau II (r.591-628) was een machtige heerser. Zoals ik in mijn vorige stukje aangaf, veroverde hij vanuit Perzië grote delen van Anatolië en heel Syrië, Palestina en Egypte. Hij lijkt zijn overwinningen te hebben willen vieren met een reliëf in Behistun, waar Perzische vorsten al eerder hun successen hadden herdacht. Een deel van de rotswand is inderdaad klaargemaakt om te worden voorzien van een reliëf. Niet veel verderop zijn de funderingen te zien van een paleis dat Khusrau heeft laten bouwen.

De herinnering aan Khusraus bouwplannen is levend gebleven in de Iraanse volkscultuur. De dichter Nizami (1141-1209) heeft er een mooi verhaal over geschreven, dat is overgenomen, bewerkt en veranderd door generaties van rondreizende vertellers, die er op de dorpsmarkten een hele show van konden maken, aangepast aan de situatie ter plekke. Het verhaal is dus overgeleverd in verschillende varianten, waaronder een scenario uit een Turks poppentheater. Hieronder een variant die ik in 2004 hoorde in een Perzisch restaurant. Nizami’s verhaal is anders.

**

Koning Khusrau had verschillende echtgenotes, maar hield vooral veel van de mooie Shirin (“lieflijk”). Zij weet niet dat ze nog een andere bewonderaar heeft, de bouwmeester Farhad, die bijna gek wordt van verliefdheid en, tegen elk gezond verstand in, besluit ’s konings geliefde het hof te maken. Hij schrijft liedjes en brengt ze ten gehore – en bereikt zijn doel: Shirin hoort de liedjes en wordt verliefd op de zanger.

Helaas heeft ook Khusrau de liedjes gehoord. De koning wordt jaloers, maar kan, als koning, niet anders dan waardig handelen: standrechtelijke executies zijn derhalve geen optie. Hij besluit zijn liefdesrivaal van het hof weg te sturen. Een verblijf op het platteland, waar hij Shirin niet meer zal zien, zal de bouwmeester goed doen, en dus gelast de vorst Farhad de rots van Behistun uit te graven om een bron te vinden. Als de werkzaamheden zijn voltooid, mag hij terugkeren en kan Farhad, als zijn verliefdheid dan nog niet voorbij is en Shirin deze beantwoordt, alsnog met haar trouwen.

Vele jaren verstrijken. Farhad werkt in Behistun. Soms ziet hij de Perzische legers langs marcheren. Dan onderbreekt hij zijn werk om de soldaten te vragen of er nieuws is van het hof. Ze vertellen hem dat Khusrau nog steeds aan de macht is en dat Shirin nog altijd zijn echtgenote is. Hoewel Farhad blij is dat zijn geliefde nog leeft, stemmen de woorden hem droef. En zijn positie is uitzichtloos: hij heeft de rots al voor de helft afgegraven en nog steeds geen water gevonden.

Om de gunst van de koning te herwinnen, besluit hij een mooi monument op te richten, dat Khusrau met zijn verslagen vijanden toont. De koning laat hem weten dat hij er heel blij mee is, maar dat hij, een koning zijnde een koning, een eerder genomen besluit niet kan terugnemen.

Farhad is wanhopig en wil zich van de rots werpen, maar zoals steeds wanneer de wanhoop hem te groot wordt, denkt hij aan Shirin en herwint hij de wil tot leven. Hij graaft verder en op een mooie dag vindt hij water. Blij gooit hij zijn gereedschap weg en stuurt hij een boodschap naar Khusrau.

De koning stuurt een oude vrouw naar Behistun, die Farhad komt vertellen dat Khusrau hem graag aan het hof onthaalt, omdat ze dan samen kunnen rouwen om hun gemeenschappelijke verlies. Als Farhad vraagt wat de koning bedoelt, legt de vrouw uit dat Shirin onlangs is overleden. De bouwmeester is diep, diep geschokt. Zijn geest, die al instabiel was door zijn tragische liefde en door het vele werk in Behistun, bezwijkt en, in een daad van waanzin, gooit Farhad zichzelf van de rots naar beneden.

Uiteraard is Shirin in feite nog in leven. Als ze hoort dat haar geliefde dood is en welk dubbelspel de koning heeft gespeeld, verhangt ze zichzelf.


Terug naar Iran

februari 26, 2013
De werkkamer van de laatste shah (locatie van een ontroerende scène uit F.Springer, "Teheran, een zwanenzang")

De werkkamer van de laatste shah (locatie van een scène uit F.Springer, “Teheran, een zwanenzang”)

Ik heb een leuke muzikale associatie bij vliegvelden, maar ik heb een hekel aan internationaal vliegen. Vooral het gedoe bij de douane stoort me. Vervolgens zit je dicht opeengepakt in een vliegtuig, waar je dan zit te luisteren naar de tekortschietende veiligheidsinstructies en ongevraagd een smakeloze maaltijd krijgt voorgeschoteld.

Maar vanavond land ik wel mooi in Teheran. Het is een grote stad die, eerlijk is eerlijk, niet heel mooi is. Ik zal naar het archeologisch museum gaan, dat weer wél heel mooi is. Ik zal een vriend ontmoeten die ik al te lang niet heb gezien, en traditiegetrouw bezoeken we een van de paleizen in de stad, waar ik traditiegetrouw niet echt van kan genieten omdat ik traditiegetrouw worstel met mijn jetlag.

We gaan enkele archeologische vindplaatsen bezoeken. Om te beginnen Hamadan, het antieke Ekbatana. Het is in feite de eerste hoofdstad van Iran, uit de zevende en vroege zesde eeuw v.Chr., maar er is nog nooit iets gevonden uit deze tijd, zodat archeologen er inmiddels vrij zeker van zijn dat ze op de verkeerde heuvel aan het graven zijn. Het nabijgelegen Tepe Nush-e Jan en Godin Tepe geven overigens een idee van hoe het eruit kan hebben gezien.

Herders in de Zagros

Daarna gaan we de Zagros over: een jong gebergte vol spectaculaire contrasten. We passeren Kangavar, waar een wonderlijk monument is te zien waarvan geen mens weet wat het is. Krachtens de Eerste Hoofdwet van de Archeologie (“als je niet weet wat het is, zal het wel religieus zijn”) wordt het een heiligdom genoemd, en omdat er een bron in de buurt is, heet het een watertempel, maar het is pure speculatie.

Even verderop is het beroemde Behistunreliëf, dat ooit de sleutel vormde tot de ontcijfering van het spijkerschrift. We hopen een oud graf in de omgeving te bezoeken en gaan dan door naar Kermanshah, waar, in een mooi tuincomplex, enkele reliëfs zijn uit de tijd van de Sasanieden. Dat zijn de koningen die in de derde tot en met vroege zesde eeuw n.Chr. over Iran en Irak heersten. Ik houd erg van hun kunst.

Choga Zanbil

Khuzestan, het zuidwesten van Iran, is de volgende halte. Ik wil nu eens naar Gundj-e Shapur, waar in de Sasanidische tijd een universiteit was waar ideeën uit de hele wereld samenkwamen. Er is van beweerd dat het de grondslag was voor de grootse islamitische wetenschappelijke traditie uit de Vroege Middeleeuwen, maar dat staat niet vast. We zullen Choga Zanbil bekijken, een gigantische bakstenen berg uit de Bronstijd.

Niet veel verderop ligt Susa, dat ooit een van de hoofdsteden was van het Achaimenidische Rijk, dat van 539 tot 330 heel Voor-Azië verenigde. Het is een wat desolate plaats die nogal te lijden heeft gehad van beschietingen tijdens de Iraaks-Iraanse Oorlog, maar het is ook een mooie plek. In het stadje zelf is het graf van de profeet Daniël, dat me altijd weer ontroert.

Dan terug over de bergen, naar Yasuj, waar Alexander de Grote Perzië binnentrok. Het gebied is geologisch nog volop in beweging en de kans is klein dat we ooit Macedonische vondsten zullen opgraven, maar ik kom er graag. De bergweg is prachtig en gelukkig hebben we een excellente chauffeur. Niet veel verderop zijn allerlei rotsreliëfs (1, 2, 3), die ik dit keer voor het eerst rustig wil gaan bekijken, en de even oude stad Bishapur, met nog meer rotsreliëfs (1, 2, 3, 4, 5, 6).

Shiraz is in Iran mijn favoriete stad. Er hangt een fijne sfeer en de graven van de dichters Hafez en Saadi hébben gewoon iets, zeker als je wel eens iets van de poëzie hebt gelezen. (Er is een mooie bundel met vertalingen, door De Bruijn, Een karavaan uit Perzië.) Ik kom ook graag in een van de religieuze scholen of in de citadel. Of het er dit keer van komt, weet ik niet, omdat ik ook nog naar enkele Sasanidische monumenten ten oosten van Shiraz wil.

Adelaar uit Naqsh-e Rustam

Even verderop ligt Persepolis – kijk hier maar om te weten wat er allemaal te bekijken valt. Het is een van de spectaculaire ruïnesteden ter wereld. We zullen er vrij veel tijd doorbrengen. Even verderop is Naqsh-e Rustam, met Achaimenidische koningsgraven en – alweer – Sasanidische rotsreliëfs. Ik word er altijd opgewacht door twee adelaars, en hoop die ook dit keer weer te zien.

Pasargadai: een enorme burcht, het graf van Cyrus de Grote en zijn paleis. Daarna de eindeloze rit naar Isfahan. Ik heb de reis nog nooit gemaakt zonder in slaap te vallen, dus het is maar goed dat we een chauffeur hebben. Maar aan het einde van de dag zijn we dan Isfahan, waar ongeveer de helft van de schoonheid van de wereld is verzameld.

Ik zie uit naar het weerzien met enkele vrienden en met dit mooie land. Helaas wacht aan het einde van de reis … de luchthaven. Om een bekende dichter te parafraseren: Iran is een mooi land, maar net iets te ver weg.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 221 andere volgers