De sluiting van het Zandpad

juli 29, 2013

zandpadEnige tijd geleden interviewde ik mw. Alexandra van Dijk, die een bureau heeft opgericht om overheidsinstellingen en andere belanghebbenden te informeren over prostitutie (meer). Het onderwerp is inmiddels weer in het nieuws doordat de Eerste Kamer slechts gedeeltelijk akkoord ging met de nieuwe Prostitutiewet en doordat in Utrecht de ramen zijn gesloten. Alle reden voor een vervolginterview.

Wat is er nu eigenlijk aan de hand in Utrecht?

Het Zandpad en de Hardebollenstraat zijn de enige twee zones in Utrecht waar raamprostitutie mag plaatsvinden. Het gaat om zo’n 162 werkruimten, die in diverse “shifts” worden gebruikt. De ramen kunnen uitsluitend worden gehuurd van een exploitant, die ook de eigenaar is van de boot of het pand en die elke drie jaar zijn vergunning moet verlengen. Wie in Utrecht in de raamprostitutie wil werken, moet de ruimte voor minimaal vier aaneengesloten weken huren bij zo’n exploitant.

De prostitutie op het Zandpad staat onder verscherpt toezicht sinds de zogeheten SNEEP-affaire: toen werd vastgesteld dat Saban B., vrouwen dwong te werken aan het Zandpad. Omdat er ook na die affaire aanwijzingen waren voor mensenhandel, heeft de gemeente dit keer de vergunningen niet verlengd.

Weet je of er ook werkelijk sprake is van mensenhandel?

Het lijkt er sterk op dat er op het Zandpad inderdaad sprake was van grootschalige mensenhandel. De pooiers, of je ze nou “boyfriends” noemt of niet, liepen er vrij rond en hielden meisjes in de gaten. Wat ik niet weet is of ook de exploitanten een rol speelden in de mensenhandel.

Om dat te begrijpen moet ik even iets toelichten. Utrecht registreert prostituees en als er vermoedens zijn van mensenhandel, wordt dat doorgegeven aan de geëigende instanties. Daarna krijgt de vrouw alsnog een registratienummer en kan ze werken. Ik vermoed dat de exploitant – om privacyredenen – van die instanties geen melding heeft gekregen als de betreffende dames hun werk onvrijwillig deden. Zo kan de exploitant dus, zonder dat hij het wist, ramen hebben verhuurd aan slachtoffers. Een lastig parket.

Is registratie dan wel zo’n geschikt middel?

Daar is het afgelopen jaar stevig over gediscussieerd. De Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche, om de volledige naam eens te gebruiken, is onlangs door het parlement aangenomen, maar de Eerste Kamer heeft de registratieplicht niet willen goedkeuren. Het idee was dat sekswerkers werden geregistreerd en klanten zich moesten vergewissen met een bona fide prostituee te maken te hebben. De delen die het wel haalden, waren de vergunningplicht voor seksbedrijven, een nationaal vergunningenregister voor die bedrijven en de verhoging van de minimumleeftijd naar eenentwintig jaar.

Hoewel de registratieplicht voor sekswerkers er dus niet is gekomen, heeft Utrecht tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe wet toch al gekozen voor een registratiesysteem voor vrouwen in de raamprostitutie. De GGD voert de gesprekken met nieuwe raamprostituees. De gemeente is uiterst tevreden over het systeem.

Om wat voor mensen gaat het eigenlijk?

De laatste jaren werkten er aan het Zandpad veel Oost-Europese vrouwen, vooral uit Bulgarije, Hongarije en Roemenië. Verder vrouwen uit Zuid-Amerika en een paar Nederlandse vrouwen. Op de Hardebollenstraat zaten alleen Zuid-Amerikaanse vrouwen. De meeste betrokkenen spraken nauwelijks Nederlands of Engels, wat zelfstandig leven in Nederland moeilijk maakt.

Hoe gaat het nu verder?

Prostitutie is legaal en de gemeente Utrecht heeft aangegeven dat ze raamprostitutie in de toekomst opnieuw mogelijk wil maken, maar dan wel op een schone manier. Om expertise in te winnen hebben laatst tweeënveertig experts bij elkaar gezeten om concrete ideeën uit te wisselen. Ja, ik was daar ook bij, maar wie er niet bij waren, waren de vrouwen zelf.

Naast “schoon ondernemerschap” wil de gemeente de positie van de prostituees versterken, “zonder drang & dwang”. Men onderzoekt nu diverse thema’s, zoals de juiste voorwaarden waaraan de vergunningen moeten voldoen, het opsplitsen in kleinere vergunningseenheden en het invoeren van een taaltoets. Ik verwacht dat de gemeente de registratieplicht zal handhaven, want men is er tevreden over.

Ik las over de oprichting van een coöperatie.

De oprichting van een coöperatie waarin de vrouwen zouden deelnemen, heeft inderdaad nogal wat publiciteit gekregen. Utrecht heeft een bedrijf opdracht gegeven om het coöperatiemodel te onderzoeken, maar raadpleegt – naar wat ik heb gehoord – daarbij geen experts, zoals de juriste die namens de vrouwen bij de kwestie is betrokken.

Lang niet alle vrouwen willen echter in een coöperatie werken. Ze voelen er weinig voor zich aan een locatie te binden en willen vrij zijn in een andere stad te gaan werken als ze dat uitkomt. Ze willen gewoon zelfstandig huren, zonder gedoe.

Ik las ook dat er een nieuwe exploitant zou komen.

Er is inderdaad een nieuwe exploitant die al zou willen starten. Het biedt overigens een oplossing voor de blunder die burgemeester Wolfsen heeft begaan: de ramen laten sluiten zonder voorzieningen te treffen voor de meer dan driehonderd vrouwen die er werken.

Ik hoop dat de nieuwe exploitant de kans krijgt de zaken goed op te zetten. Veel vrouwen zijn inmiddels vertrokken. Velen gaan eerst met vakantie in eigen land en zien daarna wel waar ze terecht komen. Pooiers hebben de vertrekkende vrouwen al benaderd om “goede werkplekken” voor ze te regelen.

Maar die zijn er niet meer in Utrecht.

Inderdaad, en huren in bijvoorbeeld Amsterdam is geen optie. Vrouwen geven aan zich daar niet veilig te voelen, en de huurprijs is daar nóg veel hoger.

Er zijn ook vrouwen die niet verder gaan naar een vergund adres. Een aantal heeft me laten weten dat ze nu werken vanuit een onvergunde omgeving, bijvoorbeeld door hun klanten thuis te ontvangen. “Dat is dan jammer dan voor de Belastingdienst,” zeggen ze dan. Het echte nadeel is natuurlijk niet dat er minder belastingen worden geïnd, maar dat de overheid en de hulpverlening, die tot voor kort wisten waar de prostitutie plaatsvond, nu het zicht erop kwijtraken. Ideaal voor mensenhandelaren.

Ik krijg het idee dat zich voor onze ogen een ramp aan het voltrekken is.

Nederland heeft een Europese Richtlijn ondertekend waarmee we ons verplichten goed te zorgen voor (potentiële) slachtoffers van mensenhandel. Dat gebeurt nu in elk geval niet voldoende. Alle potentiële slachtoffers zijn nu uit het zicht geraakt en het idee dat “registratie het mogelijk maakt de vrouwen te volgen in de toekomst” is onzinnig. De vrouwen die onvergund zijn gaan werken zijn uit het zicht van de overheid geraakt. Onvergund werken vergroot de risico’s op het vlak van veiligheid en gezondheid.

De kern van de problemen is dat de overheid twee gezichten heeft. Enerzijds is de sector legaal, maar anderzijds komen de voorzieningen daarmee niet overeen. Vrouwen in de raamprostitutie zijn ZPP-ers maar lopen voortdurend tegen rechtsongelijkheid aan. Je kunt geen arbeidsongeschiktheidsverzekering, hypotheek of zakelijke bankrekening krijgen, om eens iets te noemen. En je kunt niet zelfstandig werken, onder eigen vergunning, waardoor je altijd gebonden bent aan een exploitant. Een aanpak van de problemen zou in elk geval ook dáár rekening mee moeten houden.

[Alexandra van Dijk werkt voor Buro Brycx. De tekst van een eerder interview is hier; meer informatie over mensenhandel in Nederland vindt u daar.]


De fatale fuik

februari 13, 2013

fuikAan het einde van haar interview adviseerde Alexandra van Dijk van Buro Brycx mij – en over mijn hoofd heen: u – om het boek De fatale fuik. Achter de schermen van mensenhandel en gedwongen prostitutie in Nederland van Henk Werson te lezen. Dat advies heb ik inmiddels opgevolgd.

Het is namelijk een boek met een zeer actuele thematiek. Momenteel behandelt het parlement de Wet Regulering Prostitutie, die noodzakelijk is om mensenhandel en gedwongen prostitutie (een eufemisme voor verkrachting) te bestrijden. Eén van de voorstellen is dat prostituees zich moeten registreren.

Hoewel de gemeente Utrecht, die daarmee al is begonnen, zich optimistisch betoont over de resultaten, zijn er tevens signalen – onlangs beschreven in het Algemeen Dagblad – dat het middel averechts werkt: wie zich eraan onttrekken kan, onttrekt zich eraan en gaat óf elders werken, óf de illegaliteit in, waar de politie er niet zo gemakkelijk zicht op heeft. Dat wil niet zeggen dat illegale prostitutie geheel onzichtbaar is, want ook illegale prostituees moeten zich op een of andere manier herkenbaar maken aan klanten, en komen zo bij de politie op de radar.

Registratie is een zeer zwaar middel, dat een last legt bij mensen die uit vrije wil een legaal beroep uitoefenen. Dat zou niet nodig moeten zijn. Omgekeerd behoren de misdrijven die door registratie moeten worden aangepakt, tot de ergste die bestaan (hoewel nog gisteren een opvallend lage straf is gegeven).

De vraag is of de kwaal erger is dan het middel, of het middel erger dan de kwaal. Dat kunnen we alleen vaststellen als we weten hoe vaak mensenhandel en gedwongen prostitutie voorkomen. Als het inderdaad gaat om 90% van de sector, een percentage dat wel eens is genoemd, dan is geen middel te zwaar. Als het echter gaat om 8%, wat eveneens wordt genoemd, dan komt de vraag op of registratie niet méér schade toebrengt dan ze oplost. Dat in Utrecht één op de acht registraties voldoende aanleiding was voor aangifte, zegt weinig omdat we niet weten hoeveel mensen zich niet zijn gaan registreren. In feite hebben we niet meer zekerheid dan “tussen de 8 en 90%”. Ofwel: er zijn verschillende dingen gemeten.

Wat de omvang ook zij, mensenhandel en gedwongen prostitutie vormen een extreme misstand, die in een beschaafd land domweg niet hoort voor te komen en die veel meer aandacht verdient. Alleen al om die reden heeft Henk Werson met De fatale fuik een belangrijk boek geschreven.

Een rauw boek ook, dat ik bepaald niet voor mijn plezier las. De kern bestaat uit acht chronologisch geordende case studies met commentaar. Daarop volgen een beknopte geschiedenis van de strijd tegen mensenhandel, waarin de auteur zelf een belangrijke rol heeft gespeeld, en tot slot tachtig pagina’s uitleg van de wetstekst, die vermoedelijk voor mensen in de hulpverlening én voor de slachtoffers die het Nederlands meester zijn – ik vrees: een minderheid – het belangrijkste deel vormen.

De case studies zijn divers, maar er zijn terugkerende thema’s. Eén ervan is zelfs hoopgevend: de politie kreeg in de loop van zestien jaar meer zicht op de problematiek, ging samenwerkingsverbanden in binnen- en buitenland aan en ontwikkelde manieren om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen. Daarbij speelden onder andere de door Werson ontwikkelde cursussen een rol, maar ook zulke ogenschijnlijk triviale zaken als een ruimte waar mensen die aangifte komen doen, zich enigszins op hun gemak voelen. Er zijn successen: in de periode die Werson behandelt, nam het aantal slachtoffers dat ervoor koos aangifte te doen, toe van 5 tot 35%.

Een andere rode draad is dat alles aankomt op het ontwikkelen van vertrouwen, een vertrouwen dat bij alle slachtoffers is beschaamd. Ik beken dat ik, voor ik De fatale fuik las, dacht dat de vrouwen die zich laten ronselen om als fotomodel of barmeisje in Nederland te komen werken, toch wel een vermoeden zouden hebben gehad van de diensten die ze nog meer zouden moeten gaan leveren, en dat ze niet helemáál zonder eigen verantwoordelijkheid waren. Werson noemt inderdaad een vrouw die kon weten waaraan ze begon, maar ook zij blijkt zeer selectief te zijn geïnformeerd. Bedrog speelt in alle gevallen een rol en de slachtoffers zullen zich wel drie keer bedenken voor ze weer iemand durven vertrouwen. Zeker als het politie is, die in hun eigen landen vaak corrupt is.

Vaak zal de vertrouwensband tussen slachtoffer en politie gebaseerd moeten zijn op het laatste restje zelfrespect dat de slachtoffers na maandenlange uitbuiting nog hebben. Lezenderwijs kreeg ik grote bewondering voor de vrouwen die in de case studies centraal staan en die zich merendeels opnieuw een plek in de samenleving hebben weten te bevechten. Van haar kant heeft de politie, zo begrijp ik, haar takenpakket moeten verbreden om zo’n vertrouwensband op te bouwen. De politie is vaak meer bezig als hulpverlener dan als recherche, zelfs letterlijk: het bevrijden van iemand uit een moeilijke situatie, of het verhinderen dat iemand uitgebuit zal gaan worden, gaat vóór de opsporing. Lezenderwijs kreeg ik tevens grote bewondering voor het politieapparaat, waar men inzag dat het noodzakelijk was gespecialiseerde politiemensen op te leiden, die in staat waren om te gaan met ernstig getraumatiseerde mensen voor wie het doen van aangifte een nieuwe stap is in een lijdensweg.

Het viel me op dat de aard van de dwang lijkt te veranderen, misschien als gevolg van de groeiende kennis van de politie. Wordt in het eerste hoofdstuk, dat zich afspeelt in de jaren negentig, het slachtoffer aan het werk gehouden met bikkelharde lichamelijke mishandeling, in het laatste en recentste hoofdstuk lezen we over een meisje dat wordt uitgebuit door een loverboy, tegen wie ze geen aangifte wil doen, volhoudend dat ze het werk vrijwillig deed. De dwang lijkt van louter lichamelijk te zijn verschoven naar psychisch, en kan zó effectief zijn dat de slachtoffers zich de eisen hebben geïnternaliseerd.

Al met al documenteert Werson dus wat er gebeurt in de gedwongen prostitutie. De vraag die ik aan het begin van dit stuk stelde, hoe groot het aandeel van de gedwongen prostitutie is in het geheel, kan ook Werson niet beantwoorden. Toch is het boek relevant voor de Wet Regulering Prostitutie, want het boeiendste hoofdstuk (“Chavdar, Iulia & Oana”) gaat over een Turks café waarvan de klanten wisten dat er ook prostituees werkten. Men hoefde daarvoor niet te adverteren.

Dit betekent dat een van de argumenten in de discussie over de wet, dat de politie zicht heeft op de illegale prostitutie omdat ook illegale prostituees voor klanten herkenbaar moeten zijn, nuancering behoeft. Mij lijkt dat een extra reden om heel voorzichtig te zijn alvorens het zware middel van registratie in te zetten.

Mag ik als burger een suggestie doen? Doe eerst meer onderzoek, zodat we de omvang van het probleem begrijpen. En dan bedoel ik niet zomaar onderzoek, maar een écht, groot, alomvattend en grondig onderzoek. Anders gezegd: de politiek moet nu eens voldoende geld ter beschikking stellen.

Het probleem is extreem ernstig, maar het is niet het enige waarmee we rekening moeten houden. Het blijft krom (potentiële) slachtoffers te registreren als je daders zoekt. Het kan werken, maar de benadering is te indirect om te kunnen rekenen op veel draagvlak. Dus werp nu eens drie of vier bankiersbonussen naar een gedegen, alomvattend onderzoek. Pas als je weet hoe groot het probleem is, weet je of de maatregelen proportioneel zijn.


Interview Alexandra van Dijk

februari 6, 2013

brugDiscussiëren over prostitutiebeleid is zoiets als spreken over religie: menig verondersteld feit is gebaseerd op onbewezen aannames en er wordt een hoop gemoraliseerd. Daardoor is het lastig om beleid te maken. Tot voor kort konden bestuurders zich laten adviseren door veldwerkorganisaties als De Rode Draad, waar men weliswaar ook niet alle feiten kende, maar wel beschikte over een uitgebreid netwerk in de seksbranche en dus beter dan wie ook wist wat er speelde.

In het najaar van 2012 moest het kennis- en informatiecentrum zijn activiteiten staken. Dat is jammer, want wie bijvoorbeeld door het laatst-gepubliceerde rapport, “Sekswerk in 2011”, bladert, ziet dat De Rode Draad op gedegen wijze wist te informeren over een onderwerp waarover moeilijk accurate informatie valt te krijgen. De teloorgang van de organisatie komt bovendien op een heel ongelukkig tijdstip, aangezien de aangepaste versie van de Wet Regulering Prostitutie vóór 1 maart van dit jaar bekend zal worden gemaakt door minister Opstelten.

Het leven gaat verder na de Rode Draad. Metje Blaak, lange tijd het gezicht van de organisatie en daardoor wereldberoemd in Amsterdam, werkt nu als ombudsvrouw. De laatste directeur van De Rode Draad, Alexandra van Dijk, richtte begin dit jaar Buro Brycx op, dat advies wil geven aan iedereen die met prostitutie heeft te maken. Ik dronk een kop thee met haar in een café op de Amsterdamse Nieuwmarkt.

De voorspelbare vraag eerst: wat betekent “brycx” en wat zegt het over je bezigheden?

“Brycx” is gebaseerd op het oud-Germaanse /oud-Noorse woord voor brug. Ik wil met het bureau een brug vormen tussen overheidsinstellingen, ketenpartners in de aanpak van mensenhandel en de mensen die in de seksuele dienstverlening werkzaam zijn.

Wat zijn ketenpartners?

Er zijn veel maatschappelijke partijen die op één of andere manier te maken hebben met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, zoals mensenhandel. Binnen de seksuele dienstverlening komt helaas veel dwang en uitbuiting voor. Daar is weinig zicht op maar diverse organisaties hebben contact met mensen die in de seksuele dienstverlening werken. Om eventuele signalen van misstanden goed te kunnen duiden, wisselen deze organisaties, de ketenpartners dus, informatie uit.

Het gaat om lokale overheden, de politie, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst, de FIOD, de Inspectie SZW (wat vroeger de Arbeidsinspectie heette), de Kamer van Koophandel, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de GGD, de Koninklijke Horeca Nederland, het Centraal Bureau Opvang, het Bureau Jeugdzorg, de Reclassering, en maatschappelijke organisaties voor zorg, opvang en begeleiding van slachtoffers e.a. Ze komen in diverse overlegvormen bij elkaar om ervaringen en informatie uit te wisselen, en ze delen hun bevindingen met de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC), die zich per regio bezighouden met de aanpak van georganiseerde criminaliteit.

Je merkt, het is een complex netwerk van organisaties en belangen, waarbinnen de uitwisseling van gegevens niet geheel probleemloos verloopt. Het betreft hier immers privacygevoelige informatie en die kun en mag je niet zomaar uitwisselen. Alle ketenpartners trainen hun medewerkers om signalen van misstanden te herkennen en kunnen daarbij ondersteuning gebruiken. Bijvoorbeeld baliepersoneel bij een gemeente, waar een vrouw zich in komt schrijven als bewoner. Ze spreekt de taal niet, iemand vergezelt haar, en hij vertaalt alles voor haar. Of vrouwen die zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en vergezeld worden door – zoals de Utrechtse KvK het eens typeerde – “mannen met leren jassen en dikke gouden kettingen”. Wat doe je dan, als je onderbuikgevoelens je vertellen dat hier weleens iets mis zou kunnen zijn?

Ons bureau biedt, vanuit de kennis en ervaring die we hebben, ondersteuning in al deze processen.

Kortom, samenwerken en informatie delen is uiterst belangrijk om misstanden aan te pakken. Alle partners hebben daarbij hetzelfde doel voor ogen: prostitutie is legaal in Nederland en we willen dat de vrouwen en mannen in de sector zelfstandig kunnen werken, zonder dwang en zonder hun geld af te moeten geven aan anderen.

Waardoor is het zo lastig informatie te verwerven en te delen?

Daarvoor zijn verschillende redenen. Eén ervan is de aard van de prostitutie. De sector is heel internationaal: sekswerkers komen niet alleen uit Nederland, maar uit de hele wereld. Momenteel zijn velen die werkzaam zijn in de sector afkomstig uit Oost-Europa, het Verre Oosten, Latijns-Amerika en West-Afrika. Nieuwe nationaliteiten dienen zich aan, al dan niet door armoede gedreven: Albanië, Oekraïne, Georgië en de kandidaat-lidstaten van de EU, dus Serven, Kroaten en Macedoniërs. Sekswerkers zijn bovendien mobiel: ze kunnen de ene dag in een club werken, de volgende dag achter een raam zitten, en de derde dag iemand privé ontvangen, thuis of in een hotel. Het is daardoor een ondoorzichtige branche, waarin de grens tussen de vergunde en onvergunde sector vervaagt. Niet alleen werkt dat misstanden als dwang en uitbuiting in de hand, het maakt het ook moeilijk om aan adequate informatie te komen.

Een andere factor die de informatieoverdracht belemmert is dat onze maatschappij nog steeds dubbelzinnig en stigmatiserend omgaat met prostitutie. Er is nog altijd een grote behoefte aan seksuele dienstverlening, maar er wordt niet over gesproken. Het helpt niet dat de media de laatste tijd, om overigens begrijpelijke redenen, de nadruk leggen op misstanden als vrouwenhandel en uitbuiting. Zo wordt de wereld van de seksuele dienstverlening uitsluitend geassocieerd met criminaliteit. Diverse organisaties weigeren diensten te leveren aan prostituees. Voor iedere “normale” werknemer beschikbare voorzieningen, zoals het in de arm nemen van een administratiekantoor of het regelen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, liggen daardoor buiten het bereik van sekswerkers. Zelfs diverse overheidsdiensten willen liever niet naar binnen bij seksbedrijven om te controleren op belangrijke zaken als brandveiligheid en arbeidsomstandigheden, omdat zij angst hebben voor criminele toestanden. Terwijl juist deze organisaties zouden kunnen bijdragen aan een duidelijk beeld van de sector.

Een derde reden is dat gemeenten autonoom zijn en op eigen wijze hun prostitutiebeleid inrichten en handhaven. Met het opheffen van het bordeelverbod in 2000 kregen gemeenten de bevoegdheid om een vergunningstelsel in te voeren, om zo de prostitutiebranche te reguleren. Het is sinds die tijd ook geoorloofd om in een bestemmingsplan ruimte aan te wijzen voor seksbedrijven. Deze wetswijziging moest bijdragen aan het reguleren van vrijwillige prostitutie, het tegengaan van onvrijwillige prostitutie en het bestrijden van misstanden. Mensenhandel bestaat echter nog altijd, ook binnen de vergunde sector. Door het ontbreken van landelijke coördinatie bestaan er grote lokale verschillen in vergunningsvoorwaarden en de reikwijdte van de plaatselijke verordeningen.

Er is wel toezicht op de vergunde sector, maar ondertussen blijft de onvergunde sector  grotendeels buiten beeld. Samenwerking, of althans de uitwisseling van informatie, is daarom cruciaal.

Momenteel is de situatie versnipperd. De informatieoverdracht tussen de diverse gemeentes laat te wensen over. Een crimineel die in de ene gemeente is doorzien en aan wie een vergunning voor een seksclub is geweigerd, kan het zo opnieuw proberen in een andere gemeente. Vandaar dat eenheid in het vergunningenstelsel en de uitwisseling van informatie zo belangrijk is bij de bestrijding van mensenhandel.

En jouw bureau adviseert en bemiddelt daarbij. Wat doet Brycx nog meer?

Ik denk dat je eerst moet weten dat we beschikken over een netwerk van mensen die ervaring hebben in de branche en die daarin vertrouwen hebben weten te winnen. Dat betreft niet alleen de vergunde sector, maar ook de onvergunde. Dat is uniek. Dat het bureau onafhankelijk is, is een enorm voordeel.  We spreken – letterlijk – de taal van de prostituees en hebben kennis van hun cultuur.

Communiceren met Hongaarse vrouwen is namelijk heel anders dan met bijvoorbeeld Chinese vrouwen. Vrijwel allen hebben slechte ervaringen met corrupte en criminele overheden in hun eigen land. Vertrouwen in de Nederlandse overheid bestaat daardoor vrijwel niet.  Wanneer een agent of gemeentelijk medewerker met sekswerkers praat en daarna koffie gaat drinken met de exploitant, ben je direct het vertrouwen van deze vrouwen kwijt.

Ons bureau ondersteunt en adviseert daarom organisaties in de communicatie met sekswerkers uit andere culturen. Ervaringsdeskundigheid van een aantal partners, gecombineerd met een zeer actuele kennis van de sector maakt dat het bureau, in alle bescheidenheid gezegd, over unieke expertise en vaardigheden beschikt.

En nu komt er een nieuwe wet. Wat denk je ervan?

De minister van Veiligheid en Justitie beraadt zich momenteel op een nieuwe wet: de Wet Regulering Prostitutie, ofwel de WRP. Het doel daarvan is de misstanden in de sector te voorkomen en te bestrijden. Hoe de wet er precies uit komt te zien is echter nog niet helemaal duidelijk. De leeftijdsgrens van sekswerkers zal vrijwel zeker worden verhoogd naar eenentwintig jaar. Dat vind ik geen slechte zaak, want op die leeftijd ben je beter in staat gefundeerde keuzes te maken over je leven.

Waarschijnlijk zullen alle seksbedrijven voortaan vergunningplichtig zijn en zullen gemeenten daartoe een beleid moeten opstellen. Gemeenten hebben echter al zoveel op hun bord liggen, dat ondersteuning en het delen van kennis hierbij zeer wenselijk is.

Mogelijk gaat de wet ook voorschrijven dat de sekswerkers zich moeten registreren bij een gemeentelijk loket. Daartoe zullen gemeenten voorzieningen moeten inrichten. Amsterdam en Utrecht hebben deze registratieplicht al ingevoerd, maar als grote gemeenten beschikken zij over de ambtelijke capaciteit om dit te doen. Kleinere gemeenten zullen hiervoor waarschijnlijk aansluiten bij centrumgemeenten. Hoe dit uitgevoerd zal worden binnen de kleinere gemeenten is nog volstrekt onduidelijk. We willen met Buro Brycx de lokale overheden bij dit proces adviseren.

Klanten die een niet geregistreerde prostituee bezoeken zullen na invoering van de WRP strafbaar zijn. Maar hoe vergewist de klant zich van de authenticiteit van een registratienummer? Hoe doe je dat bijvoorbeeld, als argeloze toerist, als je de Wallen bezoekt?  Een uiterst moeilijke kwestie, waarover al sinds 2006 wordt nagedacht bij diverse ministeries.

Kunnen we niet beter dadergericht te werk gaan en pooiers en andere uitbuiters aanpakken?

Dat gebeurt ook. Het vergt echter veel capaciteit van de Nederlandse opsporing. Vrouwen doen immers niet graag aangifte van misstanden, want zij zijn bang voor de effecten voor henzelf of hun familie. Als de vrouw geen aangifte doet, is een onderzoek echter bijzonder arbeidsintensief. Alleen daarop inzetten is dus onhaalbaar. En zo komt registratie in zicht.

Vorig jaar zomer heb ik tijdens een hoorzitting in de Eerste Kamer toegelicht waarom vrouwen en mannen in het vak grote weerstand hebben tegen registratie. Waarom zou je jezelf bij een gemeenteloket bekend maken als prostituee, je bent toch al bekend bij de Belastingdienst? Men heeft uiteraard ook groot wantrouwen tegen registers. Niet geheel onterecht, gezien recente ontwikkelingen bij “waterdichte” overheidssystemen als DigiD. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als de immigratieofficier bij de grens van jouw herkomstland zou weten dat je in Nederland werkt als prostituee? Dan mag je je eigen land niet meer in en zie je je kindje of familie nooit meer. Prostitutie is immers strafbaar in jouw land van herkomst. De verwachting is dat veel mensen in het vak zich zullen onttrekken aan de registratie en gaan werken op plaatsen die we niet direct in het oog hebben. In hotels bijvoorbeeld. Of vanuit huis, of parkeerplaatsen etc. Waarmee het risico op misstanden alleen maar toeneemt.

Hoe kunnen mensen zich informeren over deze materie?

Een heel goed boek over deze problematiek is De fatale fuik, van Henk Werson. Een aanrader!

***

Kijk voor het laatste nieuws over prostitutie op www.burobrycx.nl  en op twitter.


Ongelukkige prostituees

november 26, 2012

Ik kan me niet voorstellen dat een jonge vrouw uit pakweg de Filippijnen op een ochtend opstaat met het idee “Weet je wat? Ik verhuis naar Amsterdam, ik ga daar werken op De Wallen! Seks met dronken toeristen, dat is zeg maar echt mijn ding!” Doordat ik me dit zo slecht kan voorstellen, ben ik er vrij zeker van dat menige vrouw niet voor haar plezier achter de ramen staat. Ik ben er nog zekerder van dat er vrouwenhandel bestaat, want ik heb ooit een Aziatische vrouw gekend die door een bende aan het werk was gezet. Ik ken meer voorbeelden.

Ik ben er echter óók zeker van dat er vrouwen zijn die bewust voor prostitutie kiezen. In een Duitse hotellobby heb ik wel eens gesproken met zo iemand, tot ze het gesprek afbrak omdat een bloedmooie man binnen kwam lopen in wie ze een potentiële klant zag. Ze had me niet veel verteld, maar het was me voldoende duidelijk dat ze haar werk bepaald niet met tegenzin deed. Ook hiervan ken ik meer voorbeelden.

Onvrijwillig of vrijwillig, het kan allebei, en ik denk daarom dat het niet waar is wat ChristenUnie-Kamerlid Gert-Jan Segers in De Volkskrant schrijft, dat prostitutie zonder meer gelijkstaat aan slavernij. Niet dat ik het geheel oneens met hem ben, niet dat ik zijn zorgen niet deel, niet dat ik geen respect heb voor zijn verontwaardiging. Integendeel. Internationale vrouwenhandel bestáát, ook Nederlandse meisjes kunnen in handen vallen van loverboys en onvrijwillige seks heet – om het beest bij zijn naam te noemen – inderdaad verkrachting.

Maar Segers doet zijn zaak geen goed doordat hij twee keer te kort door de bocht gaat. Zijn bewijs dat elke vrouw gedwongen in het vak zit, bestaat bij nader inzien uit niet meer dan de opmerking van een hulpverlener die nog nooit een gelukkige prostituee was tegengekomen. Allicht. Als de zaken naar behoren lopen, hoeft een prostituee geen praatje te maken met een hulpverlener. Dit is zoiets als zeggen dat alle Nederlanders ziek moeten zijn omdat een huisarts je heeft gezegd dat hij zelden een gezonde Nederlander ontmoet.

Segers’ tweede vergissing is zijn weergave van het standpunt van degenen die prostitutie legaal willen houden. Hij citeert het verwijt aan de (voormalige) Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher dat die Amsterdam zou willen vertrutten. Dat zal hem best een keer zijn toegevoegd, maar het is niet de kern van de kritiek. Die is dat er aan de door Asscher (en anderen) voorgestelde maatregelen nadelen kleven die mogelijk erger zijn dan de zeer reële problemen die ermee moeten worden opgelost.

Wat er aan de hand is, is dit. Er ligt een plan om een registratiesysteem in te voeren, waardoor gecontroleerd kan worden of vrouwen (en mannen) dit werk vrijwillig doen. De ervaring in Utrecht leert, zoals ik al eens heb beschreven, dat de prostitutie zich daarmee verplaatste naar de illegaliteit. Geen vrouw die dit kan vermijden, zal zich als prostituee laten registreren als ze haar klanten ook clandestien kan ontvangen. Het gevolg is dat prostitutie, waarvan nu bekend is waar ze plaatsvindt, zich onttrekt aan de controle door de politie. Dat lijkt me zeer, zeer ongewenst.

Ik heb hier Asscher over gesproken – sprekend over een toegankelijke bestuurder! – en die had een tegenargument, namelijk dat ook illegale prostituees zichtbaar moesten zijn voor hun klanten en dus toch controleerbaar bleven voor de politie. Tegelijk wist ook hij niet wat er is gebeurd met de heroïneprostitutie aan de Amsterdamse Theemsweg. Hij vertelde verder dat de winst die geboekt kan worden in de bestrijding van mensenhandel, ten koste kan gaan van de vrijheid van mensen die een legaal beroep uitoefenen. In zijn eigen woorden: “er is geen zilveren kogel waarmee je alleen de problemen treft”.

De kern van de zaak is dat het huidige beleid mensenhandel mogelijk maakt, terwijl het voorgestelde systeem prostitutie de illegaliteit indrijft en oncontroleerbaar maakt. Dat laatste zal ook gebeuren met een totaal verbod, zoals Segers oppert.

Linksom of rechtsom gaat het fout. Het is een klassieke situatie uit de statistiek: fout type één versus fout type twee. De keuze zal daarom moeten worden gemaakt op basis van cijfers. En ook hier gaat Segers naar mijn smaak te kort door de bocht: “Verreweg de meeste prostituees werken tegen hun wil.” Daarin kan hij best gelijk hebben – ik zeg dit met enige nadruk – maar de cijfers die we hebben leggen het aandeel van de gedwongen prostitutie ergens tussen de 8% en 90%.

Zoveel onduidelijkheid betekent, heel simpel, dat verschillende dingen zijn gemeten. Het grijze gebied is dan ook immens. Eén probleem is de definitie van prostitutie: is een studente een prostituee als ze gratis op kamers woont bij een man met wie ze op gezette tijden de liefde bedrijft? Is de getrouwde vrouw die elke keer dat ze omgang heeft met haar echtgenoot een cadeautje krijgt – u herkent een situatie uit de roman Rituelen van Cees Nooteboom – een prostituee? Eén ding is zeker: als je deze vrouwen rekent tot de prostituees, zal het percentage vrouwen dat tegen hun wil in het vak zit, drastisch lager uitpakken.

Een ander probleem is de vraag wat vrijwillig werk nu eigenlijk is. Ikzelf werk al jaren op het snijvlak van journalistiek en onderwijs, in een commerciële constructie. Ik heb daartegen principiële bezwaren, omdat onderwijs zó belangrijk is dat er geen financiële belangen mee gemoeid mogen zijn. Het zou een gemeenschapsaangelegenheid moeten zijn. Maar het leven loopt zelden zoals het hoort te lopen, en omdat er toch brood op de plank moet komen, heb ik op dit punt water bij de wijn moeten doen. Meer water dan me lief is, veel meer. Als een interviewer me nu vraagt of ik plezier heb aan mijn werk, zal ik meteen “ja” zeggen, want niets is leuker dan les geven, een interview afnemen of een stukkie schrijven over pakweg het kernfusieonderzoek in Jülich. Als de interviewer me echter vraagt of ik voor mijn werk heb gekozen, is het antwoord een hartstochtelijk “nee”. Mensen kiezen een baan, maar niet onder de omstandigheden van hun keuze.

Dat geldt vermoedelijk ook voor prostituees: als je ze vraagt of ze hun werk leuk vinden, kunnen ze best instemmen, en als je ze vraagt of ze ervoor zouden hebben gekozen, kunnen ze nee zeggen. Als je op verwante vragen tegengestelde antwoorden krijgt, moet je er niet van opkijken dat we geen betere cijfers voor het aantal gedwongen prostituees dan “tussen 8% en 90%”. Er zijn gewoon verschillende dingen onderzocht.

De basissituatie is dus, zoals ik het zie, de keuze tussen voortzetting van oud beleid, met alle risico’s waar Segers zo verschrikkelijk terecht op wijst, en aanpassing van dat beleid (door bijvoorbeeld registratie of een algeheel verbod) met het risico dat de bedrijfstak illegaal gaat. Fout type één versus fout type twee. Er is geen zilveren kogel. Wat nodig is, is goed onderzoek.

Alsjeblieft, meneer Segers. Ik begrijp uw zorgen, ik deel uw verontwaardiging. En hoewel ik eerder op Lodewijk Asscher zou stemmen dan op uw partij, vind ik haar sympathiek omdat ze, klein als ze is, impopulaire standpunten kan innemen. Maar het laatste waarop we zitten te wachten, meneer Segers, is beleid dat daadkracht laat prevaleren boven inzicht. Laten we alsjeblieft, alsjeblieft wachten tot we beschikken over de relevante gegevens.


Exit De Rode Draad

september 3, 2012

Het Parool berichtte afgelopen zaterdag dat De Rode Draad, het Nederlandse kennis- en informatiecentrum voor prostitutie, failliet is. Zou ik dat bericht een jaar geleden hebben gelezen, ik zou mijn schouders hebben opgehaald. Ik kende de organisatie uit mijn voormalige stamcafé, De Brakke Grond, waar ik wel eens iets opving als er op zolder een feestje was. Hoewel ik de urgentie onderkende dat er voor mensen in de prostitutie (een kwetsbare beroepsgroep) een vorm van organisatie bestond, en hoewel ik inzag dat een kenniscentrum bitter nodig was, kwam de organisatie op mij nogal onprofessioneel over. Een jaar geleden zou ik hebben begrepen dat de subsidie was stopgezet.

Ik was niet de enige. Dit voorjaar drukte Het Parool een reeks artikelen af over prostitutie, waarin een van Amsterdams prostituees onweersproken kritiek op De Rode Draad mocht uiten. Het zou netjes zijn geweest als de krant weerwoord zou hebben gevraagd, want de beschuldigingen waren zo hard en persoonlijk, dat het “format” van een artikelenreeks best doorbroken had mogen zijn met een kanttekening. Maar blijkbaar deelde de redactie de mening van de schrijfster en achtte men het niet noodzakelijk hoor- en wederhoor toe te passen.

Ik heb later mijn mening bijgesteld. De aanleiding was mijn blogstukje over prostitutie in Alkmaar, later gevolgd door stukken over Amsterdam. Toen ik me documenteerde, stuitte ik op het eind vorig jaar verschenen Trendrapport van De Rode Draad, dat u hier kunt lezen. Deze kant van de stichting kende ik niet: een organisatie die een enorme kennis van zaken in huis heeft en in staat is trends te signaleren. Eén detail licht ik eruit: men beschikt niet alleen over vrijwilligers die Engels, Duits en Spaans beheersen, maar ook over mensen die Chinees, Hongaars, Roemeens, Russisch en Thais spreken. Ik weet toevallig van de vertalersorganisatie die huisartsen bijstaat, hoe moeilijk het is goede tolken voor zulke talen te vinden.

Ik sluit niet uit dat de beeldvorming De Rode Draad nu de kop kost. Het in Het Parool genoemde argument voor het beëindigen van de subsidie is financieel, maar dat is natuurlijk slechts een deel van het verhaal. De keuze om, bijvoorbeeld, wel subsidie te blijven geven aan een culturele instelling met een haperende financiële administratie en niet aan een kennis- en informatiecentrum, is politiek bepaald, zoals het ook een politieke keuze is om de verkokering tussen (in dit geval) het culturele en maatschappelijke budget te handhaven. Toevallig denk ik dat er best argumenten zijn om die verkokering te handhaven – het schept duidelijkheid voor de sectoren als geheel – maar het financiële argument is een keuze en die had dus ook anders kunnen worden gemaakt. Iemand heeft ergens gedacht dat het behoud van De Rode Draad onvoldoende de moeite waard was.

Misschien kunnen de Nederlandse gemeentes op een andere manier de veldkennis van De Rode Draad verwerven, maar ik denk dat het nog even zal duren voor men beschikt over Chinese, Hongaarse, Roemeense, Russische en Thaise tolken die voldoende worden vertrouwd door de prostituees. Ik vrees dat de sluiting van De Rode Draad een maatregel is waarvan men spijt zal krijgen. Het voorstel prostituees te registreren, brengt al het risico met zich mee dat de branche de illegaliteit in gaat, waar de overheid weinig van weet. Weliswaar zullen prostituees altijd zichtbaar moeten zijn voor hun klanten en zijn ze het daarom dus ook voor de politie, maar het “monitoren” wordt er met de sluiting van De Rode Draad in elk geval niet eenvoudiger op.

Een laatste opmerking nog. Een paar jaar geleden stapte de politica Yvette Lont uit de ChristenUnie omdat ze zich niet kon vinden in het partijstandpunt over homoseksualiteit. Het is waar, ze wist niet waarover ze het had: homoseksualiteit is in de Bijbel geen issue op de wijze waarop economische gerechtigheid dat is. Haar critici hadden meestal gelijk, maar dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld GeenStijl, om aan te tonen dat Lont “poep praatte”, de details uit haar prostitutieverleden erbij hoefde halen. Ik voor mij vind het stukje hier te ver gaan.

Ik link ernaar om te illustreren wat een enorme minachting oud-prostituees ten deel valt. Karina Schaapman is een ander voorbeeld. Of Het Parool, een keurige krant die hoor- en wederhoor niet urgent genoeg vond als het prostituees betrof. De mensen van De Rode Draad hebben een enorm persoonlijk risico genomen. Professioneel of niet, de betrokkenen waren opvallend dapper. Er zijn – en ik schrijf dit zonder ironie – ridderordes gegeven voor minder.


Zusters augustinessen

augustus 27, 2012

Vele jaren geleden – nog in het vorige millennium – ontmoette ik een oud-studente van me, die gedwongen in de prostitutie bleek te werken. Ze was afkomstig uit een Aziatisch land, en hoewel ze wat Nederlands sprak, was ze machteloos toen de man die ze dacht te zullen trouwen, bleek te werken voor een bende.

Ik wist bij God niet hoe ik de jonge vrouw moest helpen, tot ik in de Warmoesstraat een van de zusters augustinessen zag wandelen. Elke Amsterdammer kende ze destijds: meestal in een sobere, donkere jurk (“habijt”), met een karakteristiek groengerand hoedje. Wat ze precies deden, wist ik eigenlijk niet, maar wie een klooster betrekt aan de Warmoesstraat, doet dat niet om contemplatieve redenen. Als je daar bent gevestigd, doe je het om hulp te verlenen.

De augustinessen konden rekenen op een enorme sympathie, zoals van de bakker die elke dag wat extra brood bakte om te laten uitdelen aan de junks. Het respect voor de zusters was niet onvergelijkbaar met dat voor het Leger des heils: je hoeft hun geloofsovertuigingen niet te delen om bewondering te voelen voor hun inzet.

Ik heb dus de zusters gebeld en gevraagd of ik langs kon komen om een probleem voor te leggen. Al een paar uur later zat ik met een zuster en een maatschappelijk werkster aan tafel. Hoe ze de jonge vrouw hebben geholpen, weet ik niet. Ik heb de maatschappelijk werkster later nog eens gebeld, en zij vertelde dat alles in orde was gekomen.

Ik heb nog een tweede keer te maken gehad met de zusters augustinessen. Dat was in 2008, toen een van mijn vrienden zich over een vluchtelinge had ontfermd. Door een wonderbaarlijk toeval zat ik net die avond in de Brakke Grond met twee mensen die haar taal spraken. Omdat het te laat was om de vrouw nog onder te brengen bij Hulp voor Onbehuisden, en de agent van dienst in kantoor Beursstraat haar afscheepte met een opmerking over gelukzoekers, wendden we ons tot de zusters, die inderdaad hielpen.

Tegenwoordig zijn de zusters er niet meer. De taken zijn overgedragen aan andere organisaties. Het is een standaardverhaal, dat ook kan worden verteld over de andere katholieke religieuze ordes: de orde vergrijsde doordat jonge mensen er maar weinig in zien om de kloostergeloften af te leggen. Het is niet meer van deze tijd, geloof ik, dat mensen omwille van het Koninkrijk gehoorzaamheid, seksuele onthouding en armoede beloven.

Augustinus (Porta Nigra, Trier)

De seculiere samenleving, met een enorm accent op individuele ontplooiing, heeft getriomfeerd. Dat heeft voordelen, maar dat betekent niet dat de bescheiden zusters augustinessen ongelijk hadden. Integendeel. Er zit heel veel waars in het uitgangspunt van de Regel van Augustinus:

De bedoeling van dit alles is dat niemand in zijn werk eigen voordeel zoekt. Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en zijn eigenbelang zou werken.

Heel onliberaal. Heel unzeitgemäß. Maar ik weiger het belachelijk te vinden dat mensen, op het moment dat een wildvreemde hulp vraagt voor een prostituee of een vluchtelinge, die hulp ook bieden.

***

De augustijnen en augustinessen laten zich inspireren door Augustinus van Hippo (354-430), wiens feestdag het vandaag is. Voor meer informatie kunt u terecht bij het Augustijns Instituut of de zusters Augustinessen.


Prostitutieplannen (vervolg)

juli 7, 2012

Op zaterdag 16 juni publiceerde Het Parool een artikel over de plannen van de gemeente Amsterdam om de uitwassen van prostitutie harder aan te pakken. Een van de voorgestelde maatregelen is registratie van prostituees. Naar aanleiding daarvan schreef ik dit blog-artikel, waarin ik wees op het feit dat registratie er in Utrecht toe heeft geleid dat veel prostituees het illegale circuit in zijn gegaan. Ook schreef ik dat het me wat tegenviel dat wethouder Lodewijk Asscher degenen die zijn plannen niet deelden, afdeed als “comfortfeministen”, zonder (althans in de weergave van Het Parool) in te gaan op hun argumenten.

Het blogstuk werd doorgeplaatst naar een andere blog en is door een kleine 1200 mensen gelezen, die er ook op reageerden. Korte tijd later reageerde de wethouder me uit voor een gesprek, dat afgelopen dinsdag plaatsvond. Hieronder een ruwe samenvatting.

***

Om te beginnen is de kwestie volgens Asscher een serieus debat waard. De uitgangspunten zijn daarbij dat prostitutie enerzijds een legale activiteit is, die anderzijds mensenhandel aantrekt, waarvan niemand betwijfelt dat die moet worden bestreden. Een complicerende factor is dat er weinig zicht is op wat er nu precies gebeurt. De ook in Het Parool genoemde cijfers zijn het beste wat we hebben: het aandeel van de gedwongen prostitutie ligt ergens tussen de 8% en 90%.

Tussen de twee uitgangspunten bestaat enige frictie. Het probleem is dat dezelfde vrijheid die wordt geboden aan welbewuste, zelfstandige vrouwen om een beroep uit te oefenen, de problemen vergroot voor de slachtoffers van mensenhandel. Toen het bordeelverbod werd opgeheven, was de verwachting dat de branche door middel van zelfregulering de problemen zou beperken, maar dit is onvoldoende gebeurd. Zelfs als we geen exacte cijfers hebben, staat vast dat mensenhandel niet is verdwenen. Daarom willen het rijk en de gemeente nu ingrijpen, al bestaat er, zoals Asscher het noemt, “geen zilveren of gouden kogel” waarmee alle problemen en uitsluitend de problemen worden geraakt.

Er ligt nu een verzameling van voorstellen ter tafel, zoals de verhoging van de minimumleeftijd, eisen aan de bedrijfsplannen van de exploitanten en registratie van de prostituees bij een gemeentelijk loket. Bij die registratie vinden gesprekken plaats, zodat mensen die niet vrijwillig in “het vak” gaan, kunnen worden geïdentificeerd en een legale sector ontstaat die in principe “schoon” is. Daarna kunnen de klanten van illegale prostituees strafbaar worden gesteld, en de gedachte is dat op die manier vrouwenhandel kan worden aangepakt.

Het merendeel van deze maatregelen is weinig controversieel, maar Asscher erkent dat velen registratie als stigmatiserend ervaren. Het hoeft er echter niet automatisch toe te leiden dat Amsterdamse vrouwen massaal de illegaliteit in gaan (zoals in Utrecht lijkt te zijn gebeurd). Een aanwijzing dat dit geen automatisme is, is de sluiting van de Amsterdamse Theemsweg, waar tot 2004 veel verslaafde prostituees werkten. Het is niet duidelijk wat de betrokkenen daarna precies zijn gaan doen, maar het lijkt er op dat ze destijds niet de illegaliteit in zijn gegaan.

Als ik tegenwerp dat dingen die clandestien gebeuren, toch per definitie onzichtbaar zijn, wijst Asscher erop dat prostituees nooit helemaal uit zicht kunnen verdwijnen, aangezien ze door hun klanten gevonden moeten kunnen worden. Als ze echter herkenbaar zijn voor hun bezoekers, dan kan ook de politie ze vinden en is deze in staat een globaal beeld te vormen van de ontwikkelingen. “Onzichtbaarheid heeft grenzen.”

Er zijn andere complicaties. Registratie is nog niet zó simpel, zelfs als het systeem, zoals Het Parool meldde, slechts door een beperkt aantal mensen mag worden ingezien. Asscher is zich het probleem bewust: “als het niet goed beveiligd kan worden, moet je er niet eens aan dénken eraan te beginnen”.

Een andere moeilijkheid is dat met het opengaan van de Europese grenzen het reizen wordt vereenvoudigd, waardoor er steeds nieuwe mensen naar Amsterdam komen om te gaan werken als prostituee. De gemeente is aangesloten bij enkele internationale samenwerkingsverbanden.

Aan het einde van het gesprek komt Asscher terug op zijn gebruik van het woord “comfortfeministen” voor degenen die het niet met zijn plannen eens waren. Hij legde uit dat hij dit had gezegd toen hij in debat was met vrouwen die meenden dat feministisch succes en legale prostitutie parallelle kwesties waren. Hij had bij die gelegenheid de balans willen verleggen naar de minder prettige kanten van prostitutie, en die harde uitspraak was via de Parool-knipselmap in het artikel van 16 juni terechtgekomen.

***

Tot zover het gesprek, waarvan ik hoop dat ik het adequaat heb weergegeven.


Prostitutieplannen

juni 17, 2012

Als u, door welke ongelukkige speling van het lot dan ook, nog nooit de autobiografie van Casanova hebt gelezen, ga dan NU naar de bibliotheek, want u hebt leukere dingen te lezen dan wat ik nu ga schrijven. Het onderstaande is namelijk helemaal niet leuk, terwijl Casanova geestig is, ontroerend, afwisselend, levenslustig en scherpzinnig. Hij is een van die mensen die je sympathiek vindt, ook zonder dat je zijn moraal deelt. Want ja, hij hield van vrouwen.

Eén ervan was een kapster in Rome, die hem op een gegeven moment bekent dat ze niet met haar geliefde kan trouwen, omdat ze (als ik het me goed herinner) geen bruidsschat heeft en zij en haar verloofde de huur niet kunnen opbrengen van het huis dat willen betrekken. Casanova weet raad. Het kapstertje komt elke dag wat eerder, levert een dienst die ook de autobiograaf vermijdt te noemen en brengt daarna het haar in orde van haar klant. Tegen de tijd dat de immer reislustige Casanova Rome verlaat, heeft hij al gezorgd voor een bruidsschat en een huis.

Je zou dit prostitutie kunnen noemen, maar Casanova, het meisje en haar verloofde zagen dat anders. Ik ben er vrij zeker van dat de jonge vrouwen die je heden ten dage in Rome tijdens de siësta met keurige heren naar hotels ziet wandelen, hun herdersuurtjes ook eerder als een relatie dan als prostitutie definiëren.

Volgend voorbeeld. Toen ik in Leiden studeerde, circuleerde het verhaal over een huis – het werd ook aangewezen – waar, afhankelijk van het gekozen perspectief, óf de huisbaas de huursters korting gaf als ze hem seksuele diensten verleenden, óf een man gelijktijdig een relatie had met drie jonge vrouwen. Is dit prostitutie?

Ik vraag het, omdat de Amsterdamse burgemeester Van der Laan en wethouder Lodewijk Asscher instemmen met het voorstel uit Den Haag dat prostituees zich moeten registreren. De reden daarvoor is, zo lees ik in de papieren versie van Het Parool, dat “klanten die een niet-geregistreerde prostituee bezoeken vanaf volgend jaar strafbaar zijn”, en op deze manier mensenhandel kan worden bestreden (internetversie). Bij de registratie vinden ook controles plaats en krijgen de vrouwen te horen welke rechten ze hebben. Of vrouwen zelfstandig zijn, moet onder meer worden vastgesteld aan de hand van een taaltoets; een onderwerp dat gefundenes Fressen was voor columnisten, en dat is jammer, want het is alleszins reëel dat als iemand alleen Hongaars spreekt, ze het slachtoffer is van vrouwenhandel.

De noodzaak van beleid staat niet ter discussie; Het Parool geeft een voorbeeld van vrouwenhandel dat te walgelijk is om te herhalen. Zelf ben ik ook op de hoogte van een triest geval, dus ik waardeer de inzet om de problemen aan te pakken.

De krant schrijft echter ook dat er geen duidelijkheid is over het aantal prostituees (naar schatting tussen de 5000 en 8000 in Amsterdam) en het percentage dat dit werk onvrijwillig doet (tussen de 8 en 90 procent). Deze onduidelijkheid is ook niet zo vreemd, want er zijn legio omstandigheden waarvan je eigenlijk niet weet of het prostitutie is. Zie de vriendinnen van de Leidse huisbaas, de kapster van Casanova en de Romeinse siëstameisjes. Als dit je cijfers zijn, weet je simpelweg te weinig om überhaupt aan beleid te gaan denken.

Ik lees verder dat het Clara Wichmanninstituut en De Rode Draad zich uitspraken tegen het registratievoorstel, omdat het prostitutie zou criminaliseren. Asscher ontkent dit, verwijt deze instellingen “comfortfeministen” te zijn en vindt dat ze eigenlijk voor registratie zouden moeten zijn. Hij laat de vraag dus in feite onbeantwoord: wordt prostitutie erdoor gecriminaliseerd?

Het makkelijke antwoord is “nee”, want het staat niet in het Wetboek van Strafrecht. Het feitelijke antwoord is “ja”, want mensen gedragen zich alsof prostitutie crimineel is. Ik denk dat Ischa Meijer de laatste is geweest die openlijk zei naar De Wallen te gaan, en Asscher moet weten hoe zijn collega-raadslid Karina Schaapman werd afgebrand nadat ze had erkend in “het vak” te hebben gezeten.

Belangrijker nog is dat mensen het niet alleen ervaren als crimineel, maar er ook consequenties aan verbinden. Dat blijkt althans uit een stuk dat ik een tijdje geleden las in De Volkskrant (samenvatting). In Utrecht is men al eerder begonnen met de registratie van prostituees, en onmiddellijk daarna verdwenen de Nederlandse vrouwen. Hun plaatsen werden ingenomen door Oost-Europese vrouwen. Geen Nederlandse liet zich registeren; liever werkten ze op andere, onzichtbare plaatsen. Casanova, de Romeinse siëstameisjes en de Leidse huisbaas tonen dát er omwegen zijn, en ik herinner me dat er een paar jaar geleden een nagelstudio zat aan de Amsterdamse Da Costa-kade waarvan alle omwonenden beter wisten.

Samenvattend: er zijn voldoende voorbeelden te geven waaruit blijkt dat er iets moet gebeuren. (U kunt alvast deze petitie tekenen.) De situatie in Utrecht bewijst echter dat registratie ertoe leidt dat veel vrouwen zich gecriminaliseerd gestigmatiseerd voelen; alleen buitenlandse vrouwen die al wat zwakker staan, zullen zich laten registreren. Dat zij hun rechten uitgelegd zullen krijgen, is winst. Dat de Nederlandse vrouwen de illegaliteit in gaan, lijkt me echter contraproductief.

Ik schrijft met opzet “lijkt”. Ik denk dat Lodewijk Asscher argumenten kan hebben, maar die wil ik dan wel eens horen. Waarom zijn vrouwen in Utrecht anders dan in Amsterdam? Door op deze kwestie niet in te gaan en zijn critici te typeren als “comfortfeministen”, laadt de wethouder de verdenking op zich dat hij de kritiek in feite niet kan pareren. Daarmee doet hij zijn standpunt geen goed.

Naschrift

Op het bovenstaande kwam een reactie van Lodewijk Asscher: hier.


De verkeerde kwestie verkeerd aangepakt

mei 21, 2012

Toen het schooltje waarvoor ik werk net was opgericht, gaven we onze cursussen in een leegstaand huis aan de Oudezijds Voorburgwal. Het lag aan de rand van De Wallen, het befaamde/beruchte gebied waar in Amsterdam de prostitutie  plaatsvindt. We ondervonden daarvan weinig last, al wist ik nooit goed waar ik moest kijken als ik ’s morgens werd begroet door een schaars geklede buurvrouw die de stoep stond te schrobben.

Schrobben, dat was ook mijn eerste bezigheid, want meestal had er die nacht een junk in het portiek geplast. En als het de junks niet waren die overlast veroorzaakten, dan waren het wel de toeristen, waarvan sommige al om elf uur in de ochtend in kennelijke staat verkeerden. Het was dermate storend dat ik de verleiding mijn emmer met zeepsop over zo’n dronkenlap leeg te gooien, bij één gelegenheid niet heb weerstaan. Van de prostituees had ik weinig last – sterker nog, ik ondervond er nooit overlast van – maar ze trokken een hoop publiek aan dat ik liever zag gaan dan komen. Ik begrijp dus uitstekend wat de Alkmaarse bewonersvereniging beweegt die, zo lees ik, zich sterkt maakt voor het sluiten van het plaatselijke prostitutiegebied.

De gemeente Alkmaar erkent de klachten, maar wil niet verder gaan dan het halveren van het aantal werkplekken en wil de prostitutie “laten samengaan met andere bedrijvigheid en woonfuncties”. Ik weet niet wie gebruik willen gaan maken van voornoemde woonfuncties, en ik weet eigenlijk ook niet hoe minder ramen leidt tot minder overlast, want het is niet de prostitutie zélf die leidt tot overlast. Maar het eigenlijke probleem zit dieper. Door het aantal ramen te halveren (of zelfs tot nul terug te brengen) verschuif je de ellende van de omwonenden naar de prostituees.

De vraag naar prostitutie is afhankelijk van een beperkt aantal constanten: het aantal mannen en de behoefte aan seks. Deze factoren zijn te meten en inderdaad constant. Dat is iets ingewikkelder bij de derde constante: het aantal mannen dat een bezoek aan een prostituee in overeenstemming vindt met het eigen geweten. Ik vermoed dat dit percentage sinds de Seksuele Revolutie is toegenomen, maar niet zo heel substantieel. Anders was het taboe op prostitutie wel verminderd. Ik concludeer dat de behoefte aan betaalde seks constant is.

Als het aantal klanten even groot blijft, blijft ook het aantal contacturen hetzelfde en is er dus een constante vraag naar werkruimte. Als de gemeente het kameraanbod nu halveert, zal de prijs per raam stijgen en moet een vrouw meer klanten per dag ontvangen om haar huur te betalen. Het lijkt me geen wilde gedachte dat menigeen zal besluiten de slaapkamer thuis aan te passen of bij te klussen in een hotel. De officiële en de onofficiële werkplekken zijn, doordat de vraag constant is, communicerende vaten. Anders gezegd: het beleid van de gemeente Alkmaar, en het voorstel van de bewonersvereniging, drijven de prostitutie naar de illegaliteit.

En dat is erg. Als het trendrapport van De Rode Draad correct is – en het ziet er grondig uit – zullen vooral Oost-Europese criminelen het aanbod leveren. Ik laat het aan ieders fantasie over te bedenken wat dit betekent, maar wijs erop dat geweld verontrustend frequent is. Cijfers voor Nederland ken ik niet, maar Steve Levitt, de auteur van Freakonomics, constateerde eens dat Amerikaanse prostituees “report being a victim of violence on the job … about once per month of working” (meer). Erger is nog dat vrouwen die gedwongen worden tot sekswerk uit angst voor hun pooier misstanden niet langer aangeven. In Alkmaar-Centrum weten prostituees en de politie elkaar wel te vinden, maar door de activiteit naar de illegaliteit te drijven, maakt de gemeente de aanpak van geweld moeilijker.

Hoe cynisch kan overheidsbeleid zijn? Natuurlijk, je luistert als gemeente naar de burger, zeker als die een zeer terechte klacht heeft over een zeer reële overlast. Die overlast heeft echter weinig te maken heeft met de prostitutie zélf. Men pakt het verkeerde probleem aan, en doet dat ook nog verkeerd, zodat jonge vrouwen in gevaar worden gebracht.

Ik weet de oplossing ook niet, maar ik weet wel dat de overheid illegale praktijken moet bestrijden. Ze moet die niet bevorderen.


Meisje van plezier

april 24, 2012

Erotische scene (Altes Museum, Berlijn)

Nee, de titel van dit stukje mag anders suggereren, maar er is geen verband met het trieste verhaal over de Palmyreense danseres waarover ik eerder blogde. Dit keer gaat het om een vertaalprobleem.

Een vriendin van me is een oud-Griekse tekst aan het vertalen, Het leven van Apollonios van Tyana van Filostratos, een auteur die leefde in de Romeinse keizertijd. De titelheld was een beroemde filosoof en is de enige ons bekende niet-christelijke denker die seksuele onthouding beoefende. Dat laat onverlet dat de tekst enkele “hetairen” vermeldt, een woord dat in het Nederlands eigenlijk niet kan worden vertaald. Het gaat om hoog-opgeleide gezelschapsdames die in dienst konden worden genomen om een diner met hun sprankelende conversatie te verlevendigen, en die na afloop ook seksuele diensten leverden.

Het vertaalprobleem is dat alle Nederlandse woorden (hoer, prostituee, sekswerkster…) associaties hebben die in het Grieks niet aanwezig zijn. “Sekswerker” probeert het vak te presenteren als een puur economische transactie, terwijl “hoer” heel negatief is. De onvertaalbaarheid zegt veel over veranderende attitudes: waar prostitutie in onze cultuur vooral aan de orde is gekomen in de teksten van moralisten en juristen, duiken hetairen vooral op in teksten over de Griekse dinercultuur.

Het enige woord dat de positieve gevoelswaarde van “hetaire” overdraagt, is “meisje van plezier”. Helaas is dat ook een wat problematisch woord. De vertaalster van Het leven van Apollonios van Tyana ervaart het namelijk als ouwerwets. Zelf heb ik die indruk niet; ik vind het zelfs een prettige lichtvoetigheid uitstralen.

Wat denken de lezers van deze kleine blog? Reacties worden zeer gewaardeerd.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 221 andere volgers