Karthaags oorlogsschip

november 27, 2014
Ram van een Karthaags oorlogsschip

Ram van een Karthaags oorlogsschip

Op Facebook noem ik zo nu en dan, bij wijze van running gag, wel eens een wetenschapsnieuwtje “de wauw van de week”. Deze week heb ik er maar eens een van eigen terrein gehaald: de hierboven afgebeelde scheepsram. Aan de bovenkant is een inscriptie te lezen waaruit blijkt dat het voorwerp is gemaakt in Karthago.

Het voorwerp is opgedoken bij de Egatische Eilanden ten westen van Sicilië, waar de Romeinen in 241 v.Chr. een zeeslag uitvochten met de Karthagers. Beide partijen waren oorlogsmoe: de Eerste Punische Oorlog duurde al drieëntwintig jaar. (Het was het langste en grootste gewapende conflict uit de Oudheid.) Het is zeer aannemelijk dat deze ram bij die gelegenheid is beland op de zeebodem: een stille getuige van de Romeinse overwinning, de Romeinse verovering van Sicilië én het begin van Romes wereldheerschappij.

Lees de rest van dit artikel »


Immigratie en assimilatie

april 2, 2014

Sarcofaag van Wahibra-Emakhet, Rijksmuseum van Oudheden (Leiden)

In 671 v.Chr. versloeg de Assyrische koning Esarhaddon de Nubische farao’s die op dat moment heersten over Egypte. De Assyriër voegde het oude land van de Nijl toe aan zijn rijk, maar het bleek lastig te beheersen. Er waren inheemse opstanden en hoewel Esarhaddons opvolger Assurbanipal (r.668-631) de orde probeerde te herstellen door Thebe, bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld, te verwoesten, zag hij zich uiteindelijk gedwongen Egypte op te geven.

Een van de door de Assyriërs aangestelde Egyptische bestuurders, Psamtek, nam daarop Griekse en Karische huurlingen in dienst, herenigde Egypte en stichtte een nieuwe dynastie, die wordt genoemd naar haar hoofdstad Sais: “de Saïeten”. Van nu af aan woonden er Grieken in de Egyptische delta-stad Naukratis, niet zo heel ver van Sais, in een nederzetting waarin ze enig zelfbestuur hadden.

Lees de rest van dit artikel »


Griekse Egyptenaar

mei 10, 2013

Wahibra-Emakhet (Rijksmuseum van Oudheden)

In 671 v.Chr. onderwierp de Assyrische koning Esarhaddon Egypte. Het aloude land van de Nijl bleek echter moeilijk te beheersen: er waren opstanden en hoewel Esarhaddons opvolger Aššurbanipal (r.668-631) de orde probeerde te herstellen door in het diepe zuiden de belangrijke stad Thebe te verwoesten, was hij uiteindelijk gedwongen de veroveringen op te geven. Een van zijn vazallen, in westerse bronnen aangeduid als Psammetichos, nam daarop Griekse en Karische huurlingen in dienst, herenigde Egypte, stichtte een nieuwe dynastie en maakte de noordwestelijke stad Sais, waarvandaan men het makkelijkste naar Griekenland kon varen, tot zijn residentie. Vanaf nu leefden er Grieken in Egypte.

Onder de immigranten waren de vader en moeder van een man die Wahibra-Emakhet heette, “de horizon van Wahibra”. Deze naam brengt de loyaliteit van zijn ouders aan farao Psammetichos (r.664-610) tot uitdrukking, want diens echte naam was Wahibra Psamtek.

Net als Wahibra-Emakhets naam is zijn sarcofaag, die te zien is in het Rijksmuseum van Oudheden, zuiver Egyptisch, en dat is ook het feit dat hij werd begraven en gemummificeerd, en niet gecremeerd, zoals in Griekenland te doen gebruikelijk. In de teksten op zijn grafkist roept hij de bescherming aan van de Egyptische godinnen Nephthys en Isis. Als hij de namen van zijn ouders, Alexikles en Zenodota, niet had genoemd, zouden we nooit op het idee zijn gekomen dat hij van Griekse afkomst was.

Hij moest schatrijk zijn geweest. De sarcofaag is van de hoogste kwaliteit, net als de shabti’s (beeldjes van dienaren) die Wahibra-Emakhet begeleidden op zijn laatste reis. Hij zou wel eens de commandant van een huurlingenregiment kunnen zijn geweest, en dan moet hij deel hebben genomen aan de oorlog die Psammetichos’ zoon Necho II (r.610-595) voerde tegen de Babyloniërs, die in 612 een einde hadden gemaakt aan de Assyrische heerschappij over het Midden-Oosten maar er nooit in slaagden Egypte te onderwerpen.

[Dit was de derde aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]


Restauratiewerkzaamheden

april 27, 2013
Schoongemaakt schilderwerk

Schoongemaakt schilderwerk

De foto hierboven maakte ik eergisteren op de tentoonstelling van mummiekisten in het Rijksmuseum van Oudheden. De voorwerpen zijn afkomstig uit één, kolossale vindplaats en verdeeld over een stuk of zestien musea; het RMO werkt nu samen met de Vaticaanse Musea en het Louvre om ze te inventariseren en te restaureren. Dat laatste gebeurt nu in het RMO op zaal. Je kunt er dus gewoon naar kijken en mag een praatje maken met de restauratoren (overigens het liefst tussen twee en drie uur).

Los van het feit dat het natuurlijk adembenemend is dat zo’n houten deksel zo’n slordige drieduizend jaar oud is, vond ik het eindeloos fascinerend om te zien hoe de mensen in de tentoonstellingszaal bezig waren. De foto toont iets van het werk dat wordt gedaan. Met een kwastje werd gel aangebracht over het grauwe hout; die gel hechtte zich dan aan het stof; vervolgens werd de gel weggehaald en werd met een ander goedje het zo gereinigde oppervlak schoongemaakt. Ik begreep dat de gel niet te lang op het hout mocht liggen, omdat het anders meer meenam dan alleen vuil: de verf.

Ik vond het contrast tussen het vuile en het schoongemaakte hout verbluffend. De foto toont het in feite niet goed genoeg, maar het verschil tussen enerzijds de stukjes linksonder en boven, en anderzijds het stuk rechts is toch wel herkenbaar.


Nieuwe RMO-afdeling Nabije Oosten

april 25, 2013

De vernieuwde afdeling

In 2018 bestaat het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waarover ik al eens eerder heb geblogd, twee eeuwen. Het zal er dan anders uitzien dan u misschien gewend bent, want momenteel worden de afdelingen een voor een gerenoveerd. De Nederlandse archeologie is al gedaan, de Griekse afdeling staat voor 2015 op het programma en de wereldberoemde Egyptische collectie voor 2017. En vanaf aanstaande zaterdag is de vernieuwde afdeling over het oude Nabije Oosten open.

Met een oppervlakte van 300 vierkante meter is het niet de grootste afdeling van het RMO. Bovendien, eerlijk is eerlijk, is de collectie te willekeurig samengesteld om een volledig chronologisch overzicht te geven van de ontwikkeling van de oud-oosterse culturen. Perzië is goed vertegenwoordigd, maar Sumerië weer niet. Je kunt met het aanwezige materiaal geen “rise of civilization”-achtige expositie inrichten.

Palmyreens grafportret

Palmyreens grafportret

Je kunt echter van de nood een deugd maken en de afdeling inrichten rond de vraag hoe zo’n collectie tot stand komt. Of: hoe hebben Nederlandse verzamelaars de afgelopen twee eeuwen gekeken naar het oude Nabije Oosten? Dat klinkt misschien als museale navelstaarderij, maar het kan beslist geen kwaad bezoekers duidelijk te maken welke keuzes er worden gemaakt bij het uitleggen van wetenschappelijke resultaten en door welke toevalligheden een collectie tot stand komt.

Het resultaat is een aangenaam-rustige afdeling met klassieke glazen vitrines. Ik weet dat er mensen zijn die dat oubollig vinden en liever zien dat antieke voorwerpen in het donker, bij low-key licht, geheimzinnig liggen te zijn, maar het is mijn stellige overtuiging dat museumvoorwerpen het beste tot hun recht komen in een traditionele opstelling.

Afgietsel van een Onsterfelijke

Afgietsel van een Onsterfelijke

Lange tijd heeft het RMO niet meer oud-oosterse voorwerpen bezeten dan één afgietsel van een van de Perzische “onsterfelijken”, die overal zijn afgebeeld in Persepolis. In 1890 kwam er als eerste originele voorwerp een betrekkelijk kleine Parthische grafkist bij, maar pas in de jaren dertig koos het museum voor het opbouwen van een eigen, oud-oosterse collectie. Ik zou wel eens wat meer willen weten over de keuze om, uitgerekend op het moment waarop een verontrustend groot deel van Europa in de ban was van de arische mythe, aandacht te gaan besteden aan een overwegend semitisch deel van de wereld.

Een voor de hand liggend onderwerp bij een opstelling die het verzamelen zélf centraal stelt, is de archeologie die werd bedreven om het historisch gelijk van de Bijbel te bewijzen. Dat concentreert zich op Deir ‘Alla in Jordanië, waar Henk Franken een beroemde Aramese tekst, met inkt geschreven op pleisterwerk, heeft gevonden die de bijbelse profeet Bileam vermeldt.

Het schild uit Luristan

Het schild uit Luristan

Een ander thema is de zorg voor het erfgoed. Het aankopen van stukken op de markt is nooit zonder problemen, want een museum heeft eigenlijk alleen iets aan voorwerpen waarvan de herkomst duidelijk is. Hoe het mis kan gaan, blijkt uit de vitrine met voorwerpen waar een luchtje aan bleek te zitten. Heel erg leuk vond ik een prachtig schild, afkomstig uit Luristan in westelijk Iran, met een godheid op een troon, waarvan lang werd aangenomen dat het een vervalsing was, tot een laboratoriumonderzoek vaststelde dat er geen sporen waren die bewezen dat er met moderne instrumenten aan was gewerkt.

Gudea

Gudea

Goed uitgewerkt vond ik ook de tegenstelling tussen de negentiende-eeuwse verzamelactiviteit, die zich richtte op de grote rijken (Assyrië, Babylonië…) en de twintigste-eeuwse aandacht voor het leven van de gewone man. Dat de eerste archeologen zich vooral met de oosterse paleizen en koningen bezighielden, is logisch: om te beginnen leefde men in een tijd van imperialisme en verder zijn paleizen nu eenmaal een stuk opvallender dan boerderijen. Het pronkstuk hier is een mooie kop van koning Gudea van Lagash. De twintigste-eeuwse voorkeur voor minder verheven architectuur is op haar beurt weer het product van een democratischer samenleving en betere onderzoeksmethoden.

De eenentwintigste eeuw toont vooral belangstelling voor culturele interactie, en dat is het laatste onderdeel van de afdeling: een Fenicische schaal die is gevonden in Midden-Italië, voorwerpen uit Karthago en de beroemde reliëfs uit Palmyra, die zowel oosterse als Grieks-Romeinse artistieke invloeden vertonen. Van een Grieks-Mesopotamisch reliëf uit Assur, waarvan ik zou hebben gezworen dat het uit de Parthische tijd stamde, wordt nu een ruimere datering gegeven: laat-Parthisch of Sassanidisch.

De opgraving van Sichem

De opgraving van Sichem

De huidige afdeling zal nog worden uitgebreid met ruimte voor kleinere, wisselende exposities. Momenteel is het nog niet zo ver, maar in de grote hal waar je het museum binnenkomt zie je nu de expositie “Graven naar het bijbelse Sichem”, waarin enkele foto’s zijn te zien die de Nederlander Franz Böhl in 1926-1928 maakte op de door de Duitse bijbelwetenschapper Ernst Sellin uitgevoerde opgraving te Tell Balata bij Nablus. Omdat Sellins huis tijdens de Tweede Wereldoorlog afbrandde, werd aangenomen dat de negatieven waren vernietigd, maar ze zijn teruggevonden in het RMO. Nu kun je dus kijken naar de prachtige foto’s uit de tijd waarin de fotofilm nog was gebaseerd op zilver en de afdrukken ongekend scherp en mooi konden zijn.

Het altaar uit Sichem

Het altaar uit Sichem

Nog een laatste punt: uit Tell Balata/Sichem komt ook de stenen kubus hiernaast. Het voorwerp doet denken aan een altaar met “horens”, zoals genoemd in de Bijbel. Wie zich aan zo’n horen vastgreep, had asiel. Omdat de Bijbel vermeldt dat Abraham in Sichem een altaar had opgericht, heeft men het voorwerp inderdaad geïnterpreteerd als een altaar, maar er zijn onderzoekers die zeggen dat het een versierde maalsteen is. Wie weet wat toekomstige geleerden ervan zullen zeggen?

PS

Tegelijk met de opening van het museum verschijnt van de hand van de curator een mooi boek, dat ik nog niet heb gelezen maar dat er in elk geval op het eerste gezicht tof uitziet: Lucas Petit, Het oude Nabije Oosten. Een paradijs voor verzamelaars en wetenschappers.


Klassieken & communicatie (2)

april 18, 2013

Detail van de Elgin Marbles (British Museum)

[Dit is het tweede van vijf stukjes over het belang van een uitgedachte communicatiestrategie voor de oudheidkundige disciplines. In het eerste deel wees ik erop dát deze ontbreekt.]

Voor ik inga op de genegeerde ontwikkelingen, wil ik wijzen op wat wél goed gaat. In de eerste plaats: er zijn classici als Vincent Hunink, die antieke teksten vertalen voor een breed publiek. Er zijn historici als Gé de Vries, die met Pogrom in Alexandrië een standaard heeft gezet. Er zijn steeds meer infrastructurele projecten waarbij de archeologische vondsten een plaats hebben, zoals het drive-in-museum dat Hazenberg Archeologie heeft ontworpen voor de gemeente Woerden. En ik wil Piet Gerbrandy noemen, die met Het feest van Saturnus een van de mooiste boeken schreef die ik ken. Het kán dus, maar als er een goed boek kan bestaan over de Romeinse literatuur, valt des te meer op dat er geen boek bestaat over de Romeinse geschiedenis of de Griekse literatuur.

Buiten het boekenvak hebben we hetzelfde beeld. Pas in 2012 nam voor het eerst een universiteit deel aan het Romeinenfestival. Toen onlangs op het budget van het Rijksmuseum van Oudheden werd gekort, was iedereen gedupeerd maar protesteerde alleen de Leidse universiteit. Anders dan in Vlaanderen hebben de universiteiten in Nederland geen websites ontwikkeld. Bij de oprichting van Romeinen.nu ontbraken de universiteiten. De Week van de Klassieken blijft verstoken van een daverende universitaire bijdrage, wat mede verklaart waarom dit evenement elk jaar een etalage is van gezapige ambitieloosheid en het publiek blijft vragen wat het nut is van de klassieken.

Eén verklaring voor de verwaarlozing van de wetenschapscommunicatie is dat academici worden afgerekend op alleen hun wetenschappelijke publicaties. Dit is raar, want de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek eist dat de universiteiten “in elk geval hun kennis moeten overdragen ten behoeve van de maatschappij”. De publicatiedwang is dus wat in de organisatieleer een perverse prikkel heet: een mechanisme dat mensen aanzet tot gedrag dat in strijd is met de doelstellingen van de organisatie.

Tja. Zolang universiteiten alleen geld verdienen met onderzoek en onderwijs, en zolang alleen deze twee taken worden gecontroleerd, staan de medewerkers onder druk hun derde wettelijke taak te verwaarlozen. Dat de maatschappij, waarvoor de wetgever de wetenschappelijke kennis dus bedoelt, zo verwordt tot bijzaak, is voor de humaniora een ramp. Wie mensen wereldwijzer wil maken, moet ze ook wereldwijzer kúnnen maken, en dat wordt in het huidige bestel belemmerd.

[wordt vervolgd]


Het RMO en de Raad voor Cultuur

juni 14, 2012

Scaliger

De invloedrijkste van alle in Nederland werkzame geleerden was J.J. Scaliger. Aan het einde van de zestiende eeuw onderzocht hij de chronologie van de Oudheid, constateerde dat het tijdverloop in de Bijbel incorrect was en problematiseerde daarmee de letterlijke uitleg van de Bijbel. Zo begon de Verlichting. Andere oudheidkundigen stonden aan de wieg van Darwins evolutietheorie, of boden een empirische basis voor de vooruitgangsgedachte, of droegen – minder prettig – bij aan de ideeën die de twee wereldoorlogen onvermijdelijk maakten. Ziedaar het belang van de oudheidkunde.

Het is niet erg als u nooit heeft gehoord van Scaliger. Oudheidkundigen leggen hun vak namelijk slecht uit. Goede publieksboeken zijn zeldzaam, classici maken onzinnige vergelijkingen, oudhistorici negeren het internet, archeologen overdrijven. De jaarlijkse Week van de Klassieken wordt steeds gewijd aan helden, mythologie of een andere trivialiteit. Plaatje, praatje, quizje. Niemand vertelt ondertussen hoe de oudheidkunde de moderne samenleving heeft helpen vormen.

Wie de eigen trivialiteit cultiveert, heeft geen vijanden meer nodig. Dan schep je zelf de omstandigheden waarin een staatssecretaris van cultuur de archeologie gelijkstelt aan “musea vol opgegraven potten en pannen”. Hij is niet de enige die onvoldoende is geïnformeerd. Ook wetenschappers begrijpen de oudheidkunde slecht: dat je de Bijbel niet letterlijk mag nemen, wordt bijvoorbeeld elke kerst opnieuw genegeerd als astronomen spreken over de ster van Bethlehem.

Door haar slechte zelfpresentatie staat de oudheidkunde weerloos tegenover bezuinigen. De goeden lijden dan soms onder de kwaden. Dat is nu het geval met het Leidse Rijksmuseum van Oudheden (RMO), een van ’s werelds beste oudheidkundige musea. Als een recent advies van de Raad voor Cultuur, “Slagen in cultuur”, door de staatssecretaris wordt overgenomen, zal het museum een flink deel van zijn subsidie verliezen. Het RMO doet het echter goed, trekt buitenlandse bezoekers naar Nederland en haalt steeds meer eigen geld binnen.

Dat staat allemaal in het vorig jaar verschenen (en op de RMO-website te vinden) Visitatierapport, waarin het museum vijf keer voldoende, zestien keer goed en vier keer meer dan goed wordt genoemd, terwijl ook twee keer “excellent” valt. De visitatiecommissie prijst de internationaal belangrijke collectie, de toekomstvisie, de band met het publiek, de bedrijfsvoering en de wetenschappelijke kwaliteit. Slechts de sponsoring was “nog onvoldoende”, maar je begrijpt waarom de commissie haar rapport afrondde met complimenten voor de wijze waarop het RMO in de samenleving staat.

Terecht eist de politiek dat onze musea minder afhankelijk worden van subsidie. Het RMO is er in vier jaar in geslaagd het aantal bezoekers te verdubbelen en de eigen inkomsten te laten groeien, minder door sponsoring (die altijd tijdelijk is) dan door ondernemerschap (dat leidt tot structureel betere financiën). Het museum kon zo een al eerder aangekondigde bezuiniging van 5% op de subsidie opvangen.

De Raad voor Cultuur wil daar nog een bezuiniging van 11% bovenop leggen, maar de motivatie is vreemd. Ik begrijp althans niet hoe de Raad én erkent dat het RMO wetenschappelijk een duidelijke positie inneemt én (drie zinnen verderop) eist dat het museum meer richting aan zijn onderzoek geeft. Evenmin begrijp ik hoe de Raad én kan constateren dat het RMO nauw samenwerkt met universiteiten én kan oordelen dat deze binding ontbreekt.

Of neem de constatering dat “het zicht op het bestaansrecht van de instelling en de maatschappelijke positionering” ontbreekt. Dat is een chique manier om te zeggen dat het museum niet duidelijk maakt wat de Oudheid betekent voor u. In de slotalinea erkent de Raad echter dat het RMO een focus heeft op “receptiegeschiedenis”, wat een jargonterm is om te zeggen dat de oudheidkunde de moderne samenleving heeft helpen vormen. Er is dus wel degelijk een visie.

Ik denk dat de aanvankelijke constatering dat die visie ontbreekt, samenhangt met het feit dat het verwijt in het algemeen juist is. Oudheidkundigen geven de relevantie van hun vak slecht aan. Als ze het al uitleggen, is het in boeken die niet voldoen aan de elementairste kwaliteitscriteria. De Raad legt de vinger op een inderdaad zere plek, maar het slaat nu net niet op het RMO.

Ik ben, zoals dat heet, cultureel ondernemer. Ik heb de RMO-medewerkers leren kennen als realisten die begrijpen dat ook hun museum moet inleveren. Ze verdienen het niet te worden afgerekend op basis van een criterium dat juist op hen niet van toepassing is.

[Dit was de oorspronkelijke tekst van een stuk van mijn hand; het werd 14 juni afgedrukt in het NRC Handelsblad. De kop erboven, dat “stuntelende classici” een goed museum zouden schaden, is me te scherp; ik heb ook niet geschreven dat álle oudheidkundigen het internet negeerden – het zijn vooral  de oudhistorici die zich heel diep moeten schamen; en de relativerende opmerking over de slechte geïnformeerdheid van de staatssecretaris zou ik liever gehandhaafd hebben gezien. Vandaar dat ik hier toch even de volledige tekst plaats.]

Meer over het RMO hier, hier en hier, en over de Week van de Klassieken daar.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 334 andere volgers