Allochtoon, autochtoon

juni 21, 2012

“Overigens ben ik zelf ook allochtoons.” Een online-kennis van me verbaasde me nogal met deze tweet. Zijn naam kon weliswaar Duits of Scandinavisch zijn, maar dat hij anders dan Nederlands zou kunnen zijn, was zó totaal irrelevant dat ik er nooit over had nagedacht. Hijzelf overigens ook niet, want zijn tweet vervolgde “Al ben ik me daar pas na de opkomst van Fortuijn en de PVV van bewust geworden, zo hollands ben ik”.

Toevallig was ik bezig met het naar MS Word converteren van oude computerbestanden, nog geschreven in WordPerfect 4.2 en 5.1. Dat gaf me de gelegenheid de sarcastische constatering eens te vergelijken met mijn eigen zelfbeeld. Zoals ik al vermoedde, speelde in de jaren negentig maar zelden een rol of ik autochtoon of allochtoon was.

Wat wel een rol speelde? Toen ik een relatie had met een vrouw in Londen, wier vader en moeder afkomstig waren uit Nigeria, heb ik wel eens een opmerking gemaakt dat ik het wonderlijk vond dat zij zich identificeerde met de zwarte bewoners van de Verenigde Staten. Ik identificeerde me toch ook niet met de blanke bewoners daar? Haar etnische identiteit komt verder nog één keer naar voren in een brief aan de bloedbank – bestaat die eigenlijk nog? – waarin ik wijs op een wonderlijke regel ten aanzien van bloeddonatie. Afkomst speelt ook een rol als mijn werkgever eens navraagt of de ramadan voor mij belangrijk is. Geen onredelijk verzoek als die werkgever een schoonmaakbedrijf is dat mensen moeten inroosteren.

In één brief heb ik het zowaar over “autochtone Hollanders”. Dat gaat over mijn Gelderse taalgebruik, dat anders is dan dat in de Randstad. Autochtone Hollanders zeggen dat ze iets “hebben gedaan” en Gelderlanders dat ze iets “gedaan hebben”.

Ik vind een reeks serieuze brieven over Imaginary Homelands, de essaybundel van Salman Rushdie. Mijn correspondent en ik zien migratie allebei als een probleem én een kans: iemand moet laveren tussen twee identiteiten, wat niet makkelijk is, en heeft de kans het betrekkelijke van beide te zien. Ik was verbaasd dat we toen al wisten dat tweetaligheid een voordeel was, want het is een linguïstische conclusie die een tijdje geleden met enige bombarie werd aangekondigd. Het archeologische gezegde “waarom nieuws maar één keer naar buiten brengen als je ook twee keer naar fondsen kunt hengelen?” is blijkbaar ook van toepassing op de linguïstiek.

Ik vind tot slot een handvol opmerkingen over problemen met jongens uit Marokkaanse gezinnen in mijn buurt. Ik klaag dat ze opgroeien voor galg en rad. Later ben ik boos als een fototoestel door mijn buurjongen wordt gestolen, en dan klaag ik opnieuw over de problemen met de derde generatie. Het is echter geen aanleiding tot beschouwingen over allochtonen en autochtonen. Wel vind ik een boze opmerking, die ik later enkele keren heb herhaald, dat Fortuyn er niets van begrijpt als hij de problemen met die derde generatie toeschrijft aan “de” allochtonen of “de” islamieten. Het beleid van het Tweede Kabinet Kok, schrijf ik, identificeerde de problemen nauwkeuriger.

Wat ik maar zeggen wil: ik ben dus autochtoon. Maar daar ben ik me pas na de opkomst van Fortuyn en de PVV van bewust geworden. Fortuyn heeft, om Gaius Gracchus te citeren, dolken op het forum geworpen.


Liefde en orientalisme

februari 12, 2012

Twee weeskinderen, het meisje Dodala en de jongen Zam, groeien op in een schip, dat ergens middenin de woestijn ligt. Om in leven te blijven, haalt hij water en verleent zij, in ruil voor voedsel, seksuele diensten aan karavaanreizigers. Uiteraard raken ze elkaar kwijt, zoeken ze elkaar, en hebben ze elkaar tegen het einde gevonden. Habibi, de vorig jaar verschenen graphic novel van Craig Thompson, is een smartlap.

En toch. Het lijvige boek blijft boeien doordat het in feite niet gaat over de twee weeskinderen. Thompson gebruikt hun avonturen slechts om de lezer mee te nemen door de islamitische wereld, waarvan hij de lezers zo’n beetje alle aspecten toont: legendes en volksverhalen, de poëzie van Rumi, de folklore van de islamitische kalligrafen. De getekende paleizen illustreren de architectuur van het Nabije Oosten, sommige pagina’s zijn opgemaakt als oosterse tapijten. We zien echter ook de moderne Derde Wereld-steden, waar klaplopers profiteren van de goedgeefsheid van de enige bewoner die zo handig was een waterzuiveringsapparaat te bouwen.

Pagina, opgemaakt als tapijt

Die bewoner heet Noach, en de Zondvloed die zijn leven beheerst, is het afval van een enorme stad, waarin de bewoners dreigen om te komen. Het is een van de mooie manieren waarmee Thompson een oud verhaal zó ombuigt dat het weer modern en actueel is. Zo blijft de lezer, ondanks het larmoyante karakter van het verhaal, wel bij de les.

Volksvertellingen, folklore, legendes: steeds opnieuw onderbreekt Thompson zijn verhaal om ernaar te verwijzen. Soms moderniseert hij ze, een andere keer vertelt Dodola ze aan Zam, een derde keer wordt de extra stof gepresenteerd als een soort parallel, die dan het eigenlijke verhaal voorziet van een contrapunt. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval met het verhaal van Mohammeds nachtreis, dat parallel loopt met Dodola’s avonturen in de koninklijke harem: Mohammeds steeds grotere spirituele extase en ‘s sultans meer lichamelijke genot contrasteren wrang met de toenemende vernedering van de jonge vrouw (die gelukkig niet in beeld wordt gebracht).

(klik = groot)

Habibi is zo een boeiende mix van verhalen – maar de keuze is geen toevallige. Ook al zijn het zonder uitzondering islamitische verhalen, ze komen de westerse lezer vertrouwd voor: de westerse (joods-christelijke) en de islamitische traditie is immers een gedeelde. Thompson maakt dit expliciet bij het vertellen van het verhaal van het offer van Abraham, waar hij wijst op de verschillen tussen de twee tradities, die hij uiteindelijk beide terzijde schuift omdat de ontknoping dezelfde is: God weigert het offer.

Het is bovendien in verhalen dat wij onze menselijkheid vinden: het verschil tussen mensen en dieren is dat wij commentaar op elkaars handelen kunnen geven, het kunnen prijzen, erom kunnen lachen, het kunnen bekritiseren, erover kunnen liegen – kortom, breed geformuleerd, er verhalen over vertellen. De naaste parallel voor Habibi is, opmerkelijk genoeg, de thematiek van Salman Rushdie’s vroege werk, waarin het steeds gaat om de wijze waarop verhalen de werkelijkheid definiëren – het bekendst in The Satanic Verses en het mooist in Haroun and the Sea of Stories.

(klik = groot)

Die overeenkomst gaat verder: Thompson en Rushdie schetsen beide een Midden-Oosten dat niet bestaat. Zoals het Alifbay van Haroun is samengesteld uit beelden van Pakistan en Duizend-en-een-nacht, zo is het Wanatolia van Dodola en Cham ook een conglomeraat. De kinderhuwelijken van Afghanistan, de woestijn van Arabië, het Topkapi-paleis van Istanbul en de slums van Karachi zijn gecombineerd met allerlei oosterse sprookjesmotieven: een sultan, eunuchen en een harem bijvoorbeeld (die weer een verwijzing bevat naar Ingres’ Turks Bad). Beide auteurs evoceren zo een enorme culturele variatie, maar vallen ook ten prooi aan de oriëntaliserende mythe dat er zoiets zou zijn als “het” Oosten.

Ik wil niet negatief eindigen, daarvoor zijn de twee personages me te dierbaar geworden. Zonder al te veel van de plot weg te geven, kan ik zeggen dat de liefde tussen Dodola en Zam aan het einde onverminderd en oprecht is, maar tegelijk fysiek onmogelijk, juist doordat ze in het voorafgaande alles voor elkaar hebben opgegeven. Thompson weet die allesverzengende liefde in de magistrale climax te verbinden met zowel de islamitische mystica Rabia van Basra als het einde van De goddelijke komedie van de christelijke mysticus Dante. Ik had de laatste pagina in de winkel al gezien, maar toen ik het einde bereikte, stokte de adem me werkelijk in de keel.


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 257 andere volgers