Ik heb al eens eerder geblogd over de slaapstoornis waarvan ik last heb (1, 2, 3), en het stukje dat u nu begint te lezen, is daarop in zekere zin het vervolg.
De stoornis is op het eerste gezicht simpel te beschrijven. Ik kan ’s morgens niet wakker worden, ben de hele ochtend en middag suf en word dan ’s avonds ineens superactief. Ik heb hiervan al mijn hele leven last en het maakt het leven soms wat lastig. In militaire dienst wilde ik alleen deugen voor het draaien van nachtwachten, als kantoormedewerker functioneerde ik nooit lekker en toen ik was verbonden aan een universiteit, was ik altijd de laatste die het gebouw verliet, vervloekend dat men niets wilde regelen om de leeszaal 24/7 open te laten zijn.
Sinds een jaar of drie begrijp ik dat mijn slaapritme is vertraagd ten opzichte van wat maatschappelijk de norm is. Dit staat bekend als het Delayed Sleep Phase Syndrome, en de symptomen zijn heel vertrouwd. Ook u hebt een collega die sloten koffie drinkt, die in het weekend lang uitslaapt omdat hij door de week veel te kort sliep, die er opvallend lang over doet zich aan te passen aan de wintertijd of een andere tijdzone, en die nooit wakker wordt voor de wekker.
Ik heb honderd keer gehoord – en ook mezelf voorgehouden – dat ik ’s avonds niet in slaap viel omdat ik ’s morgens laat opstond. Als ik maar wat gedisciplineerder zou zijn, zou alles goed komen. Dit is een andere manier om te zeggen dat nachtmensen maar moeten zorgen dat ze ’s avonds volstrekt uitgeput zijn. Geen arts zou zo’n levenswijze aan een patiënt aanraden.
Inmiddels staat vast dat slaapritmes biologisch worden bepaald en weinig te maken hebben met sociale factoren of zelfdiscipline. In zijn boek Het innerlijke uurwerk geeft de Duitse slaaponderzoeker Till Roenneberg het hilarische voorbeeld van een familie waarvan de ene tak bestaat uit extreme ochtendmensen en de andere uit nachtmensen. Als ze ’s morgens gezamenlijk ontbijten, heeft de ene groep al een bezoek gebracht aan de sportschool en het ontbijt klaargemaakt, terwijl de andere groep met nog kleine oogjes komt aanschuiven.
De consequenties van een Delayed Sleep Phase Syndrome zijn serieus. Schreef ik in mijn eerste stukje nog dat ermee te leven viel (wat ook waar is), in mijn tweede moest ik wel de kanttekening maken dat het invloed heeft op bijvoorbeeld je spijsvertering. Wie DSPS heeft en een normaal dagritme probeert vol te houden, ontbijt namelijk op een moment dat zijn spijsvertering daar nog niet klaar voor is. Aan zo’n ontbijt heb je niets; het wordt niet verteerd; je wordt er alleen dik van. Ik woog op een gegeven moment 142 kilo. Een maand of vier geleden ben ik gestopt met ontbijten, en sindsdien ben ik een kleine vijftien kilo afgevallen. Dat is vrij spectaculair, maar het hoeft niet per se te komen door mijn veranderde dieet, want ik heb ook nogal stressvol moeten werken.
Een andere onzekerheid is wat dat vertraagde slaapritme nu veroorzaakt. Ik dacht eerst dat ik wél een ritme heb van vierentwintig uur, maar dat dit is verschoven ten opzichte van wat gebruikelijk is. Op zijn eigen, vertraagde wijze loopt mijn biologische klok wel degelijk synchroon met de zon. Het zet zich dan dus op een of andere manier gelijk met het daglicht.
Inmiddels ben ik daaraan gaan twijfelen. Een enkele keer val ik namelijk wél vroeg in slaap. Ik heb lang gedacht dat het kwam door uitputting, en dat kan ook heel goed zo zijn, maar ik heb er inmiddels ook een andere verklaring voor bedacht. Als mijn biologische klok een ritme heeft van 25 uur en zich niet met het daglicht gelijk zet, dan verschuift mijn ideale slaapmoment door de weken heen steeds meer naar achteren en komt er dus ook een moment waarop ik aan het begin van de avond al in slaap val. Ik heb geen idee of ik een goed-geijkt maar vertraagd slaapritme heb, of dat het ritme te lang is en niet wordt geijkt.
Daarom ben ik verschrikkelijk blij dat ik een tijdje geleden terechtkon bij de slaapkliniek. Inmiddels is het onderzoek daar begonnen. Vannacht heb ik in het ziekenhuis geslapen, met allerlei sensoren op mijn hoofd om hersenactiviteit te registreren. Aan een van mijn vingers was een zuurstofmetertje geplakt. Twee banden om mijn borst bevatten de meters waarmee mijn ademhaling in de gaten werd gehouden. Andere sensoren zaten bij mijn neus en mond. Een camera filmde hoe ik sliep. Om mijn pols hing (al een dag of twaalf) een actigraaf, die registreert wanneer ik actiever en minder actief ben.
Het klinkt allemaal ingewikkeld en dat is het ook. Het duurde wel een half uur voordat alle sensoren waren vastgeplakt en daarna moest nog worden gecontroleerd of alles werkte. Toen volgde een nacht vol onhandige slaap, waarbij ik met allerlei draadjes en een kabel vastzat aan een meetkastje en een accu, tot een en ander vanmorgen werd losgekoppeld. Maar het is goed verlopen en ik hoop nu dat het wat duidelijkheid oplevert. Vooral hoop ik echter dat het leidt tot een manier om een sociaal-aanvaarder en gezonder levenspatroon te vinden. Tot het zo ver is zeg ik vooral “dank je wel” tegen de aardige mensen van het Slotervaartziekenhuis.
Geplaatst door Jona Lendering 

