Een academische kwestie

maart 4, 2014

post-atheistVan mij mag kerstmis worden afgeschaft. En pasen, pinksteren en hemelsvaartdag eveneens. Ik zie geen enkele reden om christelijke feestdagen dwingend aan de gehele samenleving op te leggen. Dat geldt ook voor het zevendaagse weekritme: een antieke erfenis die wat mij betreft mag verdwijnen. Als iemand een eed aflegt en vraagt om de hulp van God Almachtig, mogen van mij alle aanwezigen blijven zitten. Ik ben ook blij, trouwens, dat er geen “god zij met ons” meer staat op onze munten.

Dit meen ik allemaal vrij serieus. Ik stoorde me er wat aan toen ik vorig jaar een naturalisatieplechtigheid bijwoonde waar de aanwezigen mochten blijven zitten wanneer een nieuwe Nederlander een belofte aflegde, maar moesten staan als iemand een eed aflegde. Ik heb geen hekel aan religie, maar het stoort me als ik er deelgenoot van word gemaakt. Vier gerust religieuze feestdagen, maar dwing mij niet ze mee te vieren.

Lees de rest van dit artikel »


Parlementair onderzoek, alsjeblieft

mei 30, 2013

1.

kamerIk heb al vaker geschreven dat onze universiteiten niet langer voldoen aan de verwachtingen die we er redelijkerwijs van mogen hebben. Dat ik er opnieuw over schrijf, is omdat het opnieuw mis is: de Groningse Rijksuniversiteit heeft de hoogleraar criminologie Patrick van Calster op non-actief gesteld terwijl de universiteit waar hij is gepromoveerd, de Brusselse Vrije Universiteit, hem de doctorstitel ontneemt. Gisteren was Karima Kourtit van de Amsterdamse Vrije Universiteit in het nieuws.

Twee dagen, twee kwesties. En iedereen kent de oudere gevallen: Peter Rijpkema, Dirk Smeesters, Don Poldermans en Diederik Stapel, waarbij we Roos Vonk dan maar het voordeel van de twijfel zullen geven, Ernst Jansen Steur zullen typeren als een medische aangelegenheid en Mart Bax zullen beschouwen als verjaard. De lijst opzichtig falende onderzoekers begint verontrustend lang te worden en het ergste is de trieste voorspelbaarheid van de affaires.

Het imago van de wetenschap wordt inmiddels meer bepaald door fraude- en fraudeachtige zaken dan door wat wél goed gaat. U bent vermoedelijk vergeten hoe de ontdekker van het grafeen heette, hoewel de goede man de Nobelprijs won, maar u weet allemaal wie Diederik Stapel is.

Er wordt al langer vermoed dat het huidige wetenschappelijke systeem kwetsbaar is voor fraude. Er zijn dan ook geleerden die proberen deze indruk te onderbouwen met cijfers. Vaak wordt verwezen naar Daniele Fanelli, die op tafel kreeg dat onderzoekers vaker rommelen met gegevens dan goed is. De kritiek vindt weerklank buiten de universiteiten: Frank van Kolfschooten legde de moeilijkheden voor aan het grote publiek in Ontspoorde wetenschap.

U kent inmiddels het excuus dat onze wetenschappers geven: het komt allemaal door die vermaledijde dwang om te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften, waar de redacties vaak onvoldoende gelegenheid hebben om artikelen behoorlijk te controleren. Dat is echter een te gemakkelijke redenering. De diverse wetenschappelijke organisaties kunnen de perverse prikkel immers op elk moment vervangen door een regime waarin fraude wél lastig wordt gemaakt. Ik ben niet op de hoogte van een initiatief om een beter systeem te ontwerpen. Als zo’n initiatief er inderdaad niet is, is dit excuus ongeloofwaardig.

De ongeloofwaardigheid wordt vergroot doordat de bestuurders van de wetenschappelijke instellingen al ruim anderhalf jaar alle moeilijkheden afdoen als uitzonderlijk, atypisch, niet representatief of individueel falen. KNAW-president Robbert Dijkgraaf zette op 9 september 2011 de toon in een interview over de Stapel-affaire. De Groningse rector magnificus Elmer Sterken, VSNU-voorzitter Sijbolt Noorda en NWO-directeur Jos Engelen: allemaal hebben ze gezegd dat het meeviel. Misschien is dat ook zo – ik kom hierop terug – maar het automatisme waarmee de problemen worden ontkend, suggereert dat men verkeert in een ontkenningsfase.

Hoe langer echter wordt gedaan alsof er niets aan de hand is, hoe meer het imago van de wetenschap eronder lijdt. De burger wordt immers steeds kritischer. Inmiddels heeft bijna een derde van de beroepsbevolking een HBO- of universitaire opleiding, en deze mensen kunnen wetenschappelijk falen herkennen. De wetenschap is echter niet met ze meegegroeid: te vaak wordt het publiek nog onderschat, te vaak is voorlichting slechts “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen” en te vaak worden hoogopgeleiden met een kluitje in het riet gestuurd. Als zij daarna fouten ontdekken, kunnen ze zich keren tegen het wetenschappelijk bedrijf en is wetenschap “ook maar een mening”.

2.

De kern van de zaak is echter niet fraude, al is die heel zichtbaar, en niet de tekortschietende uitleg, al verkleint die het draagvlak. De kern is dat er, ondanks een overaanbod van beleidsstukken, discussienota’s en toekomstvisies, geen consistente visie bestaat op de wetenschap. De Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek legt bijvoorbeeld drie taken neer bij de universiteiten (onderzoek, onderwijs en de overdracht van informatie aan de samenleving) maar de genoemde instellingen kunnen alleen geld verdienen met onderzoek en onderwijs. Dit zijn ook de enige taken die worden gecontroleerd. De voorlichting aan de samenleving schiet er dus bij in, wat het maatschappelijk draagvlak niet bepaald ten goede komt.

Dit is slechts één inconsistentie. Maar er zijn er zo veel. Zouden we bedenken dat de samenleving informatie krijgt door die op betaalsites te verbergen? Zouden we bedenken dat alle wetenschappen, moeilijk of makkelijk, in vier of vijf jaar kunnen worden aangeleerd? Zouden we bedenken dat promotieplaatsen werden toegewezen aan de beste afgestudeerden van een bepaalde periode, in plaats van aan de beste afgestudeerden? Zouden we bedenken dat de kwaliteit van de informatie het beste wordt gegarandeerd door het meten van de kwantiteit aan publicaties?

Ik denk dat we, als we opnieuw konden beginnen, het inconsistente stelsel van universiteiten, KNAW en NWO niet opnieuw uitvinden. Het vormt echter het vertrekpunt van iedere beleidsnota. Zolang dit zo is, zullen de problemen voortduren en wordt de wetenschap steeds ongeloofwaardiger.

3.

Mogelijk zie ik het te somber en hadden Dijkgraaf, Sterken, Noorda en Engelen gelijk dat het allemaal meevalt. Alleen, de universiteiten beginnen de schijn steeds meer tegen te krijgen. Het wordt tijd na te denken over een even simpele als ingrijpende vraag: hoe zouden we de wetenschap inrichten als we echt opnieuw konden beginnen?

Die discussie moet breed gevoerd worden, breder dan de universiteiten, KNAW, VSNU, NWO en het ministerie. Een parlementair onderzoek zou een eerste stap kunnen zijn.


Verkokerde vakgebieden (4)

november 26, 2012

[Dit is de laatste aflevering van een artikel over de versplintering van de oudheidkundige disciplines, dat oorspronkelijk is verschenen in Archeobrief  2011/1. De eerste verscheen hier.]

Wie een bron leest, moet het geschrevene kunnen contextualiseren. Alleen wie ook de Griekse auteur Herodotos heeft gelezen, herkent het stereotype karakter van Tacitus’ beschrijving van de feestmalen die de Germanen zouden hebben aangericht om belangrijke beslissingen te nemen. Wie een bron leest, moet bedenken hoe grillig de overlevering is. We hebben toevallig de luxe van vier teksten over de Varusslag, maar dat wil niet zeggen dat ze belangrijk was. Er valt een serieuze boom op te zetten over de theorie dat de Claudiaanse legerhervormingen (alleen bekend uit epigrafisch en archeologisch materiaal en pas in de loop van de twintigste eeuw herkend) beslissend waren voor het ontstaan van de limes. Wie een bron leest, moet niet naïef zijn.

Tot zover de teksthermeneuse, waar de archeoloog over het vakterrein wandelt van de classici. In de hier geboden ruimte kan niet worden ingegaan op de geschiedtheoretische aspecten, maar elke historicus die het zout in zijn pap waard is kan een archeoloog vertellen dat de Slag in het Teutoburgerwoud nooit de oorzaak kan zijn geweest van de totstandkoming van de limes en uitleggen dat de feitelijke vraag is of het gevecht een voorwaarde was. De achteloosheid waarmee archeologen en classici nauwkeurig gedefinieerde begrippen als aanleidingen, oorzaken en voorwaarden verwarren, komt de kwaliteit van de discussie net zo weinig ten goede als de nonchalance waarmee oudhistorici archeologische inzichten negeren. Hardnekkig houden ze vol dat de Romeinen Germanië tot aan de Elbe wilden veroveren, hoewel er nog steeds geen fort is gevonden voorbij de Weser. Terwijl geen archeoloog de Elbe-hypothese nog kan verdedigen, pompen oudhistorici deze informatie vrolijk rond.

De betekenis van de Slag in het Teutoburgerwoud zou sterker ter discussie kunnen staan. Ze is in elk geval geen keerpunt in de Europese geschiedenis en het is de laatste jaren denkbaar geworden dat de Romeinen na 9 op de oostelijke Rijnoever zijn gebleven. De noodzakelijke discussie wordt echter bemoeilijkt doordat archeologen verouderde kennis van oudhistorici overnemen en historici archeologische inzichten negeren. De bekorting van de studieduur in de jaren tachtig begint zich hier te vertalen in kwaliteitsverlies.

Een echte oplossing is er niet, al was het maar omdat er meer redenen zijn waardoor verouderde kennis blijft circuleren. Denk bijvoorbeeld aan het middelbare-schoolvak KCV, dat wordt gedoceerd door classici wier enthousiasme groter is dan hun kennis van recente inzichten uit de archeologie en geschiedvorsing. Zij leggen voor toekomstige archeologen een solide basis van verouderde kennis. Denk ook aan het feit dat de Nederlandse oudhistorici zich concentreren op de geschiedenis van Italië en Griekenland en archeologen niet als vanzelfsprekend corrigeren. Denk tot slot aan de data-explosie die op “Malta” is gevolgd: archeologen hebben geen gelegenheid meer hun deficiënte bronnenkennis bij te spijkeren.

Het feit dat inmiddels een kwart van de Nederlanders wetenschappelijke conclusies niet langer zonder meer gelooft, suggereert dat het kwaliteitsverlies in het oog begint te lopen. Het wordt tijd dat we gaan nadenken over een universiteit waarin studenten wél de tijd krijgen om te leren wat ze minimaal nodig hebben om deel te kunnen nemen aan het wetenschappelijk debat.


De universiteit en de geesteswetenschappen

maart 4, 2012

Minerva’s uil denkt er het zijne van

Passen de geesteswetenschappen nog aan de universiteiten? Voor één vak weet ik het antwoord: voor de oudheidkunde is dit kwestieus aan het worden. De verdere financiering daarvan is namelijk in strijd met het doelmatigheidsbeginsel, omdat de burger voor zijn belastingafdracht slechts oppervlakkige boekjes terugkrijgt. Er zijn enkele goede uitzonderingen, maar de best-verkopende boeken staan vol fouten en men negeert het internet.

Extra erg is dat de oudheidkundigen de meer geïnteresseerde belangstellenden in de steek laten. Nooit leggen academici uit wat hun methoden zijn. Dan moet je er niet van opkijken als mensen gaan denken dat iedereen wel een geschiedenisboek kan schrijven. De opkomst van kwakhistorici, die een belangrijk deel van de markt hebben overgenomen, is te verklaren doordat oudheidkundigen hun vak inadequaat uitleggen. Zo ontstaan steeds meer zichtbare fouten en krijgen steeds meer mensen een steeds lagere dunk van het vak.

Als je dit met oudheidkundigen bespreekt, zoals ik deed toen ik De klad in de klassieken schreef, geven ze verschillende antwoorden. Dat het populariseren niet hun taak zou zijn, is een leugen. De overdracht staat genoemd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dat de oudheidkundigen er niet voor betaald krijgen, is daarentegen wel waar, maar wie dit antwoordt, zegt tevens dat hij niet wil profiteren van de enorme markt. Elke cent die verdwijnt in de portemonnee van een kwakhistoricus, had óók onze universiteiten ten goede kunnen komen, mits de academici boeken zouden hebben geschreven die wél goed zijn.

De financiering van de universitaire oudheidkunde is dus simpelweg ondoelmatig: de burger ziet niets terug. De vraag is daarom of we met oudheidkunde nog verder moeten gaan aan de universiteiten. Ik denk zelfs dat de vraag nog iets breder is: moeten we überhaupt doorgaan met de geesteswetenschappen?

Rens Bod had daarover gisteren een goed stuk over in het NRC Handelsblad. Hij ziet nog mogelijkheden om verder te gaan. Ik denk dat hij te optimistisch is: door dertig jaar bezuinigingen, zijn ook de kiemen van mogelijk herstel vermoedelijk gestorven. Toch ben ik blij dat de vraag nu eens wordt gesteld door iemand die werkzaam is aan een universiteit.

Helaas: de krant plaatste het stuk niet online. Dat is ondoordacht, want door dit stuk offline te houden, zal de krant geen enkel los exemplaar extra verkopen. De mensen die over de geesteswetenschappen willen nadenken, hebben namelijk meestal wel een abonnement. Ze discussiëren echter wel online, en daar weet het NRC Handelsblad zijn relevantie nu goed verborgen te houden.

In die zin past het eigenlijk wel bij de geesteswetenschappen, die er ook altijd weer deksels goed in slagen verborgen te houden hoe belangrijk ze zijn.

Naschrift

Het NRC Handelsblad mag het dan niet online plaatsen, de auteur deed het wel: hier.


Toga-party in Leiden

januari 23, 2012

Foto (c) Hielco Kuipers

Hoewel ik als historicus altijd heb geweigerd me te specialiseren, kan ik toch niet ontkennen dat ik de Oudheid het interessantst vind: Babylon, Egypte, Judea, Griekenland, Rome, de Kelten. Elke maand geef ik daarover een elektronische nieuwsbrief uit waarin ik links opneem naar het oudheidkundig nieuws van de voorgaande weken. Wat me elke maand weer opvalt, is dat met name archeologische persberichten erg inaccuraat zijn. Zo’n 40 procent ervan bevat serieuze onjuistheden, meestal overdrijvingen waarvan je vrij makkelijk kunt zien dat er wordt geprobeerd een financier te behagen.

Als ik hierover vertel aan collega’s, kijken ze me meestal wat meewarig aan. “Dat wisten we allang,” zeggen ze dan, verbaasd over mijn naïviteit. Ze weten dan meestal nog andere voorbeelden te geven, bewijzend dat ze het inderdaad allang wisten en dat ze niet de vermoeid-cynische pose aannemen van de wereldwijze geleerde die het allemaal al heeft gezien en niets meer gelooft. De archeologie heeft een serieus imagoprobleem.

Ik publiceerde in 2009 een – al zeg ik het zelf – schattig boekje over misverstanden over de Oudheid (Spijkers op laag water), en heb in het nawoord uitgelegd dat de universiteiten zó gespecialiseerd zijn geraakt dat, als een oudheidkundige moet spreken over een deel van zijn vakterrein dat niet zijn eigen specialisme is, hij onvermijdelijk fouten maakt. Dit hyperspecialisme stel ik ook aan de orde in De klad in de klassieken, waarin ik daarnaast enkele door oudheidkundigen genegeerde onderzoeksvragen en theoretische kwesties behandel, en erop wijs dat dit mensen begint op te vallen.

De oudheidkunde is niet de enige discipline met een geloofwaardigheidsprobleem. ClimateGate heeft niet bepaald bijgedragen aan het imago van de klimaatwetenschap en mijn vertrouwen in de economen is de laatste jaren ook niet bepaald vergroot. Hier speelt het hyperspecialisme niet zo’n belangrijke rol, maar zijn andere problemen aan de orde.

Of neem de geneeskunde, die twee jaar geleden alarm sloeg over de varkensgriep – het bleek reuze mee te vallen. Ik ben wat sceptisch geworden over dit soort waarschuwingen. Van de gezondheidsadviezen die het RIVM en zijn voorgangers na de oorlog hebben uitgebracht, is inmiddels een deel prematuur gebleken (zuivel bleek minder gezond dan men dacht, wijn weer wel, en zo voort). Ik lees vol huiver dat er momenteel plannen zijn om ouders met dikke kinderen te korten op de kinderbijslag – alsof we genoeg snappen van het menselijk lichaam om er zulk ingrijpend beleid op te baseren.

Begrijp me niet verkeerd. Ik denk dat de viroloog die waarschuwt voor een virus, serieus was. Ik weet dat de medewerkers van het RIVM het beste met ons voor hebben. Ik twijfel niet aan de integriteit van de oudheidkundigen, klimatologen en islamologen. Over Diederik Stapel, Roos Vonk en Don Poldermans begin ik niet, omdat zij de regels van het systeem overtraden; het gaat me om de afnemende geloofwaardigheid van gewone disciplines. Universiteiten hebben geen fraudeurs nodig om hun krediet bij de samenleving te verspelen.

Er zijn rationele gronden – hyperspecialisme is er één – om te betwijfelen of onze universiteiten nog wel goed genoeg zijn, en mensen zien het. Daardoor krijgen nieuwe ontdekkingen niet langer het krediet dat ze verdienen.

Wat gebeuren moet, weet iedereen:

  1. Geef toe dat er fouten zijn gemaakt;
  2. Leg uit hoe die tot stand zijn gekomen en zorg ervoor dat er geen enkele ruimte voor twijfel overblijft;
  3. Toon daarna toewijding en ernst – zorg dat je nooit op een of andere manier frivool in het nieuws komt;
  4. Herwin het vertrouwen met een aansprekend resultaat.

Helaas handelen de bestuurders van onze universiteiten daar nou niet bepaald naar. Ze gaan er nog steeds, en in toenemende mate ten onrechte, van uit dat iedereen vol bewondering kijkt naar de academische geleerdheid. Als ze de problemen al eens ontkennen en demonstreren, zoals op een vrijdag, nu een jaar geleden, met een optocht langs de Hofvijver, is er wel iemand in het publiek die erop wijst dat de demonstranten na het weekend gewoon doorgaan met het uitvoeren van het beleid dat ze zojuist nog onuitvoerbaar hebben genoemd.

Het zijn echter niet alleen de dames en heren universiteitsbestuurders die de tekenen des tijds opzichtig negeren. Ik las een tijdje geleden met verbijstering dat onlangs zo’n vijftig studenten, enkele onderzoeksmedewerkers en een oud-rector magnificus uit Leiden zijn gaan demonstreren voor het behoud van het Latijn op de bul.

Er is een online-petitie, maar de argumenten zijn zwak – een traditie van meer dan vier eeuwen, dat soort geneuzel. Let wel: de universiteit is bedoeld om juist met traditionele vormen van denken te breken, zoals het autoriteitsgeloof. En traditie, laten we eerlijk zijn, is geen overtuigend argument: het vrouwenkiesrecht is ermee tegengehouden, er werd mee verdedigd dat katholieken geen officier mochten worden en het heeft gediend om homo’s het recht tot trouwen te ontzeggen. Kom met argumenten die niet op voorhand onovertuigend zijn, en vooral: demonstreer om een zaak die wél de moeite waard is.

Toen ik over de demonstratie las, moest ik denken aan Edgar Allan Poe’s verhaal The Mask of the Red Death: we vieren feest terwijl zich buiten een ramp voltrekt. Ik moest ook denken aan de opvarende van de Titanic die, terwijl het schip water maakte, klaagde over de ijsblokjes in zijn whisky. En ik moest denken aan mijn eigen naïviteit.

Tot nu toe meende ik dat de universiteiten nog voldoende intellectuele massa hadden. Ik dacht dat in elk geval de eigenlijke wetenschappers zich nog zorgen maakten om enerzijds de kwaliteit van het onderzoek en anderzijds het (voor de snelle verspreiding van de kennis zo belangrijke) imago van betrouwbaarheid. Ik meende dat er nog een sprankje hoop was dat de universiteit ooit weer een wetenschappelijke instelling zou zijn waarop je trots zou kunnen zijn. Nu ik lees dat ze in Leiden de taal van hun bul wél een reden vinden om te demonstreren en de crisis, waarin de universiteit verkeert, niet, ben ik niet meer zo zeker dat het nog goed komt.

Sommigen demonstranten hadden zich lollig in Romeinse kleren gehuld. De universiteit als toga-party, dat zal nou echt iets doen om het vertrouwen te herstellen.

[oorspronkelijk op Frontaal Naakt; met aanpassingen]


Het soort keurslijf

december 15, 2011

Mijn Nijmeegse collega Vincent Hunink maakt zich zorgen over enkele recente onderwijsmaatregelen. “Studenten komen in keurslijf,” twittert hij, “nóg meer.”

Hij heeft natuurlijk volkomen gelijk en het is alleen omdat ik het haat eindconclusies te bereiken, dat ik wil wijzen op een complicatie. Op zich is er namelijk niets tegen een keurslijf. Het biedt noodzakelijke steun. Ik herinner me – opa spreekt – dat wij als oudheidkundestudenten vanaf 1985 aan de VU smeekten om meer regulering omdat de studieprogramma’s onwerkbaar chaotisch waren. Of kijk eens in Oxford en Cambridge. Studeren is daar vooral een kwestie van in razend tempo en op gezette momenten stukken schrijven. Daar pakt de structuur van een keurslijf dus goed uit.

Dat kan echter zo zijn omdat de universiteiten daar ook de middelen hebben om een keurslijf te bieden. Er is voldaan aan drie voorwaarden:

  • De docenten kunnen voldoende tijd nemen voor begeleiding;
  • De docenten hebben voldoende didactische vaardigheden;
  • De studenten kunnen ook werkelijk studeren, doordat ze zich geen zorgen hoeven maken over financiën en kamer.

Wat mij aan het hogeronderwijsbeleid zo vaak opvalt, is de ondoordachtheid. Er is niets op tegen de efficiëntie van het onderwijs te vergroten door de studenten in een keurslijf te dwingen, maar dan moet de overheid de maatregelen niet tegelijk zelf uithollen. Als je studenten harder wil laten studeren, moet je niet ook de beurzen verlagen, want dan dwing je ze een bijbaantje te nemen. En als je studenten vooral effectief wil laten studeren, moet je zorgen dat ze bij elkaar in dezelfde stad kunnen wonen, zodat ze samen op de leeszaal kunnen zitten en tijdens de koffiepauze over geconstateerde problemen kunnen spreken. Dát is de beste manier om goed te studeren, maar ze is kapot gemaakt toen Wim Deetman de studenten dwong OV-kaarten aan te schaffen, waarna studenten in toenemende mate bij hun ouders moesten gaan wonen.

Het probleem is dus niet het keurslijf maar dat de overheid de baleinen wegneemt.


Het academisch Bén Tre

juli 14, 2011

Maandagochtend, ik open de mailbox. Een berichtje van mijn moeder, een paar berichtjes die betrekking hebben op mijn werk, een vriendin die een lunchafspraak wil verzetten en een mailtje van iemand uit Groot-Brittannië, die me vraagt of ik een petitie wil ondertekenen tegen de naderende sluiting van het Canterbury Roman Museum. Ik heb mijn correspondent nog nooit ontmoet, maar als ik met hem correspondeer, geeft hij goede antwoorden waaruit een enorme belezenheid blijkt. Omdat ik hem respecteer, teken ik de petitie onmiddellijk, ook al ben ik nog nooit in Canterbury geweest en had ik tot vanmorgen niet gehoord van het museum.

Meestal ben ik sceptischer. In oktober 2009 kreeg ik een vergelijkbare uitnodiging om de Universiteit van Sheffield te schrijven dat ik bezorgd was over de voorgenomen sluiting van het Biblical Studies Department. Het verzoek was niet onredelijk. “Sheffield” is inderdaad een begrip en het verbaasde me al langer dat er plannen waren het departement te sluiten. Tegelijk wrong er iets aan de uitnodiging. De samenstellers somden allerlei rationele argumenten op, maar gaven nergens aan om welke reden men het besluit tot sluiting eigenlijk had genomen.

Niemand in Sheffield lijkt dat vreemd te vinden. Ik wel.

Hoe zat het ook alweer met de geesteswetenschappen? Waartoe dienen ze? Ik ontdekte het toen ik als letterenstudent eens aanschoof bij een collegereeks medische ethiek. Wat me opviel was dat mijn medestudenten, aspirant-artsen, een heel concrete kijk op de zaken hadden. Om een diagnose te stellen, liep je een reeks criteria af, en als de symptomen aan al die criteria voldeden, dan had iemand ziekte X en was behandeling Y wenselijk. De denkhouding van ethici trof de medestudenten die ik erover sprak als onpraktisch. Het was misschien interessant een probleem van twee kanten te kunnen bekijken, maar omdat het geen concrete oplossingen bood, had je er weinig aan.

Op dat moment begreep ik ineens het belang van de humaniora. Daar gaat het er altijd om iets van twee kanten te bekijken. Een roman is pas boeiend als twee respectabele gezichtspunten tegenover elkaar komen; een schilderij fascineert als het een conventie doorbreekt; geschiedvorsing en antropologie zijn zinvol omdat je leert dat andere culturen andere normen en waarden hebben, zodat je kunt nadenken over je eigen ideeën. De geesteswetenschapper is weliswaar niet in staat ons een langer leven te geven, zoals een arts kan doen, maar hij kan het leven wel een zekere diepte geven door mensen in staat te stellen het eigen gelijk te relativeren. Andere wetenschappen kunnen dat op hun manier ook, daar niet van, maar ik zou menig politicus een studie in de humaniora aanraden om het vermogen aan te leren een probleem te bezien vanuit meer dan één perspectief.

In Sheffield lijken ze vergeten dat je niet ongenuanceerd je eigen gelijk moet najagen. Een echte geleerde is een geleerde onder alle omstandigheden. Hij kan niet de nuance zoeken als hij in de bibliotheek zit, en de nuance vergeten als zijn instelling onder vuur ligt.

Vanzelfsprekend maakt dit de geesteswetenschappen kwetsbaar als er wordt bezuinigd. Terwijl degenen die een instituut willen opheffen soms de botte bijl hanteren, kunnen de letterdames en -heren alleen komen met inhoudelijke argumenten, soms erkennend dat hun opponenten gelijk hebben. En dat is precies waar het om draait: het vermogen iets van twee kanten te bekijken om zo de waarheid op het spoor te komen. Als je die bereidheid niet tevens hebt als je eigen positie in het geding komt, is de hele exercitie niets waard. Je kunt niemand inspireren als je een ideaal uitdraagt waar je niet zelf naar leeft. Wie banen wil verdedigen door zijn principes op te offeren, verdedigt niets, want dat wat hij wilde uitdragen bestaat niet langer. Het is de absurditeit van Bén Tre: een dorp verdedigen door het te verwoesten.

De eigenlijke vraag is of de huidige financiering van de humaniora nog zin heeft. Ik weet het antwoord niet, maar er zijn veel aanwijzingen dat er serieuze problemen zijn. Om me te beperken tot mijn vakgebied, de oude geschiedenis: exposities krijgen titels waarmee publiek wordt gelokt, zelfs als de tentoonstelling over iets anders gaat; archeologische persberichten bevatten overdreven claims omdat de financiering moet worden veiliggesteld; academische oudhistorici zijn momenteel een belangrijkere bron van desinformatie dan pseudowetenschappers.

Er is iets grondig verkeerd. Het dorp ligt al voor driekwart in de as, en degenen die het verdedigen, doen het door het nog verder in brand te steken.

[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op Frontaal Naakt.]


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 272 andere volgers