Ronde cirkels, zwangere rivierdelta’s en de syntaxis van de honger

Een van de leukste trekken van het taalgebruik van Olivier B. Bommel is de grandioze wijze waarop hij zinnen maakt als ‘we worden onder de voet worden gelopen waar we bij staan’. Niet veel beter is het als de heer van stand opmerkt te worden ‘omringd door onbegrip en een teer gestel’. Iedereen voelt op zijn klompen aan dat deze fouten zo door Marten Toonder zijn bedoeld om zijn personage te typeren als parvenu. Niemand zal denken dat de tekenaar-schrijver zelf het Nederlands zo slecht beheerst.

Dit is een nuttig uitgangspunt voor de recensent: het taalgebruik en de meningen van de personages vallen niet samen met het taalgebruik en de meningen van de schrijver. Taal- en stijlfouten in een roman komen voor rekening van de hoofdrolspelers. Deze spelregel wordt echter problematisch bij de bespreking van Godenslaap.

In dit boek laat Erwin Mortier een bedlegerige oude vrouw terugblikken op haar leven. Haar broer is net overleden en ze weet dat haar eigen dood niet ver is. Ze vertelt over haar moeder, die haar jeugd overheerste; ze vertelt over de zomer van 1914, waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak; ze vertelt over de Britse oorlogsfotograaf die haar man werd. Dat zou een goede roman hebben kunnen opleveren, maar het taalgebruik van de hoofdfiguur is zó gekunsteld dat het boek gaat tegenstaan.

Laat vooropstaan dat sommige delen van Godenslaap wel geslaagd zijn. Tot de meer overtuigende passages behoort een schets van een verwoest dorp die je, ondanks het morbide onderwerp, met plezier leest. Elders onderbreken ietwat weemoedige observaties het aangenaam trage relaas: er zijn bijvoorbeeld beschouwingen over hoe we communiceren en over de werking van het geheugen. Een beschrijving van het verschil tussen taal en schilderkunst is een hoogtepunt in het boek. Knap is ook hoe de vertelster soms in één alinea meer zegt dan sociologen in een boek: de rijke middenklasse bezit het plichtsbesef van de adel zonder de hypocrisie om het leefbaar te houden, en bezit de vlijt van de onderklasse zonder de ontladingen die deze moraal tijdelijk vernietigen. Die zit.

Tegenover dit moois staat dat Mortiers vertelster de ene kromme beeldspraak op de andere ontsporende zin stapelt. De uitdrukking ‘de cirkel sluit zich’ verwordt bijvoorbeeld tot het pleonasme dat ‘de cirkel ooit rond zou kunnen zijn’. Elders wordt gezegd dat iemand kon stilstaan zoals de zon boven de muren van Jericho, een verhaspeling die zó deel had kunnen uitmaken van Hans Teeuwens Bijbelverhaalsketch.

De lezer krijgt ook zinnen voor de kiezen als ‘ze paste de syntaxis van haar honger aan’, ‘ze wurmde zich in het omhulsel van zijn afwezigheid’ en ‘alleen in woorden kan de aarde averechts trillen’ – zinnen die vooral op de lachspieren werken. De broer van de hoofdpersoon noemt haar zo vaak ‘kleine gazelle’ dat het ridicuul wordt. Clichés (‘zo nabij en veraf’) en zinledige neologismen ontbreken niet. Of neem het oordeel dat de vertelster geeft over Proust, met twee metaforen in één zin:

Ik hoorde niet de tijd, de grote dode tijd door zijn zinnen ruisen – zijn Loire-zinnen, zijn Mississippi-zinnen, zijn grammaticale Congostromen en syntactische Nijldelta’s, zwanger van bezinksel.

Lauttönendes Nichts. Is de viervoudige vergelijking met waterstromen al wat overdreven, de zwangere delta is absurd, om nog maar te zwijgen van de clichématige vergelijking van de tijd met een rivier. ‘Zijn soldatenplunje is altijd in hem blijven steken’ zou nog hebben gekund – laten we ‘in’ beschouwen als oxymoron – maar wordt ridicuul als de vrouw halverwege de zin wisselt van beeldspraak: ‘hij heeft die [plunje] nooit voorgoed kunnen uitzweten.’ Dit is geen Nederlands maar cabaret.

Als de taal- en stijlfouten in deze roman inderdaad komen voor rekening van de personages, kan de recensent alleen concluderen dat Mortier de vertelster als snob wil presenteren. En inderdaad, een zinnetje dat iets ‘zo helder als een luchtspiegeling’ is, is misschien bedoeld om een vertelster neer te zetten die minder heeft gereisd dan ze pretendeert. Elders duidt ze de Sint-Michielszomer aan als ‘Indische zomer’, een overbodige en verkeerde vertaling van het Amerikaanse ‘Indian Summer’ waarmee Mortier misschien wil suggereren dat de vertelster haar talen niet beheerst.

Misschien. Waarschijnlijk niet. Dat Mortiers taalgebruik opzettelijk Bommeliaans zou zijn, is namelijk moeilijk houdbaar. Wanneer we namelijk hebben gelachen om de ronde cirkels en de zwangere rivierdelta, lachen we ook om de even barokke beschrijving van het lot van verschillende oorlogsslachtoffers die begint op blz.174. Als het taalgebruik de karaktertekening dient, wordt het hier smakeloos.

Sober proza zou in dit geval beter zijn geweest. Toen ik mijn eigen boek over oorlogsverslaggeving (Oorlogsmist) schreef, viel me op dat auteurs die zelf aan het front waren geweest, van Herodotos tot Evan Wright, in de regel de feiten voor zich lieten spreken. Die soberheid werkt uitstekend; je mag er als schrijver op vertrouwen dat de lezer de gruwelen kan oproepen. Wanneer non-combattanten schrijven, komen ze met overdreven beelden die indruk maken op een onmiddellijk publiek, maar de verbeelding van volgende generaties niet meer prikkelen, zodat ze worden doorgeprikt. Godenslaap klinkt nu al even gekunsteld als de poëzie die aan het begin van de negentiende eeuw werd afgescheiden over de Slag bij Waterloo. Eén voorbeeld: Mortier laat een kind sterven, een cliché dat zelfs Hollywood heeft leren mijden.

Een tweede reden waarom het niet mogelijk is aan te nemen dat Mortier welbewust een hoofdfiguur heeft geschapen die zich even verheven als klungelig uitdrukt, is dat hij ook in de rest van zijn oeuvre poëtisch proza heeft geprobeerd te schrijven. Het ligt daarom voor de hand dat het taalgebruik van de vertelster Mortiers eigen opvattingen over literatuur weerspiegelt.

Het resultaat is funest. Neem het volgende als proza vermomde gedichtje:

Elke ochtend na het tandenpoetsen ga ik met mijn tong over mijn gebit, trots dat ik nog al mijn kiezen heb, en lees in braille de grijns van de doodskop af in mijn vlees. Als memento mori volstaat dat.

De beeldspraak over braille is zó gezocht dat de lezer moet nadenken wat kan zijn bedoeld; hij stopt dus met lezen en valt uit het verhaal weg. Dat kan in een gedicht, maar voor het genot van een roman is het slecht als de lezer raakt afgeleid, zich niet door het boek kan laten meeslepen en de tekst tot zich neemt met de alertheid waarmee men poëzie leest. De lezer staat op scherp, waardoor hij niet over de ontsporende beeldspraken en clichés heen kan lezen. De welwillende lezer, die op zich bereid zou zijn de opmerking ‘elke vrede is een interbellum’ te beschouwen als een aforisme, herkent nu vooral de tautologie.

Mortier kiest steeds voor overstatement, ook of juist als zaken in gewone taal kunnen worden uitgedrukt. De zin ‘Als je ouder wordt reken je vanzelf in milligram en micrometer’ is voldoende duidelijk, maar voor Mortier niet mooi genoeg – en dus deelt hij het gewicht door een miljoen en wordt de lezer getrakteerd op het ongebruikelijke ‘nanogram’. ‘Femtogram’ en ‘zeptogram’ hadden ook gekund en zouden ook niets aan de zin hebben toegevoegd. De rake observatie dat afscheid een ‘sterk ondergewaardeerde kunst’ is, zou nog raker zijn geweest als Mortier het een ‘nogal ondergewaardeerde kunst’ had genoemd, omdat het Nederlands vaak understatements gebruikt om zaken te benadrukken. Alsof de vergelijking tussen een locomotief en een paard nog niet voldoende is, vlecht Mortier er ook ‘Trojaanse beesten’ doorheen, zonder dat duidelijk is wat de beroemde krijgslist ermee heeft te maken. Het is allemaal te gewild, alsof Mortier de subtiliteit van het Nederlands niet beheerst en meent literatuur te kunnen scheppen met woordenpraal.

Godenslaap bevredigt niet. Misschien heeft de eindredacteur niet het vereiste zuur weten op te brengen, misschien heeft Mortier goede adviezen in de wind geslagen, waarschijnlijk had de schrijver het manuscript beter een jaar kunnen laten liggen om het daarna onbevangen opnieuw te bekijken. Hij zou de fout dan zelf hebben gezien: hij realiseert zich namelijk hoe dun de lijn is tussen rederijkerij en pedanterie, aangezien hij zijn personage ergens laat reppen van ‘ongerijmde beeldspraak die men gemakkelijk voor poëzie aanziet’. Godenslaap zou beter zijn geweest als Mortier deze les ook zelf had toegepast.

[Eerder verschenen op Recensieweb.]