Bayes en pseudowetenschap

Minerva’s uil denkt er het zijne van (Gevelsteen, Nieuwe Uilenburgerstraat 88, Amsterdam)

Ik blogde gisteren over pseudogeschiedenis en schreef toen onder meer dat de klacht van veel oudheidkundigen dat deze belangrijk zou zijn, onwetenschappelijk was. Ik citeer mezelf:

Ik heb nooit een geleerde ontmoet die in staat was uit te leggen waarom pseudowetenschap representatief zou zijn voor desinformatie in het algemeen. De waarschuwingen komen er daarom in feite op neer dat geleerden het eerste wat hun opvalt identificeren als belangrijk, zonder te hebben overwogen of het representatief is (de Everest Fallacy).

Sinds 2009 probeer ik vast te stellen of pseudogeschiedenis voor de oudheidkunde wel zo’n probleem is. Toevallig beschik ik over twee databestanden waarmee ik dat kan controleren: zes jaargangen van de Livius Nieuwsbrief, die een overzicht bieden van wat er op het internet aan oudheidkundige informatie wordt verspreid, en zo’n vierduizend vragen die ik de afgelopen jaren heb beantwoord. De conclusie is dat verouderde informatie een belangrijkere bron van desinformatie vormt. Dat staat straks in het achtste hoofdstuk van De klad in de klassieken te lezen.

Hoewel ik het zeer sterke vermoeden heb dat de twee databestanden een redelijk beeld bieden van de oudheidkundige informatie die in de wereld zoal circuleert, kan er altijd een element van bias in zitten dat ik niet kan herkennen, een unknown unknown. Anders gezegd, we hebben een beginhypothese (“pseudogeschiedenis is representatief”) getest en komen tot een vervolghypothese (“verouderde informatie is representatief”), maar we kunnen niet vaststellen hoe betrouwbaar de informatie is waarop deze laatste is gebaseerd.

Dit lijkt me de situatie waarop de Bayesiaanse logica van toepassing is. Maar daarvoor ben ik niet opgeleid; ik ben met een talenpakket van de middelbare school gekomen. Dat was goed genoeg om geschiedenis te mogen gaan studeren, althans volgens de docenten, die zonder uitzondering ook een talenpakket hadden.

Ik heb al langer kritiek op de kwaliteit van de oudheidkunde in Nederland, maar de omvang van de problemen begint pas nu bij me in te zinken. Dat medewerkers van de letterenfaculteiten een talenpakket hebben, heeft een zekere logica, maar zonder Bayesiaanse analyse kan men geen uitspraken te doen over de kwaliteit van de eigen werkzaamheden. Je mag aan een Letterenfaculteit werken worden zonder te begrijpen of je het goed doet. Zo komen sprookjes over het belang van pseudowetenschap in de wereld.

Ik kan nu retorisch vragen wie dit heeft bedacht. Dat zou echter een flauwe truuk zijn, te meer daar ik het antwoord weet: het is zo gegroeid. Toch zijn er vragen.

Het is namelijk ondenkbaar dat ik de eerste ben die ontdekt dat Bayesiaanse logica een conditio sine qua non is om de wetenschappelijkheid van een onderzoeksterrein te beoordelen. Er moeten wetenschapstheoretici zijn geweest die dit ook hebben gezien. Maar wie waren dat? Wanneer schreven ze dit op? Wat is er met hun constateringen gebeurd? Is het in een bureaulade verdwenen? Waarom is men doorgegaan jonge mensen toe te laten tot de universiteit, die niet de intellectuele bagage hadden om wetenschap te bedrijven?

Ik zie de humor van de situatie, maar realiseer me ook dat als de Letterenfaculteiten in 1985 betere toelatingscriteria zouden hebben gehad, ik niet was toegelaten tot de universiteit en dat me heel wat frustratie bespaard zou zijn gebleven. Ik merk dat ik een zekere kwaadheid over deze nonchalance niet kan onderdrukken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s