De Lachmannmethode

Karl Lachmann
Karl Lachmann

Ik heb in deze kleine blog nu al regelmatig verwezen naar de Lachmannmethode, de wijze waarop classici de inhoud van antieke teksten reconstrueren. Ik ga er binnenkort opnieuw naar verwijzen, zodat het zinvol begint te worden dat ik haar nu eens systematisch uitleg. Wat nu volgt is in iets andere vorm ook te vinden in mijn vorig jaar verschenen boek De klad in de klassieken.

We hebben weinig teksten uit de Oudheid over. Wat we wel hebben, zijn kopieën uit de Middeleeuwen, die echter vol schrijffouten zitten. Lange tijd hebben oudheidkundigen gedacht dat hoe ouder de handschriften waren, hoe kleiner de kans was op vergissingen. Daar is wel iets voor te zeggen, maar in de Renaissance realiseerde de Italiaanse geleerde Angelo Poliziano zich dat dit niet het laatste woord behoeft te zijn.

Stel je voor dat een Romeinse schrijver twee klerken heeft, een nauwkeurige en een slordige, en dat die elk een kopie maken van een tekst. Latere generaties lazen die teksten, ze sleten, en er kwamen kopiisten die ze opnieuw overschreven, waarna de oude kopieën werden weggegooid. In de vijfde eeuw n.Chr., toen er een einde kwam aan de antieke overschrijfactiviteit, waren er zo twee families van manuscripten, een slordige en een nette. In de Vroege Middeleeuwen gingen de meeste manuscripten verloren, maar in de tijd van Karel de Grote kwamen er weer kopiisten, die toevallig een net exemplaar vonden en kopieerden, waarmee de tekst weer onder de mensen kwam en kopiisten kreeg, tot tijdens de Renaissance de eerste wetenschappelijke uitgave werd gemaakt. Wanneer nu een classicus anno vandaag een vierde-eeuws exemplaar zou vinden uit de slordige manuscriptenfamilie, zou hij dit, volgens het principe “ouder is beter”, de voorkeur moeten geven, hoewel het in feite gaat om een tekst vol slordigheden.

Het is daarom beter naar alle manuscripten te kijken, waarbij geldt dat teksten die evident van een nog bestaand exemplaar zijn overgeschreven, mogen worden genegeerd (“geëlimineerd”). Een moderne uitgave van een antieke tekst bevat daarom een lijst met de nog bestaande (“overgeleverde”) antieke handschriften. Van de zesenveertig middeleeuwse handschriften met de tekst van Herodotos’ onderhoudende Historiën, kunnen er negenendertig worden genegeerd. De andere zeven staan op het plaatje hieronder aangegeven met hoofdletters, onderaan.

hdt

In deze stamboom zijn de handschriften A, B en C aan elkaar verwant omdat ze afstammen van een verloren maar reconstrueerbaar manuscript [a]. Iets soortgelijks valt te zeggen van R, S en V, die zijn afgeleid van [r]. Dit zijn dus twee families. Door vergelijking van D en [r] kan [d] worden gereconstrueerd, en door dit weer te vergelijken met [a], arriveren we bij [x]. Hiervan stammen alle overgeleverde handschriften af, wat overigens niet wil zeggen dat dit het origineel is. De reconstructie komt echter dichter in de buurt van de oorspronkelijke tekst dan elk van de overgeleverde handschriften.

Op deze wijze komen classici tot alleszins redelijke benaderingen van de originelen. Het feit dat er door de onvermijdelijke schrijffouten veel varianten kunnen zijn van een tekst, blijkt zo geen nadeel maar een voordeel, want hierdoor kunnen we de tekst van de oorspronkelijke auteurs reconstrueren met een hoge mate van betrouwbaarheid.

Een echte geleerde is natuurlijk pas overtuigd als hij zo’n reconstructie kan toetsen, en dat blijkt ook mogelijk. Bij de papyrusteksten die men in de negentiende en twintigste eeuw heeft gevonden in Egypte, zaten fragmenten die overeen bleken te stemmen met wat onderzoekers aan de hand van deze reconstructiemethode al hadden voorgesteld. Het is een kleine steekproef, maar voldoende om te weten dat de methode betrouwbaar is.

Poliziano was de eerste die zich het potentieel realiseerde, maar classici zijn nog eeuwen bezig geweest om de methode te verbeteren. Ze vond haar moderne vorm in het oeuvre van de Zweedse jurist Carl Johan Schlyter (1795-1888) en werd door de Duitse classicus Karl Lachmann (1793-1851) zó systematisch gepropageerd dat men is gaan spreken van de Lachmannmethode. De evolutiebiologen die in de negentiende eeuw concludeerden dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder moesten hebben, ontleenden er inspiratie aan.

Een gedachte over “De Lachmannmethode

  1. MNb

    Ik ben dol op dit soort stukjes, die aantonen dat vele van de zogenaamde alfa-wetenschappen net zo hard zijn als de natuurwetenschappen. De snarentheorie bijvoorbeeld voldoet niet aan dit criterium:

    “pas overtuigd als hij zo’n reconstructie kan toetsen”
    want de snarentheorie heeft tot op heden geen voorspellingen opgeleverd die getoetst kunnen worden én afwijken van voorspellingen van eerdere theorieën.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s