Griekse oorlogvoering (1)

Korinthische helm (British Museum)
Korinthische helm (British Museum)

[Ik ben deze dagen vooral bezig met werken aan mijn boek en terugkeren van Curaçao naar Amsterdam. Mijn collega Josho Brouwers, redacteur van Ancient Warfare, is vandaag en morgen gastblogger.]

Vorige week was ik Wales, om precies te zijn in het plaatsje Aberystwyth. Hoewel redelijk klein, bezit dit kustplaatsje een universiteit waar voor de tweede keer de International Ancient Warfare Conference werd georganiseerd.

Het congres barstte los op dinsdag 1 juli en nam drie dagen in beslag, waarbij steeds twee parallelle sessies plaatsvinden. Het was een zeer aangenaam congres met veel goede en enkele zeer sterke lezingen. Ik bezocht het als redacteur van het populairwetenschappelijke tijdschrift Ancient Warfare, dat alweer sinds 2007 door Karwansaray Publishers in Zutphen wordt uitgegeven.

Op de derde dag van het congres mocht ik een lezing geven over een onderwerp dat mij na aan het hart ligt: de studie van de antiek Griekse oorlogvoering. In plaats van een inhoudelijk verhaal over een specifiek onderwerp af te steken, besloot ik het over een andere boeg te gooien. Ik richtte me nu op een verhandeling van wat ik zie als de grootste problemen waar de discipline op dit moment mee kampt.

Deze problemen zijn echter niet uniek voor wetenschappers die zich richten op Griekse oorlogvoering, maar gelden in feite voor de gehele studie van de Griekse Oudheid en misschien wel wat betreft de moderne bestudering van de Oudheid in het algemeen. Maar mijn specialisme is Griekse oorlogvoering en het was nuttig om vanuit deze invalshoek eens de vinger op wat zere plekken te leggen.

Ik zal u een vertaling van het artikel dat ik presenteerde besparen en direct de vier kernproblemen benoemen.

Hellenocentrisme

Het eerste probleem is dat de studie van alles wat met de oude Grieken te maken heeft, oorlogvoering incluis, zeer Hellenocentrisch is. Wetenschappers richten zich doorgaans op het oude Griekenland zelf – vaak specifiek het Egeïsche gebied – en vertrouwen grotendeels op Grieks bronnenmateriaal. Er is in de regel weinig oog voor regionale verschillen, zoals het feit dat bijvoorbeeld de Grieken op Sicilië en die van de westkust van Turkije toch wel redelijk van elkaar verschilden.

Daarnaast wordt er zelden of nooit gebruikgemaakt van vergelijkend onderzoek. De Grieken, zo lijkt het, waren uniek en hun cultuur hoeft niet te worden vergeleken met die van volkeren waar zij mee in contact kwamen, zoals de Assyriërs. En antropologische gegevens worden doorgaans geheel genegeerd: Hans van Wees, hoogleraar aan het University College in Londen, die de Homerische strijdwijze met die van de Papoea’s van Nieuw-Guinea vergeleek, is een uitzondering op de regel.

In de bundel Men of Bronze (2013), geredigeerd door Kagan en Viggiano, heeft Kurt Raaflaub zelfs een heel hoofdstuk gewijd aan het feit dat het gebruik van vergelijkend onderzoek voor de Grieken in feite helemaal geen zin heeft. Hij behandelt bijvoorbeeld Assyrische reliëfs en benadrukt hoe anders de Assyriërs zijn vergeleken met de Grieken. Maar zo werkt vergelijkend onderzoek niet: je vergelijkt overeenkomsten, en het bestuderen van de manier waarop bijvoorbeeld de Assyriërs krijgers afbeelden kán verhelderend zijn bij het interpreteren van Griekse afbeeldingen van krijgsscènes.

Gebrek aan holistische benaderingen

Het tweede probleem is dat wetenschappers doorgaans slecht omgaan met bewijsmateriaal dat niet direct tot hun eigen discipline behoort. In de regel richten, bijvoorbeeld, historici zich op teksten en archeologen op materiële resten. Wanneer een historicus archeologisch bewijsmateriaal moet gebruiken is hij doorgaans snel het spoor bijster en gebruikt het materiaal op een nogal simplistische wijze: een of andere vaasschildering kan mooi deze passage uit Thucydides illustreren en daar blijft het dan wel bij.

Voor historici is de archeologie doorgaans een hulpwetenschap. Archeologen helpen niet mee en lijken een soort minderwaardigheidscomplex te hebben: in gevallen waar archeologische gegevens niet overeenkomen met wat de historici beweren gaat men er doorgaans vanuit dat er iets niet klopt met het archeologische bewijsmateriaal! Archeologische boeken over Griekse oorlogvoering beperken zich vaak tot catalogi met overzichten van Grieks wapentuig. Interessant en handig, maar de studie van archeologisch materiaal moet leiden tot inzichten over vroegere samenlevingen.

Interdisciplinaire benaderingen worden vaak aangehaald bij het verkrijgen van subsidies, maar in de praktijk blijft men monodisciplinair. Dat is niet nodig; als men zelf de nodige kennis niet in huis heeft om teksten dan wel archeologische resten te interpreteren dan is die elders vlakbij ongetwijfeld wel te vinden, vaak binnen dezelfde faculteit. Waarom werken historici en archeologen niet nauwer met elkaar samen? Er is bijvoorbeeld nog nooit een boek over Griekse oorlogvoering geschreven door zowel een archeoloog als een historicus samen: De Rand van het Rijk van Jona Lendering en Arjen Bosman, over de Romeinen in Nederland, is een aardig voorbeeld van hoe het zou kunnen.

[wordt vervolgd]

12 gedachtes over “Griekse oorlogvoering (1)

  1. mnb0

    Ja, hier klaagt JL ook altijd over.

    “dat wetenschappers doorgaans slecht omgaan met bewijsmateriaal dat niet direct tot hun eigen discipline behoort.”
    Dit is mi een teken dat er grondig iets mis is: te verregaande specialisatie. Theoretisch en experimenteel natuurkundigen gaan uitstekend samen door één deur. Zie bv. CERN.

    1. Toen ik de Engelse versie van Josho’s stuk twee weken geleden las, was ik eigenlijk een beetje jaloers dat hij zo mooi woorden had gegeven aan wat ik ook vaak zeg. Kortom: deze blog – morgen deel twee – was het stuk dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

  2. Mischa

    Josho, je zegt: “Waarom werken historici en archeologen niet nauwer met elkaar samen? Er is bijvoorbeeld nog nooit een boek over Griekse oorlogvoering geschreven door zowel een archeoloog als een historicus samen”

    Weet jij het antwoord op die vraag? Ik vind het namelijk erg raar dat er dus blijkbaar ook geen goede combinatie tussen deze twee vakgebieden gevonden is. Griekse geschiedenis zou toch een perfect onderwerp zijn voor archeologen en historici om hun krachten mee te bundelen?

    1. De reden is vrij vulgair: de opleidingen zijn bekort. Toen ik studeerde, duurden de programma’s vier jaar en kon je er zes jaar over doen. Archeologen leerden Latijn en Italiaans, verplicht. Dat was al een inkorting t.a.v. de situatie voor 1982. Later, toen het tempo nog verder omhoog moest, werd Latijn uit het programma gehaald omdat archeologen er altijd tijd op verloren. (Laat dit even op je inwerken.)

      Eén van de gevolgen is het verdwijnen van logische contactmomenten tussen archeologen, classici en historici. Achteraf wordt dan net gedaan alsof specialisme niet erg is.

      1. mnb0

        Hm, daarmee geef je aan in welke richting we de oplossing moeten zoeken: zorgen dat a’s, c’s en h’s wat vaker bij elkaar op theevisite gaan – niet alleen tijdens de studie, maar ook daarna.

        1. CK

          Dat zullen ze niet doen. Ze zouden dan erkennen dat ze iets verkeerd doen. Daarom zeggen ze ook van multidisciplinaire projecten dat ze interdisciplinair zijn. Dan ziet het er op papier kek uit en komen er geen vragen, maar het blijft window dressing.

          1. mnb0

            Ik bedoelde ook niet afwachten tot ze het uit vrije wil zelf gingen doen – een schop onder de kont is duidelijk nodig.

            1. Josho Brouwers

              En wie geeft die schop? Dit is iets waar iemand mee op de proppen moet komen en moet voorstellen bij een (academische) uitgeverij.

              1. Het eigenlijke probleem is dat de universiteit de universiteit controleert. De visitatiecommissies zijn een voorbeeld van hoe het niet moet: van het type beoordeling is uit de speltheorie bekend dat het als vanzelf leidt tot veilige, te positieve beoordelingen. Iedereen is voldoende bang voor een negatieve beoordeling om anderen ook niet te hard te beoordelen. Lastige vakken, zoals Latijn voor archeologen, worden ondertussen weggehaald uit het pakket. Een MA kan minder dan een drs van na 1982, die al werd ingeschaald op het oude kandidaatsniveau.

                Sommigen menen dat de accreditatie zal leiden tot kwaliteitsverbetering. http://nieuws.thepostonline.nl/column/universitair-onderwijs-krijgt-fikse-tik/

                Zelf hoop ik dat de valorisatiediscussie, waarbij rekening wordt gehouden met overdracht aan het publiek, waarvoor de KNAW kwaliteitsnormen gaat stellen, zal leiden tot verbetering. Het publiek stelt zijn vragen breed: het wil weten hoe iets was en is niet geïnteresseerd in specialistische publicaties. Dat zou een nieuw type geesteswetenschapper moeten opleveren dat weer een echte geesteswetenschapper is, breed georiënteerd en maatschappelijk betrokken.

                Het meest plausibele scenario is echter dat de criteria van de KNAW een wassen neus zullen blijken te zijn.

    2. Josho Brouwers

      Ik was zelf een vreemde eend in de bijt met een proefschrift dat zowel archeologisch als oudhistorisch was (mijn commissie bestond dan ook uit archeologen, oudhistorici, en een classica). Dat is echter uitzonderlijk. Een archeoloog schrijft een archeologisch verhaal; een oudhistoricus een historisch verhaal; een classicus een filologisch verhaal. Er worden bundels gepubliceerd waarbij iedereen in zijn eigen vakgebied blijft en dat wordt dan als “multidisciplinair” bestempeld, maar in feite kletsten de meeste mensen naast elkaar. Je krijgt dan situaties zoals in het geval van Foxhall en Hanson in Men of Bronze. Dat is zonde.

Reacties zijn gesloten.