Mainzer Beobachter

Latijn, Germaans en Keltisch

Grafsteen van Imerix (Archeologisch museum Zadar)

Een tijdje geleden kwam op deze plaats aan de orde welke talen er in de Lage Landen werden gesproken in de Romeinse tijd. Dat is een goede vraag: het antwoord is namelijk zo 1-2-3 niet te geven. Een eerste probleem is dat we betrekkelijk weinig gegevens hebben. De Romeinen en Grieken hebben weliswaar wat woorden overgeleverd in de plaatselijke talen, maar we weten niet goed hoe accuraat die zijn weergegeven. Als de Griekse of Latijnse weergave van de Perzische en Egyptische namen echter representatief is, is er weinig reden tot optimisme.

Daarnaast hebben we inscripties. Die hebben het voordeel dat ze in elk geval zijn gezien door de sprekers van de inheemse talen. Ze vermelden de namen van goden, zoals Nehalennia, Magusanus en de moedergodinnen die in het Latijn Matres, “moeders”, werden genoemd. Er waren Alaferhuïsche, Aufanische, Cartovallensische en Rumaneheïsche en Vatviaïsch-Nersihenische moeders. De Hamavehische en de Hiannanefatische moeders werden vereerd door de Chamaven en Cananefaten – en daarmee zien we al dat de zachte keelklank aan het begin een woord niet steeds hetzelfde werd gespeld.

Nog een bewijscategorie: geografische namen. De Rijn heette ooit Rhenus en de eerste lettergreep komen we ook tegen in de “Rhône” en (als tweede lettergreep) in “Eridanus”. Vermoedelijk is die te herleiden tot een oeroud woord dat “stroom” betekent. Maar ja, hoe oeroud is oeroud? Deze namen kunnen voor-Romeins, voor-Germaans, voor-Keltisch zijn. En bovendien: een rivier met een béétje lengte doorkruist diverse taalgebieden, dus aan welk van die gebieden is de naam ontleend?

Zo hebben we wel degelijk enige data, al is het niet overdonderend veel en eigenlijk ook redelijk problematisch. Het vervelende is dat de overgeleverde woorden niet eenduidig óf Keltisch óf Germaans óf iets anders zijn. Voor de naam Magusanus, de oppergod van de Bataven, zijn zowel Keltische als Germaanse verklaringen te geven. Een ander voorbeeld is het door de oudere Plinius vermelde woord vibones, dat betrekking heeft op een bloem met geneeskrachtige kwaliteiten. Er is een Keltisch woord dat erop lijkt en dat een geschikte betekenis heeft: het zou “bes” kunnen betekenen. Maar dat zo’n verklaring mogelijk is, wil nog niet zeggen dat ze ook correct is.

Nog een probleem: we weten dat er minimaal twee talen of taalfamilies zijn geweest benoorden de Alpen, het Germaans en het Keltisch, maar we hebben geen enkele garantie dat er niet meer talen zijn geweest. Maurits Gysseling heeft voor de Lage Landen het bestaan van een derde taal gepostuleerd, het Belgisch. Sommige medestanders spreken van “het noordwestblok”. Anderen beschouwen dit echter als een vorm van Germaans. Gegeven het weinige en ambigue bewijsmateriaal is dit een lastige kwestie.

En toch. Lauran Toorians heeft heel aannemelijk gemaakt dat de Bataven hun naam dankten aan het land waar ze zich hadden gevestigd: *bat-agwiō. Dat is goed Germaans om een goed (bat) stuk land aan te geven dat is omspoeld door water (agwiō, vgl. ons woord “ooi” en ei-land). Ons woord “Betuwe” is ervan afgeleid. Misschien is “Wadenoijen” ook wel afgeleid van agwiō, maar nu in combinatie met wad, “doorwaadbaar”.

Ook enkele Bataafse eigennamen zijn tot het Germaans te herleiden. Chariovalda, een door Tacitus genoemde soldaat die sneuvelt als hij probeert als eerste de Weser over te steken, heeft in feite geen naam maar een titel: het betekent “legerleider”. (Dat dit geen naam is, versterkt het vermoeden dat de anekdote een verzinsel is, gemodelleerd op Protesilaos.) De door de Romeinen Julius Civilis genoemde Bataafse opstandeling, zou weleens Kivilaz geheten kunnen hebben, van kiv + ilaz, “hij die vecht”. Toen ik blogde over Imerix, de zoon van Servofredus, verwees ik naar deze taalkundige blog, die de namen *Īmirīkz en *Sarwafriþuz afleidt van Germaanse woorden voor “krijgsheer” en “gewapende bescherming”.

We hebben nog een woord uit het Nederlandse rivierengebied: Plinius de Oudere, van wie bekend is dat hij de Lage Landen heeft bezocht, pikte er het woord gantae op, “ganzen”. Het prettige is dat er hier geen enkele twijfel is dat dit Germaans is, omdat Plinius dat erbij zegt. Met vier waarschijnlijke persoonsnamen, een plausibele etymologie van de stamnaam én een onbetwijfelbare dierennaam durf ik wel aan te zeggen dat de Bataven een Germaanse taal spraken. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt, want de Bataven vormen een afsplitsing van de Chatten, en voor die naam bestaan parallellen in het Keltisch. De Chatten woonden overigens – om het helemaal complex te maken – in een gebied waar Germaans en Keltisch door elkaar liepen

Uit het kustgebied hebben we ook enkele namen. Morini betekent zoiets als “mensen bij de zee” en dat is Keltisch. Van de godin Nehalennia lijkt me, sinds ik een leuk stuk las van Peter Alexander Kerkhof, onloochenbaar dat haar naam “zij die bij de zee is” betekent. Kerkhof suggereert ook dat Helinium, de oude naam voor de gezamenlijke monding van de Maas, Waal en Lek, verwant moet zijn met het Keltische *halen, “zee”. Nog wat noordelijker, bij de Friezen, hebben we nog die mogelijk Keltische bes, de vibones.

Cananefates zou volgens Peter Schrijvers “look-meesters” betekenen, en niemand biedt een betere verklaring, maar het combineert een Keltisch woord *kannīnā- (“look”) met een Germaans woord *faþi- (“meester”). Zulke hybride woorden bestaan maar ik aarzel om dit woord te gebruiken als onbetwistbaar bewijs dat de kustbewoners Keltisch spraken. Ook aarzel ik of de stam die woonde op de wierden en terpen, de Chauken, een naam droeg die kan worden herleid tot iets als *Hauhae, wat dan “hooghemers” zou betekenen en zou verwijzen naar hun hoge woonplaatsen. Kan zo zijn. Kan ook niet zo zijn.

Niettemin: ik durf de bewering wel aan dat de Bataven Germaans spraken en dat men aan de kust Keltisch sprak. En ik durf de bewering ook wel aan dat de discussies hierover nog lang niet zijn afgesloten.

[Met dank aan Nicoline van der Sijs]