Velius Rufus

Inscriptie ter ere van Gaius Velius Rufus

Ik ontmoette Gaius Velius Rufus op 8 april 2012. Mijn zakenpartner en zijn echtgenote, met wie ik in Baalbek was, zagen hem als eerste en riepen me dat ik snel moest komen kijken. Hierboven ziet u de overdonderende inscriptie, die ergens rond het jaar 100 n.Chr. is opgericht door een zekere Marcus Alfius Olympiacus, de standaarddrager van het Vijftiende Legioen Apollinaris. De tekst is lang – u vindt hem hier – en boordevol informatie.

Eerst maar even zijn naam: zijn vader heette Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen (hoewel de bekendste drager van deze naam, keizer Marcus Salvius Otho, afkomstig was uit een stadje in het wat noordelijkere Etrurië). Misschien kwam Gaius Velius Rufus dus uit het midden van Italië voordat hij centurio werd in het Twaalfde Legioen Fulminata, dat was gestationeerd in Syrië. Deze positie is meteen een interessant gegeven, want zoals ik al eens heb verteld had deze eenheid zich oneervol gedragen door in de winter van 62/63 in een oorlog met het Parthische Rijk te capituleren. Drie jaar later ging het opnieuw mis: toen in 66 de Joden in opstand kwamen, leed het Twaalfde een nieuwe nederlaag en verloor daarbij zelfs zijn adelaarsstandaard. Het is niet uit te sluiten dat Velius Rufus behoorde tot een nieuwe lichting officieren die het legioen weer op orde moest brengen.

De training vergde wat tijd en tijdens de eerste jaren van de Joodse Oorlog speelde het Twaalfde geen rol, maar in het jaar 70 riep generaal Titus het toch op voor de belegering van Jeruzalem. In de inscriptie valt te lezen dat Velius Rufus diverse onderscheidingen kreeg, waaronder de kroon die werd toegekend als een officier als eerste over de muur van een vijandelijk fort was gegaan. Dat moet slaan op de bestorming van de Antonia, de burcht ten noorden van de tempel. Ook kreeg hij torques, een soort halssnoer, en phalerae, wat we een medaille zouden kunnen noemen.

Na de Joodse Oorlog werd het Twaalfde Legioen overgeplaatst naar de Eufraat, waar de Romeinen in 72 het kleine koninkrijkje Commagene hadden geannexeerd. De prinsen Epifanes en Kallinikos vluchtten naar koning Vologases I van Parthië, maar Velius Rufus wist hun uitlevering te bewerkstelligen. Keizer Vespasianus, die zal hebben begrepen dat Velius Rufus niet alleen dapper maar ook diplomatiek was, promoveerde hem nu tot bevelhebber van het Dertiende Stadscohort, het garnizoen van Karthago. Toen er in 85-87 in het huidige Algerije een opstand was, rekruteerde hij extra troepen om de rust te herstellen, waarvoor hij nieuwe onderscheidingen kreeg. Daaronder was een muurkroon: die leek op de vorige kroon, maar werd toegekend voor de beklimming van een stadswal. Verder kreeg hij twee speren en twee vaandels, andere hoge eretekens.

Vervolgens plaatste keizer Domitianus hem over naar het Donaugebied, waar de Romeinen net een oorlog hadden gewonnen tegen de Daciërs in het huidige Roemenië. Met een voor de gelegenheid uit onderdelen van negen legioenen samengestelde eenheid trok Velius Rufus dwars door het verslagen koninkrijk om de strijd aan te binden tegen vijanden in wat nu Tsjechië heet. (De inscriptie noemt overigens maar acht legioenen: I AdiutrixII AdiutrixII AugustaVIII AugustaVIIII HispanaXIV GeminaXX Victrix en XXI Rapax. Vermoedelijk ontbreekt XI Claudia.) Het leverde hem een nieuwe muurkroon en nog eens twee speren en twee vaandels op.

Hij mocht zich nu verheugen in de gunst van de keizer, die zal hebben geweten dat hij op Velius Rufus kon bouwen. Zijn volgende functie was die van procurator voor Pannonië en Dalmatië, een financiële magistratuur in het gebied tussen de Adriatische Zee en de Midden-Donau. Zijn standplaats was Ljubljana, maar het was een functie die hem vooral veel zal hebben doen reizen: in elk van de jaren 90, 91, 92 en 93 moet hij alle gemeentes hebben bezocht. Hij behoorde nu tot de op één na hoogste Romeinse bestuursrang, die van de ridders. Alleen de senatoren waren voornamer.

De volgende stap in Velius Rufus’ loopbaan was in Raetia (ruwweg Beieren). Zijn residentie was het huidige Augsburg, waar hij in 96 zal hebben vernomen dat keizer Domitianus was vermoord. Hij moet hebben geweten dat dit het einde  was van zijn carrière: de nieuwe vorst en diens opvolger, Nerva en Trajanus, zouden de voornaamste bestuurders van Domitianus handhaven omdat ze senatoren nu eenmaal niet konden passeren, maar waar het mogelijk was, zouden ze de protegés van Domitianus toch naar de zijlijn rangeren. Als ridder viel Velius Rufus in deze laatste categorie.

Omdat de inscriptie is gevonden in Baalbek, moet hij in Libanon zijn overleden en begraven, maar waarom hij uitgerekend daarheen is verhuisd, is niet bekend. Wat wel duidelijk is, is hoe mobiel een capabele Romeinse officier kon zijn: Italië, Syrië, Judea, de Boven-Eufraat, Irak, Karthago, de Maghreb, alle delen van het Donaugebied en uiteindelijk Libanon – Velius Rufus is overal geweest.

Het is intrigerend dat keizer Marcus Aurelius, die ergens een paar mensen noemt die grote wereldse roem hadden verworven om zich daarna uit het openbare leven terug te trekken naar hun landgoederen, ook een Velius Rufus noemt. Misschien is het onze Velius Rufus? Zoals zo vaak weten we het niet.

Feit is dat hij afstammelingen had en dat een van hen nog een mooie carrière maakte: Decimus Velius Rufus Julianus was consul in het jaar 178. Hij bereikte de rang die zijn voorvader niet had bereikt: hij behoorde tot de senatoriële stand. Vijf jaar na zijn consulaat werd hij op last van keizer Commodus terechtgesteld.

[Voor het overige attendeer ik u nog eens op de actie Lendering het land uit!]

7 gedachtes over “Velius Rufus

  1. Zeer interessante blog! Wat een fantastisch CV heeft die man.

    …Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen …

    Dat betekent dus dat die namen uit het Oskisch of uit een van de Umbrische talen moesten komen. Maar die talen waren in de 1e eeuw n. Chr.toen toch al verdrongen door het Latijn in die betreffende gebieden (Abruzzi). Of hebben we te maken met verlatijnste Oskische of Umbrische namen?

    Wat weten we trouwens over de frekwentie van die namen. Ik veronderstel dat er geen burgerlijke stand was voor het hele volk, maar dat weet jij misschien. De schaarse teksten die overgebleven zijn van deze Italische talen zijn nogal afwijkend van het Latijn. Op Wikipedia staan er enkele voorbeelden van. Kan het zijn dat, als je naar de kaart met de taalgebieden kijkt, zie: https://www.wikiwand.com/nl/Umbrisch keizer Otho misschienn uit een gebied komt waar nog meer Umbrisch gesproken werd?

  2. Roger Van Bever

    herstel (voorlaatste en laatste zin):

    … misschien nog meer Umbrisch dan Latijn gesproken werd…

    1. Frans

      Ik had echt nog nooit van het Oskisch gehoord, maar ik kan me nadat ik dit allemaal gelezen heb, best voorstellen dat een Oskische naam voortleeft in het Latijn als de taal zelf al op z’n retour is. Het Latijn is inmiddels ook een dode taal, maar mijn berggids naar Mount Kenya heette Julius.
      “Like Julius Caesar”, grapte hij toen we elkaar ontmoetten.
      Kon ik wel om lachen.

        1. Jeroen

          Daar bestaan verschillende meningen over… 🙂
          De definitie ‘voer- of moedertaal’ wordt ook gebruikt, maar dat is bij Latijn toch niet echt het geval..

          1. FrankB

            Ook achterhaald. De termen die tegenwoordig gebruikt worden zijn eerste, tweede enz. taal, dwz de taal die je als eerste, tweede enz. leert. Over de betekenis hiervan is geen discussie mogelijk en dat is altijd prettig.
            Dood of levend, er is niemand meer die Latijn als eerste taal leert.

            1. Frans

              Tja, daar is geen speld tussen te krijgen, behalve dan dat ik moedertaal een veel mooier woord vind.

Reacties zijn gesloten.