De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Simon bedacht dat hij de Romeinen misschien wel kon misleiden door hen aan het schrikken te maken. Hij deed een witte tuniek aan en daar overheen een purperkleurige mantel en aldus gekleed kwam hij van onder de grond tevoorschijn precies op de plek waar vroeger de tempel had gestaan. De mensen waren eerst stomverbaasd toen ze hem plotseling zagen, en bleven als aan de grond genageld staan. Maar even later kwamen ze dichterbij en vroegen ze wie hij was. (Josephus, Joodse Oorlog 7.29-30; vert. Wes/Meijer).

De messias capituleerde, gekleed in zijn witte priestergewaad en de purperen koningsmantel. Simon moet hebben geweten dat de Romeinen hem dood zouden martelen, maar moet ook op de hoogte zijn geweest van de theorie dat de messias, om het herstel van Israël te bewerkstelligen, eerst moest lijden en sterven.

En zo gebeurde: zijn dood vormde het sluitstuk van de triomftocht die Vespasianus en Titus in Rome organiseerden. Bij die gelegenheid werden ook de cultusvoorwerpen meegevoerd, zoals de tafel met de toonbroden, de bazuinen en de zevenarmige kandelaar. Ze staan afgebeeld op de ereboog die na de dood van Titus werd gebouwd. Op dat reliëf is ook de triomfboog te zien die de Romeinen oprichtten ter ere van Titus’ overwinning:

Senaat en Volk van Rome aan hun vorst, Imperator Titus Caesar Vespasianus Augustus, zoon van de vergoddelijkte Vespasianus, opperpriester, in het tiende jaar van zijn bevoegdheid als volkstribuun, zeventienmaal tot Imperator uitgeroepen, achtmaal consul, vader des vaderlands, omdat hij op bevel van zijn vader, met diens adviezen en onder diens auspiciën, het Joodse volk onderwierp en de stad Jeruzalem verwoestte, wat alle leiders, koningen en volken voor hem óf vergeefs hadden geprobeerd óf geheel onbeproefd gelaten.

De boog stond, anders dan gebruikelijk, niet op het Forum, maar “in dat gedeelte van het Circus Maximus dat grenst aan de heuvels Palatijn en de Caelius”, waar ooit de brand was uitgebroken die Rome had verwoest. Dat was, zoals ik al eens vertelde, recht tegenover een Joodse wijk, om duidelijk te maken dat de keizer wraak had genomen. Tacitus schreef weliswaar dat hij niet zeker wist of de joodse sekte der christenen wel verantwoordelijk was voor de brandstichting, maar lang niet iedereen deelde deze twijfel.

Voor de krijgsgevangen genomen Jeruzalemse Joden was het directe levensgevaar veelal voorbij, maar het was nog niet het einde van hun beproevingen. Velen werden naar de havenstad Seleucia gebracht, waar ze een tunnel moesten graven die nog altijd te zien is. Anderen werden getransporteerd naar Rome, waar ze het Colosseum bouwden en de tuin aanlegden die bekendstond als tempel van de Vrede. Deze krijgsgevangenen lijken de Synagoge van de Subura te hebben gesticht en werden dus in de beoefening van hun religie vrijgelaten. Ze werden in die zin – ik bedoel: in religieuze zin – niet zwaarder aangepakt dan alle andere joden in het Romeinse Rijk, die in het vervolg het hoofdgeld dat ze ooit aan Jeruzalem hadden betaald moesten storten in de tempelkas op het Capitool. Vernederend, zeker, maar de joden werden niet vervolgd. Hun christelijke geloofsgenoten/rivalen hadden andere ervaringen.

De Joodse elite was ten onder gegaan. Ook de Zeloten waren gesneuveld en dat zou tevens het lot zijn van de Sicariërs, de joods-heidense groep die Masada bezet hield. Van de religieuze stromingen die bekend stonden als sadduceeën en essenen vernemen we eveneens niet meer. De ene groep wilde de tempelcultus laten zoals ze was en de tweede wilde die hervormen, maar zonder heiligdom verloren ze hun bestaansrecht.

Slechts twee stromingen hadden een toekomst: de aanhangers van Jezus van Nazareth, omdat niet de tempel het kernpunt was van hun geloof maar de messias, en de farizeeën, die een netwerk hadden van wijsheidsleraren. Uit deze twee stromingen ontstonden het christendom en het rabbijnse jodendom. Alleen zij konden de ondergang van de tempel verwerken, al gedenken joden de gebeurtenissen tot op de dag van vandaag.

7 gedachtes over “De ondergang van Jeruzalem

  1. Otto Cox

    Wasde verovering/verwoesting van Jeruzalem inderdaad het einde van de Joodse Opstand of waren er, afgezien van Masada, nog “mopping up” acties (ik weet even geen goede nederlandse term) nodig?

    1. Masada hoorde er alleen bij omdat Josephus een punt wil maken over Sicariërs die, volgens de slotredevoering van de Joodse Oorlog, tot inzicht kwamen dat ze fout waren geweest. De operatie was alleen nodig om de beschadigde reputatie van de legioenen te herstellen: geen berg te hoog voor het Romeinse leger.

Reacties zijn gesloten.