Het sterrenkind (2)

Een deel van de hoofdstraat (cardo) die Hadrianus heeft laten aanleggen in Jeruzalem

[Tweede deel van een verhaal over de Bar Kochba-opstand. Het eerste deel vond u hier.]

De pacificatie van Judea was een feit. Dat bleek in 115, toen een messiaanse opstand uitbrak – ik blogde er al eens over – in het noordoosten van het huidige Libië en daarvandaan oversloeg naar Cyprus en Mesopotamië. Tegelijkertijd werden de Joden van Alexandrië zó ernstig door hun stadsgenoten bedreigd dat ze gedwongen waren de wapens eveneens op te nemen. Maar Judea bleef betrekkelijk rustig, al nam de Romeinse generaal Lusius Quietus enkele harde maatregelen, die kunnen worden uitgelegd als de onderdrukking van een opstand maar ook als de oorzaak van nieuwe onrust. Dat laatste zou de mening geweest kunnen zijn van keizer Hadrianus, die deze generaal in 117 om onbekende redenen terugriep en hem een jaar later uit de weg ruimde.

Maar er smeulde iets. Een aanwijzing is dat Johanan ben Zakkai werd opgevolgd door rabbijn Gamaliël, de zoon van de Simeon die tijdens de oorlog van 66-70 deel had uitgemaakt van de provisionele regering. Een aanzienlijk deel van de discussies in Javne ging over de reinheidswetten, wat suggereert dat het samenleven met niet-Joden niet eenvoudig werd gevonden. Ook werd gesproken over de komst van de messias, met name over het visioen van de profeet Daniël over de mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen. Het ging daarbij om de regel “Ik zag hoe er tronen werden neergezet en op één daarvan een man van hoge leeftijd ging zitten”. De geleerden waren het erover eens dat dit God zelf was, maar waarom was er dan meer dan één troon?

Eén troon is voor Hem en één is voor de Zoon van David (de messias), want er is onderwezen “één was voor hem en één voor David” – dat waren de woorden van rabbijn Aqiba.

Maar rabbijn Yose zei hem: “Aqiba, hoe lang zul je God lasteren? De ene troon is voor de rechtvaardigheid en de andere is voor de genade.”

Accepteerde Aqiba dit antwoord, of accepteerde hij het niet? Kom, en luister naar wat hij onderwees: “Eén troon is voor rechtvaardigheid en één is voor genade” – voortaan ook de woorden van Aqiba.

Maar toen zei rabbijn Eleazar ben Azariah: “Aqiba, wat weet jij nou van de uitleg van de verhalen? Hou jezelf toch gewoon bezig met (zaken waarin je goed bent, zoals) de overdracht van onreinheid door contact met een lijk of met een huidziekte. De ene is een troon en de andere is een voetenbank: een troon om op te zitten en een voetenbank om Zijn voeten op te steunen.” (Babylonische Talmoed, Sanhedrin 38b)

Anders gezegd, Aqiba meende dat de tweede troon was opgesteld voor de mensenzoon, en dat deze identiek was aan de messias (een uitleg die bij christenen nog steeds gangbaar is). Zijn gesprekspartners, rabbijnen die als kind de verwoesting van Jeruzalem hadden meegemaakt, moesten niets hebben van deze uitleg, maar het is – zoals nog zal blijken – onwaarschijnlijk dat zij Aqiba ooit hebben overtuigd. Dat het er toch zo staat, komt doordat de auteur van deze passage zich ervoor schaamde dat de grote geleerde een valse messias had gesteund en zich dus gruwelijk had vergist. Maar dat was wijsheid achteraf. Met Aqiba was een generatie rabbijnen aangetreden die het messianisme niet meer uit de weg ging.

In de winter van 130/131 bezocht keizer Hadrianus Judea. Tijdens dit bezoek gelastte hij de herbouw van Jeruzalem als een nieuwe stad met een Romeins karakter. Er zou een tempel komen voor de oppergod, die voor de keizer natuurlijk niemand anders kon zijn dan de Jupiter die op het Capitool werd vereerd.

De bouw was niet bedoeld als provocatie van de Joden. Uit de munten die de Romeinen in deze tijd sloegen blijkt dat ze wilden dat de Joden iets van zichzelf in de nieuwe cultus zouden herkennen: ze zijn voorzien van de tekens van Dionysos, die volgens de Grieken en Romeinen de God van de Joden was. Het is de vraag of deze goed bedoelde beeldentaal werd begrepen.

De Joodse reacties waren verdeeld. Sommigen meenden dat het onaanvaardbaar was dat God zou worden vereerd met vreemde riten, anderen meenden dat als de heidenen wilden offeren aan de Ene, ze daarbij niet moesten worden gehinderd. Dit gematigde standpunt lijkt de overhand te hebben gekregen en van Romeinse zijde lijkt serieus geprobeerd te zijn kennis te nemen van de inheemse cultuur. Een zekere Aquila, die betrokken zou zijn geweest bij de bouw van de tempel, moet in deze dagen de Joodse bijbel in het Grieks hebben vertaald en werd onderwerp van zowel christelijke als Joodse legendevorming. Legende, zeker, maar toch: er kan iets van toenadering zijn geweest.

Maar voor het eerst waren er ook weer stemmen dat de Joden zo min mogelijk met de Romeinen te maken moesten hebben. Dat beïnvloedde het publieke debat, en toen Hadrianus twee jaar later de besnijdenis, voor hem een verminking van het onaantastbare menselijk lichaam, wilde verbieden, sloeg de vonk in het kruitvat. Voor de Joden was besnijdenis te belangrijk om in een verbod te berusten. Aqiba, inmiddels hoofd van de academie van Javne, probeerde nog olie op de golven te gooien door met de andere rabbijnen af te kondigen dat alle voorschriften – dus ook de besnijdenis – in een crisistijd mochten worden opgeschort, met drie uitzonderingen: men mocht niet doden, geen incest plegen en geen afgoden aanbidden. Dit laatste was in feite een dode letter, want de Grieken en Romeinen verwachtten weliswaar dat mensen aan de stedelijke culten deelnamen, maar eisten niet dat de aanwezigen er ook met volle overtuiging achter zouden staan.

[Wordt vervolgd. De Livius Nieuwsbrief die ik begin van de maand meestal plaats, is al verschenen maar ik wil de loop van deze serie over Bar Kochba niet teveel verstoren, dus die komt volgende week. Maar hij staat alvast hier.]

6 gedachtes over “Het sterrenkind (2)

  1. FrankB

    “probeerde nog olie op de golven te gooien”
    Dit gezegde heb ik nooit goed begrepen – wie dit probeert verhoogt het risico op brand aanzienlijk.
    Daarom geef ik de voorkeur aan “probeerde nog water op het brandje te gooien”.

    1. Dit is een term uit de zeevaart, als een schip in nood was bij storm en de bemanning van boord moest. Dan werd er de zware stookolie op de golven geloosd, daardoor werden die lager en was er minder risico. tegenwoordig gebeurt dit overigs nooit meer. Men heeft andere methodes, bv helicopters.

  2. Marcel Meijer Hof

    Bij ruwe zee werd geprobeerd de wateren te bedaren door er spijsolie (?) overheen te gieten. Ik heb nooit kunnen uitproberen of dit ook werkelijk effect heeft.

    1. Jeroen

      Het schijnt wel wat effect te hebben op de kleinere oppervlakte golven; de wind heeft daar dan wat minder vat op.
      Tegenwoordig moet je er inderdaad niet aan denken..

Reacties zijn gesloten.