MoD | Patronen van misinformatie (slot)

Nog steeds niet door Trouw gerectificeerde prietpraat.

Ik heb in deze reeks al enkele patronen beschreven waardoor slechte informatie over de Oudheid in omloop komt: verouderde ideeën die blijven circuleren, archeologische aandachttrekkerij die nergens toe wordt getrokken, de echoput van de classici, exacte wetenschappers die het zonder literatuuronderzoek beter denken te weten, de neiging van wetenschappers – niet alleen oudheidkundigen – om voorbarige conclusies de wereld in te gooien, politieke belangen. In dit stukje nog wat andere zaken en ik denk dat we moeten beginnen met onhandigheid.

Onhandigheid

De filoloog, historicus of archeoloog die zich ergert als iemand zonder vooropleiding zich uitlaat over de oude wereld, heeft een punt. Hoewel een vakopleiding noch de enige noch een voldoende weg is naar kwaliteit, helpt ze je wel in de goede richting. Oudheidkunde is een vak. Opvallend is dat dezelfde oudheidkundige die enig respect vraagt voor zijn vakkennis, meent geen vakkennis nodig te hebben als het gaat om wetenschapscommunicatie.

Een simpel voorbeeld: oudheidkundigen leggen nooit hun methoden uit. Dat wreekt zich als er weer eens relletje is, bijvoorbeeld tijdens de Nijmeegse aquaductenaffaire. Zolang oudheidkundigen niet tonen wat het wetenschappelijke is van hun vak, zal dit doorgaan.

Een ander voorbeeld: het publiek te laag aanslaan. Ik blogde gisteren over de claim dat, anders dan eerder aangenomen, er in het vroege christendom vrouwelijke geestelijken waren. Terwijl je gewoon kunt uitleggen waar de wetenschap momenteel staat en kunt benoemen wat er nieuw is aan bepaald onderzoek, wordt ervan uitgegaan dat het publiek nog allerlei middeleeuwse noties heeft. Nu zijn er altijd mensen met verouderde opvattingen, maar die hoef je niet als norm te nemen. Er zijn immers óók mensen die de middelbare school wel hebben afgemaakt. En het bedienen van die doelgroep is een stuk interessanter omdat zij het wetenschappelijke signaal kunnen doorgeven, versterken.

Een ander voorbeeld: omdat slechts een enkele niet-oudheidkundige weet wat er in de oudheidkunde omgaat, wordt ze onderschat. Dit kan verklaren waarom wetenschapsredacties écht nieuws niet herkennen. De chronologie van de Mesopotamische Midden-Bronstijd is niet ingewikkelder dan kwantumverstrengeling, maar het onderzoek van Tije de Jong, dat even fundamenteel is, is ten onrechte genegeerd.

En let wel: dit patroon hoeft niet te bestaan. Prehistorici benadrukken ook niet meer dat Neanderthalers niet het onhandige broertje was van de Homo Sapiens. In plaats daarvan tonen ze waar het echte onderzoek over gaat.

De rol van de pers

Wetenschapsjournalisten weten niet altijd waar het nieuws zit. Er was in de media onlangs wél aandacht voor claims over de locatie van het Parthenon, hoewel lokaliseringskwesties business as usual zijn. En als er dan zo nodig over lokaliseringskwesties moet worden gesproken, komt de vraag op waarom er geen aandacht is geweest voor het onderzoek van Jan Verhagen naar de Romeinse forten tussen Xanten en Vechten.

Het punt is: wetenschapsjournalisten weten onvoldoende wat in de geesteswetenschappen belangrijk is en wat niet. Daardoor kiezen ze voor gemakkelijke, vertrouwde frames, zoals dat archeologen weer eens een schat hebben opgegraven of een mysterie onderzoeken. Het negentiende-eeuwse sjabloon van een conflict tussen geloof en wetenschap is ook een gouwe ouwe. Nog niet zo lang geleden had Trouw een heel stuk over de oosterse lichtgod Mithras. Lang geleden – daar is die negentiende eeuw weer – is eens geopperd dat het christendom leentjebuur had gespeeld bij deze cultus, en nog elk jaar is er rond kerstmis wel iemand die neuzelt dat 25 december eigenlijk de geboorte van Mithras is. Onzin, allang weerlegd, maar Trouw vond het slaapverwekkende frame “wetenschap versus religie” de moeite waard.

En let wel: dit patroon hoeft niet te bestaan. Ik zie geen enkele reden waarom een krant, een tijdschrift of een TV-programma niet gewoon even een deskundige belt. Dat geldt ook voor boekrecensies. Het is toch niet zo moeilijk om boeken over cultuurgeschiedenis niet door classici te laten bespreken, archeologische claims niet te laten beoordelen door neerlandici en kunsthistorici niet te vragen een oordeel te vellen over publicaties over godsdienstgeschiedenis.

Tot slot

Oudheidkunde is de verzamelnaam van enkele disciplines, de met elkaar gemeen hebben dat er weinig informatie is, dat ze stammenstrijdjes uitvechten, dat ze niet in staat zijn hun belang over het voetlicht te brengen en dat ze een academisch verleden hebben dat beter was dan het heden. Het vakgebied is hard getroffen door de studieduurbekorting van de jaren tachtig en het helpt niet dat de werkdruk aan de universiteiten is toegenomen.

Toch zijn er dingen die zonder al te veel moeite kunnen worden gedaan. Niemand vraagt oudheidkundigen zich te overschreeuwen met malle claims. Het is helemaal niet moeilijk te weten dat je kennis tekortschiet. Ik heb in een praatje bij de VCN weleens gepleit voor een vak “dit zijn de contouren van wat je niet weet”, zodat classici die zich op het gebied van de cultuurgeschiedenis bewegen, in elk geval weten dat ze eerst moeten lezen wat de sociale wetenschappen hebben te melden over cultuuroverdracht. Een soortgelijk vak kan ook aan archeologen en historici worden gedoceerd; mijn ervaring is dat egyptologen en assyriologen op dit punt wijzer zijn – ze weten beter dat ze onvoldoende weten.

Ik zie ook geen reden waarom niet een bureautje kan worden opgericht, analoog aan de Taaladviesdienst van Onze Taal, waar mensen terecht kunnen met vragen. Dat heeft drie voordelen. Eén: journalisten kunnen zo beter op de hoogte komen van wat er nu echt speelt. Hét verhaal van dit moment is hoe de DNA-revolutie de hermeneutische horizon irrelevant maakt en dé wetenschappelijke uitdaging is hoe oudheidkundigen nu nieuwe strategieën moeten ontwikkelen om teksten en voorwerpen te interpreteren. We hebben in tijden niet zulke spannende dingen gezien en het zou fijn zijn dat de media dáár over berichten in plaats van over de trivialiteitjes waar ze nu over schrijven.

Twee: de universiteiten kunnen via zo’n bureautje ontdekken waar de vragen nu zitten. Bijvoorbeeld de enorme behoefte aan uitleg van wat oudheidkunde maakt tot wetenschap. De tweede lijn dus. En drie: als de universiteiten wat meer contact hebben met het publiek en hun voorlichting normaliseren, hoef ik niet steeds de meest elementaire zaken uit te leggen, zoals in dit stuk.

19 gedachtes over “MoD | Patronen van misinformatie (slot)

    1. In twee blogjes kom je tot twee maal (in hetzelfde stukje dus) met je (inmiddels overbekende) “En let wel; dat patroon hoeft niet te bestaan”-alinea. Ik begin een patroon te zien…

    2. Ik loop al een tijdje met die vraag. Ik zou echt willen dat er één plek is waar ik een vraag kan neergooien. Ik ben bijvoorbeeld nieuwsgierig waarom de KNAW een middag belegt over onderzoek naar de Atheense akropolis maar niet naar vergelijkbaar onderzoek naar de Romeinse Rijn-forten. Daar kunnen redenen voor zijn, maar ik kan ze niet bedenken en zou de graag ergens willen stellen.

      1. Jeroen

        Eh.. omdat die middag gaat over de Atheense akropolis en niet over de Romeinse Rijn-forten?

        “Waarom die wel en die niet” is een bodemloos argument dat het best bewaard wordt voor Youtube-commentaren…

        Waarom gaat die middag eigenlijk niet over vergelijkbaar onderzoek naar de eetcultuur van de Oeigoeren?

        1. Je maakt er een grap over, en dat mag natuurlijk, maar waarom gaan er extra gemeenschapsmiddelen naar het een en niet naar het ander? Dit is geen subsidieprocedure, waar enige vorm van controle op is, dit heeft iets willekeurigs. En omdat hier minimaal de schijn wordt gewekt dat de KNAW de archeologie van Griekenland hoger aanslaat dan NW-Europese archeologie, ben ik nieuwsgierig naar de inhoudelijke argumenten. Dat is toch zo vreemd niet?

          1. Jeroen

            Oke.. de insteek van gemeenschapsmiddelen had ik niet in het hoofd.
            Maar vind je dat het KNAW buitenproportioneel veel (meer) aandacht besteed aan niet-Nederlande/NW-Europese archeologie?
            Of is het zo dat deze middag toevallig over Athene gaat, een volgende over Carthago en daarna weer een over Wijchen?

            1. Ik was gewoon verbaasd. Wat is vastgesteld over het tracé van de limes tussen Xanten en Vechten is vrij fundamenteel en methodisch ook vrij innovatief. Intuïtief (dus zonder dat ik het beredeneren kan) sla ik het hoger aan dan de op zich niet oninteressante ideeën over het Parthenon. Je zou verwachten dat de gemeenschapsmiddelen worden aangewend voor het belangrijkste, maar blijkbaar vindt de KNAW andere dingen belangrijk dan ik. En ik ben erg nieuwsgierig wat de onderbouwing dan kan zijn.

              Ik zeg niet dat het verkeerd is – ik begrijp het gewoon niet.

  1. Marcel Meijer Hof

    Ik geef je driewerf gelijk Jona. Klinkt jouw betoog misschien een beetje als een open sollicitatie ? In dat geval moet er een fikse lobby op gang komen, dus: « Oudheid- en andere kundigen in den lande, verenigt U ! » Wetenschap en onderwijs vormen de basis voor een weerbare samenleving.

  2. Bert Schijf

    Nu ik de vier blogs over patronen bij elkaar zie, is het duidelijk dat sommige punten ook bij andere disciplines te vinden zijn: de ijdele gretigheid van voortijdige kennisgeving, de op sensatie gerichte pers die wil scoren, en nog zo wat. Toch blijft oudheidkunde voor een sociologische buitenstaander een raar in zichzelf gekeerd (academisch) vak. Die sociologische peer-reviewed artikelen verstopt achter betaalmuren hebben allemaal dezelfde vorm: uitgewerkte probleemstelling, verwijzingen naar eerder onderzoek, uitleg over data en methoden, resultaten en conclusies. Ze zijn niet voor leken geschreven die grote moeite zullen hebben om ze te begrijpen. Wat moeten we denken van een vak waar niet op zijn minst enkele van bovenstaande kenmerken voorkomen: data en methoden om maar wat te noemen. Ik snap die twijfel van buitenstaanders over het vak dus wel. Om positief te eindigen: natuurlijk is er heel veel voor te zeggen om bevindingen aan een breder publiek uit te leggen. Daarbij is de vraag of Jezus getrouwd was (een immuniteit voor onzin is toch het minste, en Jona doet hier veel belangrijk werk) veel minder interessant dan wat erop die Leidse kleitabletten staat, namelijk handelsverdragen. Die zijn aan iedereen uit te leggen en niet controversieel.

  3. Martin

    “De chronologie van de Mesopotamische Midden-Bronstijd is niet ingewikkelder dan kwantumverstrengeling, maar het onderzoek van Tije de Jong, dat even fundamenteel is, is ten onrechte genegeerd.”

    Daar moest ik wel even over nadenken ….

  4. Beste Jona,

    De zin “wordt ervan uitgegaan dat het publiek nog allerlei middeleeuwse noties heeft” lijkt me een voorbeeld van het probleem van de classici naar de mediëvisten verschuiven.

    1. Zo bedoelde ik het niet. Waar het mij om gaat is dat oudheidkundigen DENKEN dat het publiek dat ze moeten bedienen, leeft met noties die allang achterhaald zijn. Deels is die inschatting terecht, maar het is het verkeerde vertrekpunt voor wetenschapscommunicatie.

  5. Otto Cox

    Gelden de patronen die je noemt niet voor de hele geschiedwetenschap? Of zijn er perioden waarvoor dat minder of niet geldt?

    1. Ik weet het niet maar vermoed dat de combinatie van dataschaarste en disciplinaire versplintering wel betekent dat er grotere kans is dat wetenschappers achterhaalde informatie ten berde brengen.

    2. FrankB

      Ik denk van niet. Zeker, de laatste twee decennia proberen sommige politici een Nederlandse identiteit te verlenen aan een glorieus verleden toen het land nog uitgebreid koloniseerde. Alleen vallen de genocide op de Banda-eilanden in de Gouden Eeuw en de gruwelijkheden van de Atjeh-oorlogen maar moeilijk uit te poetsen. Er zijn niet zoveel mensen meer die daar een identiteit op willen bouwen. Door gebrek aan data is kersenplukken in de tuin genaamd Oudheid een stuk gemakkelijker.
      Iets vergelijkbaars zal voor allerlei andere patronen ook gelden. Dus wil ik de vraag omdraaien. Welke patronen zijn afwezig in de studie van de Middeleeuwen en van de Moderne Tijd?

Reacties zijn gesloten.