De identiteiten van Hariulf

Grafschrift van Hariulf (Landesmuseum, Trier)

De Romeinse bronnen noemen eindeloos veel Germaanse volken en stammen. Een zo’n groep is die van de Bourgondiërs, die we, op gezag van de geograaf Ptolemaios van Alexandrië, in de tweede eeuw n.Chr. ergens tussen de Oder-Neisse en de Weichsel kunnen plaatsen. Later, in de crisis van 406/407 (meer…), zou deze groep naar het westen trekken. Dit is een andere manier om te zeggen dat de Bourgondische elite aansluiting zocht bij het netwerk van de Romeinse elites. Ze kregen land toegewezen langs de Rijn, vrijwel zeker rond Worms, waar archeologen inderdaad Oost-Germaanse voorwerpen hebben gevonden. Het Nibelungenlied bevat echo’s uit deze tijd.

Al eerder waren Bourgondiërs naar het westen getrokken. Ze golden als de aartsvijanden van de Alamannen, zoals de Romeinen de bewoners van het huidige Baden-Württemberg aanduidden. Toen keizer Valentinianus I aan de macht was gekomen en zich in 367 via een machtsdemonstratie verder wilde legitimeren, zocht hij een van de Alamannische leiders, een zekere Macrianus, uit als vijand en rukte tegen hem op, samen met de Bourgondiërs. Ergens aan de Neckar versloegen de Romeinen en Bourgondiërs hun tegenstanders.

Hariulf

Het is misschien op dit moment dat de Bourgondische prins Hariulf in dienst trad van de keizer. Zoals gezegd: de elite van de Germaanse stam zocht aansluiting bij de Romeinse elite. Lang heeft Hariulf echter niet van zijn succes genoten. Hij overleed voor zijn eenentwintigste verjaardag. Zijn grafschrift:

Hariulfus protector
domesitigus filius Han-
havaldi regalis genti-
s Burgundionum qui
vicxit annos XX et mens-
ses nove et dies nove
Reutilo avunculu-
s ipsius fecit

In het Nederlands:

Hariulf, protector domesticus, zoon van Hanhavald, uit de koninklijke familie van de Bourgondiërs, heeft twintig jaar, negen maanden en negen dagen geleefd. Zijn oom Reutilo maakte dit grafschrift.

Staflid

Een protector domesticus is in principe een lijfwacht, maar de titel wordt gebruikt voor verschillende staffuncties. Het is hetzelfde als het Griekse somatofylax, dat letterlijk lijfwacht betekent maar in feite slaat op de adjudanten van de koning. Hariulf was dus een van die van oorsprong Germaanse stafleden in het Romeinse leger. Later zouden de drie Franken Merobaudes, Bauto en Arbogast volgen en nog later de beroemde veldheer Stilicho. Zolang ze succes hadden, golden ze zonder uitzondering als Romein; eenmaal dood golden ze als barbaar.

Er is meer te zeggen over deze inscriptie, die in 1877 is gevonden op het grafveld bij de St. Matthiasabdij in Trier. Er zitten wat ongebruikelijke spellingen in, zoals vicxit waar we vixit zouden hebben verwacht (“hij heeft geleefd”). Tweemaal ontbreekt de slot-N bij het woord nove(m) (“negen”), wat bewijst dat de Romeinen die niet langer uitspraken. De romaanse taal was op weg naar het Franse neuf.

Complexe identiteiten

En tot slot: de wonderlijk precieze weergave van Hariulfs ouderdom: twintig jaar, negen maanden en negen dagen. De fixatie op iemands precieze leeftijd geldt als christelijk. Als staflid was Hariulf dus Romein, van afstamming was hij Bourgondiër, religieus bezien was hij christen. Een mooi complex geheel, zo complex als de fascinerende wereld van de vierde eeuw.

[Dit was het 375e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

14 gedachtes over “De identiteiten van Hariulf

  1. Het is met vrij grote zekerheid aan te nemen dat hij (als hij daadwerkelijk christelijk was) zichzelf in de eerste plaats als christen zag, dan als Romein (status en burgerrecht) en dan pas als Bourgondier- hoewel bepaalde opvattingen en gebruiken wellicht dwars door elkaar liepen, maar misschien minder dan vandaag de dag het geval is.

    1. Rudmer Koopal

      Ik zie geen aanwijzingen betreffende de vroomheid van Hariulf. Gezien zijn positie in het Romeinse leger op basis van zijn afkomst, zal hij zich in eerste instantie zoon van een heerser over een territorium/ bevolking gezien hebben.
      Overigens was hij Ariaans-christelijk, wat zijn identiteit, dwz hoe hij door anderen gezien werd, nog iets complexer maakte.

  2. Dirk

    Hoezo met grote zekerheid? Zo’n gelaagde identiteit is Belgen niet vreemd. Welk niveau het meest naar voor treedt, wisselt bij mij afhankelijk van de omstandigheden en het gezelschap. Er is geen vaste rangorde.
    Gebeurde die nauwkeurige telling vanaf de geboorte of vanaf de doop? Misschien is deze periode nog te vroeg voor kinderdoop?

      1. Een nogal 20e eeuwse opvatting, als je mij vraagt; ik denk dat de mensen in de 4e eeuw (daar hadden we het immers over) wel andere zorgen hadden dan dat (vaak ingebeelde, om niet te zeggen overgewaardeerde) identiteitsgedoe.

  3. Je hebt het inderdaad foutieve ‘mensis’ (‘maanden’) verbeterd in het correcte ‘menses’. Maar aan ‘mensis’ kun je juist zo mooi zien dat de Latijnse uitgangen in het slop begonnen te raken.

    1. Remco

      Als ik de inscriptie goed lees, zie ik niet “mens|sis” maar “men|sis” staan.

      De acc. plur. “mensis” kán wijzen op verandering in de uitgangen (zeker in combinatie met “nove” voor “novem”), maar de vorm komt in preklassiek en klassiek Latijn ook al voor naast “menses”.

      1. Zeker. Maar het Latijn uit het eind van de vierde eeuw kun je bezwaarlijk nog (pre-)klassiek noemen. Bovendien vinden we in deze tijd de onbeklemtoonde lange -e- in een laatste lettergreep sowieso vaak als -i- opgeschreven: requiescit, iacit, enz. Dat heeft te maken met het verlies van kwantiteit (lengte) van die lettergreep, die in (pre-)klassiek Latijn nog lang was, maar inmiddels niet meer. Vandaar dat we mogen zeggen dat ‘mensis’ hier de verwarring over wat nu eigenlijk de correcte uitgang was illustreert, oftewel het feit dat die uitgangen in het slop begonnen te raken

  4. Robbert

    Die “twintig jaar, negen maanden en negen dagen”: vergelijk met wat ik in 1972 in een groot dorp in Ghana merkte, men had meestal geen weet van jaar, maand of precieze dag van zijn/haar geboorte, alleen van de dag van de week (door naamgeving).

  5. Jeff

    Boeiende inscriptie … maar even los daarvan …

    “Toen keizer Valentinianus I aan de macht was gekomen en zich in 367 via een machtsdemonstratie verder wilde legitimeren, zocht hij een van de Alamannische leiders, een zekere Macrianus, uit als vijand en rukte tegen hem op, samen met de Bourgondiërs. Ergens aan de Neckar versloegen de Romeinen en Bourgondiërs hun tegenstanders.”

    Mag ik dit een merkwaardige voorstelling van zaken vinden?
    Ja, dat mag ik. Want lezend bij Ammianus Marcellinus krijg ik een heel andere indruk.

    Op deze manier lijkt het alsof er door de Alamannen geen aanleiding voor een optreden was gegeven. Ammianus Marcellinus zag zo’n aanleiding wel en dus mag ik aannemen dat je een reden hebt om Ammianus Marcellinus hier te wantrouwen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd.

    Ook ten aanzien van de Bourgondiërs schetst Ammianus Marcellinus een totaal ander beeld.
    Niks samen met de Romeinen tegen de Alamannen. Valentinianus I had in eerste instantie alléén de Bourgondiërs het karwij willen laten opknappen met de belofte om zelf met troepen de Rijn te zullen oversteken om te helpen het karwij af te maken. Maar Valentinianus liet de Bourgondiërs in de steek die vervolgens afdropen.
    Van een gezamenlijk optreden was volgens Ammianus Marcellinus dus alles behalve sprake. Maar misschien zijn er andere bronnen die betrouwbaarder zijn over deze episode?
    (Volgens Ammianus Marcellinus ging Valentinianus I korte tijd later zelf op de Alamannen los, van Bourgondiërs is dan geen sprake meer.)

    1. Ik denk dat je even voorbij Ammianus moet kijken. Wat hij schrijft is deels ingegeven door keizerlijke propaganda, die natuurlijk de Alamannen als grote bedreiging voorstelde. In feite waren ze “materia vincendi”, handig om, als het nodig was, te verslaan en een triomftocht te krijgen. Ook handig voor Valentinianus om te vermijden dat hij troepen aan zijn broer moest leveren voor een oostelijke veldtocht.

      Merk op dat het conflict met Marcianus begon met een provocatie van Romeinse zijde.

  6. Robert

    Ik mis hier een andere inscriptie die bij het huidige Budapest gevonden werd (CIL III 3576):

    Francus ego cives, Romanus miles in armis, ❧
    egregia virtute tuli bello mea dextera sem[p]er. ❧

    Vertaald wordt het:
    ““Ik, een Frank, een Romeins burger, een soldaat, met buitengewone moed ten oorlog gegaan”

    De inscriptie is lastig te dateren maar wordt meestal ergens in de vierde eeuw geplaatst.
    De man denkt over zichzelf in twee en eigenlijk zelfs drie identiteiten, die helemaal niet in tegenspraak met elkaar zijn. Zijn afkomst, zijn status en zijn beroep zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mannen zoals hij dienden zonder probleem in het Romeinse leger, ook al waren hun grootouder misschien in Drenthe geboren. Misschien waren zijn ouders net vanuit Gelderland naar Toxandrië verhuisd, of had hij zelf een vrouw en kinderen ergens in Gallië?
    Feit is dat hij zijn keizer naar Hongarije gevolgd was, en dat hij daar bijzonder trots op was.

    Dit werd al eerder hier gepubliceerd 😉
    https://mainzerbeobachter.com/2017/04/06/vooraankondiging-romeinenweek/

Reacties zijn gesloten.