Het beleg van Marseille begint

Re-enactors in de uitrusting van soldaten uit de tijd van Caesar

Als ik u zeg dat het de vierde dag was van mei, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Marcellus en Lentulus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 4 april 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag eergisteren 2069 jaar geleden?”

Antwoord: hij begon met de belegering van Marseille. Zoals ik in de eerdere afleveringen vertelde, had hij vrij snel Italië onderworpen. De Senaat en zijn generaal Pompeius waren naar Griekenland gevlucht, Caesar had de Lex Roscia laten aannemen die hem toestond mensen uit de provincie tot Romeins burger te maken en als legionairs te rekruteren, en was daarop naar het westen gegaan, waar Pompeius troepen had liggen. Zij het zonder generaal, want die was met een groot aantal senatoren in Griekenland.

Terwijl Caesars ondercommandanten de weg door Illyrië verzekerden en Sicilië bezetten, liep Caesar zelf vast bij Marseille, een stad die hij controleren moest omdat anders zijn aanvoerlijnen afgesneden konden worden. Aanvankelijk onderhandelde Caesar nog met de Massilioten, maar een belegering werd onvermijdelijk toen zij de steun kregen van Lucius Domitius Ahenobarbus.

Hevig verontwaardigd voerde Caesar drie legioenen naar Massilia. Hij liet torens en schutdaken aanrukken ter belegering van de stad en in Arelate twaalf oorlogsschepen bouwen.

Toen deze schepen dertig dagen na het kappen van het hout gebouwd, uitgerust en naar Massilia gebracht waren, stelde hij ze onder commando van Decimus Brutus en belastte zijn legaat Gaius Trebonius met de belegering van Massilia. (Caesar, Burgeroorlog 1.36; vert. Hetty van Rooijen)

Het is wat curieus dat het even duurde voordat de belegering begon, hoewel Caesar en Domitius toch al twee weken in de buurt van Marseille waren. De verklaring is vrijwel zeker dat Caesar weliswaar troepen bij zich had, maar die nodig had in Spanje. Daar vinden we straks de legioenen VII, VIIII, X en XI, veteranen die al tien jaar met hem vochten, en de wat jongere eenheden VI Ferrata en XIV. Het was wachten op de aankomst van versterkingen die het beleg konden overnemen.

Die waren eergisteren 2069 jaar geleden voldoende aanwezig. Caesar kon verder met zijn veteranenlegioenen. Waar de aflossing vandaan kwam, is niet helemaal duidelijk, al is de Po-vlakte in de tweede helft van de eerste eeuw een enorm reservoir aan manschappen geweest en de voor de hand liggende kandidaat. Het gaat in elk geval om nieuw gelichte legioenen, met de nummers XVII, XVIII en XIX. (Het is mogelijk dat dit de eenheden waren die ruim een halve eeuw later ten onder gingen in de gevechten in het Teutoburgerwoud, al zijn er diverse legioenen geweest met deze nummers.)

Hoe lang geleden deze soldaten waren gerekruteerd, voor of nadat Caesar de praktijk met de Lex Roscia legitimeerde, valt niet uit te maken. Feit is dat deze soldaten nog geen routiniers waren. Ze kregen hun vuurdoop bij Marseille.

***

In de reeks Oog op de Oudheid is vanavond het woord aan Margreet Steiner, wier boeken ik hier en daar heb besproken, en aan Nico Roymans, over wie ik hier en daar heb geblogd. Ze hebben het over de relatie tussen de twee voornaamste categorieën bewijsmateriaal van de oudheidkundige: tekst en vondst. Ofwel: ze hernemen het minimalisme-debat uit de jaren tachtig. Schrijf u hier in en kijk.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

3 gedachtes over “Het beleg van Marseille begint

  1. FrankB

    “Het is wat curieus dat het even duurde voordat de belegering begon”
    De vorige keer, toen ik Caesar niet op zijn woord wilde geloven, werd duidelijk dat hij de belegering pas begon toen Domitius op het toneel verscheen. Nemen we het tegengestelde aan, nl. dat Caesar oprecht was, dan is het logisch dat hij tijd nodig had om de belegering voor te bereiden. Hij ging er in eerste instantie van uit zijn probleem middels onderhandelingen te kunnen oplossen.

    1. Rob Duijf

      Dit onderwerp kwam ook al ter sprake op 23 maart j.l. in de post ‘Ceasar in Marseille’.

      Als je bedenkt dat het hout van scheepsrompen sterk moet zijn, komt van oudsher het hout van eiken daarvoor in aanmerking. Eikenhout was 2000 jaar geleden nog ruim voorhanden.

      Om te voorkomen dat het hout gaat schimmelen, moeten de eerst de sappen eruit spoelen. Eikenhout heeft bovendien veel tannine (looizuur) in het sap, dat een samentrekkende werking heeft. Door het hout te ‘wateren’ neemt dus ook de ‘werking’ van het hout af.

      Om de sappen eruit te laten spoelen, wordt het hout daarom eerst in de regen gelegd of in water. Daarna moet het hout drogen aan de lucht. Daar gaan jaren overheen. Ik heb me laten vertellen: twee jaar voor het uitlogen en twee jaar voor het drogen. Maar ik laat me graag verbeteren.

Reacties zijn gesloten.