Help, het publiek praat terug! (en ze vertrouwen ons niet meer)

[Op 15 maart 2012 sprak ik op een bijeenkomst met het thema “Help het publiek praat terug! (en ze vertrouwen ons niet meer)“, georganiseerd door het Platform Wetenschapscommunicatie en de Vereniging Wetenschapsjournalisten in Nederland, en mogelijk gemaakt door de KNAW.]

Inleiding

Voor ik begin, is het zinvol dat u weet dat ik niet als voorlichter ben verbonden aan een universiteit en dat ik ook geen voltijdswetenschapsjournalist ben. Wel heb ik negen boeken gepubliceerd over de Oudheid (dat is de tijd van Babyloniërs, Perzen, Joden, Grieken en Romeinen) en ook beheer ik een grote website over dat tijdperk. Ik krijg dus vragen te beantwoorden. Ik heb er inmiddels, met de volharding die alleen beperkte geesten kunnen opbrengen, ruim 4300 afgehandeld.

Aan de universiteit ben ik een buitenstaander, en dat ben ik – zij het iets minder – ook in dit gezelschap van voorlichters en wetenschapsjournalisten. Maar soms ziet een einzelgänger iets wat anderen niet zien. Of dat vandaag ook het geval is, weet u over twintig minuten, maar ik kan u in elk geval een ooggetuigenverslag geven van de ondergang van een vakgebied dat zijn communicatie niet op orde had. De oudheidkunde dus, en daarbinnen het deelgebied dat bekendstaat als de iranologie, de bestudering van het antieke Perzië. Wat ik daarover vertel, is in elk geval relevant voor de geesteswetenschappen, en is voor anderen wellicht nuttig als voorbeeld van hoe het niet moet.

De ondergang van de iranologie

Cyruscilinder (British Museum)

Dit is de zogeheten Cyruscilinder, een spijkerschrifttekst waarin de Perzische koning Cyrus de Grote vertelt hoe hij zich, in het jaar dat wij 539 v.Chr. noemen, meester maakte van Babylon, de hoofdstad van het huidige Irak. Alle traditionele elementen uit de toenmalige propaganda zijn aanwezig: Cyrus’ voorganger deugde niet, de goden zochten daarom een nieuwe heerser, uiteraard was dat Cyrus, nu hij de macht heeft overgenomen heerst er peis en vree, de goden zijn buitengewoon in hun nopjes en de Babyloniërs ook. Dit laatste omdat Cyrus enkele recent ingevoerde herendiensten afschafte.

Postzegel met de Cyruscilinder

Deze oeroude tekst speelde een belangrijke rol in de propaganda van de laatste sjah, die het afschaffen van de herendiensten gelijkstelde aan de afschaffing van de slavernij door Abraham Lincoln en de Cyruscilinder aanduidde als, jawel, ’s werelds eerste mensenrechtendocument. Antieke propaganda baarde zo moderne propaganda. In 1971 organiseerde de sjah hieromtrent nog een feestje voor ’s werelds gekroonde hoofden, maar na pakweg 1975 heeft niemand er nog van gehoord, want de iranologen maakten vrij simpel korte metten met de historische claims van zijne keizerlijke Iraanse majesteit.

Dat veranderde rond 2000. Toen begonnen op het internet vertalingen van deze tekst te verschijnen en ook artikelen die stelden dat Perzië de bakermat was van de mensenrechten. De auteurs van deze webpagina’s waren in de regel Iraniërs die met de sjah in ballingschap waren gegaan.

(klik=groot)

De wetenschap sloeg er weinig acht op, en de desinformatie verspreidde zich snel. Om de overdreven claims te pareren, plaatste ik de Babylonische tekst met een zo correct mogelijke vertaling online en voegde een toelichting toe dat de antieke tekst diende om de Pers Cyrus te presenteren aan de Babyloniërs als een voor hen aanvaardbare heerser. Dat heb ik geweten. Het leverde me een hoop online kritiek op. Met enig googelen vindt u de petitie nog wel waarin ik ervan wordt beschuldigd een anti-Iraanse racist te zijn.

Zo ontdekte ik dat er heuse aanvalsmachines bestonden waarmee de Iraanse ballingen iedereen bestreden die niet meeging met hun visie op de Perzische geschiedenis. Een voorbeeld is de SOAS-CAIS in Londen.

(klik=groot)

De rode disclaimer staat er sinds de Circle of Ancient Iranian Studies moest erkennen nooit geaffilieerd te zijn geweest aan de prestigieuze School for Oriental and Asian Studies. Dit is een simpel voorbeeld van de wijze waarop dit soort organisaties zich een aura van wetenschappelijkheid aanmeten.

Zulke aanvalsmachines hadden buitengewoon veel succes. De BBC heeft de propaganda van de sjah nog betrekkelijk recent als feit herhaald. Andere slachtoffers waren de National Geographic (die het later rectificeerde) en president Bush. Mensenrechtenactiviste Shirin Ebadi citeerde uit een vervalste vertaling van de Cyruscilinder toen ze de Nobelprijs voor de Vrede aanvaardde, en ook de auteur van een zeer recent artikel in de Huffington Post, die erin slaagde de ergste vergissingen te vermijden, bleef uitdragen dat de tekst op een of andere wijze toch bijzonder moest zijn.

Het succes van de aanvalsmachines hangt ermee samen dat de bona fide wetenschapper, wetenschapsjournalist of voorlichter moet strijden met de armen gebonden. Zo’n balling kan online naar allerlei publicaties verwijzen en ernaar linken, maar de betrouwbare informatie ligt op betaalsites. Wie een analogie zoekt van buiten de geesteswetenschappen, moet de informatie over de affaire-Van der Hoeven eens googelen. Wat de EO-mensen schreven, is allemaal nog te vinden; wat biologen schreven, ja zelfs wat Van der Hoevens opvolger Plasterk schreef toen hij columnist was in De Volkskrant, is ontoegankelijk. Dat maakt het voor wetenschappers, voorlichters en journalisten lastig argumenteren, terwijl de activist makkelijk de schijn van gelijk krijgt.

Dat betaalsites niet alleen frustrerend zijn voor het onderzoek, maar ook de overdracht aan het grote publiek belemmeren, is een aspect dat ik nog weinig ben tegengekomen in de literatuur, maar dat kan komen doordat geesteswetenschappers überhaupt niet veel schrijven over het populariseren. Wellicht ten overvloede vat ik samen: bad information drives out good.

De iranologen hebben hun best gedaan. Ze schreven boeken voor het grote publiek, maar dat is toch zoiets als vasthouden aan perkament en ganzenveer terwijl de boekdrukkunst al is uitgevonden. Tenzij ik iets over het hoofd zie, zijn vrijwel alle online-projecten mislukt. Een poging van het Chicago Oriental Institute om de koningsinscripties van de Perzische dynastie der Achaimeniden online te plaatsen, is nooit voltooid. De zeer gedegen website Achemenet.com zal nooit veel bereik hebben zolang het openingsscherm Franstalig is.

Het British Museum (waar de cilinder ligt) heeft pas na herhaald verzoek een accurate vertaling en typering online geplaatst en heeft een tijdje geleden zijn Wikipedian-in-residence gevraagd het Wiki-artikel over de Cyruscilinder te verbeteren, maar met voorspelbaar resultaat. Een Wiki-artikel over de Romeinse god Mithras, van wie een eeuw geleden werd beweerd dat het een voortzetting was van de Iraanse cultus voor Mithra, is op soortgelijke wijze de inzet van discussies, die de bona fide geleerde altijd zal verliezen. (Voor het goede begrip: de continuïteit van Mithra naar Mithras is verwaarloosbaar, en bijvoorbeeld minder dan die tussen joden- en christendom.)

De tegenwerking is om moedeloos van te worden, en dat is jammer. De iranologische inzichten, die zonder valse overdrijving behoren tot het beste en vernieuwendste wat de wetenschap de afgelopen halve eeuw heeft geproduceerd, komen niet tot hun recht. Nog vorige week hoorde ik de wrange grap dat de geesteswetenschappen de meest geavanceerde van alle wetenschappen zijn, want tien jaar voor de huidige problemen in de sociale psychologie, economie en klimaatwetenschappen, was de iranologie al gesaboteerd.

De kern van de zaak is natuurlijk – ik vertel in dit gezelschap niets nieuws – dat de iranologen de communicatie bezagen vanuit het zender-ontvangermodel, terwijl allang een dialoogmodel van toepassing is. De iranologie mag wetenschappelijk nog zo innovatief zijn, ze bereikt de samenleving niet langer. Dat is vervelend voor een handvol geleerden, die nu werk doen waaraan niemand voldoende aandacht schenkt, maar het echte probleem is natuurlijk dat een volk een leugenachtig verleden krijgt opgedrongen. Dat is pas echt triest.

Een systeemfout in het wetenschapsbeleid

Was dit de oudheidkunde aan te rekenen? Gedeeltelijk wel. De Nederlandse Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek stelt expliciet dat wetenschappers hun informatie ten behoeve van de samenleving dienen over te dragen. De Nederlandse wetgever en ook de autoriteiten in het buitenland geven de burger een recht op adequate informatie. Krijgt deze die niet, dan is verdere subsidiëring in strijd met het doelmatigheidsbeginsel. Het gaat aan de universiteiten om onderzoek, onderwijs en overdracht, deze drie, maar het meeste toch de overdracht.

En die schoot tekort. Niet door inzet, maar door vast te houden aan een verouderd communicatiemodel. Toch is incompetentie niet het voornaamste  probleem. Competentie kan immers groeien. De ellende is dat de geesteswetenschappen de kans daarvoor niet krijgen.

Een letterenproject dat wél goed gaat: de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren.

Er is namelijk geen geld. Onderzoek en onderwijs, daarvoor krijgt een universiteit geld, maar er zijn – althans in de geesteswetenschappen – nauwelijks middelen voor systematische overdracht en de bestrijding van desinformatie. Er zijn wat positieve uitzonderingen, zeker als het gaat om bijvoorbeeld de Nederlandse literatuur, de vaderlandse geschiedenis of de archeologie van eigen land. Maar als zo’n nationalistisch trekje ontbreekt, zijn in de geesteswetenschappen de fondsen al snel te beperkt.

Een eerste conclusie die ik aan u wil voorleggen is dat er een systeemfout zit in de geesteswetenschappen: men heeft weliswaar drie taken, maar slechts geld voor twee. Hetzelfde geldt voor de controle: er zijn visitatiecommissies en redacties bij wetenschappelijke tijdschriften, maar er is geen toezicht op de overdracht van informatie. Dus wordt die taak vergeten en mogen politieke activisten een vakgebied kapotmaken.

Een tweede conclusie: een vakgebied kan, ook al zijn er vele duizenden burgers in geïnteresseerd, worden vernietigd. Ik vrees dat sinds de affaire-Stapel de sociale psychologie nog maar weinig potten zal kunnen breken, zoals de agogiek in de jaren negentig ten onder is gegaan. Ik hoop dat ik me vergis, maar ik durf er een doos bonbons onder te verwedden dat er hier in de KNAW geen noodplan klaarligt voor het geval de publieke geloofwaardigheid van de volgende discipline schade oploopt. Als binnenkort een of ander schandaaltje wordt gebruikt om pakweg de bijbelse archeologie te laten exploderen, zullen de bestuurders vermoedelijk even onvoorbereid zijn als na de affaire-Stapel, toen Robbert Dijkgraaf, Jos Engelen, Elmer Sterken, Sybold Noorda en wie al niet zeiden dat er niks aan de hand was en, voor zover ik kan overzien, de reputatieschade vooral vergrootten.

Ik weet het, er zijn cijfers die je positief kunt uitleggen. Vijf Nederlandse universiteiten bij de beste honderd ter wereld, las ik vanmorgen. Dat soort nieuws. Maar zulke cijfers zijn van wat ik “binnen het systeem” wil noemen: ze geven aan hoe het onderzoek en het onderwijs door andere onderzoekers worden gewaardeerd. Maar de overdracht wordt niet gemeten.

Voor de geesteswetenschappen durf ik de stelling wel aan dat het aanzien daarvan, door afwezigheid op het internet, de afgelopen vijftien jaar is verminderd, dat ze in zeer brede kring worden beschouwd als fopwetenschappen, dat er dus wel degelijk iets aan de hand is, en dat organisaties als de KNAW zich erop moeten voorbereiden dat er binnenkort weer een bommetje ontploft en dat dit ook met de “harde” wetenschappen kan gaan gebeuren. Iedereen ziet het; het NRC Handelsblad en een website als Sargasso besteden al geruime tijd aan de neergang van de alfa-wetenschappen. De bestuurders verkeren echter nog volop in de ontkenningsfase.

Doelgroepen

Slechte overdracht – of, preciezer gezegd: voortzetting van verouderde communicatiemodellen – maakt een discipline kwetsbaar voor aanvallen. Wat aan de aanvalsmachines opvalt, is de intense haat ten opzichte van alles wat academisch is. Het feit dat iemand aan een universiteit is verbonden is al voldoende om hem niet meer serieus te nemen. De burger praat hier niet terug, hij schreeuwt, en dat aanzienlijk luider dan de wetenschappers. Hier is een voorbeeld dat ik in december bij mijn mail kreeg:

Het artikel … dat je me hebt gemaild, heb ik met opgetrokken wenkbrauwen gelezen. … De stelling dat de Romeinen de 25ste december van de christenen zouden hebben overgenomen, is niet alleen ridicuul, maar de schrijfster is daarbij ook niet te goeder trouw. Ik kan het altijd waarderen wanneer mensen een standpunt innemen dat tegen de gevestigde wetenschap ingaat; dat ze daarbij af en toe wat verzinnen, kan ik ze vergeven, maar dat iemand met wetenschappelijke pretenties welbewust essentiële feiten verzwijgt, vind ik op z’n zachts gezegd niet netjes.

De auteur verdiepte zich in de materie, constateerde wat hij voor een fout aanziet en trekt meteen de integriteit van de betreffende archeologe in twijfel. En wat te denken van dit commentaar op een interview op de website van De Pers?

Je vraagt je inderdaad af hoe lang de universiteiten nog doorgaan met het uitvoeren van een beleid waarvan iedereen ziet dat het niet werkt, en de burger dupeert. Zeker in de geesteswetenschappen is te veel wetenschappelijk onderzoek zonder relevantie, en laat men relevante uitleg achterwege. Het geld voor de geesteswetenschap is nu, vanuit het perspectief van de burger, verkeerd besteed, want de burger ziet er niets voor terug; het is natuurlijk perfect besteed vanuit het perspectief van de classici, die leuke snoepreisjes naar Egypte, Griekenland en Italië mogen maken.

De mevrouw weet voldoende over de wetenschappelijke praktijk om correct vast te stellen dat het recht op adequate informatie wordt geschonden, en is voldoende boos om te komen tot een insinuatie. Deze blogger blijft beleefd, maar heeft ondertussen wel gelijk en bewijst dat de geesteswetenschappen fouten maken die gewoon opvallen.

Wat we zien, zijn hoogopgeleiden die kwaad zijn. Ik denk dat de verklaring is dat zij, als de oudheidkunde moet worden uitgelegd, systematisch worden genegeerd. Anders gezegd, de oudheidkundigen laten juist degenen die zich het meest interesseren en die het best in staat zijn fouten te zien, in de kou staan. Nog anders gezegd, men slaat een doelgroep over. Dat roept tegenkrachten op.

Twee doelgroepen dus, laag- en hoogopgeleid, die op twee manieren moeten worden benaderd. Dit brengt ons op vermoedelijk vertrouwd terrein: er zijn twee niveaus. Je  leest eerst Kijk en daarna NWT; in het museum krijg je algemene informatie op borden aan de muur en preciezere uitleg bij de voorwerpen; het boekje Niks relatief van Vincent Icke kun je op twee manier lezen; in de diëtiek begin je met Sonja Bakker en ga je verder met Ivan Wolffers. Eva Teuling beschreef onlangs op Science Palooza hoe onderzoekers, door het té gemakkelijk te maken, mensen vervreemden.

Als dit u vertrouwd in de oren klinkt, bedenk dan dat deze inderdaad wagenwijd openstaande deur de oudheidkundigen nog niet was opgevallen. De bekendste Oudheidpopularisator van ons land, Fik Meijer, geeft aan te schrijven voor “the general reader”, en heeft deze tweedeling niet op zijn radar. Hij presenteert de feiten, maar legt niet dat uit wat je op het hogere niveau zou verwachten: de methode.

Dat is jammer, want aangezien geen enkele Nederlandse oudheidkundige die tot nu toe heeft uitgelegd, ontstaat het idee al makkelijk dat oudheidkunde en geschiedenis eigenlijk nogal naïeve wetenschappen zijn. Je zet de feiten op een rijtje, baseert die op bronnen, vertelt een verhaal daaromheen en – presto! – je hebt een geschiedenisboek. Zo is het niet, maar dat zal niemand geloven zolang je als historicus niet aangeeft welke vijf verklaringsmodellen er zijn, wat hun actieradius is, welke toetsen er zijn om representativiteit in beeld te brengen, welke grenzen er zijn aan vergelijkbaarheid en hoe je een continuïteit vaststelt. Als je dat dus niet aangeeft, moet je er niet van opkijken dat mensen denken dat ze het beter kunnen. Een voorbeeld is Tom Holland, die nog vorige week in De Balie mocht spreken, alsof zijn recente boek wetenschappelijk onderbouwd zou zijn.

Nu is er wel een verschil tussen Holland, die het nastrevenswaardig vindt zich als historicus te profileren, en de giftige critici die ik zojuist aanhaalde. Voor mij was het een enorme ontdekking – wellicht voor u niet, maar zoals gezegd hebben geesteswetenschappers weinig nagedacht over informatieoverdracht – dat er niet alleen twee niveaus van populariseren zijn, maar ook twee soorten wetenschapsvijandigheid: ik zal ze aanduiden als de wetenschapssceptici en de pseudowetenschap-aanhangers. (Onder dit laatste versta ik elke opschorting van de natuurwetten, zoals bij de mysterieuze piramidekrachten, de spiegels waarmee Archimedes schepen in brand zou hebben gestoken, de Ark des Verbonds als massavernietigingswapen of de planeet Niburu, die onze aardbaan schijnt te kruisen maar desondanks nooit is waargenomen.) We kunnen de tweemaal twee tegenstellingen als volgt voorstellen:

Lage
opleiding
HBO+
Positief Laag
populariseerniveau
Hoog
populariseerniveau
Negatief Pseudowetenschap Wetenschapssceptici

Alvorens verder te gaan, even een kort woord over mijn bron van informatie: mijn correspondentie. Ik wil geen schijnprecisie suggereren door u met cijfers om de oren te slaan, maar ik wil er toch iets over zeggen. Ik heb de afgelopen vijftien jaar dus zo’n 4300 vragen beantwoord, variërend van één of twee per week toen ik met mijn website begon tot, inmiddels, één à twee per dag. Aan ongeveer 3200 vragen liggen benoembare misverstanden ten grondslag. Van een kleine vierhonderd correspondenten kon ik het opleidingsniveau achterhalen.

De vierslag uit de tabel blijkt over het algemeen redelijk te kloppen. Hoogopgeleiden stellen vragen die op het hoge niveau zijn te beantwoorden, bijvoorbeeld door een methode uit te leggen. Als hoogopgeleiden kritisch zijn, zullen ze, niet zelden in zeer felle bewoordingen, schrijven dat het wetenschappelijk bedrijf niet naar behoren functioneert. Mensen met een lage opleiding daarentegen nemen genoegen met de feiten, en geloven, wanneer ze zich tegen de wetenschap keren, in pseudowetenschap. De overgrote meerderheid van mijn correspondentie valt tot een van deze groepen te herleiden; het gebeurt vrijwel nooit dat iemand een vraag stelt of kritiek uit, die niet bij zijn opleidingsniveau past.

(Er zijn wat uitzonderingen, en één daarvan is toch wel pikant: een academicus die meende dat Archimedes’ brandspiegels een feit waren. Als oudhistoricus zou hij moeten weten dat ze niet staan vermeld in onze bronnen, terwijl hij als academicus de algemene ontwikkeling dient te bezitten om te weten dat het spiegelverhaal in strijd is met de natuurwetten.

Ik hoop dat u erom kunt lachen dat je in Nederland als oudheidkundige aan een universiteit mag werken terwijl je pseudowetenschap niet herkent en de bronnen niet leest. Mij is het lachen vergaan; dit is in elk geval erger dan de Delftse geleerde Coen Vermeeren, die onlangs aan De Telegraaf en Radio 1 zei te geloven dat ufo’s bestaan. Die man gaf namelijk slechts een privémening, terwijl mijn Archimedesman zei wetenschappelijke informatie over te dragen. En terwijl de Delftse universiteit een begeleidingscommissie instelde, laten de Nederlandse oudhistorici hun collega gewoon doorgaan met desinformeren.)

Uitzonderingen als deze daargelaten, zie ik dus vier groepen. Alleen de groep linksboven krijgt van de oudheidkundigen informatie; de groep rechtsonder wordt gerekend tot de pseudowetenschappen, net als de groep linksonder, hoewel zij daarvan nu net de tegenpool zijn; en de groep rechtsboven wordt genegeerd. Zij zouden de ideale doelgroep zijn, want ze kunnen de methode begrijpen, zijn positief en zijn bovendien geboeid door het onderwerp.

Zij zijn ook degenen die in staat zijn fouten te herkennen, en worden steeds kritischer. Soms terecht, zoals de blogger die ik zojuist aanhaalde. Dat is vervelend, want de oudheidkunde wordt, zoals alle vakgebieden, geconfronteerd met een groeiend databestand, met toenemend specialisme en met het feit dat bad information drives out good. Er zijn inmiddels nogal veel fouten om te herkennen.

Ik zou een dubbele theorie aan u willen voorleggen. Ik veronderstel om te beginnen dat de wetenschap, doordat steeds meer mensen een steeds langere opleiding krijgen, erin is geslaagd de pseudowetenschap te verslaan. Dit vermoeden heeft wellicht enige ondersteuning, namelijk het opdrogen van de mail over pseudowetenschap. In de late jaren negentig kreeg ik daar nog wel eens post over; de afgelopen drie jaar heb ik één mailtje gehad dat als echte pseudowetenschap kan worden getypeerd. De schaduwzijde van deze ontwikkeling is dat steeds meer mensen genoeg opleiding hebben om eventuele problemen te herkennen en, aangezien daarop niet wordt gereageerd, steeds kritischer worden.

Ik vermoed dat deze groep groeit, maar de kleine 400 correspondenten wier opleiding ik ken, zijn te weinig om, over vijftien jaar, een trend te kunnen bepalen. Toch lijkt het me geen gekke gedachte dat, doordat steeds meer mensen langer naar de middelbare school gaan, de teleurstelling in de wetenschap verschuift van links- naar rechtsonder.

Academische zelfmoord

Hebben de dames en heren oudheidkundigen de problemen nou niet in de gaten? Ik heb het bij vier gelegenheden aangekaart, en heb nooit houtsnijdende kritiek gekregen. Wel krijg ik privé te horen dat ik gelijk heb, maar dat men dat nooit kan toegeven doordat “ze” de oudheidkunde zullen opheffen als “we” toegeven dat we het, na dertig jaar slecht op de geesteswetenschappen toegesneden beleid, eigenlijk niet langer kunnen. Dan wijs ik erop dat je ook kunt hervormen, en dan treedt de gebruikelijke menselijke reflex van verliesaversie in werking. U weet wel, de perceptie van de te maken winst is altijd geringer dan de perceptie van het te lijden verlies.

Men lijkt wel enige trucs te hebben om het tij te keren. De eerste is het maken van overdreven statements. Het enige redelijk harde cijfer dat ik u vanmiddag kan geven is dat van de archeologische persberichten ongeveer 40% onjuistheden bevat; daarvan is ongeveer één achtste ronduit misleidend. De situatie in Nederland is iets minder erg dan in Italië en Griekenland, terwijl in Israël zo’n driekwart onjuistheden bevat.

Een variant hierop is de traditie van de paas-hoax: het vlak voor kerstmis of pasen naar buiten brengen van nieuws over het vroege christendom, dat vervolgens ongecontroleerd de krant in gaat. Het voorbeeld van vorig jaar was dat Jezus het Laatste Avondmaal niet op een donderdag zou hebben gevierd en dit jaar moeten we het doen met Jezus als hermafrodiet.

Daarnaast doet men inmiddels alles wat maar aandacht genereert. Ik ben niet blij met verkiezingen als de “historicus van het jaar”. Een wetenschapper is geen soapie. Dat de wetenschapper uit de veronderstelde ivoren toren komt is goed, mits hij vervolgens doorloopt naar de openbare bibliotheek. Te velen zijn echter beland in de circustent.

Nog erger is de samenwerking met kwakhistorici. Dat is ver voorbij de grenzen der waanzin: het geld dat het publiek nu, met goedkeuring van academici, uitgeeft aan boeken die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, had óók kunnen vloeien naar de universiteiten, als die tenminste goede boeken voor het grote publiek zouden hebben vervaardigd. De Nederlandse oudheidkundigen zijn dus zelf degenen die de derde geldstroom hebben verlegd naar kwakhistorici. Ik noem dit academische zelfmoord.

Conclusies en wat dies meer zij

Ik denk dat we de volgende dingen over de wetenschap mogen concluderen:

  • Oudheidkundigen populariseren maar voor één doelgroep, en roepen zelf de krachten op waardoor mensen terugpraten en de wetenschap niet meer vertrouwen.
  • Dit wordt in de hand gewerkt door de structuur van de wetenschap, waarin slechts twee van de drie academische taken worden gefinancierd en gecontroleerd.
  • Op zoek naar aandacht versterken de oudheidkundigen de desinformatie.
  • De kwaliteit van de wetenschap kan niet worden gemeten met citatie-indexen, het aantal keren dat NWO-gelden zijn toegewezen of wat dies meer zij, maar uitsluitend door te kijken of de burger betere informatie krijgt. Eigenlijk zou de hele universiteit in dienst moeten staan van de voorlichting.

En ik denk dat we het volgende mogen zeggen over de wetenschapsjournalistiek:

  • Het is mogelijk dat er een algemener klimaat bestaat van wantrouwen tegen élke vorm van autoriteit, maar de ondergang van de oudheidkunde kan ook worden verklaard zonder deze factor; on n’a pas besoin de cette hypothèse.
  • Persberichten over de Oudheid dienen niet te worden gelezen als feitelijke informatie, maar als gehengel naar fondsen. Ieder persbericht in de aanloop naar kerstmis of pasen en elk bericht tijdens de komkommertijd moet worden teruggestuurd met de mededeling dat de oudheidkundigen te vaak hebben geprobeerd de pers te manipuleren om nog geloofwaardig te zijn.
  • Wat is wetenschapsjournalistiek?
    • Als het is: vertellen over het wetenschapsbedrijf, dan is er geen andere taak dan de ondergang documenteren.
    • Als het is: vertellen over nieuwe informatie, dan zullen journalisten de fouten van de wetenschap moeten pareren en haar tegen zichzelf in bescherming moeten nemen.

Amsterdam, 15 maart 2012 (met wat aanpassingen)

2 gedachtes over “Help, het publiek praat terug! (en ze vertrouwen ons niet meer)

  1. Over de vier groepen in de tabel schrijft u: ‘Alleen de groep linksboven krijgt van de oudheidkundigen informatie; de groep rechtsonder wordt gerekend tot de pseudowetenschappen, dus de groep linksonder, hoewel zij daarvan nu net de tegenpool zijn; en de groep rechtsboven wordt genegeerd.’
    Ik ben geen hoog opgeleide, maar toch begrijp ik dit niet. Er moet iets niet kloppen in deze zin.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s