Physics of Society

[“Physics of society” is de naam van het vijfde en nieuwste van de historische verklaringsmodellen. Het is niet heel bekend en daarom plaats ik hier een paragraaf uit mijn boek De klad in de klassieken online.]

De jongste verklaringswijze in de sociale en historische wetenschappen is zo nieuw, dat er nog geen consensus bestaat over haar naam. De Leidse vakgroep die de methode toepast op de economie, spreekt van ‘econophysics’, maar deze naam heeft de harten der oudheidkundigen niet vol verwachting doen kloppen. Toch is de totstandkoming van deze nieuwe verklaringswijze, die we bij gebrek aan beter maar met haar Engelse naam zullen aanduiden, een wetenschappelijke doorbraak van de eerste orde – er zijn de afgelopen twee eeuwen maar vijf verklaringswijzen ontwikkeld – en het lijdt geen twijfel dat ook de oudheidkunde er voordeel van kan hebben.

Om het te illustreren, kijken we eerst naar een zwerm spreeuwen. Deze vliegen allemaal even snel en zwenken allemaal gelijktijdig naar een bepaalde kant. Dit valt niet te verklaren door ons in te leven in elk van de honderden vogels. Er is ook niet één opperspreeuw die de andere commandeert, en het is niet aannemelijk dat elke spreeuw voortdurend alle andere vogels in de gaten houdt. Het gedrag van de zwerm blijkt wel te kunnen worden herleid tot drie regels: elke spreeuw probeert de gemiddelde snelheid van zijn naaste buren te volgen, elke spreeuw probeert botsingen te vermijden en elke spreeuw probeert naar het middelpunt van de zwerm te komen. Als je met deze regels een computerprogramma zou schrijven – het is uiteraard ook gedaan – blijkt dat de bewegingen van de artificiële vogels precies overeenkomen met wat echte spreeuwen doen. Het is geen onlogische gedachte dat hun gedrag inderdaad kan worden verklaard met slechts drie regels.

Dit gaat ook op voor veel soorten menselijk gedrag. Je kunt een computersimulatie schrijven van mensen die door een straat wandelen met als enige regels dat ze in hun eigen tempo lopen naar een van de twee uiteinden van de straat en dat ze niet tegen anderen botsen. In zo’n simulatie kunnen de breedte en lengte van de straat en het aantal wandelaars variëren, maar de conclusie zal steeds zijn dat het chaotisch begint en dat na verloop van tijd twee evenwijdige stromingen in tegengestelde richting ontstaan. Soortgelijke simulaties zijn gebruikt om te verklaren waarom het applaus in de schouwburg zichzelf op een gegeven moment synchroniseert, om het ontstaan van files te analyseren en om regelmaat te ontdekken in de schijnbaar willekeurige manier waarop mensen een veld oversteken.

Het frappante is nu dat de regels van dit soort simulatie als twee druppels lijken op de Vanderwaalskrachten. Moleculen kunnen op maar drie manieren worden georganiseerd: óf ze liggen geordend, óf ze bewegen met elkaar mee, óf ze gedragen zich volkomen chaotisch. Welke organisatievorm optreedt, hangt af van de temperatuur. Is deze laag, dan overheerst de onderlinge aantrekkingskracht van de moleculen en ontstaat een vaste stof; is deze hoog, dan overheerst hun onderlinge afstotingskracht en hebben we te maken met een gas; tussen die temperaturen houden de twee krachten elkaar in evenwicht en is het een vloeistof. De afstotende kracht correspondeert met de wens van wandelaars en spreeuwen om niet tegen elkaar te botsen, de aantrekkingskracht correspondeert met de neiging van vogels om naar het middelpunt van de groep te komen en de neiging van wandelaars om het einde van de straat te bereiken.

We kunnen de analogie verder uitwerken. De overgang van vaste stof naar vloeistof en van vloeistof naar gas is niet geleidelijk maar abrupt, en soortgelijke overgangen doen zich ook voor in het menselijk gedrag. Zouden we in onze computersimulatie voetgangers een voetbalstadion laten binnenwandelen en daar brand laten uitbreken of het aantal bezoekers te ver opvoeren, dan breekt paniek uit en volgt vroeg of laat een moment waarop mensen onder de voet worden gelopen. Van de geordende, vloeistofachtige bewegingen gaat men dus abrupt over in een paniekerige chaos, die doet denken aan de bewegingen van gasmoleculen.

De vanzelfsprekende tegenwerping is dat mensen geen gassen zijn. Er zijn de laatste twintig, dertig jaar echter wel heel veel voorbeelden ontdekt waar de analogie tussen menselijk gedrag en fysische processen lijkt te kloppen. De eerste synthese over het onderwerp, Philip Balls Critical Mass (2004), biedt tientallen analogieën. Of het nu gaat om de keuze van huwelijkspartners, de groei van steden, aandelenkoersen, de keuze tussen samenwerking of concurrentie, criminaliteitscijfers, de organisatie van sociale netwerken of de vorm van bedrijven, er zijn elke keer parallellen tussen menselijk gedrag en de natuurwetenschappen. Zou er één zo’n overeenkomst zijn, dan haalden we onze schouders op; bij vijf raak je geboeid; bij tien denk je dat er iets aan de hand kan zijn; en als de physics of society tientallen parallellen bieden, dan concludeer je dat de analogie inderdaad verhelderend werkt. Anders gezegd, er is een punt waarop we accepteren dat het gedrag van grote groepen mensen is te herleiden tot regels als die van aantrekking en afstoting.

Een mooi voorbeeld is het ontstaan van de allianties die in de Tweede Wereldoorlog tegenover elkaar kwamen staan, zoals in een beroemd artikel beschreven door de Amerikaanse onderzoekers Robert Axelrod en Scott Bennett. Ze gingen ervan uit dat er niet één aantrekkende en afstotende kracht was, zoals in de bovenstaande voorbeelden, maar vijf. Elk land kon zich tot een ander aangetrokken voelen, of juist niet, om economische, etnische, ideologische, religieuze en historische redenen. Dit werd aangegeven als +1 of -1. Een zesde factor waren grensconflicten, die alleen als -1 konden worden aangegeven. Daarnaast werd de macht van elk land berekend aan de hand van zaken als demografie, militaire kracht en bruto nationaal product.

Om het niet te complex te maken, is neutraliteit geen optie en bestaan enkele kleine landen (zoals de Benelux) niet. Uiteindelijk komen er zo zeventien spelers op het bord, met duidelijke voor- en afkeuren en een zekere kracht om deze uit te leven. Deze zeventien spelers konden zich op 65 536 manieren verbinden in twee coalities. De betrokken partijen zijn niet per se gelukkig met de alliantie waarin ze zijn terechtgekomen, dus er is enige frictie, die ook weer in een getal kan worden uitgedrukt. Hoe lager dit getal, hoe stabieler de coalitie. In de afbeelding hieronder zijn alle denkbare allianties uitgezet op een schaakbord van 256 bij 256, met langs de verticale as de mate van frictie. Het blijkt dat slechts twee coalitieparen een redelijke stabiliteit hebben, waarvan er één sterk doet denken aan de coalities die feitelijk hebben bestaan, namelijk die van de Asmogendheden en de Geallieerden.

Coalitiepaar
A
Coalitiepaar
b
Alliantie 1: Groot-Brittannië, Frankrijk, Tsjechoslowakije, Denemarken

Sovjet-Unie

Joegoslavië

Griekenland

 

Alliantie 2: Duitsland, Italië, Polen, Roemenië

Hongarije

Finland

Letland

Litouwen

Estland

Portugal

 

Alliantie 1: Sovjet-Unie, Joegoslavië, Griekenland Alliantie 2: Groot-Britannië, Frankrijk, Tsjechoslowakije, Denemarken

Duitsland

Italië

Polen

Roemenië

Hongarije

Portugal

Finland

Letland

Estland

Litouwen

 

Geallieerden De
As

Coalitiepaar A komt heel redelijk overeen met de feitelijke coalities. De enige landen die niet in de juiste coalitie zijn terechtgekomen, zijn Polen en Portugal. Omdat de kans dat men door toeval op een zó nauwkeurige overeenkomst tussen de berekeningen en de feitelijke situatie uitkomt, minder dan een half procent bedraagt, mogen we aannemen dat de door Axelrod en Bennett geselecteerde variabelen de werkelijkheid redelijk benaderen. Het andere coalitiepaar – heel Europa tegen de Sovjet-Unie met twee bondgenoten – is bovendien geen onwaarschijnlijk alternatief. Het is bekend dat de samenwerking tussen Churchill en Stalin bepaald niet hartelijk was en pas ontstond nadat Hitler had besloten de Sovjet-Unie aan te vallen.


De linker illustratie toont wat er gebeurt als we de twee coalities door de tijd heen volgen. De macht van de twee coalities varieerde immers. In 1936 militariseerde Duitsland het Rijnland opnieuw en sloot het een alliantie met Italië, in 1938 vond de Anschluss van Oostenrijk plaats en annexeerde Duitsland het Sudetenland, in 1939 volgde de bezetting van de rest van Tsjechië. Ook andere landen waren met wisselend succes bezig zich voor te bereiden op een tweede Grote Oorlog. Hierdoor veranderen de getallen voortdurend en varieert de frictie binnen de coalities. We zien dat in 1935 en 1936 beide coalitieparen nog mogelijk waren, maar dat ergens in 1937 een punt werd gepasseerd waarop coalitiepaar B niet langer mogelijk was. Het verdrag dat Rusland en Duitsland in de zomer van 1939 sloten, was gedoemd te mislukken. Het cruciale jaar in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog was 1937.

De rechter illustratie toont een parallel uit de wereld van de natuurkunde. De ontwikkeling van een gas waarop óf de temperatuur óf de druk enorm wordt opgevoerd. Het zou op een bepaald punt moeten condenseren en vloeibaar worden. Het kan echter voorkomen dat dit niet gebeurt en een gas zijn vorm bewaart onder omstandigheden waaronder het eigenlijk een vloeistof had moeten zijn. Het is metastabiel. Rechtsonder op het rechter plaatje zien we die situatie, waarin beide vormen mogelijk zijn; verhogen we de druk en bewegen we op het plaatje naar linksboven, dan zien we dat de kans dat het een gas blijft, afneemt – de rechter vallei wordt minder diep – en tot slot verdwijnt. Bij een zeer hoge druk verandert een metastabiel gas in een vloeistof. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is hiermee analoog.

Deze manier om te kijken naar coalitievorming is verbluffend en de toepasbaarheid in de oudheidkunde staat buiten kijf. Een voorbeeld is de diplomatieke geschiedenis van de Griekse stadstaten na de Vrede van Nikias in 421 v.Chr. of in de aanloop naar de Korinthische Oorlog in 395. Het zou mooi zijn geweest als we de verklaringswijze aan de hand van dit oudheidkundige voorbeeld hadden kunnen uitleggen, maar oudheidkundigen hebben deze kans op theoretische innovatie tot nu toe niet benut.

Als verklaring geven oudheidkundigen wel dat deze verklaringswijze nog zo nieuw is, maar dat is beneden het peil dat we van ze mogen verwachten. Eeuwenlang hebben oudheidkundigen in de wetenschappelijke voorhoede gelopen. De tekstkritiek van Poliziano leidde via Erasmus tot de Reformatie. Het vaststellen van de juiste chronologie van het verre verleden vormde de aanzet tot de secularisering van het wereldbeeld. De ontdekking van de verwantschap tussen talen bepaalt hoe we tegenwoordig kijken naar de verwantschap tussen de volken. De Lachmannmethode beïnvloedde de evolutieleer en de archeologen schonken de mensheid haar Prehistorie. Als vernieuwing dit keer te nieuw is, berusten de oudheidkundigen in feite in een zesjescultuur.

13 gedachtes over “Physics of Society

  1. M.Nieuweboer

    Het argument dat mensen geen gassen zijn is heel slecht. Bij statistische benaderingen gaat het om grote aantallen en dan hoeft er geen verschil te zijn tussen een gas en een mensenmassa. Bij Brownse bewegingen en dergelijke spelen de individuele eigenschappen van moleculen evenmin een rol.
    Van een geisoleerd molecuul in een vacuum is het zinloos te stellen dat het vast, vloeibaar of gasvormig is.

    1. Klopt. Dat ik het als een serieus te nemen tegenwerping opvoer, is omdat ik mijn hele boek heb geschreven voor mensen die niet vertrouwd zijn met geschiedtheorie. Die opmerking over de gassen heb ik verschillende keren gehoord; concluderend dat dit blijkbaar een vaak gemaakte tegenwerping is, heb ik haar maar beantwoord. Voor intelligente lezers moet het storend zijn.

  2. Hartelijk dank voor het interessante artikel. Ik heb het boek van Ball direct besteld. Op de site van studium generale Utrecht (www.sg.uu.nl) zijn de lezingen van dit voorjaar, die deels gingen over dit onderwerp, terug te zien.

    Het landen voorbeeld (of de weergave ervan) vind ik minder sterk:
    In ieder geval Spanje, Noorwegen, Zweden, Turkije, Bulgarije (lijken te) ontbreken;
    De Sovjet-Unie, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije ieder als 1 land te beschouwen lijkt mij mij niet vanzelfsprekend.

    Mij zegt het voorbeeld dan ook niet meer dan “als ik mijn model zo inricht, dan is de uitkomst in dit geval een aardige benadering van de uitkomst die daadwerkelijk optrad”. Los van de vraag of die uitkomst objectief vast te stellen is.

  3. De tegenwerping dat de variabelen z’o gekozen zijn dat de uitkomst eruit volgt, snijdt houit. Het is natuurlijk inherent aan elke modelconstructie. Overigens begreep ik dat Axelrod c.s. een redelijke selectie maakten (Spanje dus niet omdat het neutraal was, Joegoslavië als één land, enz.) en aan het werk zijn getogen. Daarna stelden ze verbaasd vast hoe goed het uitpakte.

    De waarde van het voorbeeld zelf interesseert me overigens minder dan de constatering dat oudheidkundigen dit model niet toepassen en reageren met “het is nog zo nieuw allemaal”. Zoals ik al zei: een van ’s werelds mooiste vakgebieden is ontaard tot een zesjescultuur, en niemand kan zó onwetenschappelijk zijn dat hij niet weet waarvoor de laatste jaren de Nobelprijzen zijn gegeven.

    1. Erik Warmelink

      “Spanje *dus* niet omdat het neutraal was”

      Vooral dat “dus” staat me tegen. In Spanje was een regering aan de macht die zonder de steun van (Nazi-)Duitsland en (fascistisch) Italië mogelijk niet eens de regering zou zijn. Dat Spanje neutraal bleef, vraagt om een verklaring. Dat je dan “verbaasd” bent, lijkt me onwaarschijnlijk; je hebt Spanje immers bewust weggelaten omdat het niet aan je model voldoet.

  4. Heel boeiend Jona, maar ik heb nogal wat vragen en opmerkingen hierover. Als je wilt, zet ik ze op schrift voor je. En ik ben er van overtuigd dat het veel beter kan.

    Ik geniet trouwens van de Mainzer Beobachter

  5. Hans Koonings

    Jona, ik heb meerdere boeken van je gelezen en volg met kloppend hart de Mainzer. Het lukt mij echter niet om de physics of society aan anderen (of mezelf) uiteen te zetten zonder dat het wordt weggehoond als kwak (okee, kwantificeerbare kwak). Waarom gaan jouw haren hiervan dan niet recht overeind staan? Wat zie jij dat niemand ziet?

    Kun je studies noemen waarin deze methode tot serieus resultaat heeft geleid?

    Excuses dat ik je hiermee lastig val. Ik vind dit onderdeel zo moeilijk te rijmen met de rest van je werken.

    1. Vraag degenen die het afdoen als kwakgeschiedenis eens of ze de andere verklaringsmodellen kunnen typeren. Of vraag of ze de voordelen van het vergelijkend-oorzakelijke verklaringsmodel boven de traditionele hermeneuse kunnen noemen. Neem van mij aan: dan volgt er een diepe stilte of wat gestamel. De veroordeling komt doorgaans voort uit onvoldoende kennis van de geschiedtheorie. Ik zou het boek van Ball lezen, dat is momenteel de beste inleiding.

      1. Hans Koonings

        Dankjewel! Ik gahet boek van Ball lezen, hopelijk met net zoveel plezier als De Klad in de Klassieken. Ik zal je niet verder vervelen met mijn twijfels (zoals mijn 600 bedenkingen bij De Zwerm). Ik geniet echt van je stukken hier op Internet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s