Populariseren in 2000 en 2012

edge_of_empire

[Op zondag 11 november vond in het Valkhofmuseum in Nijmegen de Romeinenmeeting plaats, waar Arjen Bosman en ik ons boek Edge of Empire ten doop mochten houden. Dat er nu drie versies zijn van hetzelfde boek, bood de gelegenheid te kijken hoe wetenschapspopularisering in ruim twaalf jaar is veranderd. Samenvatting: er zijn meer doelgroepen en als de oudheidkundige disciplines de hoogopgeleiden blijven negeren, werken ze wetenschapsscepsis in de hand.]

Dit is dus de Engelse vertaling van het twee jaar geleden verschenen boek De rand van het Rijk, dat op zijn beurt een totaal vernieuwde versie was van De randen van de aarde uit 2000. En dit is dus een boekpresentatie. Zo’n presentatie bestaat meestal uit een spreker die u met gemeenplaatsen verveelt, een eerste exemplaar dat wordt overhandigd, een fotograaf die voor u in beeld gaat staan en iemand die u verveelt met nog wat meer gemeenplaatsen.

Dat wilden Arjen en ik u niet aandoen; liever gaven we u een inhoudelijk verhaal. Een geschikt onderwerp diende zich als vanzelf aan: hoe legde je in 2000 de wetenschap uit aan de burger en hoe doe je dat nu? Ik gebruik de drie boeken als voorbeeld.

1.

Eerst wat oppervlakkige verschillen. De titels De randen van de aarde. De Romeinen tussen Schelde en Eems (2000) en De rand van het Rijk. De Romeinen en de Lage Landen (2010) geven alleen een geografische en tijdelijke beperking aan en suggereren dat alle aspecten van de Nederlandse samenleving in de Romeinse tijd werden behandeld. Een synthese dus. De titel van de, behoorlijk sterk aangepaste, Engelse vertaling, Edge of Empire. Rome’s Frontier on the Lower Rhine, heeft daarentegen een focus op het militaire aspect. De simpele verklaring is dat de huidige uitgever, Karwansaray, zich richt op krijgsgeschiedenis. We hebben de tekst met wat militaria uitgebreid, maar u kunt ook in deze versie nog lezen over het leven op de terpen, de cultus van Nehalennia en andere civiele zaken.

Een ander verschil is dat het boek steeds mooier wordt geïllustreerd: een boek met vier grijze landkaarten uit 2000 is via een deels in kleur geïllustreerd boek uit 2010 veranderd in een complex full color-boek. Opnieuw is de verklaring simpel: vormgevers hebben in twaalf, dertien jaar steeds meer middelen ter beschikking gekregen en drukken kan nu goedkoper.

Sommige inhoudelijke verschillen zijn even eenvoudig te verklaren. Er is veel informatie bij gekomen en van sommige oude theorieën staat nu vast dat ze onjuist zijn. Voortschrijdend inzicht dus. Was de versie uit 2010 al aangepast voor wat betreft (bijvoorbeeld) de beschrijvingen van de Duinkerketransgessies, het stichtingsjaar van Nijmegen of het schrijfplankje uit Tolsum, in de versie uit 2012 is de laatste theorie verwerkt over de plaats waar Julius Caesar de Aduatuci versloeg.

2.

Het echte verschil is echter dat we nu meer weten over de complexiteit van de doelgroep. Nu was die op zich ook wel bekend toen ik in 1999 De randen van de aarde schreef. Eén aanleiding om destijds in de pen te klimmen was dat archeologen hadden gezegd verbaasd te zijn dat op het slagveld in het Teutoburgerwoud, waar de Germanen in 9 de Romeinen versloegen, geen bomen hadden gestaan, wat ze hadden verwacht in een woud. Het probleem is dat dit niet staat in de relevante bron, de anonieme auteur wiens geschiedwerk is gebruikt door de Romeinse historicus Tacitus. Gelukkig kunnen we achter Tacitus zien dat de anonymus het woord saltus gebruikte, wat een vrij brede betekenis heeft, en niet silva, “woud”. Dat Tacitus dit gebruikt, is slechts zijn woordkeuze, en die is minder belangrijk dan die van het origineel. Ten opzichte van de anonieme bron is Tacitus’ woordkeuze, zoals historici het noemen, elimineerbaar. Dit simpele punt was al bekend in de negentiende eeuw, en als archeologen verbaasd waren dat het pollenonderzoek niet duidde op bomen, bewijst dit vooral dat ze niet wisten hoe ze een antieke tekst moesten interpreteren.

Dit was voor mij dus de aanleiding om archeologen te laten zien dat je bronnen nooit helemaal serieus mocht nemen. Tegelijk wilde ik algemeen historici laten zien dat de geschiedenis van ons land echt al begon in de Oudheid en niet pas ergens in de Middeleeuwen. Tot slot wilde ik classici tonen dat tekstuitleg onmogelijk is zonder kennis van het archeologische materiaal. Ik wilde, met andere woorden, verschillende vakterreinen, verschillende doelgroepen met elkaar in verband brengen. Dat leek me vrij nuttig.

Alleen vergat de uitgever het als recensie-exemplaar op te sturen naar de archeologische vaktijdschriften, iets wat tien jaar later opnieuw gebeurde met De rand van het Rijk. Dat is geen toeval. De betrokken uitgeverijen, eerst Ambo en daarna Athenaeum, richten zich niet op de archeologische markt maar op een publiek dat de Griekse en Romeinse klassieke teksten wil kennen, en weinig belangstelling heeft voor iets dat niet erkend-klassiek is. Athenaeum heeft bijvoorbeeld verschillende teksten van de buitengewoon geestige Griekse auteur Lucianus geprobeerd op de markt te brengen, maar het publiek wilde er om een of andere reden niet aan. Was deze kleine stap al te groot, dan was die naar archeologie veel te groot, al heb ik het idee dat die in 2010 minder te groot was dan in 2000.

Zal deze verdeeldheid ooit verdwijnen? Ik vrees van niet. De hardnekkigheid waarmee universiteiten ieder jaar weer oproepen tot interdisciplinariteit bewijst dat ieder voorafgaand jaar onvoldoende is bereikt. Studenten hebben nu nog maar vier jaar de tijd om te studeren – dat was in mijn tijd zes, terwijl eigenlijk zeven of acht jaar nodig is – en kunnen die tijd, door de opgedrongen OV-kaart en de noodzaak een baantje te zoeken, lang niet zo efficiënt indelen als rond 1990. Archeologen leren geen Latijn meer, geschiedtheorie blijft onbekend aan classici. Ik zag een tijdje geleden de profielschets voor een hoogleraar oude geschiedenis: die moest drie oude talen kennen, maar graafervaring was geen vereiste. Er zal nog heel veel jaren worden gestreefd naar interdisciplinariteit, en het zal nog heel veel jaren te weinig opleveren.

3.

Het eerste probleem rond de doelgroepen is dus dat classici en oudhistorici nog steeds te weinig weten van archeologie en dat archeologen te weinig weten van teksten en geschiedtheorie. Er is echter nog een ander doelgroepenprobleem, dat in de journalistiek welbekend is: er wordt namelijk wat afgeklaagd over het versnipperende, fragmenterende, verscheurde, desintegrerende, uiteenvallende, verdeelde publiek – ik noem maar wat termen die ik zojuist in de trein bij elkaar googlede. De oudheidkundige vakgebieden hebben zich hier nog nauwelijks rekenschap van gegeven. De bekende popularisator Fik Meijer gaf eens aan te schrijven voor “the general reader”. Maar die is er niet meer en we zullen nieuwe strategieën moeten ontwikkelen om over de Oudheid te spreken, analoog aan wat in andere wetenschappen gebeurt. Het initiatief om het Romeinenfestival om te zetten in de algemenere organisatie RomeinenNU kan ik alleen maar toejuichen.

Hoe is de doelgroep gefragmenteerd? Een eerste vorm van versnippering noem ik gemakshalve laag- of hoogopgeleid. Eén van de belangrijkste demografische verschuivingen in de laatste kwart eeuw is de toename van het aantal mensen dat een HBO- of universitaire studie afrondt. Dit komt voor een deel door gezond middelbaar onderwijs, en voor een deel doordat vrouwen hun achterstand inhalen. Vooral in dit laatste geval is er de laatste tien, vijftien jaar enorme vooruitgang geboekt. Voor de oudheidkunde specifiek is de groei van het aantal re-enactors, de zo zoetjesaan op propaganda lijkende voorlichting over de limes en de groei van het aantal gymnasiasten – gymnasiasten die weliswaar minder taalkennis hebben dan vroeger, maar de inhoud van de tekst beter doorgronden.

De gevolgen zijn ernaar. De popularisator kon er in 2000 nog van uitgaan dat het grootste deel van zijn publiek niet meteen belangstelling had voor het archeologisch, filologisch of historisch handwerk. Men wilde vooral de feiten horen. Aan hen dacht ik toen ik De randen van de aarde schreef. In 2012 heeft echter ongeveer een derde van het publiek (en de helft van de schoolverlaters) een aanzienlijke voorkennis en moeten we rekening houden met twee groepen. De wetenschappers zijn hun werk echter niet anders gaan uitleggen. Ik zal zo meteen vertellen hoe Arjen en ik hiermee zijn omgegaan toen we de De rand van het Rijk schreven.

4.

Een tweede vorm van versnippering is de bereidheid de wetenschap te geloven. Hoewel de meeste mensen vertrouwen hebben in de wetenschap, zijn er twee verontrustende tegenbewegingen. Vanouds kennen we pseudowetenschappen: de theorieën van Von Däniken, het idee dat Archimedes met spiegels Romeinse schepen in brand kan hebben gestoken, de mysterieuze piramidekrachten of de planeet Niburu. In 2000 meende ik nog dat de taak van de popularisator was dit soort misverstanden te bestrijden, al deed ik dat meer op mijn website Livius.org dan in De randen van de aarde. Achteraf zie ik dat ik een redenatiefout maakte. Pseudowetenschap trekt, doordat het in haar absurditeit zo opvallend is, de aandacht, maar dat wil niet zeggen dat ze representatief is.

Dit weet ik uit de mail die ik voor mijn website ontvang. Ik heb die enkele keren doorgevlooid, de laatste keer in jongstleden maart, toen ik sprak op een bijeenkomst van de Vereniging Wetenschapsjournalisten in Nederland en het Platform Wetenschapscommunicatie. Ik heb in totaal zo’n 4300 mailtjes doorzocht, en kan u verzekeren dat pseudowetenschap nauwelijks een rol speelt bij de lezers van Livius.org, waarvan ik verder weet dat ze merendeels wat ouder zijn en zowel laag- als hoogopgeleid zijn.

Wat wel een rol speelt, is wetenschapsscepsis. Hier gaat het om een intens wantrouwen tegen het universitaire bestel in het algemeen. Ik krijg mailtjes over alleszins respectabele geleerden, die de vreselijkste verwijten krijgen. Soms terecht, dat wel, maar het gaat me nu minder om de juistheid van de verwijten dan om het feit dat men niet langer gelooft dat de universiteiten voldoende wetenschappelijk zijn.

Relevant is dat wetenschapssceptici vaak vertrouwen op online informatie, zonder zich er bewust van te zijn dat bad information drives out good. Bovendien herkennen ze het verschil niet tussen goede historici en kwakhistorici, m.a.w., tussen mensen met en zonder geschiedtheoretisch inzicht. Nationalisten en religieus-fundamentalisten zijn voorbeelden, maar ik heb onlangs weer een boek gerecenseerd van een classicus die onvoldoende wist van historische bewijsvoering.

Relevant is verder dat wetenschapssceptici vaak hoogopgeleid zijn. Ze verlangen wel degelijk naar kennis, zoeken die ook – helaas online en zonder begrip van de geschiedtheorie – en hebben, wanneer je navraag doet, vaak een reden om de universiteiten te wantrouwen. Hun argwaan is niet op lucht gebaseerd, ze hebben vrijwel zonder uitzondering een reële fout gezien. Deze blogger weet bijvoorbeeld haarfijn weet uit te leggen hoe een Duitse onderzoeksschool kon ontsporen. In dit geval is de scepsis dus gewoon terecht – en dat is op zich een veeg teken – maar in veel gevallen slaan de sceptici door.

Is wetenschapsscepsis dus het terrein van hoogopgeleiden, pseudowetenschap blijkt meer voor te komen bij laagopgeleiden. Over het volgende schema heb ik wat reserves gehad, maar ik raak ik er steeds meer van overtuigd dat het wel ongeveer klopt.

Lage
opleiding
HBO+
Positief Laag
populariseerniveau
Hoog
populariseerniveau
Negatief Pseudowetenschap Wetenschapssceptici

5.

Ik denk dat het verschil tussen populariseren in 2000 en in 2012 is dat er meer aandacht is gekomen voor de groep rechtsboven. En dat is terecht. De groep linksboven wordt immers redelijk bediend en het belang van de groep linksonder is verwaarloosbaar. De groep rechtsboven is echter de ideale tussenschakel tussen de wetenschap en de burger. Het zijn mensen die meedenken en positief zijn, en die ook zelf een rol kunnen spelen in de kennisoverdracht. Sterker nog, hier op de Romeinenmeeting zijn nogal wat van die mensen. Als deze groep echter niet adequaat wordt geïnformeerd, gaat ze zelf op zoek naar kennis, raakt ze op het internet – bad information drives out good – op de hoogte van de verkeerde zaken en gaat ze over in de groep rechtsonder.

Dit is het voornaamste verschil tussen de situatie in 2000 en die van vandaag, en ik was blij in een recent advies van De Jonge Akademie, Tussen onderzoek en samenleving, de goede raad tegen te komen vooral uit te leggen hoe kennis tot stand komt. Op het gevaar af te klinken als de man die in de kroeg roept dat ’ie iets al jaren zegt: ik zeg dit al jaren. Ik kan zo snel vinden dat ik het in 2007 heb gezegd toen ik met Govert Schilling en Marcel Hulspas deelnam aan een paneldiscussie over populariseren. We moeten de geschiedtheorie uitleggen, we moeten het filologisch handwerk uitleggen, we moeten de vondstinterpretatie uitleggen.

Gelukkig is daarvoor de situatie nog nooit zo gunstig geweest als nu. Doordat steeds meer vondsten worden getoond bij de plaats waar ze zijn opgegraven – ik denk aan het Woerdens drive-in museum – ontstaat de mogelijkheid die Arjen en ik beschrijven in het nawoord van ons boek, dat musea zich kunnen richten op de keuzes. In Nederland wordt momenteel elk stuk Romeins wrakhout geconserveerd en tentoongesteld. Ze worden nu eenmaal gevonden in de Rijn, de Rijn is de limes en de limes staat voor internationale projecten, die bureaucratisch (terecht) een streepje voor hebben. Ondertussen zijn de scheepswrakken uit de IJsselmeerpolders, die zo mooi de groei van Holland naar de commerciële wereldheerschappij in de Gouden Eeuw documenteren, onvoldoende onderzocht. Er is best iets te zeggen voor de keuze internationale geschiedenis te laten prevaleren boven de vaderlandse, maar leg het wel uit. Dat zouden musea goed kunnen doen.

Een ander voorbeeld van hoe het zou kunnen, biedt het oeuvre van Gé de Vries, een historicus die zich bezighoudt met de Romeinse keizertijd en in boeken als Pogrom in Alexandrië niet alleen twee antieke teksten in vertaling aanbiedt, maar deze ook uitstekend inleidt én voorziet van een uitgebreid nawerk van alle andere voor het onderwerp relevante teksten. Het boek is helaas niet meer leverbaar, maar het is dé standaard. Een ander voorbeeld is de debatrubriek in Ancient Warfare, waarin de voornaamste auteur, Duncan Campbell, met merkbaar genoegen zin en onzin scheidt en toont hoe wetenschap werkt: als een discussie. Geen “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen” dus, maar “dit zijn de feiten en zo zijn we eraan gekomen”.

6.

Hoe hebben Arjen en ik de filologische, de archeologische en de historische methoden uitgelegd in De randen van het Rijk of Edge of Empire, en hoe onderscheidt het boek zich van De randen van de aarde?

Het belangrijkste zie je het makkelijkst over het hoofd: dat het boek nu twee auteurs heeft. En het hadden er eigenlijk twaalf moeten zijn, want de wetenschap is even versnipperd, gefragmenteerd, uiteengevallen en verdeeld als het publiek, en de oproep tot interdisciplinariteit klinkt al zo lang dat het geen al te wilde speculatie is dat het wel bij oproepen zal blijven. Het idee van Rens Bod om één Nederlandse, er wél toe doende faculteit der geesteswetenschappen op te richten, of mijn eigen utopie van één Instituut voor Vroeg-Europese Studies, zullen wel altijd precies dat blijven: een idee en een utopie. Tenzij dat verandert, moeten boeken als dit worden geschreven door teams.

Andere verschillen tussen de versie van 2000 en de versies van 2010 en 2012 wil ik illustreren aan de hand van, opnieuw, de slag in het Teutoburgerwoud. Zoals ik al zei moeten we het filologisch handwerk, de geschiedtheorie en de wijze van vondstinterpretatie uitleggen. Een voorbeeld van het filologisch handwerk heb ik zojuist al gegeven, toen ik vertelde dat we voorbij Tacitus’ gebruik van het woord silva, “woud”, moeten kijken naar het veel minder specifieke saltus in zijn bron. In 2000 achtte ik dat niet noodzakelijk, nu denk ik dat dit soort zaken centraal moeten staan. Niet alleen omdat je zo iets meer toont van de waarheid, maar ook omdat je de lezer zo iets van de puzzel én van de ontdekkingsvreugde kunt tonen. Wetenschap is immers ook het genot van de aha-erlebnis, en er is geen reden waarom we die aan het publiek zouden onthouden.

Een ander voorbeeld. In de oorspronkelijke versie nam ik in feite de conclusie over van de tweede-eeuwse auteur Florus, die zijn verslag samenvat met de volgende woorden:

Door deze nederlaag kwam het imperium, dat aan de stranden van de Oceaan geen halt had gehouden, tot stilstand aan de oevers van een rivier, de Rijn. (Florus, Epitome 2.30.38-39)

Dit is echter een tweede-eeuwse tekst, geschreven na de legerhervormingen van keizer Claudius, die lijken te hebben samengehangen met het ontstaan van de Rijn-limes. Ik stel nu de vraag of deze tekst wel mag worden gebruikt als argument om van de slag in het Teutoburgerwoud te zeggen dat ze beslissend is. In Edge of Empire wijzen Arjen en ik erop dat de enige contemporaine bron voor de veldslag, Velleius Paterculus, expliciet ontkent dat het Imperium aan de Rijn tot stilstand kwam, terwijl ook Tacitus schrijft dat althans sommige verliezen ongedaan werden gemaakt. Verder wijzen Arjen en ik erop dat het archeologische materiaal, dat duidelijk had kunnen maken of de Romeinen na de slag in het Teutoburgerwoud de rechter Rijnoever ontruimden, eigenlijk onbruikbaar is, omdat alle Romeinse vondsten in Germania lange tijd allemaal automatisch voor dat gevecht zijn gedateerd. Zo hopen we de lezer meer bij de puzzel te betrekken.

We hebben meer aandacht besteed aan de inmiddels bekende loodbaar uit Tongeren, waarvan de inscriptie lijkt te suggereren dat de Romeinen ná de slag in het Teutoburgerwoud, namelijk tijdens de regering van keizer Tiberius, in elk geval de loodmijnen van het Taunusgebergte in handen hadden. We wijzen erop dat de inscriptie weliswaar ook kan slaan op loodwinning in de Eifel, maar dat dit gebied al tijdens Tiberius Germania zou hebben geheten, valt – voor zover mij bekend – niet te bewijzen. Het is een hulphypothese om te verhinderen dat de loodbaar gaat gelden als bewijs dat de rechter-Rijnoever niet zou zijn ontruimd. Plausibel wellicht, maar toch: slechts een hulphypothese. Zou ik het boek nu schrijven, ik zou eraan toevoegen dat de hulphypothese op grond van het scheermes van Ockham dient te worden opgegeven. Dus dat is iets voor de versie van 2020.

Verder hebben Arjen en ik terloops gewezen op de bizarre redenatiefout die ten grondslag ligt aan de aanname dat de slag in het Teutoburgerwoud belangrijk zou zijn. We hebben er vier bronnen over, maar dat wil nog niet zeggen dat het zou gaan om een belangrijke gebeurtenis. Dat veronderstelt immers dat de auteurs van onze bronnen de belangrijkste feiten kenden en hebben opgeschreven, en dat vervolgens alleen de teksten over de belangrijke gebeurtenissen zijn overgeleverd en teksten over onbelangrijke gebeurtenissen niet. Maar waarom zou er niet iets heel belangrijks kunnen hebben gestaan in de grote lacune in Tacitus’ Annalen?

We hebben in Edge of Empire niet verder gespeculeerd, maar ik vraag me inmiddels af of we niet een stap verder hadden moeten gaan. Hadden we er bijvoorbeeld op kunnen wijzen dat in die lacune Caligula’s Germaanse campagne was opgenomen? Hadden we kunnen speculeren over een nederlaag en een ontruiming van de oostelijke Rijnoever rond 40? Ik weet het niet.

Het laatste wat we nu over de veldslag zeggen, is niet het citaat van Florus, maar een opmerking van een hedendaagse archeoloog in een van de mooie catalogi bij de exposities over de slag in het Teutoburgerwoud van drie jaar geleden:

Es ist falsch die Varusschlacht als historischen Wendepunkt aufzufassen, wie dies geschichtswissenschaftlich Unkundige gerade in diesen Tagen wiederholt propagieren. (P. Kehne)

7.

Tot slot nog één vraag. Waarom zou je eigenlijk populariseren voor hoogopgeleiden? Ik noemde al een argument: om te verhinderen dat die zich afwenden van de wetenschap en vervallen tot overdreven wetenschapsscepsis. Ik zei ook dat er geen reden is om het plezier van het onderzoek niet zoveel mogelijk te delen, de ontdekkingsvreugde, de aha-erlebniss. Maar er is nog een reden. Hoe kan iemand weten dat er zoiets bestaat als een archeologische, een historische of een filologische methode, als wij dat zelf niet duidelijk aangeven?

De kersttijd nadert alweer, en ik geef u op een briefje dat we ook deze december weer kunnen genieten van astronomen die alle traditionele regels van de wetenschap begrijpen maar die, als ze mogen spreken over de vraag wat de Ster van Betlehem kan zijn geweest, ineens de Bijbel letterlijk nemen op een wijze waar een evangelische christen zich voor zou schamen. Die overweegt namelijk wél dat de evangelist een beeldspraak gebruikt en verwijst naar een beroemde joodse profetie. Ook dit jaar zal eindigen met een hoop desinformatie over de oude wereld, overgenomen door de media – domweg en alleen omdat oudheidkundigen niet duidelijk genoeg hun eigen handwerk uitleggen.

Wat andere wetenschappen kunnen, kunnen ook de oudheidkundige disciplines: een gedifferentieerder aanpak van het populariseren. En wat zo leuk is: dat is ook mogelijk. Het internet biedt diverse mogelijkheden en als we het hebben over boeken, is het voor vormgevers nog nooit zo eenvoudig geweest als nu om kaders in een tekst aan te brengen. Ik beweer niet dat Edge of Empire het perfecte boek is, en ik weet dat ook Arjen daar zo over denkt. Het kan altijd beter, en ik ben blij dat we op deze Romeinenmeeting hierover met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

Als het boek zélf u interesseert, dan bestelt u het daar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s