Een muntschat uit Reims

Muntschat (Musée Saint-Remi, Reims)

Als u zegt dat het plaatje hierboven er niet heel spectaculair uitziet, dan hebt u gelijk. Het ziet er niet heel spectaculair uit. En eigenlijk is het ook niet zo spectaculair. Maar toch: het gaat om een Romeins kruikje, gevonden in de buurt van Reims, waar niet minder dan 280 zilverstukken in zaten. Ze dateerden uit de tijd van keizer Vespasianus (r.69-79) tot en met Gallienus (r.253-268) en de jongste munt was geslagen in 258 of het jaar erna. Die jongste munt is belangrijk, aangezien ze een aanwijzing is voor het moment waarop het geld is begraven.

U kunt zich het scenario voorstellen: iemand bracht, om hem of haar moverende redenen, zijn spaargeld in veiligheid en begroef het op een plek waar hij het kon terugvinden. De waarde is niet helemaal vast te stellen, want in de derde eeuw n.Chr. was de inflatie erg hoog, maar het moet gaan om een aanzienlijk kapitaal. De eigenaar is echter nooit terug gekomen om het op te halen.

Lees verder “Een muntschat uit Reims”

Livius Nieuwsbrief | April 2018

Dit is de 151e aflevering van de Livius Nieuwsbrief met nieuws over de Oudheid. Ruim 7000 abonnees ontvangen de nieuwsbrief elke maand gratis; voor adreswijzigingen en afmeldingen volstaan uitsluitend mailtjes naar nieuwsbrief@livius.nl.

Jona Lendering (redactie)

======================================

WEEK VAN DE KLASSIEKEN, ROMEINENWEEK

De Week van de Klassieken is inmiddels begonnen, met als thema “Wat is wijsheid?” U leest er hier alles over. Eind deze maand is de Romeinenweek, waarover u daar alles leest. En als u wil weten waarom het dubbel moet, dan vindt u de verklaring hier.

Om althans een brug te slaan tussen de twee evenementen, vindt in het Rijksmuseum van Oudheden “Oog op de Oudheid” plaats, dat aanstaande dinsdag van start gaat. U kunt nog inschrijven: daar. Het belooft echt goed en interessant te worden.

Lees verder “Livius Nieuwsbrief | April 2018”

Masada

De belegeringsdam van Masada

Bij het besturen van hun provincies werkten de Romeinen traditioneel samen met de oude lokale elites, die enerzijds het prestige hadden om hun onderdanen te bewegen Romeinse bestuursmaatregelen te aanvaarden en anderzijds op Romeinse steun waren aangewezen om aan de macht te blijven. Meestal koketteerden de notabelen met hun vriendschap met de machthebbers en namen ze de uiterlijke vormen van de romanisering al snel over: de Bataafse leider Kivilaz noemde zich trots Julius Civilis. Wie hogerop wilde, volgde het voorbeeld van de lokale elite, en binnen een generatie of twee, drie kon een gebied onherkenbaar veranderd zijn.

De Joodse Oorlog die in 66 n.Chr. begon, toont dat het mechanisme ook weleens faalde. De elite die de Romeinen in 6 n.Chr. had verwelkomd was de Romeinen behulpzaam geweest, maar een ongebruikelijk hoge belastingdruk had de gewone mensen doen verarmen en tot onrust gebracht. Daar kwam nog bij dat de Joodse godsdienst het mogelijk maakte klachten te verwoorden op een religieuze wijze die door de Romeinen niet werd begrepen: messianisme, eschatologie, apocalyptiek. Na de verwoesting van Jeruzalem moest de pacificatie opnieuw beginnen, en er was vrijwel geen elite meer om mee samen te werken.

Lees verder “Masada”

Tayma

Inscriptie uit Tayma: “Geplaatst door Sasag, de zoon van Abdosiris, de zoon van Qursan”.

De Tayma-oase ligt in het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië, langs de handelsroute die ooit van Yathrib (Medina) en Khaibar leidde naar de Duma-oase en Mesopotamië. Oeroude qanats (ondergrondse waterleidingen) en de stenen die ooit de velden afbakenden, duiden op een landbouweconomie die vrij complex was.

Archeologen vonden ook “Qurayya painted ware”, een type aardewerk dat in het laatste kwart van het tweede millennium v.Chr. is vervaardigd. Het wijst op handelscontacten die reikten tot in de Araba, de vallei op de grens van Jordanië en Israël tussen de Dode Zee en de Rode Zee. De Taymanieten hebben misschien dadels, aluin en steenzout verkocht en zullen daarvoor wel koper terug hebben gekregen. Een inscriptie met de naam van koning Ramses III (r.1184-1152) bewijst dat ook Egyptische kooplieden Tayma wisten te vinden

Lees verder “Tayma”

Een Arabisch eerstelingenoffer

Inscriptie over een eerstelingenoffer (Louvre, Parijs)

Het huidige Jemen is een van die gebieden uit de oude wereld waar je meer over zou willen weten. De Grieken en Romeinen noemden het “het gelukzalige Arabië” omdat ze meenden dat het spreekwoordelijk rijk was. Hier kwamen immers de karavanen met wierook vandaan. En bijzonder was het gebied inderdaad. De bewoners hadden dammen gebouwd die het water reguleerden, kenden steden en handelden in geurstoffen. De vaak als nederlaag getypeerde campagne die keizer Augustus die kant opstuurde, had wel degelijk een voor de Romeinen positief resultaat: de zeeroute naar de Indische Oceaan werd geopend.

Ik zal er nog eens over bloggen, voor het moment de bovenstaande inscriptie uit Timna, de hoofdstad van het koninkrijkje Qataban. Ze dateert uit de eerste eeuw n.Chr. en ik fotografeerde haar in het Louvre in Parijs. De tekst is kort maar wel aardig.

Lees verder “Een Arabisch eerstelingenoffer”

Alles van waarde is kwetsbaar (5)

We moeten het beste er maar van hopen. Wie weet komt er nog eens een feniks uit het vuur. (Gevelsteen, Sint-Luciënsteeg, Amsterdam)

De culturele sector is verward. Ik heb hierboven beschreven wat het einddoel is en wat nodig is om dat te bereiken, dat we dat niet halen en hoe dat komt. Hetgeen me brengt bij de samenvatting en een prangende vraag:

Voel ik me niet een beetje belachelijk dat ik vasthoud aan een ideaal dat onhaalbaar is?

Als ik mag samenvatten: er is iets waardevols aan het verdwijnen. Hoewel ik schrijf over de oude wereld en sommige problemen (zoals het feit dat de limes-organisaties alles verdubbelen) specifiek zijn voor mijn vak, denk ik dat een ander deel van wat ik heb verteld valt te generaliseren naar de gehele culturele sector en humaniora. Volgens mij hebben alle betrokkenen te maken met een reeks zo niet identieke dan toch vergelijkbare of in elk geval herkenbare problemen.

  1. Verlies van focus: de humaniora zijn er om je eigen denkbeelden te contextualiseren. Dat kan op allerlei manieren en hoeft niet iedere seconde centraal te staan, maar we moeten er wel op terug blijven komen.
  2. Een aanbod dat is gericht op het scheppen van belangstelling zonder dat er aanbod is dat die belangstelling rechtvaardigt. Anders gezegd, het ontbreekt aan een opbouw van de informatie, waardoor mensen er niet achter kunnen komen waar het feitelijk om draait. Hierdoor raken juist de meer geïnteresseerde mensen ervan overtuigd dat er geen diepgang is en werkt het aanbod averechts.
  3. Het ontbreken van proactieve bestrijding van wetenschapsscepsis (de “tweede lijn”)
  4. Als oorzaken van dit alles: interne verdeeldheid, de al sinds de jaren tachtig te korte opleidingen, afhankelijkheid van partijen met andere belangen (boekenbranche) of zonder veel inzicht (limes).
  5. Wetenschapsjournalisten die niet goed weten wat ze ermee moeten.

Ik vrees dat het laatste het belangrijkste is. Journalisten zijn een multiplier, die een signaal versterken en dus belangrijk zijn om een onderwerp over het voetlicht te krijgen. Als de journalistiek echter niet goed weet waar het echte nieuws zit, kan ze het verkeerde beeld versterken. Dat is met de Oudheid het geval.

Zoals ik beschreef zijn er twee vicieuze cirkels. Enerzijds besteden de media betrekkelijk weinig aandacht aan de humaniora omdat ze er weinig vertrouwd mee zijn, maar doordat het weinig aandacht krijgt, raken journalisten er ook niet mee vertrouwd. De eerste twee van de hierboven genoemde factoren veroorzaken nog een tweede cirkel: een onderwerp komt vooral aan bod met triviale feitjes en niet met wat er eigenlijk gebeurt, waardoor het onderwerp onderschat blijft en de pers er alleen naar kijkt om de gekke weetjes.

Ik heb hierboven zaken genoemd waarmee ik probeer uit die vicieuze cirkels te raken: ik ben betrokken bij “Oog op de Oudheid”, probeer methoden uit te leggen in Methode op Maandag en met filmpjes en ik geef in het boekje over Constantijn dat ik met Vincent Hunink maakte aan waar sommige voetangels en klemmen liggen. Ik denk echter dat er meer nodig is als we de structuur willen herstellen waarin we de humaniora goed over het voetlicht kunnen brengen.

Of is het te laat? Omdat de kwetsbaarheid deels “binnenin” zit en omdat degenen die de humaniora het meest zouden moeten verdedigen, niet altijd even effectief optreden, is hulp van buitenaf onontbeerlijk, maar ik vrees dat degenen die zouden kunnen helpen allang hebben geconcludeerd dat de bestudering van de Oudheid diepgang ontbeert en dat het niet de moeite loont je er werkelijk in te verdiepen. Ik weet niet of  we uit de vicieuze cirkels zullen komen.

Dus om de vraag te beantwoorden of ik mezelf niet een beetje belachelijk vind door vast te houden aan een ideaal dat onhaalbaar is – tja, ik denk soms van wel. Ik heb een aantal projecten te lang laten doorlopen, vaak tegen beter weten in, in de hoop dat we erin zouden slagen iets te verbeteren. Dat is zelden gelukt en dat maakt me wel een beetje belachelijk ja. Maar niet belachelijker dan iemand die in een zinkend schip vergeefs zegt dat er een lek is. Weliswaar verdrinkt iedereen dan toch en bereikt zo iemand dus niets, maar het komt me voor dat het beter is te hebben geprobeerd de zaak te redden dan te hebben weggekeken. Als dat belachelijk is, dan ben ik maar belachelijk.

Alles van waarde is kwetsbaar (4)

Je wordt soms wat neerslachtig.

De culturele sector is verward. Ik heb hierboven beschreven wat het einddoel is, wat er nodig is om dat te bereiken en dat we dat niet halen. Waardoor wordt het publiek almaar niet goed bereikt?

Waardoor loopt het spaak?

Om de zaken te herstellen, moeten we zien wat de oorzaken zijn. Eén factor is de verdeeldheid die onvermijdelijk voortvloeit uit het gegeven dat er allerlei uiteenlopende clubs zijn met verschillende belangstellingssferen en uiteenlopende prioriteiten. Dat er orientalistengenootschappen, archeologische werkgemeenschappen en klassieke verbonden zijn, is alleen maar logisch, maar het probleem is – en geloof me, ik spreek uit ervaring – dat het publiek vraagt om het geheel.

Het Drents Museum in Assen speelt daar goed op in: het toont het Meisje van Yde mét Tacitus. Wie immers alleen archeologie doet of alleen de oude talen, is als iemand die op een piano alleen de witte of alleen de zwarte toetsen bespeelt. Een vak als “publieksarcheologie”, hoe sympathiek ook, heeft een naam die in feite een contradictio in terminis is, want het publiek wil de gehele Oudheid (of Middeleeuwen, of Prehistorie) en niet “de Oudheid zoals bestudeerd aan de hand van alleen de materiële cultuur”. Er zijn heel goede redenen om je te beperken tot een van de wetenschappelijke disciplines, maar je stemt je aanbod dan slecht af op de vraag.

Lees verder “Alles van waarde is kwetsbaar (4)”