Oog op de Oudheid 2020

De wereld van de Romeinen, Grieken, Kelten, Egyptenaren, Joden en Mesopotamiërs is fascinerend en de bestudering daarvan is dat eveneens. Om ook dat laatste te tonen, organiseert het Rijksmuseum van Oudheden voor het derde achtereenvolgende jaar Oog op de Oudheid. Onder het motto ‘geen weetjes maar wetenschap’ verneemt u vier avonden lang wat onderzoekers nu eigenlijk doen, gewijd aan het thema ‘controverse’.

Dinsdag 31 maart Oog op de ander: een disclaimer vooraf

Trigger warnings zijn waarschuwingen waardoor mensen van tevoren weten dat hetgeen ze gaan zien of lezen, schokkend kan zijn. De vraag is of zulke disclaimers ook nodig zijn als het gaat om thema’s als verkrachting of moord in de Oudheid. Ethische vragen verplichten musea zorgvuldig na te denken over het al dan niet tonen van menselijke resten. Of zijn we te gevoelig? Oudhistorica Kim Beerden en conservator Annemarieke Willemsen (Rijksmuseum van Oudheden) bespreken dit spanningsveld.

Lees verder “Oog op de Oudheid 2020”

Didyma geplunderd

Gewicht uit Didyma (Louvre, Parijs)

Ik weet niet wie de camera bediende die dag, tien jaar geleden, in het Louvre, mijn zakenpartner Marco of ikzelf. Het feit dat op dit antieke gewicht rechtsonder de reflectie is te zien van een rooster of zoiets, suggereert dat ik het ben geweest, de mindere fotograaf. Toen ik een afbeelding van dit voorwerp wilde hebben in mijn boek Xerxes in Griekenland, hebben we deze foto niet gebruikt en heeft mijn uitgever in het Louvre een alternatief opgevraagd.

Een gewicht dus, gevonden in de door Franse archeologen opgegraven Iraanse stad Sousa, ooit een van de residenties van de Perzische koningen. Uit de inscriptie blijkt echter dat het voorwerp afkomstig is uit Didyma, het orakel van Apollo even ten zuiden van de Griekse stad Milete (in het westen van het huidige Turkije). Het zal zijn weggenomen toen de Perzen in 494 v.Chr. Milete, de hoofdstad van een opstand, heroverden, of toen Xerxes, geschrokken na de succesvolle Griekse vlootoperatie naar Samos en Mykale, wraak nam (najaar 479).

Lees verder “Didyma geplunderd”

Een Joods graf uit Saoedi-Arabië

Joods grafschrift uit Hegra

Een paar jaar geleden kondigde de Saoedische oudheidkundige dienst aan dat ze meer aandacht zou besteden aan het joodse erfgoed op het Arabische Schiereiland. Het is al heel lang bekend dat dit er is want ooit was Jemen een Joods koninkrijk. De islamitische traditie vertelt over hardhandige conflicten tussen Mohammed en joodse stammen. Vreemd is het dus niet dat er aandacht voor is, zeker nu Saoedi-Arabië en Israël elkaar hebben gevonden in hun vijandschap met Iran.

Toch is het blijkbaar nog een stap te ver om er ook mee te koop te lopen. Een voorbeeld is het bovenstaande grafschrift, dat is opgegraven in het Al-Mabiyat-grafveld bij het Romeinse fort Hegra en dat deel uitmaakt van de archeologische collectie van de Koning Saoed-Universiteit in Riyad. Ze is tot 8 maart nog te zien op de overdonderend mooie Al-Ula-expositie in het Institut du Monde Arabe in Parijs. De bovenste helft van de inscriptie, waarin de naam van een overleden man moet hebben gestaan, is verloren maar het restant is intrigerend.

Vrede (šlm) over het graf van Rammanat, zijn echtgenote, de dochter van Yusuf, de zoon van Irar uit Qarya. Ze werd zesentwintig en stierf in de maand ijar van het jaar 165.

Lees verder “Een Joods graf uit Saoedi-Arabië”

Layards grote project

Layards reconstructie van Nineveh

Austen Henry Layard is een van de invloedrijkste oudheidkundigen uit de negentiende eeuw. Hij is de ontdekker van de hoofdsteden van Assyrië. En zoals het met de geleerden uit die tijd gaat: hij was een van de grondleggers van het vakgebied, samen met halfgoden als Friedrich August Wolf, Caspar Reuvens, Jean-François Champollion, Henry Rawlinson, Johann Gustav Droysen, Heinrich Schliemann, Oscar Montelius, Theodor Mommsen en Ulrich von Wilamowitz. Maar waar dit negental allang is beschreven in fatsoenlijke biografieën, is Layard eigenlijk wat onbekend gebleven. Mogens Trolle Larsen presenteert in The Conquest of Assyria de ontdekker van Nineveh en Kalach als een soort Indiana Jones – en dat is een karikatuur.

Akkoord, Layard was een avonturier in de beste Victoriaanse traditie. En die traditie is er niet alleen een van stiff upper lip en wetenschappelijk optimisme, maar ook van genadeloos imperialisme. Het is in die sfeer dat we Layard óók moeten plaatsen.

Lees verder “Layards grote project”

Pompeii als lithografie

Herculaneum en Pompeii zijn ontdekt rond het midden van de achttiende eeuw. Winckelmann schreef erover. Hoewel de eerste opgravingen vaak worden afgedaan als pure schatgraverij, is dat niet helemaal terecht. Zeker Karl Weber heeft enorm zijn best gedaan het onderzoek zo professioneel mogelijk uit te voeren. Dat hij een van ’s werelds allereerste opgravers was en dus niet kon voldoen aan latere professionaliteitseisen mag hem niet worden nagedragen.

In Pompeii is het grootste deel van de stad blootgelegd in de loop van de negentiende eeuw. Er waren professionele kunsthistorici bij betrokken, maar ook tientallen arbeiders, classici, bouwkundigen en natuurlijk tekenaars, zoals de gebroeders Fausto en Felice Niccolini. Hun vader Antonio had al gewerkt voor het archeologisch museum van de koning van Napels, zij zelf begonnen hun carrière onder diens bewind, en dat zou normaal gesproken het einde hebben moeten wezen van hun loopbaan toen Garibaldi de stad in 1860 veroverde. De twee broers konden echter de overstap naar het nieuwe regime maken dankzij hun vriend Giuseppe Fiorelli, de nieuwe toezichthouder in Pompeii. Het nieuwe Italië wilde betere archeologie en Fiorelli liet de opgravingen zorgvuldig in kaart brengen en documenteren. De Niccolini’s waren zijn favoriete kunstenaars en publiceerden vanaf 1854 tot hun dood in 1886 tientallen afleveringen van Le case ed i monumenti di Pompei disegnati e descritti. De reeks werd door Fausto’s zoon Antonio voortgezet, telde uiteindelijk 137 delen die uiteindelijk in vier banden opnieuw werden uitgegeven.

Lees verder “Pompeii als lithografie”

Wee de overwonnenen (2)

[Tweede deel van een stukje over Alexander van de Bunts boek Wee de overwonnenen. Het eerste deel was hier.]

De DNA-revolutie

Een derde ontwikkeling: de DNA-revolutie. Door twee nieuwe technieken, het DNA- en het isotooponderzoek, wordt steeds duidelijker dat de mensen vroeger heel mobiel zijn geweest. Van de Bunt noemt dit onderzoek als het gaat om de genocide bij Kessel – opnieuw een kwestie waar discussie mogelijk is – en bij het Meisje van Egtved, dat in Denemarken overleed maar afkomstig bleek uit het Zwarte Woud.

Van de Bunt typeert deze mobiliteit als bijna hedendaags. Ik aarzel. Ik denk dat wij degenen zijn met de vaste woon- en verblijfplaatsen. De ouden waren vermoedelijk mobieler. Of Van de Bunt of ik gelijk krijg, zal de volgende estafetteloper zeggen.

Die zal ook heel anders kijken naar teksten. Waar mensen verhuizen, verhuizen hun ideeën en de DNA-revolutie zal vooral de bestudering van de antieke literatuur veranderen. Er behoren nieuwe hermeneutische strategieën te ontstaan, waarbij rekening wordt gehouden met literaire motieven uit een veel bredere wereld. Het zou zomaar kunnen dat deze of gene anekdote over de Germanen, die Van Es en Van Dockum/Van Ginkel en Bosman/Lendering en Van de Bunt nog accepteerden als feit, een literair motief zal blijken te zijn uit een deel van de antieke wereld waar we nu nog niet kijken. Ik verwacht veel van een diepere kennismaking met de Aramees.

Lees verder “Wee de overwonnenen (2)”

Wee de overwonnenen (1)

Het vorige week verschenen boek van Alexander van de Bunt over de vestiging van het Romeinse gezag in de Lage Landen, Wee de overwonnenen, begint met Tacitus. Alexander legt uit dat zijn Romeinse voorganger veel heeft geschreven over onze contreien – Tacitus zal regelmatig terugkeren in het boek – en dat die teksten de beeldvorming over Romeins Nederland sterk hebben bepaald. Terecht wijst Alexander er vervolgens op dat we Tacitus niet al te serieus moeten nemen. Hij was een man van zijn tijd. Hij had een agenda. En vooral: hij schreef niet om onze vragen te beantwoorden.

Omdat Tacitus geen wetenschapper is en ook geen historicus in de normale betekenis van dat woord, moeten we zijn informatie – vertekend, verdraaid – vergelijken met andere gegevens en Van de Bunt wijst terecht op de archeologie. Dat geldt vanzelfsprekend voor alle antieke auteurs. We moeten ze toetsen. Als het gaat om Strabons beschrijving van de rauwe rituelen van de Germaanse Kimbren wijst Van de Bunt bijvoorbeeld op de Man van Grauballe, een Deens veenlijk waarvan de keel is doorgesneden. Van Plinius’ beroemde beschrijving van de terpenbewoners uit het Waddenzeegebied vertelt Van de Bunt dat ze hun woonplaatsen niet hadden gebouwd uit armoede, maar als reactie op de getijden. Soms klopt antieke informatie, soms niet, en je moet kritisch blijven.

Lees verder “Wee de overwonnenen (1)”