Hunebedden van de dag: D3 en D4 (Midlaren)

Hunebed D3 bij Midlaren

De hunebedden D3 en D4, samen ook wel de Hunenborg genoemd, het “reuzenkasteel”, kwamen als een verrassing. Niet door de afmetingen: D3 is bijna vijftien meter lang en vier meter breed, D4 is met 10¾ meter wat korter maar is met 4½ meter wel weer wat breder. De hunebedbouwers maakten er niet iets speciaals van dit keer. Het verrassende is enerzijds dat ze in elkaars verlengde staan. Niet dat ze elkaar aanraken, maar ze zijn duidelijk op elkaar afgestemd en dat is uniek.

De grootste verrassing van de hunebedden D3 en D4 is echter hun locatie. Ik kwam van Midlaren aanfietsen over het Hunebedpad, dus ik moest in de buurt zijn, maar nergens zag ik een wijd veld met wat boompjes, wat meestal de plek is voor zo’n Trechterbekergraf. Het enige wat ik zag was een groepje boerderijen. Pas langzaam begon me te dagen dat ik door smal pad tussen twee heggen moest om tussen de boerderijen te komen. Daar stonden de twee hunebedden, onder een paar prachtige eikenbomen. D3 is de westelijke en ligt het verste van de weg; u ziet het hierboven. D4 is de oostelijke en de eerste die je ziet. Zie de foto hieronder.

Lees verder “Hunebedden van de dag: D3 en D4 (Midlaren)”

Uruk, een oeroude stad

Uruk, met de ziggurat van Inanna

Uruk, dat in de Bijbel Erech en tegenwoordig Warka heet, was al in het vierde millennium een belangrijke stad in Zuid-Irak. Het was hier dat Arnold Nöldeke de aardewerkchronologie vaststelde waarover ik vorige week al blogde. Wat u zich rond 3200 v.Chr. bij zo’n grote stad moet voorstellen: iets met een oppervlakte van 250 hectare. Ter vergelijking: dat is een fractie meer dan het gebied dat in Rome was omsloten door de Serviaanse Muur (246 hectare) en fors meer dan de Amsterdamse Grachtengordel (198 hectare).

Uruk was al bewoond in de ‘Ubaid-periode (strata XVIII-XIII). Toen was het nog een groot dorp aan de Eufraat. De verstedelijking kwam in het vierde millennium op gang in de naar deze opgraving vernoemde Uruk-tijd (strata XI-VI). In de daarop volgende Jemdet Nasr-periode (strata V-III) was het al wel een echte stad, een van de eerste ter wereld. (Een mooi reliëf van een leeuwenjacht en de beroemde Warka-vaas, waarover ik binnenkort blog, stammen uit deze tijd.) De Eanna, de tempel van de liefdesgodin Inanna, was in de Vroegdynastieke tijd (Uruk II-I) een van de voornaamste religieuze centra van Mesopotamië. Het is de oudst-bekende vindplaats van wat bekendstaat als cone mosaic, een soort mozaïek van gekleurde kegeltjes.

Lees verder “Uruk, een oeroude stad”

Byblos in verval

Fenicische stadstoren in Byblos

“Kleine staten”, zo lees ik in Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, “konden profiteren van de verzwakking van de grote mogendheden”. De auteurs hebben het over de eeuwen na de verzameling problemen die we aanduiden als de Zeevolken-crisis. De Bronstijd kwam ten einde, de IJzertijd begon.

De stadstaten in Syrië werden weer zelfstandig, hoewel er zich soms nieuwe bewoners gevestigd hadden. In sommige stadstaten heersten vorstenhuizen van Hethitische origine (bijvoorbeeld in Karkemiš). Wij noemen deze rijkjes neo-Hethitische vorstendommen. In andere steden kwamen Aramese dynastieën aan de macht.

Nieuwe bewoners?

Ik weet niet of ik het zo zou schrijven. Ik ben er althans zo zeker niet van dat er nieuwe bewoners waren in de oude steden. Voor de Arameeërs is vaak betoogd dat ze geen nieuwe bewoners waren, maar allang woonden in de regio waar ze in de Bronstijd niet opschreven wat in het Aramees was gesproken. Vergelijk het met Nederland en Vlaanderen in de Vroege Middeleeuwen: in de Merovingische en Karolingische kanselarijen schreef men Latijn, maar de mensen spraken Oudnederlands.

Lees verder “Byblos in verval”

Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)

Hunebed G1 bij Noordlaren

Het op één na noordelijkste hunebed in Nederland, hunebed G1, staat ook wel bekend als de Steenberg. In het Gronings is dat natuurlijk zoiets als Stainbarg. Dat is een gebruikelijke naam voor zo’n monumentaal Trechterbekergraf. Volgende week blog ik over een Drents dorp dat naar een hunebed Steenbergen is genoemd.

We weten dit keer iets over het landschap waar de hunebedbouwers hun grafmonument neerzetten, want in het westen kronkelde de Drentsche Aa en in het oosten de Hunze. Op de landtong daartussen woonden dus mensen. Ze hadden hun akkers vlakbij een klein rond meertje, dat is ontstaan toen een gletsjer zich terugtrok (een “doodijsgat”). Er zijn meer hunebedden bij zulke meertjes, zoals D2 en D35, die liggen bij pingoruïnes.

Lees verder “Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)”

De ontdekking van het oudste Irak

‘Ubaid-aardewerk (Archeologisch Museum van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet)

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die hetzelfde deed in Babylon; en Hamdi, die het museum van Constantinopel stichtte. Hun enorme verdiensten staan buiten kijf, want het was bepaald geen sinecure in het zich hervormende Ottomaanse Rijk, zonder veel duidelijke verhoudingen maar vol etnische spanningen, je werk te doen. Al bood die onduidelijkheid ook kansen. Kansen die wij misbruik zouden noemen.

Afgezien van de organisatorische problemen hadden deze archeologen te maken met het feit dat ze hun vondsten alleen konden interpreteren aan de hand van teksten. Die vormden weleens een dwaalspoor, zoals toen Koldewey in Babylon speurde naar Hangende Tuinen die even reëel waren als Diagon Alley in Londen. En dan waren er de dieper liggende lagen, die de allereerste steden documenteerden. Toen schreven de mensen nog niet, dus de opgravers hadden geen idee way ze opgroeven. Sumeriërs? Nooit van gehoord. Ook wisten ze niet hoe oud het spul was dat ze opgroeven. Ze noemden het dus maar “aardewerk zoals gevonden in Nineveh”. Zo ontstond de gewoonte archeologische culturen te vernoemen naar de eerste vondplaats. De La Tène-cultuur is een Europees voorbeeld en Andronovo is een Aziatisch voorbeeld.

Lees verder “De ontdekking van het oudste Irak”

Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)

Hunebed G5

Het allernoordelijkste hunebed in Nederland is gevonden op een plek die bekendstaat als Heveskesklooster. Het geeft niet als u niet weet waar dat ligt, want het is een vlek op de landkaart. Het bijbehorende dorp Heveskes, even ten zuiden van Delfzijl, bestaat niet eens meer.

Archeologen die een wierde onderzochten, vonden het hunebed in 1982 en omdat het ter plekke niet viel te conserveren, brachten ze het over naar het Muzeeaquarium in Delfzijl. Het is in een oude Duitse munitiebunker, net over de zeedijk. Behalve het hunebed biedt het, zoals de naam al aangeeft, een aquarium met Waddenzeevissen. Ook zijn er zalen met uitleg over geologie en archeologie, over de geschiedenis van de regio en over de Delfzijlse zeevaart.

Lees verder “Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)”

Alle hunebedden

Hunebed D54 bij Havelte

Het allerbeste was dus voor het laatste bewaard. Deze zomer vinkte ik de drie laatste exemplaren af op mijn lijstje van hunebedden. Anderhalf jaar daarvoor had ik het plan opgevat ze allemaal eens te bezoeken. Het plan beloofde immers allerlei leuke fietstochtjes voor de perioden zonder lockdown, en dat in een van de mooiste delen van Nederland: Drenthe. Het laatste deel van de buit haalde ik binnen op 20 augustus in Havelte, waar twee van die monumenten zijn, en in Diever, waar ook hunebeddenvorser Albert van Giffen (1884-1973) begraven ligt. Het laatste drietal behoorde tot het mooiste en lag in een zonovergoten, schitterend landschap. Fiets van Diever verder via de radiotelescoop van Dwingeloo en je dag is goed.

Trechterbekercultuur

Vermoedelijk ten overvloede: hunebedden zijn van enorme zwerfkeien gemaakte grafmonumenten en behoren tot de zogeheten Trechterbekercultuur. Die moet u tussen 3350 en 2750 v.Chr. plaatsen, dus terwijl in Egypte de Naqada-tijd overgaat in het Oude Rijk en terwijl in Mesopotamië de stedelijke cultuur zich ontwikkelt. De bouw van de hunebedden staat daarvan los, maar Drenthe was via Roemenië, waarvandaan zéér incidenteel metaal werd geïmporteerd, verbonden met het Nabije Oosten.

Door de aard van de Drentse bodem bleven menselijke resten in de grafmonumenten slecht bewaard, maar archeologen hebben wel aardewerk en werktuigen gevonden. We weten verder zeker dat de Trechterbekercultuur een boerensamenleving was. Verder vermoeden we dat de hunebedden, waar de voorouders rustten, tevens dienden om aan te geven “dit gebied hier is van ons”.

De naam “hunebedden” is misschien aanleiding voor een misverstand. Het woord herinnert niet aan de Hunnen maar aan de hunen ofwel reuzen. Dat waren de bouwers immers, dachten de eerste, zeventiende-eeuwse onderzoekers. Mensen als dominee Johan Picardt en de Groningse dichteres Titia Brongersma, die bij het hunebed bij Borger onderzocht.

Hunebed D15 bij Loon

Sloop en onderzoek

Ooit waren er in Drenthe zeker tachtig hunebedden. Tegenwoordig zijn er nog tweeënvijftig. Ze hebben geleden onder moedwillige sloop. De zware stukken steen  bleken namelijk nuttig voor de versterking van de dijkbeschoeiingen toen de paalwormepidemie vanaf 1730 Nederland trof. In de negentiende eeuw zijn verschillende grafmonumenten “onoordeelkundig gerestaureerd”, wat een eufemisme is voor het verwijderen van de dekheuvels. Daardoor kwamen de stenen  vrij te liggen, wat een ons vertrouwd plaatje opleverde, maar niet bijdroeg aan de conservering.

Pas na de Tweede Wereldoorlog is vastgesteld dat die dekheuvels vaak in twee of drie fasen waren gebouwd, ook ná de Trechterbekertijd. De monumenten waren dus oorspronkelijk deels onbedekt. De grafvelden zelf bleven, ook toen men geen hunebedden meer bouwde, nog eeuwenlang in gebruik.

Trechterbeker uit Hunebed D26 (Hunebedcentrum, Borger)

Het echte wetenschappelijk onderzoek is pas een eeuw geleden begonnen. Na J.H. Holwerda (die de hunebedden D19 en D20 bij Drouwen verkende) zijn vooral de al genoemde Albert van Giffen en Jan Albert Bakker belangrijk. Van Van Giffen is de aanduiding: de D staat voor Drenthe en binnen die provincie loopt de nummering losjes van noord naar zuid. Er zijn ook hunebedden in Groningen (G). Enkele Overijsselse, Friese en Utrechtse hunebedden zijn of geruimd of ten onrechte op de lijst gezet.

Deze blog

Vandaag begin ik aan een drieënveertig delen tellende & vele weken durende reeks “het hunebed van de dag”. Van noord naar zuid krijgt u van elk hunebed een foto en wat beknopte toelichting. Toelichting waarvoor ik geen enkele originaliteit claim, aangezien ik die heb ontleend aan Herman Clerinx’ mooie boek over de Trechterbekercultuur, Een paleis voor de doden. Over hunebedden, dolmens en menhirs, en aan Wijnand van der Sandens Gids voor de hunebedden in Drenthe en Groningen. Beide boeken verschenen in 2017. Verder vindt u veel informatie op Hunebeddeninfo.nl en Hunebedden.nl.

Hunebed D17 bij Rolde

Hieronder is een tabel waarmee u de hunebedden van uw keuze kunt opzoeken. Ik voorzie dat de reeks doorloopt tot eind januari 2022. Anders gezegd, de linkjes zijn er maar de artikelen zijn er nog niet. Hunebed G5 zal later vandaag als eerste online gaan.

D1 (Steenbergen) D2 (Westervelde) D3 (Midlaren) D4 (Midlaren)
D5 (Zeijen) D6 (Tynaarlo) D7 (Schipborg) D8 (Anloo)
D9 (Annen) D10 (Gasteren) D11 (Anloo) D12 (Eexteres)
D13 (Eext) D14 (Eexterhalte) D15 (Loon) D16 (Balloo)
D17 (Rolde) D18 (Rolde) D19 (Drouwen) D20 (Drouwen)
D21 (Bronneger) D22 (Bronneger) D23 (Bronneger) D24 (Bronneger)
D25 (Bronneger) D26 (Drouwen) D27 (Borger) D28 (Buinen)
D29 (Buinen) D30 (Exloo) D31 (Exloo) D32 (Odoorn)
D34 (Odoorn) D35 (Valthe) D36 (Valthe) D37 (Valthe)
D38 (Emmerveld) D39 (Emmerveld) D40 (Emmerveld) D41 (Emmen)
D42 (Westenesch) D43 (Emmen) D44 (Westenesch) D45 (Emmen)
D46 (Emmen) D47 (Emmen) D49 (Schoonoord) D50 (N-Sleen)
D51 (N-Sleen) D52 (Diever) D53 (Havelte) D54 (Havelte)
G1 (Noordlaren) G5 (H’klooster) D55” (Gasselte)

Zoals gezegd heb ik met deze stukjes geen enkele pretentie, behalve u laten delen in het plezier dat ik zelf heb gehad aan enkele fietstochtjes door mooie landschappen.  Voor echte informatie moet u zijn bij het Muzeeaquarium in Delfzijl, het Hunebedcentrum in Borger, het Drents Museum in Assen en de boeken en websites die ik in de stukjes zal noemen. Ook wil ik nog even noemen dat ze daar in die noordelijke contreien geweldige limoncello maken.

Moderne reconstructie van een hunebed (Hunebeddencentrum, Borger)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De literatuurlijst bij het handboek

Mommsen (Humboldt-Universität, Berlijn)

Ik heb nu al een paar keer geblogd over de handboekstof voor oudhistorici, maar hoorde dat de begeleidende werkcolleges niet overal meer bestaan. Ook hoorde ik dat het voorkomt dat docenten geen tijd toegewezen krijgen om zich voor te bereiden. Het tweede is nog erger dan het eerste. Een docent die is gespecialiseerd in, pakweg, de laat-Romeinse stad, moet zich inlezen als het gaat over, pakweg, het Macedonische koningschap of de Midden-Bronstijd. Krijgt zo’n docent die voorbereidingstijd niet, dan is er grote kans dat hij terugvalt op kennis uit zijn eigen handboekencollege. Dan verstrekt hij zijn studenten dus verouderde informatie. Dat is intens jammer, want veel geschiedenisstudenten specialiseren zich na hun eerste jaar in een ander tijdvak. Over de Oudheid hebben ze dan eigenlijk alleen verouderde informatie gekregen.

Goed academisch onderwijs – waarmee ik weinig van doen heb maar waar ik wel bezorgd over ben – veronderstelt een docent die breed overzicht heeft. Het veronderstelt bovendien werkcolleges om de stof te bespreken. Misschien dat het gebrek aan discussie nog valt te compenseren met een goed hoorcollege. Ik wil zelfs nog aannemen dat zo’n hoorcollege digitaal kan. Maar die docent, die moet wel zijn tijd krijgen om zich te voorbereiden.

Lees verder “De literatuurlijst bij het handboek”

Geospatiale analyse en migratie

Een gekooide en een vrije patrijs (Folklore-museum, Amman)

In een eerder stukje heb ik verteld over lucht- en satellietfotografie, in een tweede stukje heb ik beschreven hoe LIDAR daaraan een derde dimensie toevoegde. Vandaag wil ik het combineren met de DNA-revolutie.

De naam “DNA-revolutie” is eigenlijk verkeerd. De voornaamste consequentie van het inzicht dat mensen in het verleden enorm beweeglijk zijn geweest, is dat er aanpassingen moeten komen aan de hermeneutiek, dat wil zeggen de uitleg van antieke cultuuruitingen. Waar mensen reizen, reizen hun ideeën immers mee, en die mobiliteit van ideeën dwingt oudheidkundigen tot nieuwe interpretatiewijzen. Een onderzoeker zou een Latijnse tekst van een auteur uit de stad Rome traditioneel het liefst hebben geïnterpreteerd door te kijken naar taaluitingen uit Centraal-Italië en, als het zo niet wilde, uit de West-Romeinse wereld. Het was immers niet bijster aannemelijk dat er veel verhelderende parallellen te vinden zouden zijn in bijvoorbeeld de Aramese literatuur, die vér weg was geschreven en in een andere taal. Nu ideeën zo mobiel blijken, is het criterium van geografische en talige afstand (de hermeneutische horizon) komen vervallen.

Lees verder “Geospatiale analyse en migratie”

LIDaR en de gevolgen

Een vergeten doolhof bij Arcen (foto RAAP)

Een week of twee geleden blogde ik over de vernieuwing die de oudheidkunde in de twintigste eeuw heeft ondergaan dankzij lucht- en satellietfotografie. Daarbij werden soil marks en crop marks geregistreerd, die de aanwezigheid van gebouwen kunnen documenteren. Met radar werden oude rivierbeddingen opgespoord. Dit is allemaal tweedimensioneel. Onze eenentwintigste eeuw voegde er de derde dimensie aan toe: laserscans.

LIDaR

In feite gaat het om iets dat lijkt op een radar: een apparaat zendt een signaal uit en registreert de echo. Het tijdverloop tussen signaal en echo geeft de afstand aan. Alleen gaat het dit keer niet om een radiosignaal maar om een laserpuls. Die pulsen worden bij duizenden en duizenden gezet, waardoor heel gedetailleerde metingen mogelijk zijn en obstakels te omzeilen zijn. Als bijvoorbeeld een vliegtuig – het kan ook een satelliet zijn – pulsen uitzendt boven een bos, zullen negen van de tien pulsen terugkaatsen van het bladerdak maar zal de tiende puls de bodem raken. Zo ontstaat een dubbel signaal en zijn niet alleen de boomkruinen te registreren maar valt ook het bodemreliëf in kaart te brengen. De methode staat bekend als LIDaR ofwel Laser Imaging Detection and Ranging.

Lees verder “LIDaR en de gevolgen”