Romeinse dakpannen en boze geesten

Dakpan van XXX Ulpia Victrix (Expositieruimte Zwammerdam)

Bij Zwammerdam is een Romeins fort opgegraven. Het is beroemd omdat er ook zes schepen zijn gevonden, waaraan deze website is gewijd. De bovenstaande dakpan komt uit het eigenlijke fort en lijkt op het eerste gezicht een naar rechts puntende drietand te tonen. Gaan we naar links, dan is de stok van de drietand echter wel wat vreemd gevormd. Het zijn namelijk letters, maar ze staan in spiegelbeeld. Van rechts naar links staat er LEG XXX. Ofwel: het was een legionair van het Dertigste Legioen uit Xanten die deze dakpan heeft gebakken.

Romeinse dakpannen

Dat is gebruikelijk. De soldaten hadden allerlei civiele taken, waarvan het ophalen van de belastinggelden de voornaamste maar niet de enige was. In de buurt van Bonn werkten legionairs in een steengroeve, elders legden ze wegen aan en er zijn allerlei steen- en tegelbakkerijen bekend. En vaak zetten de makers de naam van hun legeronderdeel op hun producten.

Lees verder “Romeinse dakpannen en boze geesten”

De Valtherbrug

Het veengebied waar de Valtherbrug lag, zoals het er nu uitziet

Ik blog nu al dagen over de Mediterrane wereld, dus we moeten eens rap overschakelen naar onze eigen contreien. Naar het Drentse dorpje Valthe om precies te zijn, waar in de Romeinse tijd een enorm bouwwerk was te vinden, de zogeheten Valtherbrug. Dit was een van hout gemaakte weg door het veengebied dat de grens vormt tussen oostelijk Drenthe en het zuidoosten van Groningen. Hoewel waterbouwkundig ingenieur J.W. Karsten geldt als degene die de weg in 1818 heeft ontdekt, waren het turfstekers die hem er al een jaar eerder op hadden geattendeerd. U ziet het parcours hier.

Knuppelweg

Houten veenwegen waren niet zeldzaam. Ze zijn al aangelegd in het vierde millennium v.Chr. en werden nog steeds gebouwd in de zeventiende eeuw. Na Christus wel te verstaan. De Romeinen noemden ze pontes longi, “lange bruggen”, en hebben ze aan het begin van de jaartelling gebouwd over de moerassen rond Münster. In het Nederlands heten ze ook wel knuppeldam of knuppelweg. Kortom, niets bijzonders allemaal, maar de Valtherbrug is wel érg lang: twaalf kilometer van Valthe richting Ter Apel. Er moeten 50.000 bomen voor de aanleg zijn geveld. Dat riep aan het begin van de negentiende eeuw nogal wat vragen op, want wie konden dit in vredesnaam hebben gebouwd? En waarom?

Lees verder “De Valtherbrug”

Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?

De doornenkroning (Praetextatuscatacombe, Rome)

De allereerste zin van een artikel dient om de aandacht te trekken. De auteur mag het even scherp zeggen; de nuances komen verderop wel. Maar dan moet de auteur die nuances wel tonen. En het is ook fijn als de eerste zin niet zó overdreven is dat de lezer meteen afhaakt. Dit gaat verkeerd in Marije van Beeks artikel “De ongeloofwaardige witheid van Jezus”, onlangs in Trouw.

Op de eerste afbeeldingen die van Jezus gemaakt zijn, in de eerste eeuw, is hij een witte man.

Dit is klinkklare onzin. Het probleem is niet alleen de datering. Het gaat ook om de verkeerde typering van de eerste afbeeldingen. Als we afzien van de Palatijnse spotcrucifex, waarop een gekruisigde ezel is te zien die misschien wel en misschien niet een afbeelding is van de executie van de messias, is de beroemdste Jood aller tijden aanvankelijk gewoon afgebeeld geweest zoals alle ingezetenen van het Romeinse Rijk. Ietwat gebruind, zeker niet als een moderne Noordwest-Europeaan.

Lees verder “Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?”

MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen”

WvdK | Lacus Curtius

Marcus Curtius tijdens zijn laatste actie

Op het Forum Romanum, het centrale plein van het oude Rome, ligt het kleine monumentje dat bekendstaat als Lacus Curtius ofwel het Curtische Meer. De website met de vele vertalingen is ernaar vernoemd. Ooit was dit werkelijk een meertje, gelegen in een dal tussen de heuvels van Rome. Na drainage veranderde de vochtige vallei in een plein en bleef alleen een vijver over. In de loop der tijden werd die steeds kleiner. Vanaf de tweede eeuw v.Chr. resteerde slechts een twaalfhoekig bassin.

Waarom was die er überhaupt, die vijver op het plein? Waarom was het gebied niet helemaal gedraineerd? De vermoedelijk juiste verklaring is dat in de jaren veertig van de vijfde eeuw v.Chr. de bliksem bij de vijver is ingeslagen en dat een consul Gaius Curtius daarop de plaats omheinde. De Romeinse traditie bewaarde echter een oudere herinnering. De geschiedschrijver Livius weet te vertellen dat tijdens de strijd die uitbrak na de schaking van de Sabijnse meisjes een Sabijnse ruiter met de naam Mettius Curtius op deze plaats in het moeras vast was komen zitten. Dit klinkt als een verzinsel, al is de naam Mettius een weergave van meddìs, een oud-Italiaanse naam voor legercommandant. Een andere sage speelt in het midden van de vierde eeuw…

Lees verder “WvdK | Lacus Curtius”

WvdK | Het Gallisch dorpje dat wij zo goed kennen

De Gallische krijger uit Vachères (kopie uit het Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Laten we eerlijk zijn: u denkt niet werkelijk dat een Gallisch dorpje er uitzag zoals in Asterix. Zelfs in een kleine nederzetting aan de westelijke rand van Gallië (zo heette Frankrijk toen), waar de bewoners moedig weerstand boden aan de Romeinse overweldigers, waren er allerlei dingen die de dorpelingen hadden overgenomen van de aangrenzende cultuur. De verspreiding van Italiaanse vrouwensieraden rond 100 v.Chr. documenteert de handel die op dat moment al plaatsvond. Ze toont trouwens ook langs welke routes Julius Caesar tussen 58 en 50 v.Chr. Gallië zou onderwerpen.

Maar goed, hoe zag zo’n Gallisch dorp er nu wél uit? Hier zijn wat foto’s uit Aubechies in Henegouwen, waar in een historisch openluchtmuseum allerlei antieke gebouwen zijn nagebouwd, dus ook uit de La Tène-tijd, om de archeologische naam te gebruiken voor de cultuur van Gallië in de Late IJzertijd. Plus nog wat zaken uit andere plekken.

Lees verder “WvdK | Het Gallisch dorpje dat wij zo goed kennen”

Van Giffen, bioloog en archeoloog

Die Fauna der Wurten

Ik heb weleens verteld hoe de Lachmannmethode, waarbij classici en andere filologen de tekstvarianten in middeleeuwse handschriften gebruiken om de antieke originelen te reconstrueren, het model was voor de evolutietheorie van Charles Darwin. Evolutiebiologen gebruiken immers op analoge wijze hedendaagse diersoorten om te komen tot plausibele reconstructies van uitgestorven voorgangers. Een soortgelijke kruisbestuiving zien we bij Van Giffen (1884-1973).

Als je afgaat op hoe archeologen spreken over deze invloedrijke archeoloog, was zijn voornaam Professor, maar hij heette eigenlijk Albert. En hoewel hij beroemd is geworden als archeoloog, was hij van huis uit bioloog. Zijn leermeester was Jan-Willem Moll. Het door Van Giffen opgerichte instituut in Groningen heette dan ook het Biologisch-Archeologisch Instituut – de huidige naam doet die traditie niet zoveel recht.

Lees verder “Van Giffen, bioloog en archeoloog”

Keltische stenen en Bijbelverzen

Hoewel Keltische stenen toch echt stenen zijn, zijn ze in plasticvorm te koop bij wetenschapsmuseum NEMO in Amsterdam. Het filmpje hieronder toont er eentje die is gesneden uit hout. De KNAW heeft ze ooit als chocoladekoekje gekend. Ik heb het dus over Keltische stenen.

Ik had er nog nooit van gehoord tot iemand me erover mailde. Het bleek te gaan om een steen in een vorm die je nog het beste kunt vergelijken met een banaan of aardappel. Als je ze neerlegt op tafel en er een tik tegenaan geeft, kun je ze laten roteren, zoals je ook kunt doen met een ovale kei op een tegel. Het opmerkelijke is nu dat Keltische stenen een eigen draairichting hebben. Ze roteren bijvoorbeeld wél met de wijzers van de klok mee, maar niet de andere kant op. Geef je ze een tik om ze tegen de wijzers van de klok in te laten draaien, dan gaan ze eerst wiebelen en draaien ze vervolgens tegen de wijzers van de klok in. Volkomen contra-intuïtief.

Lees verder “Keltische stenen en Bijbelverzen”

Wierden, dobbes, kerken en Bacchustempels

Model van een wierde (Museum Wierdenland, Ezinge)

Afgelopen zondag bezocht ik het Museum Wierdenland, dat even ten zuiden van de wierde (terp) van Ezinge ligt. Dat is historische grond want het is de plaats waar professor Van Giffen tussen 1923 en 1934 baanbrekend onderzoek deed en constateerde dat de bewoners van die kunstmatige heuvels niet bepaald de armzalige levenswijze hadden die de Romein Plinius de Oudere erin had herkend – ik blogde daar al eens over. Sinds mijn vorige bezoek aan het charmante museum was de opstelling vernieuwd en daardoor zag ik bovenstaande maquette voor het eerst.

Het model toont een dorpje op een wierde zoals er in de eerste eeuwen van onze jaartelling dertien in een dozijn moeten zijn gegaan. Vanzelfsprekend is het geheel cirkelvormig. De lengteas van de boerderijen is gericht op het centrum, zodat deze huizen iets hebben van de spaken van een wiel. Middenin het dorpje ligt, bovenop de heuvel, een rond waterbekken voor de opvang van regenwater. Dit is de dobbe of fehting. Het water hier was, anders dan het grondwater, zoet.

Lees verder “Wierden, dobbes, kerken en Bacchustempels”

MoM | Antieke migraties en migranten (2)

Het negentiende-eeuwse beeld van de deelnemers aan de Grote Volksverhuizingen (Heldenplatz, Wenen)

[Voor het eerste deel van deze reeks over antieke migratie: hier.]

De migratie van namen

Je kunt niet zeggen dat de verplaatsing van een naam met bijbehorende Traditionskern voldoende bewijs is voor migratie. Het probleem is dat die namen óf niet bijster consistent zijn óf niets zeggen. De naam “Vandalen” betekent zoiets als “zwervers” (vgl. to wander) en deze groep staat eveneens bekend als Lugii, Asdingen, Hasdingen en Silingen. Het is wat moeilijk op deze wijze een scherp beeld te krijgen.

Of neem de Goten. Hun naam migreerde van de Oostzee naar het zuidoosten en dat past bij het archeologisch bewijs. Er zijn namelijk nauwe banden tussen enerzijds de Wielbark-cultuur aan de Weichsel in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling en anderzijds de derde/vierde-eeuwse Tsjernjachovcultuur in Oekraïne en de Santana de Mureş-cultuur in Roemenië. Een denkbaar scenario is dat de Goten naar het zuidoosten trokken, dat ze na enkele plundertochten in de derde eeuw werden verslagen, en toen door keizer Aurelianus de Romeinse provincie Dacië kregen toegewezen. Eén groep vestigde zich daar en stond sindsdien bekend als Terwingi (“bosmensen”). De elite liet zich de Vesi noemen, “de edelen” of “de wijzen”. De andere groep bleef achter in Oekraïne en noemde zich “steppemensen” ofwel Greutingi, maar ook Ostrogoti, “de schitterende Goten”. (De “Oost-Goten” en de “West-Goten” die u kent uit Asterix zeggen meer over Fransen die zóveel houden van Duitsland dat ze willen dat er wel twee van zijn.)

Lees verder “MoM | Antieke migraties en migranten (2)”