2. Het belang van de Oudheid

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het tweede van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Die vraag, “Waarom is die Oudheid belangrijk?”, keert steeds terug. Waarom moeten ondernemers hun bouwprojecten stilleggen bij archeologische vondsten? Waarom leren kinderen aan een gymnasium oude talen? Wat moet de staatssecretaris van Cultuur met musea vol opgegraven potten en pannen?

Er zijn verschillende antwoorden. Soms lees je dat in de Oudheid iets is ontstaan dat voor ons nog steeds belangrijk is. Het tijdperk is de bakermat van onze eigen beschaving, heet het dan. Deze sociaalwetenschappelijke claim over een eeuwenlange continuïteit wordt zelden beschreven met het daarvoor ontwikkelde en noodzakelijke sociaalwetenschappelijk instrumentarium. De claim is dus zinledig.

Lees verder “2. Het belang van de Oudheid”

1. De periferie en het centrum

Sculptuur uit Oud-Termez

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het eerste van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Oud-Termez is ontstaan rond 200 v.Chr., zoveel maakt de archeologie wel duidelijk, maar veel meer weten we niet. Dat de bouwheer een hellenistische koning Demetrios was die de stad naar zichzelf vernoemde, is maar één hypothese over de stichting. De vondsten bieden geen uitsluitsel, al is het plaatselijke museum aardig genoeg: de gebruikelijke collectie aardewerk en munten en ook wat sculptuur. Daaronder is een kapiteel, gedecoreerd met palmetten, guirlandes en een afbeelding van een gespierde, naakte man met over zijn hoofd een leeuwenhuid. Herakles, zou je zeggen.

Termez ligt echter in Baktrië, op de grens van Oezbekistan en Afghanistan, en het kapiteel is gevonden in een boeddhistisch klooster. De makers hebben, toen ze Boeddha wilden afbeelden, gekozen voor een Grieks voorbeeld. Andere vroege Boeddha’s zijn gebaseerd op westerse afbeeldingen van de god Apollo.

Lees verder “1. De periferie en het centrum”

Tien jaar bloggen

Mainz in 1880

Vandaag bestaat dit blog tien jaar. Ik ben op 14 juli 2011 begonnen met een stukje over Don Quichot en dit is de 4563e toevoeging. Ooit bedoeld om te schrijven over alles wat me te binnen schoot, is de Mainzer Beobachter (waarvan niemand bleek te begrijpen waarom die zo heet) in de loop van de jaren steeds meer een Oudheidblog geworden. Waarom dat zo is, leest u hier.

U reageerde in totaal zo’n 45.000 keer. Daarvoor dank! Hoewel ik de discussies soms te heftig vind, en ik twee keer een ban heb moeten uitdelen, ben ik blij met uw betrokkenheid. Ik heb vooral genoten van de stukken die u zelf aanleverde in de reeks geliefde boeken. Echt, dit zijn verrijkingen voor in elk geval mijn leven geweest en ik weet dat ook u dat zo heeft ervaren.

Lees verder “Tien jaar bloggen”

Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: het bioarcheologische onderzoek toont dat mensen in het verleden opvallend mobiel waren en dat heeft vérstrekkende implicaties voor de bestudering van de oude teksten. Het zou misschien beter een “hermeneutische revolutie” kunnen heten, dan hadden was duidelijker waar het over gaat.

De DNA-revolutie

De grote ontdekking van de laatste pakweg tien jaar, mogelijk geworden door het @DNA- en @isotopen-onderzoek, bewijst dat de mensheid in de Prehistorie en Oudheid mobieler was dan archeologen, classici en oudhistorici lange tijd hadden aangenomen. Oudheidkundigen kunnen uitingen van de materiële cultuur nu niet langer zomaar beschouwen als aanwijzing voor afkomst. Een voorbeeld is het rond 1370 v.Chr. overleden Deense meisje van Egtved, dat archeologen op grond van grafgiften identificeerden als lokale prinses maar na isotopenonderzoek afkomstig bleek uit Zuid-Duitsland. Een ander voorbeeld is dat op het moment waarop Caesar aankwam in het Nederlandse rivierengebied, de helft van de bewoners niet uit de regio lijkt te zijn gekomen.

Lees verder “Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten”

Door berg en dal met Hannibal: de Rhône

In januari verschijnt mijn boek Hannibal in de Alpen, dat in maart zal worden gevolgd door de prequel over de Eerste Punische Oorlog, waarover ik het al eens had. Er moesten over het Hannibalboek, waarin ik uitleg waarom we niet weten kunnen waar deze de Alpen overstak, nog wat inhoudelijke puntjes op de i worden gezet en dus huurde mijn zakenpartner een auto en zijn we maandag naar de Alpen gereden. Of beter, we reden maandag tot Beaune en wilden vandaag via Avignon de Alpen in, maar de Ronde van Frankrijk en een reeks regenbuien zorgden ervoor dat we niet verder dan zijn gekomen dan Avignon. Wat al mooi genoeg is.

Paleohydrologie

De regen zouden we zelfs als authentiek kunnen beschouwen, want uit dendroklimatologisch onderzoek blijkt dat het destijds opvallend vochtig was en mogelijk iets warmer dan tegenwoordig. Dat laatste is een algemene constatering, maar je moet rekening houden met het plaatselijke klimaat en juist in een gevarieerd gebied als de Alpen kun je niet zomaar komen tot uitspraken over de  gemiddelde temperatuur. Hoe dat ook zij, het staat vast dat de gletsjers zich aan het terugtrokken waren en dat er dus, door smeltwater én de genoemde regen, meer water stond in de antieke Rhône.

Lees verder “Door berg en dal met Hannibal: de Rhône”

Amminadab

Het flesje uit Tell Siran (Jordan Museum, Amman(

Tell Siran is een ruïneheuvel in Jordanië, in de IJzertijd bewoond door Ammonieten, het volk waaraan de witte hoofdstad van het Hasjemitische koninkrijk zijn naam Amman dankt. In Tell Siran is bovenstaand flesje gevonden, dat is voorzien van een inscriptie. Het wordt paleografisch gedateerd rond 600 v.Chr. maar een koolstofdatering van de inhoud (gerst, tarwe, gras en sporen metaal) is anderhalve eeuw jonger.

Het Ammonitisch is geen heel bekende taal, als de fles al is geschreven in die taal. Het kan namelijk ook een Aramees dialect zijn. (Het schrift lijkt daar het meest op.) Omdat dit onduidelijk is, zijn er diverse vertalingen, zoals deze:

Lees verder “Amminadab”

Celtic Fields

Celtic Fields bij Wekerom (foto Jan van Uffelen)

De naam “Celtic Field” is een eeuw geleden bedacht door Britse archeologen en is eigenlijk een beetje misleidend. Het begrip suggereert immers dat deze akkers door de Kelten zouden zijn gebruikt. In feit zijn ze veel ouder en jonger: zo oud als de Vroege Bronstijd (ca. 1800 v.Chr.) en zo jong als de Vroege Middeleeuwen (ca. 650 n.Chr.). Bovendien vinden we Celtic Fields bijna altijd buiten het gebied van de La Tène-cultuur: in België, Denemarken, Engeland, Duitsland, Nederland, Polen, en Zweden. Anders gezegd, in heel Noordwest-Europa maar zelden op een plek waar ze Keltisch spraken. Misschien is het halfvergeten Nederlandse woord “raatakker” beter.

Het gaat om kleine, vierkante of rechthoekige akkers. Een typisch voorbeeld meet ongeveer 35×35 meter, hoewel ze ook iets kleiner (30×30 meter) of iets groter (50×50 meter) kunnen zijn. De grootte doet vermoeden dat elke akker door één familie of misschien zelfs door één individu kon worden bewerkt.

Lees verder “Celtic Fields”

Ugarit

Ugarit, Ontvangsthal van het Koninklijk Paleis

Het is tijd om het over Ugarit te gaan hebben, maar eerst wat context. Als De Blois en Van der Spek in het handboek waarover ik regelmatig schrijf, Een kennismaking met de oude wereld, de Late Bronstijd bereiken, typeren ze die periode mooi als een “concert der mogendheden”. Dat is normaliter de aanduiding voor de supermachten van de negentiende eeuw: Pruisen/Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië.

Uiteraard bestonden congresdiplomatie en theorieën over machtsevenwicht in de Oudheid niet. Ze zijn althans niet gedocumenteerd. Toch valt zoiets zinvol te projecteren op de situatie in de Late Bronstijd. Toen adresseerden de vorsten van Egypte, de Hethieten, Babylonië en Mitanni elkaar als “mijn broer” en beschouwden ze elkaar als gelijkwaardig, minimaal in theorie. Een brief van de koning van Mitanni aan een spuit-elf als de koning van Ahhiyawa, door de klerk per ongeluk begonnen met “mijn broer”, werd onverwijld verbeterd en voorzien van de juiste, lagere aanhef.

Ahhiyawa was een van de mindere mogendheden, misschien Mykene. Net als de leiders op Kreta, Cyprus en in steden als Byblos en Ugarit mochten de lagere heersers zich wel koning noemen maar ze waren ook pionnen in een groter schaakspel. Het gaat me vandaag om de laatste stad, die veel gemeen heeft met de voorlaatste: allebei havens, allebei te volgen vanaf het Neolithicum, allebei opbloeiend als transitohaven tussen Syrië en de Middellandse Zee. En omdat we het over Byblos al vaker hebben gehad, beperk ik me vandaag tot Ugarit.

Lees verder “Ugarit”

Hypothese en hulphypothese

Gezichtsmasker van een Romeinse helm, gevonden te Kalkriese

Niet ver ten noorden van Osnabrück ligt het dorpje Engter met daarnaast een plek die Kalkriese heet. Archeologen hebben daar een enorme hoeveelheid Romeinse militaria aangetroffen, gelegen tussen een moeras en de resten van een aarden wal op een heuvel. Wie op een landkaart van oost naar west kijkt, ziet de vondsten in een soort rechte lijn liggen tot hij aankomt bij het smalle stuk tussen wal en moeras. Daarvandaan waaieren de vondsten in twee richtingen uit: naar het noordwesten en naar het zuidwesten.

Engte

Al jaren wordt deze plek geassocieerd met de Slag in het Teutoburgerwoud in het najaar van 9 n.Chr. De Romeinen kwamen uit het oosten, moesten hier langs het moeras en werden vanachter de wal bestookt door Germaanse krijgers. De legertros viel uiteen: een groep ging naar het noordwesten, de andere naar het zuidwesten. De vondsten duiden op de aanwezigheid van voetvolk, ruiters, administratief personeel en vrouwen. De naam “Engter” is een letterlijke vertaling van het eerste woord van Saltus Teutoburgiensis, want saltus betekent niet alleen “woud” maar ook “weide”, “pas” of (in dit geval) “engte”. Het Teutoburgerwoud is dus geen woud en pollenonderzoek heeft bevestigd dat er weinig bosvegetatie was.

Lees verder “Hypothese en hulphypothese”