Een wonderlijk altaar uit Hatra

Altaar uit Hatra (Museum van Bagdad)

Wat een raar ding, dit – eh, hoe zal ik het noemen? – altaar uit Hatra, de hellenistische stad in het noorden van Irak. Het is misschien het beste het te bekijken van onder naar boven. Onderaan bevindt zich een grijswit, marmeren, vierkant huisje met nissen. Dit huisje, omgeven door acht pilaren, is in feite het model van een heiligdom. In de vier nissen staan goddelijke figuren, zoals een adelaar: een gebruikelijk soort afbeelding in deze contreien, meestal uitgelegd als het voertuig van de ziel.

Op zeven van de zuilen staan – wat lastig te herkennen – standaards afgebeeld, min of meer zoals op dit reliëf. De standaards representeren de hemelgoden: aan de ene zijde (links achter, voor ons onzichtbaar) zijn dat de Maan en Mercurius; aan de zijde op de foto zijn dat Venus, de Zon en Mars; aan de rechterzijde Jupiter en Saturnus. De achtste zuil, helemaal achteraan, is onversierd.

Lees verder “Een wonderlijk altaar uit Hatra”

Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?

Je hebt oudheidkundige musea en oudheidkundige musea. Er is een wereld van verschil tussen de musea in West-Europa en die in het voormalige Oostblok, zoals Sofia of Tasjkent. Die laatsten leggen vaak de nadruk op de groei van de menselijke cultuur, waarin we de invloed herkennen van de opeenvolgende productiewijzen, welbekend uit de marxistische leer. Dat is iets heel anders dan de beeldschone afdeling Griekenland in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden of de pluriforme Romeinse afdeling van het Allard Pierson-museum in Amsterdam.

Hoewel al deze musea bekendstaan als archeologische musea, zijn ze dat niet. Ze tonen voorwerpen. De verhalen die ze daarmee vertellen kunnen kunsthistorisch zijn of sociaalhistorisch, maar ze vertellen niet wat archeologie is. Een echt archeologiemuseum was er tot voor kort in Brugge, maar het is onlangs gesloten. Ik denk echter dat er in de Benelux ruimte is voor een museum dat uitlegt wat archeologie is. En als dat niet kan, dan toch minstens een afdeling in een van de bestaande musea.

Lees verder “Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?”

Een Sumerische tempelzanger

Beeldje van iemand die bidt of zingt (Louvre, Parijs)

Voor het Sumerische beeldje hierboven moet u naar het Louvre in Parijs, waar als uitleg wordt gegeven dat het ergens rond 2700 v.Chr. in een tempel is geplaatst door een zekere Ginak. De oude Mesopotamische mannen lieten graag iemand anders namens hen bidden en als ze hun vrouw of dochter niet konden sturen, zoals vaak gebeurde, dan was een beeldje als dit een waardige plaatsvervanger.

Lees verder “Een Sumerische tempelzanger”

Misverstand: Gallische everzwijnen

Everzwijn (een varken is minder behaard, heeft een krulstaart en een stompere neus)

Mijn eerste geschiedenisles kreeg ik in de eerste klas van de lagere school. We lazen een verhaaltje over twee Germaanse jongens, Baldo en Olwin, die op berenjacht gingen. Van dat beeld, dat ze tweeduizend jaar geleden in onze contreien leefden van de jacht, in dierenhuiden gekleed gingen en bier dronken uit runderhoorns, klopt weinig. Archeologen hebben immers weefgewichten en aardewerk opgegraven. Die voorwerpen bewijzen dat de mensen deden aan landbouw, textiel konden maken en wel iets geavanceerder drinkgerei hadden.

Verkeerde beelden als deze blijven echter terugkeren. Een voorbeeld is het denkbeeld dat men destijds joeg op everzwijnen, bekend uit Asterix. Wie niet méér leest over de Oudheid – en dat zijn de meeste Asterixlezers – zal de rest van zijn leven blijven denken dat everzwijnen een substantieel deel vormde van de voeding van de oude Galliërs en Germanen. Nu zullen antieke jagers zeker weleens met everzwijn zijn thuisgekomen, maar er zijn hier nogal wat problemen.

Lees verder “Misverstand: Gallische everzwijnen”

Een beschadigde Sumerische harp

De “grote harp” van Ur (Museum van Bagdad)

Deze Sumerische harp is te zien in het museum in Bagdad. Het snaarinstrument komt uit de koninklijke tombes van Ur, een stad in het zuiden van Irak. Hij dateert uit de derde fase van de vroegdynastieke periode, wat een voorzichtige manier is om te zeggen dat het voorwerp stamt uit de tijd tussen pakweg 2600 en 2370 v.Chr.

Lees verder “Een beschadigde Sumerische harp”

De hunebedbouwers

Hunebed D18 bij Rolde.

Een tijdje geleden fietste ik van Groningen naar Assen en passeerde ik een hunebed. Het stond daar gewoon in het landschap, stil en onverstoorbaar. Er ging iets sereens van uit. Dit was iets dat er al eeuwen, millennia was, even vanzelfsprekend als het opkomen van de zon of de wisseling van de seizoenen. Het monument was op een wonderlijke manier aantrekkelijk.

Ik besloot dat ik álle tweeënvijftig Drentse hunebedden wilde bekijken en ben inmiddels, enkele fietstochtjes later, op de helft. Ik blogde al eens over de Papeloze Kerk aan de weg van Sleen naar Schoonoord. Ook het Groningse hunebed dat vlakbij Delfzijl is gevonden, heb ik inmiddels gezien. Het staat opgesteld in het museum Muzeeaquarium.

Lees verder “De hunebedbouwers”

Romeinse dakpannen en boze geesten

Dakpan van XXX Ulpia Victrix (Expositieruimte Zwammerdam)

Bij Zwammerdam is een Romeins fort opgegraven. Het is beroemd omdat er ook zes schepen zijn gevonden, waaraan deze website is gewijd. De bovenstaande dakpan komt uit het eigenlijke fort en lijkt op het eerste gezicht een naar rechts puntende drietand te tonen. Gaan we naar links, dan is de stok van de drietand echter wel wat vreemd gevormd. Het zijn namelijk letters, maar ze staan in spiegelbeeld. Van rechts naar links staat er LEG XXX. Ofwel: het was een legionair van het Dertigste Legioen uit Xanten die deze dakpan heeft gebakken.

Romeinse dakpannen

Dat is gebruikelijk. De soldaten hadden allerlei civiele taken, waarvan het ophalen van de belastinggelden de voornaamste maar niet de enige was. In de buurt van Bonn werkten legionairs in een steengroeve, elders legden ze wegen aan en er zijn allerlei steen- en tegelbakkerijen bekend. En vaak zetten de makers de naam van hun legeronderdeel op hun producten.

Lees verder “Romeinse dakpannen en boze geesten”

De Valtherbrug

Het veengebied waar de Valtherbrug lag, zoals het er nu uitziet

Ik blog nu al dagen over de Mediterrane wereld, dus we moeten eens rap overschakelen naar onze eigen contreien. Naar het Drentse dorpje Valthe om precies te zijn, waar in de Romeinse tijd een enorm bouwwerk was te vinden, de zogeheten Valtherbrug. Dit was een van hout gemaakte weg door het veengebied dat de grens vormt tussen oostelijk Drenthe en het zuidoosten van Groningen. Hoewel waterbouwkundig ingenieur J.W. Karsten geldt als degene die de weg in 1818 heeft ontdekt, waren het turfstekers die hem er al een jaar eerder op hadden geattendeerd. U ziet het parcours hier.

Knuppelweg

Houten veenwegen waren niet zeldzaam. Ze zijn al aangelegd in het vierde millennium v.Chr. en werden nog steeds gebouwd in de zeventiende eeuw. Na Christus wel te verstaan. De Romeinen noemden ze pontes longi, “lange bruggen”, en hebben ze aan het begin van de jaartelling gebouwd over de moerassen rond Münster. In het Nederlands heten ze ook wel knuppeldam of knuppelweg. Kortom, niets bijzonders allemaal, maar de Valtherbrug is wel érg lang: twaalf kilometer van Valthe richting Ter Apel. Er moeten 50.000 bomen voor de aanleg zijn geveld. Dat riep aan het begin van de negentiende eeuw nogal wat vragen op, want wie konden dit in vredesnaam hebben gebouwd? En waarom?

Lees verder “De Valtherbrug”

Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?

De doornenkroning (Praetextatuscatacombe, Rome)

De allereerste zin van een artikel dient om de aandacht te trekken. De auteur mag het even scherp zeggen; de nuances komen verderop wel. Maar dan moet de auteur die nuances wel tonen. En het is ook fijn als de eerste zin niet zó overdreven is dat de lezer meteen afhaakt. Dit gaat verkeerd in Marije van Beeks artikel “De ongeloofwaardige witheid van Jezus”, onlangs in Trouw.

Op de eerste afbeeldingen die van Jezus gemaakt zijn, in de eerste eeuw, is hij een witte man.

Dit is klinkklare onzin. Het probleem is niet alleen de datering. Het gaat ook om de verkeerde typering van de eerste afbeeldingen. Als we afzien van de Palatijnse spotcrucifex, waarop een gekruisigde ezel is te zien die misschien wel en misschien niet een afbeelding is van de executie van de messias, is de beroemdste Jood aller tijden aanvankelijk gewoon afgebeeld geweest zoals alle ingezetenen van het Romeinse Rijk. Ietwat gebruind, zeker niet als een moderne Noordwest-Europeaan.

Lees verder “Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?”

MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen”