Karmir Blur

Karmir Blur

De Armeense hoofdstad Yerevan dateert, in de huidige vorm, uit de twintigste eeuw. In het zuiden liggen echter oudere nederzettingen: Shengavit, dat teruggaat tot het immer fascinerende Chalcolithicum; de Urartese en Perzische stad Erebuni, ruim achtentwintig eeuwen oud en de eerste drager van de naam die wij tegenwoordig schrijven als “Yerevan”; en Karmir Blur ofwel Teishebani, een eveneens Urartese nederzetting, die niet zo lang heeft bestaan en daardoor archeologisch interessant is, omdat alle vondsten vrij precies zijn te dateren, namelijk tussen pakweg 650 en 600 v.Chr.

De Armeense naam Karmir Blur betekent zoiets als “de rode heuvel” en verwijst naar de verbrande tichelstenen van de antieke muren; de antieke naam verwijst naar de god Teisheba, de Urartese oorlogsgod. De citadel en een deel van de benedenstad zijn al lang geleden opgegraven en het staat vast dat ze zijn verwoest rond 600 v.Chr. door mensen die waren bewapend met Skythische bogen. Het kunnen dus Skythen zijn geweest, maar ook Kimmeriërs of Meden. We weten het weer eens niet en het onderzoek ligt stil omdat de opgegraven stad in de jaren negentig voor de tweede keer werd verwoest.

Lees verder “Karmir Blur”

Xenofons bier

Biervaten
Biervaten

Een van de beroemdste verhalen uit de Oudheid is dat van de Tienduizend: de terugtocht van een groep Griekse huurlingen die had gestreden in een Perzische burgeroorlog en nu probeerde thuis te komen. De naam is een beetje raar: van de 14.000 die op pad gingen, keerden er 6.000 terug. Tienduizend is slechts een ongewogen gemiddelde. Eén van de commandanten, Xenofon, schreef een prachtig verslag waarin vooral de passages over de tocht door Armenië boeiend zijn. Zo beschrijft hij de levenswijze:

De woningen bevonden zich onder de grond; ze hadden een nauwe toegang, net als de opening van een waterput, maar beneden waren ze ruim. Voor het vee waren er ingangen als tunnels uitgegraven, maar de mensen daalden af langs ladders. In die woningen trof men geiten, schapen, ossen en pluimvee aan, samen met hun jongen; al die dieren werden binnenshuis gevoederd. Men trof er ook tarwe, gerst, peulvruchten en gerstebier in vaten. De gerstkorrels dreven tot aan de rand van de vaten en er staken rietstengels zonder knopen in, grote en kleine. Wanneer men dorst had, moest men een rietstengel in de mond nemen en eraan zuigen. De drank was zeer sterk als men er geen water bij voegde; maar wanneer men eenmaal de smaak te pakken had, was hij zeer aangenaam.(Xenofon, Anabasis 4.5.25-27; vert. Marc Moonen)

Lees verder “Xenofons bier”

MoM | The Rise of Civilization (2)

(klik met rechter-muisknop = groot)

Als voorbeeld van de op neo-evolutionisme gebaseerde New Archaeology kan de overgang dienen van een egalitaire, agrarische maatschappij uit de Late Steentijd naar de eerste stadstaten. Anders gezegd: het immer fascinerende Chalcolithicum. Beide samenlevingstypen kunnen worden beschreven als structureel en functioneel samenhangend maar hoe kwam men van het ene type maatschappij naar het andere? Hoe veranderde het ene culturele systeem in het andere?

In de eerste helft van de twintigste eeuw zochten oudheidkundigen het in een keten van opeenvolgende oorzaken en gevolgen: een klimaatverandering had ertoe geleid dat men dijken en kanalen moest gaan aanleggen, dit had coördinatie verondersteld, daardoor was het centraal gezag versterkt, en dus waren paleizen en steden ontstaan. Onderzoekers als Braidwood waren er al van overtuigd geweest dat het zo niet kon zijn en de koolstofdateringen bevestigden in elk geval dat het geen revolutionaire ommekeer was geweest maar een geleidelijke evolutie. (Politiek buskruit, zoals ik al eens schreef.) De nieuwe archeologen conceptualiseerden het daarom als een geleidelijk proces, dat bestond uit allerlei wisselwerkingen, zoals blijkt uit het schema hierboven: de Nederlandse versie van een plaatje uit Redmans The Rise of Civilization.

Lees verder “MoM | The Rise of Civilization (2)”

MoM | The Rise of Civilization (1)

Hier ben ik dus echt superblij mee, met het boek dat u hierboven ziet: Charles Redmans The Rise of Civilization. U hoeft er niet voor naar de boekhandel want het is niet langer leverbaar. Het verscheen in 1978 en al in mijn studietijd moesten we ons behelpen met fotokopieën. De puntgave eerste druk die ik sinds enkele dagen bezit, heb ik verworven dankzij de bemiddeling van een aardige mevrouw die wist wat ik leuk vind: een boek namelijk waarin de auteur een paar dingen tegelijk doet.

  1. Redman beschrijft de transformatie van de mens als dier tot de mens die in steden woont, informatie deelt, welvaart opbouwt en bewust zoekt naar manieren om zijn positie verder te verbeteren;
  2. hij legt uit hoe archeologen, die welbeschouwd slechts beschikken over (meestal kapotte) oude voorwerpen, in staat zijn samenlevingen én hun ontwikkeling te reconstrueren;
  3. hij legt voorbeeldig uit waarvoor de toenmalige New Archaeology stond;
  4. en – helaas nog altijd een punt van aandacht – Redman gebruikt fatsoenlijk beeldmateriaal.

Lees verder “MoM | The Rise of Civilization (1)”

Hoe je niet over archeologie moet schrijven

Verbrande papyri uit Herculaneum

Zoals u weet, trouwe lezer van deze blog, liggen er duizenden onuitgegeven papyri in museumdepots. Vaak niet meer dan fragmenten of snippers, maar er zijn zeer intrigerende teksten bij. In Napels liggen bijvoorbeeld honderden verbrande boekrollen – uit mijn hoofd: achttienhonderd of zoiets – die in de achttiende eeuw zijn aangetroffen in de Villa dei papiri bij Herculaneum.

Om uw eerste angst weg te nemen: die rollen zijn zeker niet vervalst. We weten hoe ze zijn gevonden. Wie zich ermee bezighoudt, bevordert ook de plundering van Egyptische grafvelden niet. Kortom, hier geen schendingen van de wetenschapsethiek. Wel zijn er ruzies tussen de onderzoeksteams én resultaten: de Historiën van de Seneca de Oudere zijn gevonden. Dat is een majeure ontdekking – maar er zijn wel wat vraagtekens. Nogal veel zelfs. Dit is wat we weten:

Lees verder “Hoe je niet over archeologie moet schrijven”

Een Romeinse haan

Een Romeins haantje uit Buchten (Limburgs Museum, Venlo)
Een Romeins haantje uit Buchten (Limburgs Museum, Venlo)

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, vind ik fietsen leuk maar heb ik een voorkeur voor lange vlakke stukken. Ik wil lekker in cadans komen. Hoewel ik de Alpen, de Apennijnen, de Abruzzen en de Pindos heb overgestoken, vind ik bergen maar niks en om die reden houd ik ook niet heel erg van het zuiden van Limburg, hoe graag ik ook in Heerlen en Maastricht kom. Dat gezegd zijnde, de rest van Limburg is heerlijk. Langs de Maas kun je schitterend rijden en je passeert plaatsen als Susteren, Roermond, Venlo, Arcen en Gennep. Ik zou ook Meerssen hebben willen noemen, ware het niet dat je daarna een rotbult krijgt naar het plateau met vliegveld Beek.

Venlo is voor mij een late ontdekking geweest. Toen ik er een jaar of drie geleden vanuit Nijmegen naartoe kwam fietsen ontdekte ik dat het een leukere stad is dan ik had gedacht. Ik ben er sindsdien verschillende keren teruggekeerd. Een ritje naar Eindhoven, een tochtje via Reuver en Steyl vanuit Roermond, of gewoon om het Limburgs Museum te bezoeken.

Lees verder “Een Romeinse haan”

Twee duiven

Koghb, relief met twee duiven en Maria (Nationaal Museum van Armenië, Yerevan)
Koghb, relief met twee duiven en Maria (Nationaal Museum van Armenië, Yerevan)

Dit wonderlijke reliëf komt uit Koghb in het uiterste noorden van Armenië. Het ligt dichter bij de Georgische hoofdstad Tblisi dan bij Yerevan. Onderaan ziet u Maria met het Christuskind; het haar van de moeder is zó afgebeeld dat het lijkt op een aureool. Christelijke kunst is in Armenië onvermijdelijk – het stikt hier van de middeleeuwse kerkjes – maar dit reliëf is ongebruikelijk.

Het aardige is dat van boven twee duiven neerkomen die een kroon aanbieden. Dat is op zich geen ongebruikelijke afbeelding: meestal stelt een neerdalende duif de Heilige Geest voor. Maar daarvan zijn er geen twee. En trouwens, de Heilige Geest brengt doorgaans geen kronen.

Lees verder “Twee duiven”