Maand van de Bijbel

Mozes (Gevelsteen, Mozeskerk, Amsterdam)

Ik weet niet waar de mode vandaan komt om denkers, dichters, boeren en buitenlui des vaderlands aan te stellen, maar we blijken een theoloog des vaderlands te hebben. Een soort ambassadeur dus die de bestudering van systemen van wereldbeschouwing – zoals het cliché wil – op de kaart moet helpen zetten. De theoloog des vaderlands heet Samuel Lee en gaf onlangs een interview aan De Volkskrant omdat vandaag de Maand van de Bijbel begint.

U zult aan de openingszin al wel gemerkt hebben dat ik moeite heb met mensen des vaderlands en de trouwe lezers van deze blog weten dat ik ook niet blij word van maanden des dinges. Vaak is de geboden informatie vooral aandachttrekkerij en dient ze niet de werkelijke verspreiding van inzicht. De doublure van een Romeinenweek naast de Week van de Klassieken moge dit illustreren. Die schreeuwerigheid lijkt dit keer echter te ontbreken en bovendien: afgezien van een uitglijder over Moeder Teresa zegt Lee een paar interessante dingen.

Lees verder “Maand van de Bijbel”

MoM | Antiquarisme

Justus Lipsius’ uitgave van het boek van Martinus Smetius

Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de mentale impact is geweest van de ontdekking van Amerika en de omzeiling van Afrika. In de eerste helft van de zestiende eeuw werden Europese geleerden geconfronteerd met tal van nieuwe zaken: planten als de aardappel en de tomaat, wonderlijke dieren als lama’s en buideldieren, nieuwe mineralen, specerijen, volken en landen. Sommige bizarre verhalen uit antieke bronnen bleken waar te kunnen zijn, en daardoor ontstonden nogal wat onduidelijkheden. Waar lag de grens tussen feit en fictie? Als Herodotos’ verhaal over de omzeiling van Afrika waar kon zijn, waarom zou zijn verhaal over goudbewakende griffioenen dan onwaar zijn? Elke geleerde trachtte orde te scheppen in de informatiewarboel en het daartoe meest voor de hand liggende middel was het verzamelen van observaties. De zestiende eeuw werd zo de tijd van rariteitenkabinetten en curiosacollecties. Alleen door al het nieuwe nauwkeurig te bestuderen kon een grens worden getrokken tussen feit en fictie, waarna de nieuwe gegevens konden worden gecombineerd met de bestaande.

Antiquarisme

Lange tijd was er geen scherpe grens geweest tussen antiquiteiten en rariteiten. Het waren niet uitsluitend boeren in afgelegen dorpen die meenden dat aardewerk, net als fossielen, spontaan groeide in de grond. Nog in de achttiende eeuw waren er verzamelaars die meenden dat de stenen pijlpunten en klingen die in de bodem werden gevonden, elfenwapens waren. De grenzen tussen Griekse en Romeinse oudheden, prehistorische artefacten, fossielen en andere bijzondere voorwerpen waren onduidelijk, zodat men in oudheidkundig bedoelde collecties ook biologische curiosa en meteoren kon aantreffen. Geleidelijk ontstonden er echter specialismen en begonnen verzamelaars zich toe te leggen op deelgebieden: de Grieks-Romeinse Oudheid bijvoorbeeld, waarbinnen men zich dan kon specialiseren op gemmen, inscripties, vazen, militaria, sculptuur of voorwerpen uit een regio als Etrurië of Romeins Egypte. Vrijwel elke Europese vorst bezat een muntencollectie.

Lees verder “MoM | Antiquarisme”

Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (2)

Het is onmogelijk de westerse beschaving – wat dat ook moge wezen – te begrijpen zonder begrip te hebben van het zelfbeeld dat de Oudheid belangrijk zou zijn. Een verkeerd zelfbeeld, dat heb ik in het vorige stukje verteld, maar er zijn heel veel ideeën voortgekomen uit het denken over de Oudheid. Ofwel: de klassieke traditie. Een lijstje waarover ik eerder schreef:

  1. Poliziano legde de grondslagen van de tekstkritiek en ontketende via Erasmus de Reformatie;
  2. Scaliger probeerde de chronologie van de Oudheid te doorgronden, ontdekte dat deze niet letterlijk mocht worden genomen, stelde het bijbels literalisme ter discussie en gaf zo de aanzet tot de secularisering van het wereldbeeld;
  3. de ontdekking van de relaties tussen de verschillende talen heeft bepaald hoe we tegenwoordig nationaliteiten definiëren;
  4. de Lachmannmethode was het model voor Darwins evolutietheorie – en alle wetenschappen die daarop teruggrijpen;
  5. archeologen legden de empirische basis legden voor de vooruitgangsgedachte;
  6. de ideeën van James Frazer over de oudste vormen van religie beïnvloedden de besluitvorming die leidde tot de Eerste Wereldoorlog;
  7. de uitleg van Tacitus’ Germania was de voornaamste inspiratiebron was van de Arische mythe.

Kortom, de klassieken bieden werk voor ideeënhistorici en als die goed geschoold zijn in de sociale wetenschappen, kan er allerlei moois gebeuren. Dat er desondanks nogal wat gewauwel is, heeft volgens mij niet zoveel te maken met het postmoderne. De crux zit ergens anders.

Lees verder “Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (2)”

Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)

Klassieke façade, maar de structuur is gewoon staalbouw

Een van de vaste gasten op deze blog, Martin, stelde onlangs verontwaardigd de vraag hoe mensen toch konden denken iets van de westerse cultuur te begrijpen zonder kennis van de klassieke Oudheid. En hij voegde toe dat er onder het mom van het postmoderne een hoop slechte educatie en een hoop oppervlakkig gewauwel schuilgaat.

Ik houd van dit soort opmerkingen omdat het uiteindelijk gaat om wat je met een concept bedoelt: Oudheid, klassiek, postmodern.

Oudheid

Eerst maar even of we kunnen zonder kennis van de Oudheid. Daar kunnen we kort over zijn: je kunt prima zonder. Het idee dat de Mediterrane wereld vóór pakweg 500 n.Chr. belangrijk voor ons zou zijn, is gewoon kant en klare kullekoek. Het zou belangrijk zijn als er destijds iets zou zijn ontstaan dat ons nu nog bewijsbaar beïnvloedt. Voor je zoiets kunt beweren, moet je vier dingen bepalen. Ik behandelde ze ook in Vergeten erfenis en Xerxes in Griekenland.

Lees verder “Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)”

Conspicuous leisure

Een van de leukste en belangrijkste wetenschappers van de vroege twintigste eeuw was Thorstein Veblen (1857-1929). In zijn Theory of Business Enterprise (1904) wees hij erop dat ondernemers alleen winst kunnen maken als de markten niet optimaal functioneren en dat ze dus het liefst een efficiënte economie saboteren. Het was daarom beter de regie niet over te laten aan de vrije markt maar aan ingenieurs, meende Veblen, maar van dit idee hebben we sinds de vijfjarenplannen van de Sovjet-Unie niet meer zoveel vernomen. Hij is daarentegen onverminderd actueel met zijn Theory of the Leisure Class (1899), waarin hij uitlegt dat mensen niet economisch rationeel handelen maar vooral verlangen naar status. Hij wees daarbij op twee aspecten: conspicuous consumption ofwel opzichtig consumeren en conspicuous leisure ofwel opzichtig luieren.

Voorbeelden van het eerste: een Rolex om je pols of vervoer in een dure auto. Oudheidkundig voorbeeld: de vorstengraven uit de IJzertijd, of dat nu Salamis op Cyprus is of de Vorst van Oss. Voorbeeld van het tweede: verre vakanties en museumbezoek. Achter beide zaken gaat Veblens cynische wereldbeeld schuil. Iedereen wil de ander inpeperen wie de voornaamste is. Mensen zijn wreed. Toch is er ook een mooie kant: als “anderen iets inpeperen” een drijfveer is, kan het positief worden benut, bijvoorbeeld voor cultuureducatie.

Lees verder “Conspicuous leisure”

De twee grootste ontwikkelingen van de jaren ’10

d’Hoop (gevelsteen aan het fietspad door de Sint-Luciensteeg, Amsterdam)

Er is geen jaar nul geweest en dat wil zeggen dat het lopende decennium eigenlijk pas eindigt op 31 december 2020, maar nu iedereen terugblikt op een aflopend decennium, zal ik niet achterblijven en uitleggen wat volgens mij de grote ontwikkelingen in de oudheidkunde zijn geweest. Dat zijn er twee en ze zullen de trouwe lezers van deze blog niet verbazen. In principe bieden ze een vak dat in zichzelf gekeerd is geraakt de mogelijkheid maatschappelijk gezag terug te winnen.

Maximalisten en minimalisten

Het probleem is dit: wat doe je als archeologische gegevens het een zeggen en tekstuele informatie het ander? Als we lezen dat Ecbatana een stad was met zeven muren en we die muren almaar niet vinden? Als we lezen over de machtige monumenten van de Joodse koning Salomo en als we daar nul, nada, niente, nakko van terugvinden, zelfs al is heel Israël zes meter diep twintig keer omgespit? En wat doe je als Caesar beweert in Gallia Belgica te zijn geweest en we geen enkel fort of slagveld terugvinden?

Lees verder “De twee grootste ontwikkelingen van de jaren ’10”

Bedrieglijk echt

Dankzij uw bijdragen kon ik afgelopen zomer een huisje huren in Gemmenich op de Vaalserberg. Op de Belgische helling, tweehonderd meter ten zuiden van de grens, schreef ik toen mijn boek Xerxes in Griekenland (koop het, dan heeft ook mijn uitgever een goed oud jaar). Ik maakte toen ook een beginnetje met een ander boek, Bedrieglijk echt, dat ik momenteel in hetzelfde huisje aan het afronden ben.

Rookgordijnen

Bedrieglijk echt gaat over papyrologie en dan vooral over de wedloop tussen wetenschappers en vervalsers. De aanleiding is het Evangelie van de Vrouw van Jezus, dat opdook in het najaar van 2012 en waarvan al na drie weken vaststond dat het een vervalsing was. Ik heb destijds geblogd over hoe vreemd het was dat de onderzoekster, toen eenmaal duidelijk was dat deze tekst met geen mogelijkheid antiek kon zijn, beweerde dat het lab uitsluitsel kon geven. Iedere eerstejaarsstudent weet waarom dit een rookgordijn was: analisten kunnen wel slechte vervalsingen ontmaskeren maar niet aantonen of iets echt is. Het persbericht over de laboratoriumresultaten is minimaal te typeren als misleiding.

Lees verder “Bedrieglijk echt”