MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen”

MoM | Friedrich August Wolf en de Altertumswissenschaft

Friedrich August Wolf

Friedrich August Wolf hield zich niet alleen bezig met de Homerische kwestie, waarover ik zojuist blogde. Hij stichtte ook de oudheidkunde als wetenschappelijk vakgebied. De vraag: waarom zou je je bezighouden met de cultuur van de Oudheid? Wij kennen die vraag natuurlijk ook. In onze tijd sneerde Halbe Zijlstra dat hij niet wist wat hij moest met musea vol opgegraven potten en pannen. Anders dan de Nederlandse oudheidkundigen, die zwegen toen ze deze kans kregen zich uit te leggen, sprak Friedrich August Wolf wel. En hoe.

Wat was de waarde van de oudheidkunde? In de tijd van de Europese revoluties, de Napoleontische oorlogen en de eerste industrialisering, was het opheffen van universiteiten niet ongebruikelijk. De belangrijkste onderzoekers opereerden vaak op zichzelf. De oudheidkunde was kwetsbaar toen Wolf in 1807 er een essay aan wijdde. In zijn Darstellung der Altertumswissenschaft nach Begriff, Umfang, Zweck und Wert (1807) stelde hij voor wat de oudheidkunde moest zijn. De door hem gemaakte keuzes – waarvan sommige verstandig zijn gebleken en andere niet – zijn voor de oudheidkunde vaak nog actueel.

Lees verder “MoM | Friedrich August Wolf en de Altertumswissenschaft”

MoM | Friedrich August Wolf en Homeros

Friedrich August Wolf

Vorige week ontdekte ik dat ik nog nooit werkelijk had geblogd over de Duitse classicus Friedrich August Wolf (1759-1824). Dat moet rap veranderen. Hij was de grondlegger van de wetenschappelijke bestudering van de klassieke talen, dus hij past goed in deze Week van de Klassieken.

De ijverige student

Wolf bouwde voort op Winckelmann en Gibbon, maar anders dan zij was hij een academische insider. Hij had in Göttingen, destijds de beste universiteit ter wereld, gestudeerd bij Winckelmanns vriend Christian Gottlieb Heyne. Daar was Wolf als student al opgevallen door zijn kritische houding en plichtsbetrachting. Zo zou hij ’s nachts zijn voeten in ijskoud water hebben gestoken en een ooglid kunstmatig geopend hebben gehouden om geen tijd te verliezen aan slaap.

Later zou hij beweren weinig te hebben geleerd in Göttingen, maar dat is onwaar. Daarvoor lijken zijn opvattingen teveel op die van Heyne. Leraar en leerling ijverden ervoor de Oudheid niet à la Gibbon op te vatten als een reeks koningen en veldslagen, maar als een wisselwerking tussen volken en staten met eigen karaktertrekken. Die zouden af te leiden zijn uit hun instellingen, economie, wetten en dergelijke. Een voorbeeld is Heynes De Genio Saeculi Ptolemaeorum (“De geest van de tijd der Ptolemaiën”), waarin hij het karakter van het hellenisme (de “tijdgeest”) trachtte te duiden door te wijzen op aspecten die op elk terrein van de menselijke cultuur terugkeerden, zoals subtiliteit en liefde voor het uitzonderlijke, bizarre of vreemde. Wolf deelde deze brede benadering.

Wolf was achttien toen hij afstudeerde. Zes jaar later doceerde hij filosofie aan de universiteit van Halle en weer vier jaar later, in 1787, stichtte hij daar het taalkundig instituut.

Lees verder “MoM | Friedrich August Wolf en Homeros”

Week van de Klassieken 2020: Controverses

Al sinds mensenheugenis vindt de Week van de Klassieken plaats in de lente. Dat had ook dit jaar zo zullen zijn, maar het begin is om welbekende redenen uitgesteld tot vandaag. Het thema is nog altijd “Controverse”. En dat is een moeilijk thema, want er zijn binnen de oudheidkunde wel debatten, maar vrijwel geen controverses.

Een controverse is een discussie waarbij de deelnemers het oneens zijn over de randvoorwaarden. Anders gezegd, het is een debat waarbij minimaal één partij vrijheden neemt die de andere partij onacceptabel vindt. Ik kan maar twee oudheidkundige voorbeelden noemen. De eerste daarvan gaat niet over de klassieken: de chronologie van het Midden-Brons in Mesopotamië. Daar waren drie mogelijkheden (prozaïsch aangeduid als Hoog, Midden en Laag) en daar kwam een vierde bij, Ultralaag. De aanhangers daarvan hebben, toen ze de discussie niet wonnen, vrij grootschalig de Wikipedia aangepast, waardoor de indruk ontstond dat hun alternatief serieus was. Dat is geen gebruikelijke manier om een wetenschappelijke discussie te voeren en in die zin is het controversieel. Dat inmiddels vaststaat dat de middenchronologie de beste was, maakt het des te gênanter.

Lees verder “Week van de Klassieken 2020: Controverses”

MoM | Vrijheid en filhellenisme

Kelheim

Ik heb al een aantal keren geblogd over de grote geleerden van de late achttiende en vroege negentiende eeuw: Winckelmann en Gibbon natuurlijk, maar ook Wolf (over wie volgende week meer) en de politici van de Revolution von Oben die de nieuwe wetenschappelijke inzichten omzetten in een functionerende universiteit. Als het u vandaag, nu onze universiteitsmensen demonstreren voor onze toekomst, allemaal wat deprimeert, bedenk dan dat we twee eeuwen geleden de universiteit ook opnieuw hebben kunnen uitvinden en opnieuw een toekomst verwierven. Lees maar. Het veronderstelt wél dat de politiek begrijpt dat onderwijs, cultuur en wetenschap geen kostenposten zijn maar investeringen. Dat is nu vanzelfsprekend anders. Maar wie weet.

Romeinenliefde

Terug naar die wetenschappers van toen. Zij waren gefascineerd door het vrijheidsideaal en zagen dat belichaamd in de oude wereld. Dáár zochten ze aansluiting bij. Dat valt bijvoorbeeld op aan de  Amerikaanse Revolutie van 1776, aan de even revolutionaire Nederlandse Patriottentijd van 1780-1787 en aan het Frankrijk van 1789-1815. Steeds namen de vernieuwers de Romeinse tijd als model. De Verenigde Staten hebben een Capitool en een Senaat, de officiële architectuur was lange tijd gebaseerd op de Romeinse. Kijk in Amsterdam eens naar Felix Meritis. In Frankrijk heet de kunststijl van Napoleon (eerste consul, keizer) niet voor niets “Empire”. Denk aan het legioen van eer, aan de Arc de Triomphe, aan de Code Napoléon.

Lees verder “MoM | Vrijheid en filhellenisme”

Keltische stenen en Bijbelverzen

Hoewel Keltische stenen toch echt stenen zijn, zijn ze in plasticvorm te koop bij wetenschapsmuseum NEMO in Amsterdam. Het filmpje hieronder toont er eentje die is gesneden uit hout. De KNAW heeft ze ooit als chocoladekoekje gekend. Ik heb het dus over Keltische stenen.

Ik had er nog nooit van gehoord tot iemand me erover mailde. Het bleek te gaan om een steen in een vorm die je nog het beste kunt vergelijken met een banaan of aardappel. Als je ze neerlegt op tafel en er een tik tegenaan geeft, kun je ze laten roteren, zoals je ook kunt doen met een ovale kei op een tegel. Het opmerkelijke is nu dat Keltische stenen een eigen draairichting hebben. Ze roteren bijvoorbeeld wél met de wijzers van de klok mee, maar niet de andere kant op. Geef je ze een tik om ze tegen de wijzers van de klok in te laten draaien, dan gaan ze eerst wiebelen en draaien ze vervolgens tegen de wijzers van de klok in. Volkomen contra-intuïtief.

Lees verder “Keltische stenen en Bijbelverzen”

Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]

Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.

Lees verder “Klassieke literatuur (11): briefliteratuur”

MoM | Antieke migraties en migranten (1)

Een laatantieke ruiter keert terug (Nagyszentmiklós-schat, Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Migratie, dat mensen met een bepaalde identiteit elders gaan wonen bij mensen met een andere identiteit, is momenteel een belangrijk oudheidkundig thema. Eerlijk is eerlijk: dat is soms gemakzuchtig inhaken op de actualiteit. Migratie heeft immers problematische kanten die momenteel de aandacht trekken en er zijn oudheidkundigen die het belang van hun vak denken te kunnen tonen door erop te wijzen dat je ook in de Oudheid migratie had. Dan toon je je eigen irrelevantie want je loopt aan achter wat anderen belangrijk vinden in plaats van je eigen kwaliteiten te tonen. Het is zoiets als tijdens een pandemie beweren dat je ook in de Oudheid epidemieën had. Gelukkig is er ook een minder zelfdestructieve reden om je met migratie bezig te houden: de DNA-revolutie.

Door het onderzoek naar antiek DNA en het isotopenonderzoek wordt duidelijk dat de mensen vroeger buitengewoon mobiel waren, minimaal in sommige regio’s en tijdperken, wat betekent dat ideeën veel breder konden circuleren dan wel aangenomen is geweest. Wie een Latijnse tekst interpreteert, kan niet langer om Aramese parallellen heen, om het samen te vatten. Ons vak staat op de grondvesten te trillen en om die reden was “Van heinde en verre” in 2019 het thema van de Week van de Klassieken.

Maar migratie was al eerder een thema: in de negentiende eeuw. Omdat de toenmalige noties nog steeds circuleren, vandaag twee “Methode op Maandag”-stukjes over die materie.

Lees verder “MoM | Antieke migraties en migranten (1)”

Aarzelend voorwaarts – maar waarheen? (2)

Ik ben even de weg kwijt.

“Op dit punt ben ik somberder,” schreef ik in mijn vorige stukje, doelend op de toekomst van de oudheidkunde als bloeiende wetenschap. Er zijn stevige intellectuele problemen. Uitdagende debatten zoals die in de jaren zeventig over de vraag of je, wanneer filologisch en archeologisch bewijsmateriaal asymmetrisch is, de ene of de andere bewijscategorie moet volgen, zijn er momenteel niet. Zowel in eigen land als daarbuiten werken de oudheidkundige bloedgroepen weinig samen, hoewel de problemen in de papyrologie toch echt voortkomen uit het feit dat tekstwetenschappers oostindisch doof zijn geweest voor wat archeologen zeggen over provenance, en hoewel de DNA-revolutie juist voor de filologische wetenschappen de belangrijkste gevolgen heeft. De oudheidkunde dreigt intellectueel op dood spoor te raken.

Ook de overdracht hapert. De samenleving zit opgezadeld met te kort opgeleide afgestudeerden en met desinformatie. Dat laatste probleem groeit al jaren. Ik zou het hebben gewaardeerd als degenen die de afgelopen maanden mopperden dat antiwetenschappelijke standpunten over klimaat, vaccinatie en corona op TV een platform kregen, de afgelopen decennia ook hadden gemopperd bij antiwetenschappelijk gezwatel over de geesteswetenschappen. Het is niet erg wetenschap te brengen als amusement, maar je moet degene die hierdoor belangstelling krijgt, wel zicht bieden op verdieping. Voorlichting zonder tweede lijn is aandachttrekkerij en dus contraproductief. Zie de schade die de archeologie ondervindt van de vlakke informatie over de limes.

Lees verder “Aarzelend voorwaarts – maar waarheen? (2)”

Aarzelend voorwaarts – maar waarheen? (1)

Ik ben even de weg kwijt.

Als rusteloosheid, een gevoel van malaise en een onvermogen effectief toekomstplannen te maken symptomatisch zijn voor corona, dan ben ik er de afgelopen maand door ingehaald. Niet dat het slecht gaat. Ik ben gezond, had voldoende spaargeld om door de afgelopen maanden te rollen en kon naar Wallonië uitwijken toen ik onlangs mijn huis aan familieleden moest uitlenen. Nu dat laatste zich herhaalt, kan ik terecht bij twee van de vaste lezers van deze blog – ik kan rekenen op steun van talloze mensen. Ik ben een gezegend mens en dat ben ik me elke dag bewust.

Maar eerlijk is eerlijk: ik ben rusteloos en richtingloos. De eerste corona-weken ging het allemaal wel. Ik had in vrij korte tijd vier boeken gepubliceerd (Constantijn, Xerxes, Wahibre-em-achet en Bedrieglijk echt) en had een achterstand bij allerlei ander werk. Een deel van die achterstand heb ik kunnen wegwerken, maar niet alles. Langzaam zonk bij me in dat sommige projecten nooit af zouden komen en dat geeft me een naar gevoel. Ik ben te vaak aan iets begonnen en heb te veel energie gestoken in mislukkingen. Volgens mij kan The Seven Habits of Highly Effective People worden samengevat als “alles wat Lendering niet is”.

Lees verder “Aarzelend voorwaarts – maar waarheen? (1)”