De wereldkaart van Ptolemaios

Ptolemaios’ “Geografie” (Gutenbergmuseum, Mainz)

Vorige week was ik in Mainz en we bezochten het Gutenbergmuseum. Als u het niet kent, moet u er zeker heen gaan. Nergens ter wereld zie je op één plek zoveel wiegedrukken (boeken gedrukt vóór 1500) bij elkaar. Leuke teksten ook, zoals de uitgave van het Corpus Iuris die een van Gutenbergs leerlingen vervaardigde (een ander exemplaar is in Zutphen), teksten van Erasmus en Luther (akkoord: post-1500), de Germania van Tacitus en natuurlijk bijbels, gedrukt door de uitvinder zelf.

Ook het bovenstaande boek is er: een uitgave van PtolemaiosGeografie, een fundamenteel werk. Onze reconstructie van de antieke topografie gaat er voor een belangrijk deel op terug. De landkaarten zijn beroemd. Hierboven ziet u één voorbeeld, maar er zijn in Ptolemaios’ Geografie diverse kaarten opgenomen.

Lees verder “De wereldkaart van Ptolemaios”

De laatste dagen van Plinius de Oudere

Romeinse villa aan zee; wandschildering uit Stabiae

Laten we eerlijk zijn: archeologen zéggen dat ze heel goed zonder teksten kunnen – zeker Lewis Binford was op dit punt vrij expliciet – maar in de praktijk vinden ze het altijd leuk als ze iets vinden waarop een tekst valt los te laten. Nederlandse en Vlaamse archeologen zijn in dit opzicht overigens vrij gematigd. Toen ze onlangs bij Valkenburg (ZH) een Romeinse legioenskamp vonden, hadden ze kunnen roeptoeteren dat ze de plek hadden opgegraven waarvandaan Caligula zijn legionairs naar het strand had laten marcheren om schelpen te zoeken, maar voor zover ik weet hebben ze die claim, die niet eens zó gek zou zijn, niet gedaan. Elders gaan echter alle remmen los.

Zoals in Israël, waar archeologen elke vondst met de Bijbel in verband brengen, of in Italië, waar ze een algemeen principe hanteren dat er alleen maar dingen in de grond zitten die ook staan vermeld in geschreven bronnen. Twee voorbeelden daarvan hebben te maken met de Romeinse admiraal en encyclopedist Plinius de Oudere, wiens schedel zou zijn gevonden terwijl ook een van zijn manschappen zou zijn opgegraven. De vondsten hebben echter evenveel te maken met Plinius als sokken met computers, of kunst met Marc Chagall, of een boek met een stoomlocomotief.

Lees verder “De laatste dagen van Plinius de Oudere”

12. Wat te doen?

Ik ben de weg kwijt.[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zijn weinig nieuws tegengekomen, maar ik wilde zijn of mijn ambities overeenkwamen met de praktijk. Helaas is dat niet zo. Dit is het laatste stukje van vandaag. Het eerste was hier.]
Na mijn beslissing te stoppen met de Livius Nieuwsbrief was de keuze vrij snel gemaakt te beginnen met een groepsblog die Grondslagen.net heet. Daar zouden alle oudheidkundige blogs dan kort delen wat ze te melden hebben, waarna lezers vanaf Grondslagen.net naar de deelblogs zouden worden geleid. Eén blog als wegwijzer naar de andere. Ook wilde ik informatie bieden over de Oudheid die dan doorgaans minder actueel zou zijn, maar die in elk geval niet de flauwekul samenvatte die de Livius Nieuwsbrief schadelijk had gemaakt. Als een website als Neerlandistiek kan bestaan, waarom kunnen archeologen, classici en oudhistorici dan niet één site maken waar mensen alles kunnen vinden?

Ik weet niet goed hoe dit project verder zal gaan. Het idee was dat ook de musea blogs zouden delen, maar door de corona hebben ze andere prioriteiten en is het er nog niet van gekomen. Hoewel we ruim duizend abonnees hebben, zijn we er nog niet. Grondslagen kan momenteel alleen voetafdruk opbouwen. Wat overigens niet zonder nut is.

Lees verder “12. Wat te doen?”

11. Opnieuw in een fuik

Goed werk proberen te leveren is een soort Danaïdenvat (Antikensammlung, München)

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het voorlaatste van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Even samenvatten. De humaniora vormen een zinvolle intellectuele activiteit. Door de aard van de eigen denkbeelden te doorgronden groeit een mens als mens. Bovendien verbindt kennis alle volken en generaties. Dat is het grote verhaal van de mensheid, een verhaal over groei, verheffing, zelfverwerkelijking. De crux hierbij is dat het Bildungs-ideaal collectief is.

Of zou moeten zijn. In de praktijk is het dat niet. De universiteiten leiden studenten als individuen op door ze vaardigheden en inzichten mee te geven, maar onthoudt door middel van betaalmuren deze inzichten aan de rest van de samenleving. (Bedenk hierbij: de VSNU heeft mooie woorden over de maatschappelijke functie van wetenschap maar nodigt de maatschappelijke organisaties niet uit voor een gesprek over de vraag wat de maatschappij nodig heeft.) Voor de oudheidkunde zijn daarnaast de gymnasia relevant. Die bieden een mooi product, maar het is opnieuw toegesneden op kleine groepen individuele leerlingen, allemaal op het VWO. Terwijl er daarbuiten eveneens mensen zijn met belangstelling voor de oude wereld. Ik zal wat verklappen: dat zijn er meer. Het blijkt uit de bezoekcijfers van de musea.

Lees verder “11. Opnieuw in een fuik”

5. Het probleem

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het vijfde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

De letterenfaculteiten maakten geen beleid om toch doctorandi 2 op te leiden, hoewel dat gewoon kan. Van Rens Bod is bijvoorbeeld de suggestie alle letterenfaculteiten te fuseren tot één instelling die er weer toe doet. Zelf heb ik een iets bescheidener voorstel gedaan: fuseer de oudheidkundige instituten tot één instelling die wél een deuk in een pak boter slaat. In plaats van het wetenschappelijk minimum op deze of een andere manier te verdedigen, stonden de faculteiten toe dat doctorandi 1 solliciteerden naar promotieplaatsen. Waar ooit twaalf jaar waren verstreken tussen propedeuse en promotie, ging het voortaan in acht. Sindsdien zijn proefschriften fors uitgevallen scripties.

Ook in het onderwijs daalde het niveau. De kennismakingen met verwante disciplines verdwenen steeds verder naar de achtergrond. Archeologen leren geen Latijn meer, classici weten onvoldoende van geschiedtheorie.

Lees verder “5. Het probleem”

3. De waarde van de humaniora

(Dit plaatje moet verplicht altijd staan bij stukjes over de geesteswetenschappen.)

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het derde van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Als de oudheidkunde ons inzicht geeft in onze denkbeelden en als ze ons leert letten op wat we niet weten, is ze in feite een pedagogisch programma. Dat is een wat zware term, maar in de zin dat ze ons vaardigheden voor het leven bijbrengt, is er zeker een vormend aspect. Uiteraard geldt dit ook voor andere wetenschappen.

Er zijn hier nog meer zware termen te gebruiken die mooie gedachten uitdrukken. Het “goede, schone en ware” bijvoorbeeld. Het idee dat de kennismaking met dit drietal een mens méér mens maakt, staat bekend als “humaniora”, terwijl het proces van kennisverwerving bekendstaat als “Bildung” ofwel algemene vorming.

Lees verder “3. De waarde van de humaniora”

2. Het belang van de Oudheid

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het tweede van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Die vraag, “Waarom is die Oudheid belangrijk?”, keert steeds terug. Waarom moeten ondernemers hun bouwprojecten stilleggen bij archeologische vondsten? Waarom leren kinderen aan een gymnasium oude talen? Wat moet de staatssecretaris van Cultuur met musea vol opgegraven potten en pannen?

Er zijn verschillende antwoorden. Soms lees je dat in de Oudheid iets is ontstaan dat voor ons nog steeds belangrijk is. Het tijdperk is de bakermat van onze eigen beschaving, heet het dan. Deze sociaalwetenschappelijke claim over een eeuwenlange continuïteit wordt zelden beschreven met het daarvoor ontwikkelde en noodzakelijke sociaalwetenschappelijk instrumentarium. De claim is dus zinledig.

Lees verder “2. Het belang van de Oudheid”

Tien jaar bloggen

Mainz in 1880

Vandaag bestaat dit blog tien jaar. Ik ben op 14 juli 2011 begonnen met een stukje over Don Quichot en dit is de 4563e toevoeging. Ooit bedoeld om te schrijven over alles wat me te binnen schoot, is de Mainzer Beobachter (waarvan niemand bleek te begrijpen waarom die zo heet) in de loop van de jaren steeds meer een Oudheidblog geworden. Waarom dat zo is, leest u hier.

U reageerde in totaal zo’n 45.000 keer. Daarvoor dank! Hoewel ik de discussies soms te heftig vind, en ik twee keer een ban heb moeten uitdelen, ben ik blij met uw betrokkenheid. Ik heb vooral genoten van de stukken die u zelf aanleverde in de reeks geliefde boeken. Echt, dit zijn verrijkingen voor in elk geval mijn leven geweest en ik weet dat ook u dat zo heeft ervaren.

Lees verder “Tien jaar bloggen”

Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: het bioarcheologische onderzoek toont dat mensen in het verleden opvallend mobiel waren en dat heeft vérstrekkende implicaties voor de bestudering van de oude teksten. Het zou misschien beter een “hermeneutische revolutie” kunnen heten, dan hadden was duidelijker waar het over gaat.

De DNA-revolutie

De grote ontdekking van de laatste pakweg tien jaar, mogelijk geworden door het DNA- en isotopen-onderzoek, bewijst dat de mensheid in de Prehistorie en Oudheid mobieler was dan archeologen, classici en oudhistorici lange tijd hadden aangenomen. Oudheidkundigen kunnen uitingen van de materiële cultuur nu niet langer zomaar beschouwen als aanwijzing voor afkomst. Een voorbeeld is het rond 1370 v.Chr. overleden Deense meisje van Egtved, dat archeologen op grond van grafgiften identificeerden als lokale prinses maar na isotopenonderzoek afkomstig bleek uit Zuid-Duitsland. Een ander voorbeeld is dat op het moment waarop Caesar aankwam in het Nederlandse rivierengebied, de helft van de bewoners niet uit de regio lijkt te zijn gekomen.

Lees verder “Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten”

Historische excuses

Monument voor de slavenopstand van Tula op Curaçao

Wat of ik als historicus en als Amsterdammer nou vond van de historische excuses die burgemeester Halsema onlangs maakte voor het slavernijverleden? Ik had de vragensteller graag een wijs en diepzinnig antwoord gegeven, maar ik heb geen uitgekristalliseerde mening. Dat wil niet zeggen dat ik niet een paar losse, half uitgewerkte gedachten zou hebben.

Kentheorie

Om te beginnen zit er aan zo’n historisch excuus een kentheoretisch aspect. Niemand zal ontkennen dat het geweldig goed was toen Willy Brand door de knieën ging voor het monument voor de Getto-opstand in Warschau, want zowel hijzelf als de andere aanwezigen hadden de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Het maken van een excuus voor iets dat lang geleden is gebeurd veronderstelt dat er zoiets zou zijn als een overerfbaarheid in slachtofferschap en daderschap. Ik weet niet goed hoe ik zoiets zou kunnen onderbouwen.

Lees verder “Historische excuses”