Een unieke kerel

Grafsteen uit het geplunderde museum van Apamea

Je vindt nog ’s wat als je bezig bent met je oude foto’s. Bovenstaande inscriptie was ooit te zien in het geplunderde museum bij de Syrische stad Apamea. De grafsteen van een Romeinse soldaat. Er gaan er dertien van in een dozijn: hier hebt u er nog een stuk of dertig, behorend dezelfde museumcollectie en daar heeft u een stukje dat ik ooit blogde over een ander exemplaar. Vrijwel alle soldaten behoorden bij hetzelfde legeronderdeel, het Tweede Legioen Parthica, de strategische reserve van het Romeinse Rijk. Het onderdeel was in de eerste helft van de derde eeuw n.Chr. enkele keren in Syrië gestationeerd. Allemaal niks bijzonders.

Als mijn zakenpartner en ik foto’s hebben gemaakt, benut ik de avond meestal om ze een naam te geven zodat we het materiaal later makkelijk kunnen terugvinden. Op een mooie novemberavond in 2008 las ik snel de naam van de soldaat, die blijkbaar Marius heette of misschien Carius. (Voor niet-latinisten: het eerste woord, Mario, betekent “voor Marius”, al is de eerste letter erg beschadigd.) Hij werd drieënveertig jaar oud en diende er ruim eenentwintig. Twee trompetters plaatsten de gedenksteen. Nog steeds niets bijzonders en ook de constatering dat hij een “unieke kerel” was, is niet uitzonderlijk. Hooguit was de naam van de overledene wat kort, maar in de derde eeuw raakte de aloude driedelige Romeinse naam in onbruik, dus zo vreemd was dat nou ook weer niet.

Lees verder “Een unieke kerel”

Archeologisch nieuws (ja, echt!)

De zuidelijke stallen van Megiddo zijn een voorbeeld van een bouwwerk dat eerst ten tijde van Salomo werd gedateerd, maar jonger leek te zijn. Of misschien is het toch weer anders.

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, ben ik momenteel in Leeuwarden duizenden digitale foto’s online aan het plaatsen die mijn zakenpartner, enkele vrienden en ik de afgelopen vijftien jaar hebben gemaakt. Het is allemaal nog even wennen, maar mijn geadopteerde woonplaats is prettig ontspannen en ik werk hier met plezier. Als ik straks wat sneller kan werken en als ik wat geluk heb, dan is over drie maanden zo niet de hele dan toch een fors deel van de verzameling online beschikbaar voor iedereen die er gebruik van wil maken, bijvoorbeeld via de websites van Tresoar, Vici, het Rijksmuseum van Oudheden of Livius. (Hoewel ik daarnaar link, is er nu nog niets te zien van de fotocollectie.)

Omdat ik én met deze lekkere klus bezig ben én nog wat aan het Friese leven moet wennen – waar is in Leeuwarden om tien uur ’s avonds een supermarkt open? – is er weinig tijd om het nieuws te volgen, maar gelukkig attendeerde Kees Huyser van het NIKHEF, die ook de landkaarten maakte voor Het visioen van Constantijn, me op een artikel dat me anders misschien was ontgaan: “Fluctuating radiocarbon offsets observed in the southern Levant and implications for archaeological chronology debates”. Dit lijkt belangrijk nieuws over de archeologie van het Nabije Oosten.

Lees verder “Archeologisch nieuws (ja, echt!)”

Een ruiter uit Byblos

Fenicisch ruiterbeeldje (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Nog even een kleinigheidje uit Byblos, de havenstad waarover ik onlangs heb geblogd: een beeldje van een ruiter. Het is tegenwoordig te zien in de zwaar onderschatte Koninklijke Musea voor Kunst- en Geschiedenis in Brussel. Kijk hier even wat u, als u daar nog nooit bent geweest, allemaal hebt gemist.

Dit soort beeldjes zijn niet uniek. Ze dateren uit ongeveer 700 v.Chr. en zijn ook gevonden in Amrit in het zuiden van Syrië, het antieke Marathous. Ik lees dat kunsthistorici vermoeden dat er Grieks-Cypriotische invloeden in deze beeldjes zijn te herkennen, en dat is zowel interessant als logisch. In deze tijd zijn er immers allerlei Levantijnse invloeden in Griekenland, met het alfabet als bekendste voorbeeld, dus het viel te verwachten dat er ook Griekse invloeden zijn geweest in de Levant.

Lees verder “Een ruiter uit Byblos”

Fenicische identiteiten

Melqart, beeld uit Idalion (British Museum, Londen)

Soms vraag je je af of de wereld gek is geworden. Ik had die ervaring met Josephine Quinns eerder dit jaar verschenen boek In Search of the Phoenicians. Bij vrijwel elk hoofdstuk had ik, vrij naar Louis van Gaal, in de marge willen schrijven “Ben ik nou zo slim of is de schrijfster zo dom?” Dat is een hard oordeel over een boek, maar mijn bezwaren zijn dan ook vrij principieel: ze valt een stelling aan die niemand verdedigt en ze werkt toe naar een conclusie die haar vertrekpunt had behoren te zijn. Ik begrijp niet waarom dit boek is uitgegeven.

Eerst de stelling die niemand verdedigt: dat de Feniciërs zichzelf hebben beschouwd als één volk. Dat volk zou dan door de Grieken zijn aangeduid als “Feniciërs” en door de betrokkenen zelf als “Kanaänieten”. De laatste die iets in deze zin heeft gezegd is de grote oudheidkundige Sabatino Moscati (1922-1997). Niet de geringste, maar wel iemand van twee wetenschappelijke generaties geleden. Moscati had in de eerste helft van de vorige eeuw wat voorgangers en via die voorgangers speelde het idee van een Fenicisch volk een rol in de politiek van Libanon en Tunesië, waar het nog altijd kan opduiken. Ook is er hier of daar nog wel een oudheidkundige navolger, maar in feite is het idee wetenschappelijk even dood als andere negentiende-eeuwse denkbeelden. Quinn vermeldt de onderzoekers die het denkbeeld hebben gesloopt.

Lees verder “Fenicische identiteiten”

Sint-Menas

Sint-Menas-fles (Byzantijns Museum, Athene)

In Het visioen van Constantijn wijzen Vincent Hunink en ik op de mensen die Christus vereerden en tegelijk de heidense goden in ere hielden. Archeologisch zijn ze niet te onderscheiden van christenen die zich bedienden van heidense symbolen, zoals op deze fles uit de vierde eeuw, die ik ooit heb gefotografeerd in het onvolprezen Byzantijnse Museum van Athene.

Afgebeeld is een zogeheten orante, iemand die aan het bidden is. Het bordje van het museum meldt dat het gaat om een vrouw, maar ik beken dat ik niet zo snel herken waarom dat zo zou zijn. De ruim vallende mantel kan door iedereen zo zijn gedragen en de blote benen suggereren eerder een man dan een vrouw. Maar ik kan me vergissen. Hoe dat ook zij, een orante is een gebruikelijke afbeelding. Het leuke zijn de twee figuren links en rechts, die wel wat lijken op stegosaurussen maar volgens het museumbordje jakhalzen zijn, het dier dat was gewijd aan de Egyptische dodengod Anubis.

Lees verder “Sint-Menas”

Transparantie

Zo ben je evangelist, zo ben je de inzet van wetenschapsfraude. Arme Marcus.

Ik zit op een hotelkamer in Vlorë, ben te vroeg wakker en lees dit. Het komt erop neer dat het eerste-eeuwse fragment van het Evangelie van Marcus dat een tijd geleden is opgedoken, nu wordt uitgegeven. Dat is op zich aardig nieuws, maar er lijkt een bommetje te zijn verborgen. Ik schrijf “lijkt” want ik kan het hier, op een hotelkamer dus, niet zo snel controleren.

Waarom is dat bijzonder? Omdat het papyrusfragment waar het om gaat, ooit met veel bombarie uit een kartonnage is gehaald. Een kartonnage is het papier-maché-deel van een mummie; de methode om zo portretten aan te brengen, kwam aan het begin van de jaartelling ten einde. Degenen die de kartonnage destijds “disassembleerden” toonden het op film en vertelden dat het geen probleem was omdat ze het voorwerp hadden gekocht. Het probleem is nu dat een Marcus-fragment nooit voor het jaar 70 n.Chr. (de datering van dat evangelie) kan zijn geschreven. Een eerste-eeuws Marcusfragment is dus niet alleen verschrikkelijk oud (en reden tot vreugde voor evangelische christenen) maar vormt tevens bewijs dat de gewoonte mummies te voorzien van kartonnages langer heeft bestaan dan we wisten. De evangelische christenen hadden onvervangbare egyptologische data vernietigd.

Lees verder “Transparantie”

Byblos in de IJzertijd (en daarna)

Fenicische toren

De steden van Fenicië, waaronder Byblos, hadden te maken met een geduchte vijand: het Assyrië waarover ik vorig jaar al zoveel heb geschreven (overzicht). De Assyrische koningen eisten tribuut van de havensteden, die weinig anders konden doen dan hun handelsnetwerken benutten om het gevraagde te bemachtigen. Zo rond 800 strekte dit netwerk zich uit tot Karthago in Tunesië en verder, tot aan de Atlantische Oceaan.

Zoals ik in mijn vorige stukje aangaf werd Byblos langs deze handelsroutes overvleugeld door andere steden, vooral Tyrus, maar de Byblische kooplieden wisten nieuwe markten aan te boren, zoals Griekenland, dat via Byblos papyrus importeerde uit Egypte. Ik heb vaak horen vertellen dat het Griekse woord voor boek, biblion, is afgeleid van “Byblos”, maar ik weet niet of dat waar is. Uit deze periode, die in Libanon niet heel goed is gedocumenteerd, is in Byblos nog een toren te zien. Ik kom later deze week nog even terug op een vondst uit deze tijd.

Lees verder “Byblos in de IJzertijd (en daarna)”