De musea gaan weer open

Constantijn (munt uit Museum Valkhof, Nijmegen)

Op een dag in de niet zo verre toekomst zal de rijksarchivaris het embargo opheffen dat ligt op de notulen van het beraad van het Derde Kabinet Rutte. Als ik dan nog leef zou ik wel willen weten hoe de vergadering heeft plaatsgevonden waarbij de ministers besloten dat de musea dicht moesten. We weten inmiddels dat een deel van de aanwezigen strenge coronamaatregelen wilde, dat een ander deel meende dat de maatregelen té streng konden zijn, dat het kabinet toch daadkracht wilde uitstralen en dat dus maar werd besloten dat de culturele sector op slot moest.

De minister van Cultuur schijnt niet bij de beraadslagingen aanwezig te zijn geweest. Waarom ze niet is opgestapt toen ze moest vernemen dat anderen beslissingen namen over wat toch haar beleidsterrein was, is me niet duidelijk. Vandaar dat ik zo benieuwd ben naar de vergaderstukken.

Lees verder “De musea gaan weer open”

Een oudheidkundige groepsblog

Een tijdje geleden vertelde ik dat ik me op mijn toekomst aan het bezinnen was. Mijn twijfel kwam ook aan bod in het interview dat ik afgelopen maandag mocht geven aan het Handelsblad. Mijn ongemak: er verbetert niets. In alle bescheidenheid denk ik dat ik een paar redelijke boeken heb geschreven en dat mijn rubriek Methode op Maandag toont dat de bestudering van de Oudheid een wetenschap is. Maar wat we hiermee winnen gaat zó verloren als ondeskundige deskundigen op TV zwatelen over de vloek van de farao, over een Jezus zonder halachische opvattingen of over de val van het Romeinse Rijk door Germaanse invallen. Zolang zulke publiciteit domineert, domineert ook het beeld dat de oudheidkundige disciplines intellectueel de moeite niet waard zijn.

Hoe diep de minachting voor de wetenschap inmiddels is, leert de herziening van de historische canon. De commissie vond het overbodig classici, oudhistorici of archeologen om advies te vragen. (Toen ik vroeg welke adviseurs waren geraadpleegd, kreeg ik als ontwijkend antwoord te horen waarom de gemaakte keuze verdedigbaar was. Als oudheidkundige ken ik de contra’s en pro’s natuurlijk niet. Daarvoor moeten oudheidkundigen te rade bij een specialist in de naoorlogse geschiedenis van Nederland.) Zolang er zo veel meer pulp dan kwaliteit is, is verdergaan verspilling van energie. Het is waarom de Livius Nieuwsbrief al een tijdje stil ligt.

Lees verder “Een oudheidkundige groepsblog”

Cornelis de Bruijn in Giza

Afbeelding uit “Reizen van Cornelis de Bruyn door de vermaardste Deelen van Klein Asia” (1698)

Ik heb een paar helden. Montesquieu, Winckelmann, de cirkel rond Von Humboldt, Droysen, Schliemann, Weber, Millar, Sancisi-Weerdenburg. En Cornelis de Bruijn. Lees de biografie van de Haagse reiziger en tekenaar die als eerste tekeningen van Jeruzalem en Persepolis naar Europa bracht en u begrijpt waarom.

In 1681 bezocht hij Giza. Ik geloof niet dat hij zich realiseerde dat drieënveertig eeuwen naar hem terugkeken, maar hij ging de piramiden binnen en tekende bijvoorbeeld de Grote Galerij die leidt naar het oorspronkelijke graf van Cheops. Dat is nog decennia lang uniek beeldmateriaal gebleven. De schets hierboven heeft hij toen ook gemaakt. En er is natuurlijk iets raars mee aan de hand. De piramiden zijn te puntig.

Lees verder “Cornelis de Bruijn in Giza”

Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?

Je hebt oudheidkundige musea en oudheidkundige musea. Er is een wereld van verschil tussen de musea in West-Europa en die in het voormalige Oostblok, zoals Sofia of Tasjkent. Die laatsten leggen vaak de nadruk op de groei van de menselijke cultuur, waarin we de invloed herkennen van de opeenvolgende productiewijzen, welbekend uit de marxistische leer. Dat is iets heel anders dan de beeldschone afdeling Griekenland in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden of de pluriforme Romeinse afdeling van het Allard Pierson-museum in Amsterdam.

Hoewel al deze musea bekendstaan als archeologische musea, zijn ze dat niet. Ze tonen voorwerpen. De verhalen die ze daarmee vertellen kunnen kunsthistorisch zijn of sociaalhistorisch, maar ze vertellen niet wat archeologie is. Een echt archeologiemuseum was er tot voor kort in Brugge, maar het is onlangs gesloten. Ik denk echter dat er in de Benelux ruimte is voor een museum dat uitlegt wat archeologie is. En als dat niet kan, dan toch minstens een afdeling in een van de bestaande musea.

Lees verder “Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?”

Oost-Groningen (strokarton)

Ooit was dit de laatste strokartonfabriek van Nederland (Oude Pekela)

Onlangs blogde ik over mijn lagere school in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen. Daar had ik natuurlijk ook aardrijkskundeles, waarbij we de Nederlandse provincies moesten leren. Van Groningen herinner ik me de zeehaven van Delfzijl, het kort daarvoor afgesloten Lauwersmeer, de scheepswerven van Hoogezand-Sappemeer, de gasbel bij Slochteren (inclusief bodemdaling – rond 1975 al bekend) en de ontginningen voorbij Veendam. En verder waren er producten met mysterieuze namen als aardappelmeel en strokarton. Het beroemde liedje Oost-Groningen van Drs.P. had voor mij dus een hoge herkenningswaarde.

Een week of wat geleden ben ik naar het Veenkoloniaal Museum te Veendam gefietst. Dat is een opvallend leuk museum en beslist de moeite van uw bezoek waard. Ik was vooral onder de indruk van de expositie over schippersvrouwen. Ik meende te weten dat het tegen eind negentiende eeuw een bron van trots was als een gezin voldoende inkomsten had om de vrouw des huizes vrij te stellen van betaald werk, en dat het behoorlijk taboedoorbrekend was dat rijkere vrouwen (zoals een Mina Kruseman) juist wél gingen werken. De zelfverzekerde Oost-Groningse schippersfamilies waren, zo leerde ik, een uitzondering. Misschien is het geen toeval dat Aletta Jacobs kwam uit Sappemeer. Hoe dat ook zij, de schippersfamilies waren rijk genoeg om de echtgenotes van de opvarenden niet te hoeven laten werken, maar toch was een derde van de schepelingen vrouw. Prachtige foto’s trouwens. Maar goed, ik kwam voor het strokarton.

Lees verder “Oost-Groningen (strokarton)”

Robert Seidel, Jäger

Pieter Bruegel, Jagers in de sneeuw

1

Aan de voet van de heuvel zagen de jagers de brug over de bevroren rivier. Bij de watermolen, waarvan het rad in het ijs tot stilstand was gekomen, trok een meisje haar zusje in een slee over het ijs. Een vrouw liep met brandhout over de brug, klaar om te gaan koken, maar vlees zou ze deze avond niet bereiden. Het enige dier dat de drie jagers die dag aan hun spies hadden geregen, was namelijk een magere vos geweest. Verder waren hun weitassen leeg gebleven. Ietwat terneergeslagen liepen de mannen door de sneeuw terug naar huis.

2

Pieter Bruegel zag de jagers kijken naar de brug en de stilgelegde watermolen. Hij herkende een thema voor een mooi winterlandschap. Als het ging om de moeilijkheden van het menselijk leven, zat hij er nooit naast. Hij begreep dat de schrale maaltijd van de jagers moest contrasteren met het feestmaal in de herberg, dat de vermoeide honden moesten staan tegenover een energieke vogel in de lucht en dat de schaatsenrijders geen acht mochten slaan op de ellende van een schoorsteenbrand.

Lees verder “Robert Seidel, Jäger”

Het Nibelungenmuseum van Worms

Hagen en het Rijngoud (standbeeld in Worms)

Volgens de Gallo-Romeinse kroniekschrijver Prosper Tiro maakte de Romeinse generaal Aetius in het jaar 435 een einde aan de heerschappij van de Bourgondische leider Gundihar:

Rond deze tijd versloeg Aetius Gundihar, de koning van de Bourgondiërs die woonden in de Gallische provincies. Toen hij om vrede smeekte, werd die hem verleend. Gundihar genoot echter niet lang van die vrede, aangezien de Hunnen hem en zijn volk uitroeiden.

Dit incident vormt de historische kern van het tweede deel van het Nibelungenlied, het nationale gedicht van Duitsland. Het is een duistere tekst over onheil en loyaliteit, die eerst de ondergang beschrijft van de stralende held Siegfried en in de tweede helft de verschrikkelijke wraak die zijn echtgenote Kriemhild neemt op degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van haar man. De eerste helft speelt in Worms, de residentie Gunther, en de tweede helft in het paleis van koning Etzel – namen waarin we Gundihar en Attila herkennen. Het is zeker mogelijk dat Attila als jonge man heeft deelgenomen aan de door Prosper Tiro vermelde veldtocht die resulteerde in de dood van koning Gundihar.

Lees verder “Het Nibelungenmuseum van Worms”

Erfgoedroof: de schaamte voorbij

Beek, een dorpje in Nederlands Limburg, heeft iets gemeen met Bagdad, de hoofdstad van Irak: erfgoedroof. De illegale handel heeft het plaatselijke museum overvallen. Voor zover er verschil is, is dat slechts in de schaal en het thema van het museum: in Bagdad een groot oudheidkundig museum, in Beek een plaatselijk museum, gewijd aan de Tweede Wereldoorlog. De overeenkomst is dat in beide gevallen een team inbrekers doelgericht te werk ging en precies wist wat het moest halen.

Gewoon dus, beng, je komt aanrijden, je laat je auto achter, je blokkeert de weg met banden om een eventuele politie-ingreep te vertragen, je breekt de deur van het museum open, je helpt je aan wat je nodig hebt en je vertrekt met een tweede auto. Zo simpel was het, daar in Beek.

De politie onderzoekt momenteel de inbraak maar het lijkt erop dat de vandalen handelden voor een opdrachtgever. Net als in Bagdad is het probleem niet alleen de dader maar ook de heler.

Lees verder “Erfgoedroof: de schaamte voorbij”

De Romeinse Maas

De Maas bij Chokier

De vallei van de Maas, Mosa in het Latijn, vormde het kerngebied van de Romeinse aanwezigheid in het noorden van Gallië, Gallia Belgica. Ik heb het dan met name over het gebied tussen pakweg Namen en Maastricht, waar een heel gevarieerde economie moet hebben bestaan. Maar eerst iets over de rivier zelf.

Een bron over een bron

De Maas wordt verschillende keren in de bronnen genoemd, hoewel meestal in het voorbijgaan. En soms ook gewoon onjuist. Julius Caesar is de eerste die er iets meer over zegt en dat is meteen onjuist: hij schrijft dat de Maas ontspringt in de Vogezen, maar in feite liggen de bronnen westelijker, niet ver van Domrémy, het dorpje waar eeuwen later Jeanne d’Arc geboren zou worden en haar visioenen zou krijgen. Vermoedelijk verwarde Caesar de Mosa met de Mosella, het Maasje ofwel de Moezel.

Lees verder “De Romeinse Maas”

Sakkara

Pabes en Taweretemheb, beschermd door de godin Hathor

Egypte bestaat uit ruwweg twee delen: Boven-Egypte ofwel het Nijldal en Beneden-Egypte ofwel de Delta. Ergens rond 3100 v.Chr. raakten deze gebieden verenigd en vanaf dan spreken we van de Eerste Dynastie of Vroegdynastieke tijd. Of we die vereniging mogen typeren als staatsvormingsproces is een kwestie van definitie. Het heeft er in elk geval mee gemeen dat het tijdperk structurerend was voor de verdere geschiedenis van Egypte. Allerlei zaken ontstonden die sindsdien in de Egyptische cultuur aanwezig zijn gebleven en terug zijn blijven komen.

Zo werd Memfis een soort stedelijk centrum: een gebied met heiligdommen, paleizen, havens en woonhuizen dat zich uitstrekte over een lengte van zo’n dertig of veertig kilometer. Ook toen eeuwen later andere heiligdommen, zoals Thebe of Sais, voorname bestuurscentra waren geworden, bleef Memfis belangrijk.

Lees verder “Sakkara”