De Leidse Amunpapyrus

De Leidse Amunpapyrus (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In een van de vitrines van de afdeling Egypte van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden ligt de Amunpapyrus, een van de beroemdste teksten uit de oude wereld. Hoewel we over de herkomst slechts vermoedens hebben, is er geen twijfel aan de echtheid. Hij is namelijk al bekend sinds 1828, toen het nog jonge museum de collectie verwierf van Giovanni d’Anastasi (1780-1860), een Griekse koopman die in Egypte was beland, het vertrouwen had gewonnen van de Ottomaanse onderkoning Mohammed Ali en allerlei oudheden had verzameld. Weliswaar kunnen we over unprovenanced oudheden niet sceptisch genoeg zijn en is het zeker denkbaar dat d’Anastasi de dupe is geweest van bedrog, maar het is niet aannemelijk dat een vervalser in het eerste kwart van de negentiende eeuw én de juiste inkt zou hebben bereid én de beschikking zou hebben gehad over een fors antiek papyrusblad én een Egyptische tekst kon schrijven waaraan egyptologen sindsdien weinig vreemds hebben herkend.

Omdat Anastasi veel voorwerpen heeft aangekocht in Thebe, is aannemelijk dat de Leidse papyrus daarvandaan komt, temeer omdat in die stad een netwerk was van Amuntempels, waarvan het complex te Karnak de voornaamste was. Vanaf de zestiende eeuw v.Chr. gold de god van Thebe als de belangrijkste in Egypte en was zijn stad hét religieuze centrum van het land. Het was een van de plaatsen die werd genoemd als locatie van de oerheuvel, waar nog voor het begin van de tijd het eerste land boven de oerwateren was verschenen.

Lees verder “De Leidse Amunpapyrus”

Doorstroomlocaties

Een bevriende schilder exposeerde in het Museum Amstelland en omdat ik daar nog nooit was geweest, fietste ik er deze zondag even naartoe. Zes kilometer. Bij binnenkomst was er een fles zeep en een blocnote om je naam en telefoonnummer op te schrijven. Iedereen droeg mondkapjes. Er was een groot plastic scherm bij de kassa. Je kon betalen voor het museumbezoek door geld in een soort plastic kubus te gooien. Toen ik naar het volgende vertrek wilde wandelen, stapte een medewerker zorgvuldig voor me opzij. Er was prima ventilatie. Er waren maximaal tien aanwezigen tegelijk. Kortom: hier werden de corona-regels voorbeeldig nageleefd.

Ik kan hetzelfde zeggen over museum Coda in Apeldoorn en museum De Waag in Deventer, waar ik heen ben gefietst toen ik in Apeldoorn moest zijn, of het Allard Pierson in mijn woonplaats Amsterdam. Iedereen houdt zich aan de regels.

Lees verder “Doorstroomlocaties”

Het vernieuwde Allard Pierson

Zomaar drie portretkoppen op de Egyptische afdeling van het vernieuwde Allard Pierson

Het Allard Pierson-museum is vanouds het oudheidkundige museum van de Universiteit van Amsterdam. Het is echter meer dan dat. Het is bijvoorbeeld gevestigd in een historisch pand: de voormalige Nederlandsche Bank. Elke keer als ik de trap opga, bedenk ik dat mensen als Walraven van Hall ook over deze treden zijn gelopen. Inmiddels is de taakomschrijving van de instelling verbreed, waardoor de banden met Amsterdam zijn versterkt. De archeologische verzameling is namelijk samengevoegd met de afdeling Bijzondere Collecties.

Je zou “het Allard Pierson”, zoals de instelling nu wil heten, kunnen typeren als kennisinstituut voor de Amsterdamse verzamelingen. Dat heeft gevolgen voor de antieke collectie, die wat meer dan vroeger de nadruk legt op de eigen geschiedenis. De voorwerpen zijn immers aangekocht door directeuren die allemaal een eigen visie hadden. De verzameling is zelf in feite ook een historisch object. Een eerste stap in deze richting was een verzamelaarskabinet met korte typeringen van die directeuren; de onlangs na een verbouwing heropende afdelingen zijn een volgende stap; en ik heb goede hoop dat de verzamelgeschiedenis van de individuele objecten in de nabije toekomst nog wat meer aandacht krijgt.

Lees verder “Het vernieuwde Allard Pierson”

Het nieuwe Thermenmuseum

Twee antieke grafstenen met een animatie van een crematie op een grafveld

Voor wie het Thermenmuseum in Heerlen nog niet mocht kennen: het is gewijd aan een van de grootste Romeinse ruïnes benoorden de Alpen. Coriovallum, zoals Heerlen destijds heette, was aanvankelijk de voornaamste nederzetting van een lokale stam. Fijne klei in de beekdalen zorgde ervoor dat hier veel pottenbakkers kwamen wonen. (Ik blogde vorige week over Lucius en Amaka.) Een Romeinse weg verbond het stadje met Bavay en Keulen en met de rest van de wereld, terwijl een andere weg leidde naar het noorden en naar Aken. Ergens in het midden van de eerste eeuw n.Chr. verrees hier ook een badhuis. Voor reizigers, voor soldaten, voor pottenbakkers en voor iedereen die verlost wilde zijn van het stof en zweet. En voor iedereen die gewoon behoefte had aan een babbel.

Kortom, Coriovallum was een van de vroegste centra van de romanisering in de Lage Landen. Een van de laatste ook. Nog in de vijfde eeuw n.Chr., toen andere nederzettingen allang waren opgegeven, woonden hier soldaten die zich identificeerden met het Romeinse Rijk. Het badhuis lijkt nog altijd te hebben gefunctioneerd. De opgraving documenteert dus een periode van een half millennium – het eerste kwart van de geschiedenis van de Lage Landen.

Lees verder “Het nieuwe Thermenmuseum”

De musea gaan weer open

Constantijn (munt uit Museum Valkhof, Nijmegen)

Op een dag in de niet zo verre toekomst zal de rijksarchivaris het embargo opheffen dat ligt op de notulen van het beraad van het Derde Kabinet Rutte. Als ik dan nog leef zou ik wel willen weten hoe de vergadering heeft plaatsgevonden waarbij de ministers besloten dat de musea dicht moesten. We weten inmiddels dat een deel van de aanwezigen strenge coronamaatregelen wilde, dat een ander deel meende dat de maatregelen té streng konden zijn, dat het kabinet toch daadkracht wilde uitstralen en dat dus maar werd besloten dat de culturele sector op slot moest.

De minister van Cultuur schijnt niet bij de beraadslagingen aanwezig te zijn geweest. Waarom ze niet is opgestapt toen ze moest vernemen dat anderen beslissingen namen over wat toch haar beleidsterrein was, is me niet duidelijk. Vandaar dat ik zo benieuwd ben naar de vergaderstukken.

Lees verder “De musea gaan weer open”

Een oudheidkundige groepsblog

Een tijdje geleden vertelde ik dat ik me op mijn toekomst aan het bezinnen was. Mijn twijfel kwam ook aan bod in het interview dat ik afgelopen maandag mocht geven aan het Handelsblad. Mijn ongemak: er verbetert niets. In alle bescheidenheid denk ik dat ik een paar redelijke boeken heb geschreven en dat mijn rubriek Methode op Maandag toont dat de bestudering van de Oudheid een wetenschap is. Maar wat we hiermee winnen gaat zó verloren als ondeskundige deskundigen op TV zwatelen over de vloek van de farao, over een Jezus zonder halachische opvattingen of over de val van het Romeinse Rijk door Germaanse invallen. Zolang zulke publiciteit domineert, domineert ook het beeld dat de oudheidkundige disciplines intellectueel de moeite niet waard zijn.

Hoe diep de minachting voor de wetenschap inmiddels is, leert de herziening van de historische canon. De commissie vond het overbodig classici, oudhistorici of archeologen om advies te vragen. (Toen ik vroeg welke adviseurs waren geraadpleegd, kreeg ik als ontwijkend antwoord te horen waarom de gemaakte keuze verdedigbaar was. Als oudheidkundige ken ik de contra’s en pro’s natuurlijk niet. Daarvoor moeten oudheidkundigen te rade bij een specialist in de naoorlogse geschiedenis van Nederland.) Zolang er zo veel meer pulp dan kwaliteit is, is verdergaan verspilling van energie. Het is waarom de Livius Nieuwsbrief al een tijdje stil ligt.

Lees verder “Een oudheidkundige groepsblog”

Cornelis de Bruijn in Giza

Afbeelding uit “Reizen van Cornelis de Bruyn door de vermaardste Deelen van Klein Asia” (1698)

Ik heb een paar helden. Montesquieu, Winckelmann, de cirkel rond Von Humboldt, Droysen, Schliemann, Weber, Millar, Sancisi-Weerdenburg. En Cornelis de Bruijn. Lees de biografie van de Haagse reiziger en tekenaar die als eerste tekeningen van Jeruzalem en Persepolis naar Europa bracht en u begrijpt waarom.

In 1681 bezocht hij Giza. Ik geloof niet dat hij zich realiseerde dat drieënveertig eeuwen naar hem terugkeken, maar hij ging de piramiden binnen en tekende bijvoorbeeld de Grote Galerij die leidt naar het oorspronkelijke graf van Cheops. Dat is nog decennia lang uniek beeldmateriaal gebleven. De schets hierboven heeft hij toen ook gemaakt. En er is natuurlijk iets raars mee aan de hand. De piramiden zijn te puntig.

Lees verder “Cornelis de Bruijn in Giza”

Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?

Je hebt oudheidkundige musea en oudheidkundige musea. Er is een wereld van verschil tussen de musea in West-Europa en die in het voormalige Oostblok, zoals Sofia of Tasjkent. Die laatsten leggen vaak de nadruk op de groei van de menselijke cultuur, waarin we de invloed herkennen van de opeenvolgende productiewijzen, welbekend uit de marxistische leer. Dat is iets heel anders dan de beeldschone afdeling Griekenland in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden of de pluriforme Romeinse afdeling van het Allard Pierson-museum in Amsterdam.

Hoewel al deze musea bekendstaan als archeologische musea, zijn ze dat niet. Ze tonen voorwerpen. De verhalen die ze daarmee vertellen kunnen kunsthistorisch zijn of sociaalhistorisch, maar ze vertellen niet wat archeologie is. Een echt archeologiemuseum was er tot voor kort in Brugge, maar het is onlangs gesloten. Ik denk echter dat er in de Benelux ruimte is voor een museum dat uitlegt wat archeologie is. En als dat niet kan, dan toch minstens een afdeling in een van de bestaande musea.

Lees verder “Een archeologiemuseum, hoe zou dat eruit zien?”

Oost-Groningen (strokarton)

Ooit was dit de laatste strokartonfabriek van Nederland (Oude Pekela)

Onlangs blogde ik over mijn lagere school in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen. Daar had ik natuurlijk ook aardrijkskundeles, waarbij we de Nederlandse provincies moesten leren. Van Groningen herinner ik me de zeehaven van Delfzijl, het kort daarvoor afgesloten Lauwersmeer, de scheepswerven van Hoogezand-Sappemeer, de gasbel bij Slochteren (inclusief bodemdaling – rond 1975 al bekend) en de ontginningen voorbij Veendam. En verder waren er producten met mysterieuze namen als aardappelmeel en strokarton. Het beroemde liedje Oost-Groningen van Drs.P. had voor mij dus een hoge herkenningswaarde.

Een week of wat geleden ben ik naar het Veenkoloniaal Museum te Veendam gefietst. Dat is een opvallend leuk museum en beslist de moeite van uw bezoek waard. Ik was vooral onder de indruk van de expositie over schippersvrouwen. Ik meende te weten dat het tegen eind negentiende eeuw een bron van trots was als een gezin voldoende inkomsten had om de vrouw des huizes vrij te stellen van betaald werk, en dat het behoorlijk taboedoorbrekend was dat rijkere vrouwen (zoals een Mina Kruseman) juist wél gingen werken. De zelfverzekerde Oost-Groningse schippersfamilies waren, zo leerde ik, een uitzondering. Misschien is het geen toeval dat Aletta Jacobs kwam uit Sappemeer. Hoe dat ook zij, de schippersfamilies waren rijk genoeg om de echtgenotes van de opvarenden niet te hoeven laten werken, maar toch was een derde van de schepelingen vrouw. Prachtige foto’s trouwens. Maar goed, ik kwam voor het strokarton.

Lees verder “Oost-Groningen (strokarton)”

Robert Seidel, Jäger

Pieter Bruegel, Jagers in de sneeuw

1

Aan de voet van de heuvel zagen de jagers de brug over de bevroren rivier. Bij de watermolen, waarvan het rad in het ijs tot stilstand was gekomen, trok een meisje haar zusje in een slee over het ijs. Een vrouw liep met brandhout over de brug, klaar om te gaan koken, maar vlees zou ze deze avond niet bereiden. Het enige dier dat de drie jagers die dag aan hun spies hadden geregen, was namelijk een magere vos geweest. Verder waren hun weitassen leeg gebleven. Ietwat terneergeslagen liepen de mannen door de sneeuw terug naar huis.

2

Pieter Bruegel zag de jagers kijken naar de brug en de stilgelegde watermolen. Hij herkende een thema voor een mooi winterlandschap. Als het ging om de moeilijkheden van het menselijk leven, zat hij er nooit naast. Hij begreep dat de schrale maaltijd van de jagers moest contrasteren met het feestmaal in de herberg, dat de vermoeide honden moesten staan tegenover een energieke vogel in de lucht en dat de schaatsenrijders geen acht mochten slaan op de ellende van een schoorsteenbrand.

Lees verder “Robert Seidel, Jäger”