MoM | Pastafari

Gedoe bij de Technische Universiteit Delft. Geohydroloog Michael Afanasyev wil zijn proefschrift verdedigen in een piratenpak omdat dit zo hoort volgens zijn religie, de Kerk van het Vliegende Spaghettimonster. De Volkskrant legt het u in detail uit. Afanasyev meent dat als andere gelovigen zich mogen bedienen van de symbolen van hun religie, dat ook geldt voor pastafari’s als hij. De Volkskrant legt uit dat voor pastafari’s piraten

… goddelijke wezens zijn, waarbij ‘het opwarmen van de aarde, aardbevingen, orkanen en andere natuurrampen allemaal directe gevolgen zijn van het afnemende aantal piraten sinds 1800.’ Volgens de aanhangers is dat verhaal niet vreemder dan dat van een man die water in wijn veranderde of een god die de zee in tweeën spleet.

Los van de in Delft actuele vraag of religieuze symbolen gewenst zijn bij een promotieplechtigheid: de geciteerde vergelijking van twee verhalen is vreemd.

Lees verder “MoM | Pastafari”

MoM | Individu en proces

Nog even over Luther. Ik blogde onlangs al over de curieuze poster en de al even curieuze webpagina van de Evangelische Omroep. Mijn steen des aanstoots was het feit dat ze de reformator presenteerden als de eerste beweger van de Reformatie. Dat is hij evident niet.

Het was in het laatmiddeleeuwse West-Europa algemeen bekend dat de kerk, die op een bepaald moment drie pausen had, dringend toe was aan hervorming. Er was een conciliaire beweging, die de macht wilde leggen bij het concilie, dat als een soort Staten-Generaal moest optreden. Veel van de ideeën die Luther zou uitdragen, zijn al te vinden bij John Wyclif, Geert Groote en Johannes Hus. Er was onderzoek gedaan naar de grondtalen van de Bijbel. Savonarola had de terugkeer naar apostolische armoede verkondigd. Zwingli had benadrukt dat mensen alleen door geloof en genade konden worden gered, en niet door goede werken, waarvoor hij geen aanwijzingen meende te vinden in de Bijbel (maar hij kon natuurlijk niet profiteren van de Dode Zee-rollen, zodat hij Paulus wel verkeerd uitleggen moest). Dat was in 1515, twee jaar voordat Luther met zijn vijfennegentig stellingen een geleerde discussie opende. In 1520 zou Luther breken met Rome. Niet als eerste, al is dat een beetje een kwestie van definitie,  maar in elk geval met ideeën die nauwelijks nieuw waren te noemen.

Lees verder “MoM | Individu en proces”

MoM | Altijd te weinig bewijsmateriaal (2)

Grafmasker uit Nineveh (British Museum, Londen)

In het eerste deel van dit stukje wees ik erop dat er discussie is over het bestaan van een Damis-bron die Filostratos kan hebben gebruikt bij het schijven van het Leven van Apollonios van Tyana. Eén van de argumenten daartegen is dat Filostratos Damis typeert als inwoner van Ninos, dat wil zeggen Nineveh. Die stad was echter in 612 v.Chr. verwoest,  wat zou suggereren dat Filostratos iets verzon.

***

Nineveh was dan wel in 612 verwoest, de stad was niet volledig verlaten. De Atheense huurling Xenofon bezocht “Mespila”, zoals de stad inmiddels heette, in 401 v.Chr. en beschrijft de stadsmuren (Anabasis 3.4.10). De dag ervoor daarvoor had hij “Larissa” bezocht, waarin we Nimrud herkennen. Xenofon vertelt hoe de bewoners van die stad waren gevlucht naar de ziggurat die onlangs door ISIS de Tigris is ingebulldozerd (Anabasis 3.4.6-9).

In beide steden zijn voorwerpen gevonden uit alle eeuwen. Toen ik vorig jaar een Nineveh-nummer van Ancient History Magazine redigeerde, plaatste ik een afbeelding van wat oorbellen uit de Parthische tijd maar het grafmasker dat dit artikel siert zou eveneens hebben gekund. Het dateert uit de tweede eeuw n.Chr. Opnieuw verbreden we het werkterrein door er aanvullende informatie bij te halen, en wel uit de archeologie. Simpel gezegd: de oudheidkundige die Filostratos in de schoenen schoof dat hij Damis uit een niet-meer-bestaande stad liet komen, vergat dat er meer informatie bestaat dan alleen tekstuele.

Lees verder “MoM | Altijd te weinig bewijsmateriaal (2)”

MoM | Altijd te weinig bewijsmateriaal (1)

Grafmasker uit Nineveh (British Museum, Londen)

Ik heb het al eerder geschreven maar doe het nog een keer: als je bezig bent met de Oudheid, heb je altijd te weinig bewijsmateriaal en kun je je niet permitteren ook maar één snippertje informatie te negeren. Het bovenstaande gouden grafmasker – gevonden in Nineveh, behorend tot de collectie van het British Museum en momenteel te zien op de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden – illustreert dit punt.

Maar eerst een filologische kwestie. In de derde eeuw schreef de Griekse auteur Filostratos het Leven van Apollonios van Tyana, een geromantiseerde biografie van een charismatische wijze-wonderdoener uit de eerste eeuw n.Chr. die in alle uithoeken van de destijds bekende wereld wijsheid zou hebben gezocht. Op zijn reis richting India ontmoette hij in “Ninos” zijn leerling Damis, die memoires op schrift zou hebben gesteld die voor Filostratos een bron van informatie zouden zijn geweest.

Lees verder “MoM | Altijd te weinig bewijsmateriaal (1)”

MoM | Onbekende talen

Een deel van het linnen boek van Zagreb (Archeologisch museum, Zagreb)

Zoals ik al aangaf, heeft het Archeologisch Museum van Zagreb veel moois te bieden. Eén van de beroemdste stukken is de Zagreb Mummie. Die is in de negentiende eeuw ooit eens “afgewikkeld”. In het museum ligt nu een dode Egyptenaar tentoongesteld – wat ik eerlijk gezegd smakeloos vind – en daarnaast zijn de windsels te zien. Die bleken afkomstig uit een boek met linnen bladzijden waarop een Etruskische tekst te lezen stond. Hierboven een foto.

Van het Etruskisch begrijpen we onvoldoende, al is het minder mysterieus dan wel wordt aangenomen en is duidelijk dat de tekst die via Egypte in Zagreb is beland, een religieus karakter heeft. Welke problemen zijn er zoal bij het doorgronden van een antieke taal?

Lees verder “MoM | Onbekende talen”

MoM | Conjecturen en kritische apparaten

Een paar weken geleden blogde ik op deze plaats over de Lachmannmethode, waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, precies moeten zijn geweest. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daar blijft het werk van filologen echter niet toe beperkt, zoals blijkt uit een voorbeeld dat ik ontleen aan de Anabasis, de biografie die de Grieks-Romeinse auteur Arrianus wijdde aan Alexander de Grote.

Hij meldt dat bij de stad Babylon een kanaal lag en dat heet in de handschriften nu eens Pollakopas en dan weer Pollakottas. Wie met de Lachmannmethode een archetype reconstrueert, komt er niet echt uit. Er zijn niet voldoende handschriften om één variant de voorkeur te geven en het woord is niet Grieks, dus dat helpt ook al niet. De filoloog zal op dit punt een keuze moeten maken. Gelukkig is dat niet moeilijk, want het kanaal is bekend uit kleitabletten en heet daarin Pallukkatu. We mogen aannemen dat Arrianus een correcte vorm heeft gebruikt en dat er twee groepen handschriften zijn ontstaan doordat een kopiist het ongebruikelijke woord verkeerd las. Het verschil tussen π en ττ is immers niet zo heel erg groot. De tekstcriticus zal daarom “Pollakottas” beschouwen als authentiek.

Lees verder “MoM | Conjecturen en kritische apparaten”

De Lachmannmethode

We hebben weinig teksten uit de Oudheid over. Wat we wél hebben, zijn kopieën uit de Middeleeuwen, die echter vol schrijffouten zitten. Ik blogde vorige maand over zo’n manuscript. Lange tijd hebben oudheidkundigen gedacht dat hoe ouder de handschriften waren, hoe kleiner de kans was op vergissingen. Daar is wel iets voor te zeggen, maar in de Renaissance realiseerde de Italiaanse geleerde Angelo Poliziano zich dat dit niet het laatste woord behoeft te zijn.

Stel je voor dat een Romeinse schrijver twee klerken heeft, een nauwkeurige en een slordige, en dat die elk een kopie maken van een tekst. Latere generaties lazen die teksten, ze sleten, en er kwamen kopiisten die ze opnieuw overschreven, waarna de oude kopieën werden weggegooid. In de vijfde eeuw n.Chr., toen er een einde kwam aan de antieke overschrijfactiviteit, waren er zo twee families van manuscripten, een die was afgeleid van de slordige kopie en een die afstamde van de nette. In de Vroege Middeleeuwen gingen de meeste manuscripten verloren, maar in de tijd van Karel de Grote kwamen er weer kopiisten, die toevallig een net exemplaar vonden en kopieerden, waarmee de tekst weer onder de mensen kwam en kopiisten kreeg, tot tijdens de Renaissance de eerste wetenschappelijke uitgave werd gemaakt. Wanneer nu een classicus anno vandaag een vierde-eeuws exemplaar zou vinden uit de slordige manuscriptenfamilie, zou hij daaraan, volgens het principe “ouder is beter”, de voorkeur moeten geven, hoewel het in feite gaat om een tekst vol slordigheden.

Lees verder “De Lachmannmethode”