Hobby en lobby, limes en Heerlen

Aardewerk uit het Thermenmuseum

N.a.v. mijn vorige stukje was er een goede, wel vaker gestelde vraag in de reageerpanelen.

Bestond het persbericht van het Thermenmuseum dan louter uit die ene zin? Ik neem aan van niet. Waarschijnlijk is een pakkende zin gekozen, en wordt het vervolgens nader toegelicht (zoals dus inderdaad zo blijkt te zijn).

Antwoord: die nadere toelichting zat verscholen op een ontoegankelijke plek, in een rapport dat even indrukwekkend als Engelstalig was en ergens moest worden gedownload.

Drie stappen

Laat ik het anders zeggen. Het punt is dit. Je draagt informatie over in drie stappen. Eerst trek je de aandacht; daarna is er de boodschap; vervolgens is er de verdieping.

“Hé!”
“Ga weg daar!”
“Je staat te dicht bij de spoorbaan en er komt een trein aan.”

Het gaat om het tweede maar het derde is cruciaal.

Lees verder “Hobby en lobby, limes en Heerlen”

Het badhuis in Heerlen

Een tijdje geleden liet het Thermenmuseum in Heerlen in een hijgerig persbericht weten dat was vastgesteld dat het beroemde Romeinse badhuis het oudste gebouw was van Nederland. De bewering is waar, mits je een heel specifieke definitie van gebouw hanteert. De Heerlenaren konden echter redelijkerwijs verwachten dat die nuance in de media zou wegvallen. Ik blogde er destijds over dat ik het een vreemde gang van zaken vond.

Een hype die niet nodig was

Nu ik het rapport Roman Bathing in Coriovallum lees, weet ik het zeker. De hype was nergens voor nodig. De onderzoeksresultaten waren interessant genoeg om te presenteren zonder overdrijving. Je kunt namelijk prima de puzzel tonen. Als voorbeeld neem ik de manier waarop museumconservator Karen Jeneson aantoont hoe oud het badhuis is.

Lees verder “Het badhuis in Heerlen”

De oudheidkundige groepsblog, vervolg

Zoals ik in mijn vorige blogje aangaf, ga ik stoppen met de Livius Nieuwsbrief. De oudheidkundige disciplines verdrinken zichzelf in junk nieuws en door daarvan een nieuwsoverzicht van te bieden, zou de nieuwsbrief medeplichtig zijn. Ik heb er in bijna vijftien jaar 178 gemaakt en het was lange tijd zinvol, ja leuk, maar we moeten geen dingen doen die verkeerd zijn. Niemand kan zijn leven lang schone handen houden, maar er zijn wel momenten waarop je je handen ergens vanaf kunt trekken.

Groepsblog

Er is echter ook goed nieuws. De groepsblog waarover ik al heb geblogd, die komt er. Het doel ervan is een plek te scheppen waar we het positieve kunnen tonen, waar we pulp weigeren, waar we methoden uitleggen, waar we als eenheid presenteren wat het publiek als eenheid verwacht, waar journalisten informatie kunnen vragen en waar u met plezier naartoe komt. Doordat de medewerkers kaf en koren scheiden, kunnen ze een aanbod bieden dat géén karikatuur van ons vak neerzet.

Lees verder “De oudheidkundige groepsblog, vervolg”

Lukas, arts en evangelist?

Zesde-eeuwse muurschildering van Lukas, gevonden in zijn zogenaamde graf in Efese (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Maar de apostel Lukas, die van het evangelie, die was toch arts? Ik hoorde het deze week weer iemand zeggen. Het is twee, misschien drie keer niet waar. In de eerste plaats was Lukas geen apostel. In de tweede plaats is hij niet de auteur van het evangelie dat zijn naam draagt. En of hij arts was, dat weten we eigenlijk ook al niet.

Drie vermeldingen

Lukas staat drie keer genoemd in de Bijbel. Paulus vermeldt een medewerker met die naam aan het slot van de korte Brief aan Filemon: een zekere Epafras doet de geadresseerde de groeten, en Paulus’ medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lukas sluiten zich daarbij aan.

Lukas duikt ook op in twee aan Paulus toegeschreven brieven. (Het maken van teksten in andermans naam was in de Oudheid niet ongebruikelijk. De auteur vertelt dan wat hij denkt dat de echte auteur zou hebben kunnen schrijven. ) In de Brief aan de Kolossenzen staat het enige biografische detail: Lukas “de arts” en Demas doen de groeten. In de Tweede Brief aan Timotheüs vertelt Paulus dat hij door Demas in de steek is gelaten, dat andere metgezellen verder zijn gereisd en dat alleen Lukas nog bij hem is.

Lees verder “Lukas, arts en evangelist?”

De Grote Volksverhuizingen

Momenteel lees ik de Geschichte der Völkerwanderung. Europa, Asien und Afrika vom 3. bis zum 8. Jahrhundert n.Chr., waarin de Duitse oudhistoricus Mischa Meier, een overzicht biedt van wat momenteel bekend is over de Grote Volksverhuizingen. Wellicht heeft Meier niet voldoende te doen aan de universiteit van Tübingen, want het boek telt een lieve 1500 bladzijden: 1100 bladzijden tekst en nog 400 pagina’s noten. Het is fascinerende lectuur want er is geen tegel die Meier niet even optilt om te zien wat er onder zit. En wat hij eronder vandaan haalt is altijd de moeite waard. Er is bijvoorbeeld een even uitvoerige als boeiende beschrijving van wat een “volk” nu eigenlijk is en wat “verhuizing” nog betekent nu duidelijk wordt hoe mobiel mensen in de Oudheid waren.

Het boek is thematisch van opbouw. Na een dikke honderd pagina’s waarin hij uitlegt dat de bronnen niet zomaar geloofd mogen worden en dat archeologie ook niet alles is, was in elk geval deze lezer al totaal onder tafel gebeukt. Ik meende dat we, als het ging over de Grote Volksverhuizingen, toch wel wat zekerheden hadden, maar dat de val van Rome in 410 – zo’n beetje het hoogte/dieptepunt van het tijdvak in kwestie – eigenlijk nauwelijks in de bronnen staat vermeld, had ik me nog nooit zo gerealiseerd. Zeker, oudheidkundigen citeren Hieronymus’ verdrietige uitbarsting en Orosius’ verslag van de plundering, maar eigenlijk stellen die bronnen zoveel niet voor. De ene is geschreven in Betlehem, dus bepaald geen ooggetuigenverslag, en de andere is christelijke propaganda van vele jaren later.

Lees verder “De Grote Volksverhuizingen”

De identiteiten van Hariulf

Grafschrift van Hariulf (Landesmuseum, Trier)

De Romeinse bronnen noemen eindeloos veel Germaanse volken en stammen. Een zo’n groep is die van de Bourgondiërs, die we, op gezag van de geograaf Ptolemaios van Alexandrië, in de tweede eeuw n.Chr. ergens tussen de Oder-Neisse en de Weichsel kunnen plaatsen. Later, in de crisis van 406/407 (meer…), zou deze groep naar het westen trekken. Dit is een andere manier om te zeggen dat de Bourgondische elite aansluiting zocht bij het netwerk van de Romeinse elites. Ze kregen land toegewezen langs de Rijn, vrijwel zeker rond Worms, waar archeologen inderdaad Oost-Germaanse voorwerpen hebben gevonden. Het Nibelungenlied bevat echo’s uit deze tijd.

Al eerder waren Bourgondiërs naar het westen getrokken. Ze golden als de aartsvijanden van de Alamannen, zoals de Romeinen de bewoners van het huidige Baden-Württemberg aanduidden. Toen keizer Valentinianus I aan de macht was gekomen en zich in 367 via een machtsdemonstratie verder wilde legitimeren, zocht hij een van de Alamannische leiders, een zekere Macrianus, uit als vijand en rukte tegen hem op, samen met de Bourgondiërs. Ergens aan de Neckar versloegen de Romeinen en Bourgondiërs hun tegenstanders.

Lees verder “De identiteiten van Hariulf”

Julianus op het schild geheven

In het jaar 361 n.Chr. deed de Perzische koning Shapur II een inval in het Romeinse Rijk. De Perzen belegerden Amida, het huidige Diyarbakır, en namen die stad in. Omdat keizer Constantius II troepen nodig had voor de nu onvermijdelijk geworden veldtocht naar het oosten, riep hij onderdelen op uit het verre Gallië. Die hadden in de voorgaande jaren succesvol gestreden tegen de Alamannen, een Germaanse groep in het Zwarte Woud. Ik blogde al eens over de Slag bij Straatsburg. Gallische troepen hadden ook tijdens het beleg van Amida wonderen van moed verricht. Het lag dus voor de hand dat Constantius meer Gallische soldaten opriep.

Julianus op het schild

Het probleem was – althans volgens de historicus Ammianus Marcellinus – dat de opgeroepenen weinig zin hadden in een oorlog aan de Tigris. Om dat te verhinderen, was een keizer nodig die hun een ander bevel kon geven. Dus besloten ze hun generaal Julianus, over wie ik ook al eerder heb geblogd, tot keizer uit te roepen. Als we Ammianus mogen geloven, had die weinig zin in het keizerschap, maar of dat waar is, staat te bezien. Het afwijzen van de hoge eer behoorde namelijk bij het spel. Alleen iemand die bescheiden was, gold als geschikt voor het keizerschap. (Het is een beetje zoals Shakespeares Richard III.) Ammianus schrijft dat de soldaten toen druk op Julianus uitoefenden.

Lees verder “Julianus op het schild geheven”

De tweede lijn, en waarom die belangrijk is

Niet per se een christen

Stel u het volgende voor. Een kosmoloog stelt de waarde van de kosmologische constante vast. Groot nieuws! De journalist die erover schrijft, begint dan vermoedelijk te vertellen waarom dit wetenschappelijk een probleem is en dat er diverse benaderingen zijn. Vervolgens legt hij uit wat de ontdekking is en wellicht geeft hij aan welke ideeën andere onderzoekers hebben. Misschien dat de journalist de volgorde van deze delen – probleem, benaderingen, oplossing, verdere gedachten – aanpast, maar dit is het ongeveer.

Wat de journalist niet doet is schrijven dat het Scheppingsverhaal, dat tot in de negentiende eeuw voor veel mensen het antwoord vormde op alle kosmologische vragen, achterhaald is en vervolgens niet vertellen wat nu feitelijk is ontdekt. Religieuze beeldvorming speelt in de wetenschap geen rol. Dat is echter wel waartoe Bart Funnekotter is gedwongen als hij (in dit artikel in het Handelsblad) schrijft over het proefschrift van de Leidse classica Renske Janssen. Wat we uit Funnekotters stuk vernemen is dat de christenen in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling niet zijn vervolgd op de wijze zoals we zouden opmaken uit christelijke teksten. Eerst worden we dus aangesproken via verouderde religieuze beeldvorming, daarna vernemen we dat die niet klopt, maar wat Janssen nu feitelijk toevoegt aan wat al bekend was, blijft enigszins onduidelijk.

Lees verder “De tweede lijn, en waarom die belangrijk is”

Barmhartige en andere samaritanen (2)

Het Wekenfeest op de berg Gerizim (© Wikimedia Commons | gebruiker Fade to Black)

Ik schreef gisteren over de oorsprong van de samaritanen en vatte samen dat de cultus van JHWH altijd wijdverbreid is geweest en diverse cultusplaatsen heeft gehad. In de zevende eeuw v.Chr. begon Jeruzalem echter te claimen de enige échte tempel te hebben van de enige werkelijk vererenswaardige godheid. Dit werd gecodificeerd in de Wet van Mozes en dan met name het Bijbelboek Deuteronomium, dat samen met het Deuteronomistisch Geschiedwerk het begin vormt van wat we het jodendom kunnen noemen. Niet iedereen, zo schreef ik, ging mee met deze vernieuwing. Ik bracht Elefantine in herinnering en vertelde dat ook elders oude tradities bleven bestaan, die ertoe leidden dat, toen de noordelijke JHWH-vereerders de Wet aanvaardden, ze daarin enkele wijzigingen aanbrachten.

Tempelbouw

Als jaartal noemde ik “na 500 v.Chr.”. Dat was omdat ik even geen zin had in een discussie over het ontstaan van de Wet van Mozes,. Dat is een mijnenveld. Toch kunnen we iets preciezer zijn. Vlak voor 330 v.Chr. was er verdeeldheid onder de priesters van Jeruzalem en verschillende families verlieten de stad. Volgens Flavius Josephus vestigden zich in Samaria, een belangrijk bestuurscentrum in het toenmalige Perzische Rijk. Daar kregen ze in 332 v.Chr. van de Macedonische veroveraar Alexander de Grote toestemming om een ​​eigen tempel te bouwen op de berg Gerizim, vlakbij Sichem, een paar kilometer ten oosten van Samaria. Archeologisch is de vastgesteld dat Sichem rond dit moment werd herbouwd.

Lees verder “Barmhartige en andere samaritanen (2)”

Caligula in Katwijk

Caligula (Huis van Hilde, Castricum)

Keizer Caligula had geen al te beste relatie met de Romeins Senaat. Een officier ruimde hem in 41 n.Chr. na een regering van nog geen vier jaar uit de weg. Die nacht vergaderden de senatoren over de mogelijkheid de republiek te herstellen maar ze liepen al achter de feiten aan. De lijfwacht had al een nieuwe betaalmeester gevonden in de persoon van Caligula’s oom Claudius. Het lijkt al met al een militaire coup te zijn geweest.

Nu Caligula weg was, kon het grote zwartmaken beginnen. De vermoorde keizer is daarom de geschiedenis in gegaan als monster, krankzinnige en sadist. Of hij dat ook feitelijk was? We kennen alleen de stemmen van zijn lasteraars. Vermoorde heersers hebben meestal het laatste woord niet. We weten niet hoe gek Caligula feitelijk was en een mooi voorbeeld is het incident in Katwijk waarover zijn biograaf Suetonius schrijft.

Lees verder “Caligula in Katwijk”