Europese avonturiers en Ottomaanse geleerden

In 1911 keerden enkele Nederlandse wetenschappers en kunstenaars terug van een expeditie door het Ottomaanse Rijk. Vijf jaar lang hadden ze in Palestina, Jordanië en Syrië de Romeinse en Joodse oudheden, en ook de eigentijdse gebouwen en gewoontes, gedocumenteerd. Het was nog behoorlijk spannend geweest: twee deelnemers keerden niet terug. Aan avontuur geen gebrek.

Het resultaat is het huidige museumpark Orientalis bij Nijmegen, dat dit jaar een eeuw geleden werd geopend om katholieken te tonen hoe Jezus had geleefd. De “Heilig Land-Stichting”, zoals het destijds heette, is daarmee een van ’s werelds oudste living history-parken. Elk detail van de reconstructies is verantwoord, zelfs als het niet is volgens de huidige inzichten. Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop de kennismaking met het Ottomaanse Rijk onze visie op het oude Nabije Oosten heeft veranderd.

Een belangrijk thema

Lamasu uit Khorsabad (Louvre)

Het belang van de ontdekkingen in het Ottomaanse Rijk, dat bijna het hele Nabije Oosten besloeg, is moeilijk te overschatten. Tot dan toe waren er twee visies geweest op het ontstaan van de beschaving: de bijbelse, waarin de Joden centraal stonden, en de classicistische, waarin aan de oude Grieken allerlei culturele “eerstes” werden toegeschreven. Nu het antieke Egypte en Mesopotamië beter bekend werden, werd duidelijk dat de Joodse cultuur minder uniek en de Griekse minder origineel was dan men had gedacht.

Het zo vernieuwde beeld van de eerste helft van de menselijke geschiedenis speelt nog altijd een rol en – belangrijker – is op veel punten méér beïnvloed door het Ottomaanse Rijk dan door archeologische of historische bronnen. Misschien kent u de scène uit de Oliver Stone-film Alexander (2004), waarin de Macedonische soldaten de harem betreden van de Perzische koning. Er is nul bewijs voor zulke harems: die zijn een verzinsel uit de negentiende eeuw, toen men de instellingen van het Ottomaanse hof terugprojecteerde op het oude Nabije Oosten. Had Stones historische adviseur Scramble for the Past. A Story of Archaeology in the Ottoman Empire maar gelezen.

De vijftien essays uit de bundel belichten een verhaal dat onder oudheidkundigen zeker niet onbekend is. Een archeoloog, die tijdens zijn studie Triggers History of Archaeological Thought heeft gelezen, of een assyrioloog, die Larsens Conquest of Assyria las, kent althans sommige hoofdlijnen en redacteuren Zainab Bahrani, Zeynep Çelik en Edhem Eldem vatten die, enigszins ten overvloede, nog eens samen in hun inleiding.

Europese avonturiers en Ottomaanse geleerden

De Description de l’Égypte. Rechtsbovenaan verjaagt de zonnegod Bonaparte de inheemse barbarij.

Europa heeft altijd belangstelling gehad voor het Nabije Oosten, waarvan men wist dat er eeuwenoude beschavingen hadden bestaan. Er is een doorlopende traditie van verre reizen, die al vaker is beschreven (bijv. door Wolff in How Many Miles to Babylon?). Aan het begin van de negentiende eeuw werd deze belangstelling echter meer wetenschappelijk, waarbij een belangrijke rol was weggelegd voor de Description de l’Égypte, het tussen 1809 en 1822 verschenen rapport van de onderzoekers die (tot ongenoegen van de jonge generaal Bonaparte) in 1798 meegingen met het Franse expeditieleger naar Egypte. Toen Jacques-Joseph Champollion de hiëroglyfen ontcijferde, was duidelijk dat onze kennis van de oudste beschavingen daadwerkelijk vergroot kon worden, en dit bevorderde nog meer onderzoek.

Bekend is ook de rol van de Brit Austen Henry Layard, die in zijn vaderland de belangstelling voor Assyrië aanwakkerde en ondertussen een open oog had voor de belangen van het Britse imperium. Hij stelde voor nomadische Arabieren als boeren te vestigen in Mesopotamië, waar ze belasting zouden betalen aan de Britse kroon en tegelijk konden werken op de opgravingen. Layards opmerking dat “The natives will do, for their own good, the labor”, bewijst dat dominee Wawelaar in Layard een geestverwant bezat.

Inscripties van Wilhelm II en Abdülhamid II in Baalbek

Voor de Fransen en Britten werden de voorwerpen uit het gebied waar onze beschaving is ontstaan, nationale symbolen. De schatten van Troje, de Wetten van Hammurabi, het portret van Nefretite, de Assyrische lamassu’s, de Cyruscilinder, de Elgin Marbles, de Venus van Milo, de Steen van Rosetta, het Pergamonaltaar, de Palmyreense grafmonumenten en het Parthenmonument uit Efesos pronkten in de Europese musea, en de westerse elite legitimeerde zich door haar kennis van deze oudheden. Een voorbeeld is de reis die keizer Wilhelm II maakte naar onder meer Constantinopel, Damascus, Baalbek en Jeruzalem.

Aanvankelijk deelden de sultans de belangstelling voor de voor-islamitische oudheden niet, maar in de Tanzimatperiode, waarin allerlei hervormingen werden geïnitieerd, nam men steeds meer zaken over uit het westen, inclusief een positieve beoordeling van de oud-oosterse en Grieks-Romeinse oudheden. Niet alleen de Ottomaanse heersers lieten zich door de westerse geschiedvisie inspireren. Ook de Armeniërs kregen belangstelling voor hun antieke verleden, dat een gouden tijd zou zijn geweest. De negentiende-eeuwse obsessie met de Oudheid is misschien wel het succesvolste westerse exportproduct aller tijden.

Osman Hamdi

Dat wil niet zeggen dat de ingezetenen van het Ottomaanse Rijk zelf geen rol speelden. In 1881 stichtte sultan Abdülhamid II het archeologische museum van Constantinopel, dat een van de indrukwekkendste oudheidkundige collecties ter wereld bezit. Wie er tegenwoordig binnenloopt, zal eerst het portret zien van Osman Hamdi (1842-1910), die niet alleen het museum stichtte, maar ook de eerste Ottomaanse monumentenwet ontwierp en wiens verdienste het is dat het moderne Turkije het voor-Seljukische verleden is gaan beschouwen als het eigen verleden. Hamdi liet ook de export van antiquiteiten aan banden leggen, zodat belangrijke vondsten bewaard zijn gebleven voor het Ottomaanse Rijk: de beroemde tempelinscriptie uit Jeruzalem en de nog beroemdere Alexandersarcofaag uit Sidon staan tot op de huidige dag in het museum.

Een boek voor het grote publiek

Layards reconstructie van Nineveh

De westerse ontdekking van het oude Nabije Oosten, de groeiende belangstelling voor de Oudheid in het Ottomaanse Rijk en de Turkse invloed op het westerse beeld van de oude wereld, vormen een fantastisch en belangrijk onderwerp. Het was een van de grootste wetenschappelijke avonturen in de aan wetenschappelijke avonturen toch niet arme negentiende eeuw. Het probleem met Scramble for the Past is dat de redactie niet lijkt te hebben geweten wat ze wilde.

Wat men feitelijk biedt, is een bundel met vijftien losstaande, alleszins redelijke artikelen waarin aspecten worden uitgediept van een bekend thema. Tegelijkertijd behoort dit boek bij een expositie en wil men het belangrijke onderwerp via het boek onder de aandacht brengen van een breed publiek van geïnteresseerde lezers. Eén van de middelen daartoe is de vormgeving: Scramble for the Past is beeldschoon. Alleen: als je een geïnteresseerd, goed opgeleid publiek ervan wil overtuigen dat een onderwerp belangrijk is, kun je niet volstaan met vijftien losstaande artikelen.

De herontdekking van de Hittitische cultuur in Karchemish. Rechts Leonard Woolley, links T.E. Lawrence. De opgraving was, in het diepste geheim, ook een Britse spionagemissie in het Ottomaanse Rijk.

Dan moet je in elk geval de belangrijkste onderwerpen behandelen. Dat er geen ruimte is voor de ontdekking van het Hittitische Rijk, de grootste wetenschappelijke doorbraak in de beschreven periode, is nogal curieus. Je zou ook aandacht hebben verwacht voor de visies van de vele volken in het Ottomaanse Rijk. De enigen die aan bod komen, zijn de Grieken, die een rol spelen in niet minder dan vijf van de vijftien artikelen, terwijl de Armeense visie op de eigen gouden eeuw schittert door afwezigheid. Dat geldt ook voor de radicaalste uiting van westerse liefde voor de Oudheid: het zionisme. Wie het grote publiek wil overtuigen van het belang van het thema, had deze onderwerpen moeten behandelen.

Op detailniveau zou kunnen worden gewezen op de nog altijd onvoldoende vanuit de Ottomaanse archieven gedocumenteerde relatie tussen de Duitse archeoloog Schliemann en de Turkse autoriteiten of het nooit vanuit Ottomaanse bronnen beschreven verhaal van de Heilig Land-stichting waarmee deze recensie opende. Niet dat deze detailonderwerpen werkelijk verplicht zijn, maar ze zijn in elk geval relevanter dan het nu opgenomen artikel over de ontdekking van de Venus van Milo, waarover al een prima boek bestaat (Curtis, Disarmed).

Een collectie wetenschappelijke artikelen

Rassam

Laten we accepteren dat de redactie te veel uit specialisten bestond om de sympathieke poging een groot publiek te bereiken, met succes te bekronen. Is het dan wel een succes als een wetenschappelijke bundel? Slaagde men erin het ontstaan van de archeologie van het oude Nabije Oosten niet als “an alien western imposition upon the east” te beschrijven maar als “ a process that emerged out of a interaction between Europe and the Ottoman world”? Helaas: ook vanuit dit perspectief bezien is de bundel een beperkt succes. Zo staan in de eerste acht artikelen Europese avonturiers centraal en maakt de eerste niet-westerse geleerde, Hormuzd Rassam (overigens een oude bekende), zijn opwachting pas op een derde van het boek. Pas in de tweede helft begint Scramble for the Past zijn beloftes waar begint te maken.

Simpel gezegd: dit is de zoveelste academische bundeling van losstaande artikelen, die ieder voor zich prima in een wetenschappelijk tijdschrift hadden kunnen worden gepubliceerd. Ze zijn zeker niet slecht, maar de bundeling voegt niets toe. Om Scramble for the Past een succes te laten zijn als boek, had de redactie het storend grote aantal doubletten moeten verwijderen en onvoldoende ter zake doende artikelen moeten schrappen. Zoals de collectie er nu ligt, komen de artikelen waarin Ottomaanse archieven worden benut, onvoldoende tot hun recht. Nooit wordt het geheel meer dan de som der delen.

De scepticus aan het woord

Palmyreense graven; opstelling in het Archeologisch Museum te Istanbul

Stelt u zich eens voor dat u op reis gaat naar een van de landen in het voormalige Ottomaanse Rijk. U bent, zoals een derde van de Nederlandse bevolking, hoog opgeleid maar u bent geen historicus, archeoloog, ottomanist of kunsthistoricus. U accepteert dat academische bundels nooit echt bevredigend zijn en u wil de redactie het krediet geven dat ze tenminste heeft geprobeerd het grote publiek te bereiken. Kortom, u staat even welwillend tegenover Scramble for the Past als de huidige recensent. Hoe lang leest u verder?

Te vrezen valt dat u afhaakt. U vraagt zich af waarom de redactie een platvloerse parallel tussen het negentiende-eeuwse imperialisme en de Amerikaanse inval in Irak niet heeft geschrapt. U stoort zich aan de onwetenschappelijke sneer naar

the pretentious excesses of contemporary museum architecture, for example in the vanity of the outsized new Acropolis Museum in Athens, where sculptures, deprived of their original scale and context, are dwarfed in a giant mausoleum in which the importance of the container seems to outweigh that of the content.

U zult concluderen dat het ontbreekt aan wetenschappelijke objectiviteit. U leest desondanks verder, maar omdat u het HBO heeft afgemaakt, herkent u zinledige termen als “paradigm”, “cross-disciplinary” en “recontextualization”. U vraagt zich af waarom de redactie de platitude heeft gehandhaafd dat “archeologische esthetiek dient te worden gesitueerd in het oriëntalistische discours”. U begrijpt best dat wetenschappelijke auteurs jargon nodig hebben, maar u herkent de gebakken lucht als iemand opmerkt dat

Within the memory theater of the collection, antiquity’s material fragments restore the essential connection and, according to the definition of Krysztof Pomian, function as ‘semiophores’, semiotic bridges between present and past, the visible and invisible.

En u wordt niet vrolijk van

The narrative of Mesopotamian discovery is a tightly woven tale, which best yields its meanings when it is unwound and read against the grain.

Ernest Renan, de ontdekker van het oude Fenicië

Dit laatste is natuurlijk een poëtische manier om te zeggen dat we hetzelfde materiaal steeds anders behoren te bekijken en dat je, door een beetje recalcitrant te zijn, het snelst ziet wat sterk of zwak is aan een historische reconstructie. De feitelijke kwestie is echter niet dat we het verleden steeds anders bekijken, maar dat we het ook beter zien. Een levende wetenschappelijke discipline streeft naar theoretische vernieuwing. En hoewel Scramble for the Past 500 bladzijden dik is, is er niet één poging tot innovatie.

Scramble for the Past is dus een gemengd geslaagd boek. Het onderwerp is belangrijk en verdient zeker aandacht (zoals van de historische adviseur van Oliver Stone). Tegelijk is dit het risicoloze product van een gebureaucratiseerde universiteit. De medewerkers hebben aan hun publicatieplicht voldaan, de kwaliteit is redelijk en voor specialisten is het boek de moeite waard, maar opwindend wordt het nooit. Je zou hebben verwacht dat het enorme intellectuele avontuur van de ontdekking van de Ottomaanse oudheden de inspiratie was geweest voor een avontuurlijker boek.

Zainab Bahrani, Zeynep Çelik en Edhem Eldem, Scramble for the Past. A Story of Archaeology in the Ottoman Empire. 1753-1914 (2011; SALT Galata; 9789944731270)

[Oorspronkelijk op de website van de Athenaeum Boekhandel]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.