Kapiteel uit

Kapiteel uit Petra

Je bouwt een huis, zet er een houten dak op. Je bouwt een groot huis, de spankracht van het hout is niet voldoende voor zo’n breed dak, je plaatst er een pilaar onder. Om te verhinderen dat het hout van de pilaar van bovenaf splijt, leg je er een paar stukken leer vlak overheen. Dat droogt uit, gaat krullen. Wel zo decoratief. Je raakt eraan gehecht.

Je bouwt van steen een tempel, maakt de pilaren van steen. Je maakt kapitelen. De een hecht aan het leer zoals het aanvankelijk lag, vlak. Dat wordt het dorische kapiteel. De ander hecht aan het gekrulde leer. Dat wordt het ionische kapiteel. Later worden dat “ethnic markers” waarmee de Grieken van het vasteland zich onderscheiden van de Grieken van de eilanden en de Aziatische koloniën.

Lees verder “Kapiteel uit”

Interview met Marcel Hulspas

Een van de bekendste uitspraken over de profeet Mohammed is die van de Franse geleerde Ernest Renan (1823-1892), die zei dat het ontstaan van de islam niet had plaatsgevonden in het geheim, zoals bij zoveel religies het geval was geweest, maar in het volle licht van de geschiedenis. Voor iemand die geen hoge pet op had van de islam was dat een opmerkelijke uitspraak. Renan nam namelijk voetstoots aan dat de verhalen die moslims over hun profeet vertelden, bedoeld waren om letterlijk te worden genomen. Dat is maar de vraag. De verhaalcultuur was destijds een andere.

Maar er is meer aan de hand. Zo fantastisch goed is de vroege islam helemaal niet gedocumenteerd. De voornaamste bron is het Leven van de Profeet door Ibn Ishaq, geschreven ruim een eeuw na het overlijden van Mohammed. Het boek, in het Nederlands vertaald door Wim Raven, gaat terug op ouder materiaal dat lastig is te authenticeren. We zouden graag wat meer bronnen willen hebben die niet door gelovigen zijn geschreven.

Lees verder “Interview met Marcel Hulspas”

Een Arabisch eerstelingenoffer

Inscriptie over een eerstelingenoffer (Louvre, Parijs)

Het huidige Jemen is een van die gebieden uit de oude wereld waar je meer over zou willen weten. De Grieken en Romeinen noemden het “het gelukzalige Arabië” omdat ze meenden dat het spreekwoordelijk rijk was. Hier kwamen immers de karavanen met wierook vandaan. En bijzonder was het gebied inderdaad. De bewoners hadden dammen gebouwd die het water reguleerden, kenden steden en handelden in geurstoffen. De vaak als nederlaag getypeerde campagne die keizer Augustus die kant opstuurde, had wel degelijk een voor de Romeinen positief resultaat: de zeeroute naar de Indische Oceaan werd geopend.

Ik zal er nog eens over bloggen, voor het moment de bovenstaande inscriptie uit Timna, de hoofdstad van het koninkrijkje Qataban. Ze dateert uit de eerste eeuw n.Chr. en ik fotografeerde haar in het Louvre in Parijs. De tekst is kort maar wel aardig.

Lees verder “Een Arabisch eerstelingenoffer”

Assyrische wreedheid

Assyrische soldaten branden een Arabisch dorp plat

Vandaag even een kort stukje over een niet zo heel erg bekend museumvoorwerp dat gek genoeg door honderden mensen per dag wordt gezien: het bovenstaande reliëf, dat afkomstig is uit het paleis van de Assyrische koning Aššurbanipal (r.668-627) in Nineveh. De reliëfs met zijn leeuwenjacht in het British Museum (zie plaatje) zijn veel beroemder dan de strijd tegen de Arabieren hierboven, dat is te zien in de Vaticaanse Musea in Rome. Dagelijks sloffen daar honderden bezoekers langs, maar ze zien het niet meer omdat ze volstrekt murw zijn gebeukt door een menigte van andere, even murw gebeukte toeristen.

Zoals te doen gebruikelijk weten we ook over Aššurbanipals oorlog tegen de Arabieren minder dan we zouden willen. Het woord “Arabieren” werd in de Oudheid gebruikt voor vrijwel alle nomaden die vanaf het Arabische Schiereiland naar het noorden kwamen. In dit geval lijkt het echter te gaan om een groep in het gebied dat wij Jordanië noemen, verwant met de Nabateeërs, met wie ze soms in één adem worden genoemd. Aššurbanipal was trots toen hij deze Arabieren had onderworpen en vertelde hoe hij de Arabische koning Ya’uta’ had vernederd:

Lees verder “Assyrische wreedheid”